"De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis

terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In de stad

of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt,

met de zekerheid het te zullen vinden, het een of ander huis, waar

hij met zijn meester, al is het ook slechts éénmaal, geweest is,

en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan. Daarom kan men hem

leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn

tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij onderscheidt den Zondag van

de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van

den maaltijd; ook is hij goed op de hoogte van de dagen waarop in het

slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en

onderscheidt hieraan de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk

dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak,

andere niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen;

daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend

opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de

gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend leert

verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem

de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren lang onthoudt hij den

weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig,

omdat hij met zijn reukzin veel onderscheiden kan; veel meer aanspraak

maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers

in 't dagelijksch leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een

domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het

geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel;

hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid en zijn

gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan,

pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met een troep Honden een

hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne

kameraden komedie spelen enz. Het is bekend, dat men ook aan Paarden

en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren.

"Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd

worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w. z. zijn

ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na,

wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn. Hij is een echte

oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van

zijn meester: 'wat hij doet, is wel gedaan; ik moet (of mag) het ook

doen.' Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een

tusschen de pooten of wil dien met den bek grijpen en spant zich dus

noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een

wetenschappelijk doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen

zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de

pooten te graven. Als zijn meester aan 't venster zit, springt de

Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn en

kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of

een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid er een ziet

medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer,

gaat van den een naar den ander, om te laten zien hoe knap hij is

en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen

bekommert hij zich in het geheel niet om andere Honden; hij veracht

ze, naar 't schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij

hem achting toedragen.

"De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en

ook de meest geliefde Hond, omdat hij de goedaardigste is. Kinderen

vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te

bijten en ongeduldig te worden toelaat, dat zij hem op allerlei

wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig

hij ook is, toch kan men hem de brokken dikwijls weer uit den bek

halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens

geschoren heeft, kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar

hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder

te scheren, dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij

wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn

meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs,

staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen hoek

van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt,

snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz. Ook is het de

moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet

mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht te zijn, bij hem langs

tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan,

en plotseling, als men niet naar hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij

met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot

optilt, alsof hij, om te maken dat men hem de deur laat uitgaan,

van plan is daar zijn behoefte te doen.

"Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor

wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden, naarmate

hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen,

heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch wil aanhitsen,

kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij

denkt: "het kan toch de bedoeling van mijn meester niet zijn, dat ik

een van zijns gelijken zou aanvallen." Men zou zijn meester kunnen

dooden, zonder dat hij voor hem in de bres sprong. Steeds is hij in

de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen

diens slagen, maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord,

den dreigend opgeheven vinger.

"De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil

komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond zit graag

aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei

middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen tracht hij te breken

of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt

vaak als een mensch, als hij losgemaakt wordt, en doet soms, alsof

hij gek is van blijdschap."

Van 't geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door Giebel een

aardig geval medegedeeld: "In een groote stad, waar een hondenbelasting

geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt, alle Honden zonder

belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en

leelijk, in een groot hok, waar zij zich den tijd kortten door zoo luid

mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil,

schijnbaar in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis,

en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden. De

weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan

't werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden, opende de

deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen

hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw trokken zij

voorbij de poortwachters, die in 't geweer kwamen, de stad binnen,

en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester terug."

De _Rattenvangers_ (de _Pintscher_ van de Duitschers), die nu aan de

beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend;

werkelijk hebben zij (eenige hunner althans) door hun beharing en

door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid

en trouw, vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den

Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw

van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat

zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men onderscheidt

ze in _gladharige_ en _ruigharige_. De eerstgenoemde gelijken door

hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door

de hoogere en rechte pooten en de geheel rechtopstaande of slechts

aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur,

gevlekte komen zeldzamer voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop

forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts

gericht met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken

met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog en

recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn,

den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden.

Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren,

die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun grootste genoegen

Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag

hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met waarlijk onvermoeiden ijver

vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet

onvoorwaardelijk aan te bevelen, daar zij wegens hun voortdurende

onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen

verschaffen; daarentegen zijn zij uitnemend geschikt voor menschen,

die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger

vergezelt zijn meester het liefst, wanneer hij terdege rennen en

loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog

tijd te vinden om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol

bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en

tegen den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig

geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft een

tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de

voorpooten in den grond en heeft in 't volgende oogenblik het in

den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij

Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij, naar Lenz verzekert,

gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel

14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op, maar begraaft ze; Muizen eet

hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg.

De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in

Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen de

Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de

behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om de belangstelling in

dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed;

hierdoor gelijkt dit volksvermaak veel op een hazardspel.

Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft,

is de _Kleine Ruigharige Rattenvanger_, bij ons gewoonlijk

_Smousje_ genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen

rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers

zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier,

den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en liefkoozend

jegens zijne vrienden en zeer dapper in den strijd tegen andere

Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt,

en wordt zelfs hier en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt.

De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een

aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar meer nog dan

de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de

_Huishonden_ in engeren zin (_Canis familiaris domesticus_.) Tot deze

groep behooren de _Herdershonden_, de _Keeshonden_, de _Wolfshonden_,

de _Honden der noordelijke volken_ (_Lappen_, _Kamtschadalen_,

_Eskimos_, _Hazen-Indianen_ enz.), de _Zigeuner-Hond_, de _Chineesche

Hond_, de _IJslandsche Hond_ enz.

