dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de machtige invloed,
dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen,
duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden Hond. Een goed onderwezen
Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame
jager wordt door den goed gedresseerden Jachthond, die hem vergezelt,
niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een
Patrijshond gekend, _Basko_ genaamd, die alles deed, wat men van een
dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend
schutter, die in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht
twintig treffers had, of hoogstens éénmaal misschoot. Eens kreeg hij
bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter
met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze vraagt verlof
een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens:
"Schiet vooral goed, anders neemt _Basko_ het u erg kwalijk!" De jacht
begint; _Basko_ krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en
"staat" voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op
te jagen. De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele
Vogel valt ter aarde. _Basko_ kijkt hoogst verbaasd om, en geeft
duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij
gaat echter nogmaals mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op,
die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond
gaat dicht bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol
van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren
daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond,
die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het veld mede te
nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn
hart geworteld.
Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden
opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien. De
africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor
het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men op gewelddadige
wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet
weinige africhters, die zich van deze marteltuigen bedienen. Velen
echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen
hunne leerlingen niet als slaven, maar als verstandige helpers;
zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af.
De _Speurhond_ (in Duitschland _Schweisshund_, in Schotland
_Bloodhound_ of _Talbot_ genoemd), gelijkt in grootte en gestalte
op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers
bekend. De dieren, die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd;
hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot
vaalgeel, met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren;
dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed,
weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar
breeder dan bij de overige Jachthonden; de lippen van den stompen snoet
hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede,
afhangende ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de
uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart
neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en
diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan, zoodat ieder,
die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent.
De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild:
hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het aangeschoten
is. Aan de lijn gehouden (als _leihond_) brengt hij bij het "nazoeken"
den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde
dier zich heeft neergelegd; als men hem los laat loopen, en hij het
wild gestorven vindt, dan slaat hij "dood" aan; als het wild nogmaals
is gaan loopen, vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert,
en aan de jacht met een treffer een einde maakt.
In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne
oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook beschermde
hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig
voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar men meent, is de
Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden.
Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit
geval tot koppels van 6 à 40 stuks vereenigd moeten blijven, zoo lang
nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet
zelden na een verwoeden tegenstand, door de Honden gegrepen, of door
den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt
dus "par force" (door krachtsinspanning) verkregen, en niet van uit de
verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden,
die daarom _Parforce-honden_ of _Brakken_ (_chiens courants_) heeten.
Eén van deze, de _Schotsche Hertenhond_ (_Greyhound_, _Deerhound_),
die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en
Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt,
onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone
snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin nog maar weinig van
deze dieren. Vroeger was dit anders. George III was een hartstochtelijk
liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon
deel nam. Niet zelden werd met zulk een ijver gejaagd, dat van
de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er
nog maar 10 of 20 over waren, als het wild door de Honden gegrepen
werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht
werd dikwijls zoo lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden
en zelfs vele Honden hierbij om 't leven kwamen. Tegenwoordig gaat
dit niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze
jacht te veel hinderpalen in den weg legt.
Een veel belangrijker dier is de _Voshond_. Beroemde mannen hebben zich
meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem
geschreven, en ook nu nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar
't schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van
geheele volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond,
den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond,
de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen
van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding. Een
goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat
hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van den _hertog_ van
Richmond b.v. vonden, naar Bell verhaalt, 's morgens om kwart voor
acht den Vos en grepen hem eerst even vóór 6 uur 's avonds, dus na
een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal
van Paarden verwisselen en verscheidene van deze dieren bezweken;
van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig.
Veel kleiner dan de 55 à 60 cM. hooge Voshond is de _Spion_
(_Stöberhund Choupille_, _Beagle_), wiens schouderhoogte slechts 35
cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en
Dashond is. Hij jaagt kort onder het geweer en "teekent" voor het
wild zonder te "staan". Vroeger werden koppels van deze dieren veel
voor de drijfjacht op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam.
Onder den naam _Zijdehonden_ (_Canis familiaris extrarius_) vat men
gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij
onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige haren bestaande
vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang,
zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog en rugwaarts gekromd
gedragen wordt. Zij heeten ook wel _Spaansche Honden_ (_Épagneul_,
_Spaniel_), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland
Hispaniola (Haïti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan _Prins_
Willem I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande
Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit ras
verkregen.
Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang
achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en een groot
verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden
voor de jacht op klein wild, vooral Vogels, gebruikt; deze heeten
Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een
zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen, daar zij van nature te driftig en
te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen
zij van begeerte bij het vinden van een spoor, en zijn niet in staat
hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna
voortdurend. Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan
voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden ook
in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete
Indië, waar de beste uit ons klimaat afkomstige Honden weldra bedorven
zijn. Kapitein Williamson verhaalt, dat hij eens een van deze kleine,
vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los
gaan. Het vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in 't eerst
verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend
gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij,
dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze beide, in grootte en
kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen,
de groote, vreeselijke Tijger met opgeheven staart als voorganger en
het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan.
De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten _King-Charles_,
de allerkleinste _Blenheim-Hondjes_; de eerste naam brengt in
herinnering, dat Koning Karel II van Engeland buitengewoon veel van
deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden
zich door hun donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige
tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar
en het groote, lange "behang". De allerbeste en meest gezochte van
deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten slechts 3,5
KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien,
en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer zij verstandig behandeld
worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan:
voortdurend op grappen bedacht, laten zij zich met zeer geringe moeite
tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename
eigenschap van deze dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen
zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook
de _Maltezer_ en _Bolognezer Schoothondjes_ en de _Leeuwtjes_ behooren
tot dit ras.
De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de _Newfoundlander_ of
_Terreneuve_ is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal,
sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten
snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke
borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker
teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte,
lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige haren vormen
de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van
deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn zwart met een heldere,
roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan
de voetgewrichten. Een weinig minder veelvuldig komen zwart en wit, of
bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor.
Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen
beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren
met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden
stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate trouw en gehecht
aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De
Newfoundlander is de beste van alle waterhonden; het water schijnt zijn
eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van
zwemmen en verstaat deze kunst uitnemend; hij duikt als een zeedier
en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze
Honden in een wijde inham van de zee, op mijlen afstands van de kust;
men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen
had. Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze
hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den wind, als
voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane
dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp uit het water, zelfs
bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan
hem op geen wijze meer genoegen doen, dan door hem de gelegenheid te
geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met
hem te water begeeft, vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt
buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch,
evenals hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke
moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu eens zwemt
hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder
hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde dragen of ondersteunen,
kortom, hij wil in 't water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn
meester zich vermoeid naar den oever begeeft, tracht de Hond hem tot
een nieuwen wedstrijd over te halen.
De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging
in 't water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer dikwijls
heeft hij aan verdrinkende menschen het leven gered. In plaatsen,
die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste
kinderoppasser, dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het
kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen;
men kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed
zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast is. Bij
deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote
goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid voor ontvangen
weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een
onrechtvaardige behandeling of straf, die hij ondergaan heeft; voor
lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk.
Met den Newfoundlander heeft de _St. Bernards_- of _Bernhardinerhond_
eenige overeenkomst. "De St. Bernhardshonden," zegt Tschudi, "zijn
groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en
lang 'behang'; zij zijn buitengewoon scherpzinnig en trouw. Door vier
geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet
meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne trouwe diensten door lawinen
om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke
verschilt, wordt nu gefokt, en een jong dier dikwijls zeer duur
verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van
den St. Bernard, dat 2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den
somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9
maanden duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken,
in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die zoo
fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan
stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt de wind dit
ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 à 40 voet hoogte op, die paden
en afgronden bedekken en bij den geringsten schok in de diepte storten.
"De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen
helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen en in
den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt
zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden reiziger met
vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een
zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een spleet, de andere
wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den
nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt en in de wildernis van
honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den
slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt. Zonder de echt christelijke en
zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas
ieder jaar slechts gedurende weinige weken of maanden begaanbaar
zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van
de verzorging en redding der reizigers. Kosteloos vinden deze in
't klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het
haardvuur nooit uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd
menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen
is echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij
de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag gaan
twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van
den pas: één van de laagst gelegen herdershut van het klooster
naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij
onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd;
verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de 'zoekers,'
die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven,
draagbaren en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor
wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de
Honden wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het
volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms dagen
achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een
door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij langs den kortsten
weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed
staande monniken naar den ongelukkige. Als zij een lawine ontmoeten,
onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken,
en als hun fijne neus hun daarvan de zekerheid geeft