De eigenlijke _Herdershond_ verschilt van alle overige Huishonden,

doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den

regel slank gebouwd, mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende

pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte

aanmerkelijk achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de

magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk een

weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige

vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken, die tot aanvulling

van het beeld van dit dier kunnen dienen.

In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar

als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid volledig

verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne

zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende huisdieren

een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet

steeds letten op zijn meester en acht geven op diens bevelen. De

Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten,

want anders zijn zij niet bevreesd voor hem. Als hij de koe voor zich

uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den

staart of in de zijden, en nog veel minder in de uiers. Als een koe

achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt,

maar toch het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de

horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat, toch nog

baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven

hangen. De Spaansche herders gebruiken bij het veehoeden ook nog den

slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen

bestraft geworden is door een steen, die de herder hem tegen den kop

werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt

den weerspannige goed in 't oog en beperkt zijne bewegingen reeds

na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder

moet sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij

mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit aanpakken,

maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil.

Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van

zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de Duitsche

even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal

zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren. Zoekt de herder

zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van

paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten, dan helpt de Hond

hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of

viervoetige roovers: de Hond neemt deel aan de gevechten, die hierbij

noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn

Hond een zachtaardig wezen zijn. De beide bondgenooten komen in aard

overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die

als 't ware ieder woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig

opmerker verhaalde mij hiervan een staaltje, waarvan hij ooggetuige

was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed op het

"raapzaad" moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen,

waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder had gehoord. Tarwe

en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor

hem, van raapzaad had hij echter geen begrip. Na een korte overdenking

ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers

en bleef eindelijk staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden

van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn,

en 't was werkelijk zoo!

Wat de Herdershond is voor het vee, is de _Keeshond_ (de _Spitz_

of _Pommer_ van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens

middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en

langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote

oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht bekleed

met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van

zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering ook zwarte

kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan 't voorhoofd, en witte

merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons, zoodat men hem niet

licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den

voorkeur aan die, welke lange, zachte, zuiver witte haren hebben.

Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken

van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op boerenerven

voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van

hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den voerman ontbreekt hij in

Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te

vervullen; door zijn vroolijken aard verschaft hij den man bij zijn

moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De

Keeshond wordt het meest geschikt geacht voor het genoemde doel,

omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester

onderscheidt, zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of

koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich

neervleit daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn

trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast te

liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid

als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn.

De _Wolfshonden_, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en

krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op

de Herdershonden, welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is.

Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen,

moge de _Eskimo-hond_ dienen; deze gelijkt op de leden van de beide

laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de

onbeschaafde volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn

schouderhoogte bedraagt 50 à 60 cM., in sommige gewesten komen

echter forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij

door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren,

de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige

gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild dier,

hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In

alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft hij verwanten,

die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor 't hoeden van

't vee als voor het trekken van de slede.

Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig

echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf niet verschaft,

door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele

maanden alleen uit vel en beenderen schijnt te bestaan. Hij staat

tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij

in slavenketenen ligt, en tracht deze ketenen te verbreken. Er is

iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn

geest. Door zijn dicht haarkleed, de overeind staande ooren, de

breedte van den bovenkop en de spitsheid van den snoet gelijkt hij

zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in

't geheel niet van elkander onderscheiden kan. De Eskimo-hond rooft en

steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch

deemoedig, als slechts een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor

de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die

onder de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt;

van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon

zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken

lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan hem bevestigd

is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel vóór elkander

aangespannen. Soms beginnen zij gedurende de reis samen te plukharen;

het geheele gespan wordt één verwarde klomp; alle brommen, blaffen,

bijten, razen dooreen; niet eens de met kracht op hen neerkomende

zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk

is de verwarring zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging

niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van

elkander losmaken en opnieuw aanspannen.--Zonder deze Huisdieren

zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De

Honden bewijzen hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10

à 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige

jachttochten. 6 à 10 van deze dieren trekken een slede met een last

van 300 à 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in één

dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM.,

en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild bespeuren,

loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij

bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne meesters, als deze

in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten.

De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden

worden. "Zonder deze Honden", zegt Steller, "kan iemand hier

evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De

Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend van kleur: de meeste echter

zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik-

en langharig. Zij voeden zich met visch. Van de lente tot laat in

't najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd

loopen zij overal vrij rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren

op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij

genoeg Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren,

alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October verzamelt

iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan

laat men ze terdege honger lijden, om te maken, dat zij hun vet

verliezen, voor 't loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra

de eerste sneeuw valt, begint hun ellende; dan hoort men ze dag en

nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den

winter krijgen zij tweeërlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald

op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in

hooge mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit

verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit 's

morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen.

"Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze

dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere slede

gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1

1/2 poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading voor vier Honden

is 5 à 6 poed (82 à 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol

en gevaarlijk is, en men zich er bijna nog meer bij moet inspannen,

dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het

besturen van een hondenslede zoo moede wordt als een Hond, biedt dit

middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst

begaanbare plaatsen van het eene oord naar het andere kan komen,

en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw,

ook voor voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn.

"Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk

een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men zoowel van de

afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt

blijken te zijn, de huiden tot tweeërlei soort van kleedingstukken

verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote

waarde zijn."

De _Vossen_ (_Vulpes_) verschillen door hun langwerpigen romp, den

langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den

regel langwerpig rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte

pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van

de Wolven, dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne

gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die der

andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht

ten zeerste waardig zijn.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 29 / 37 段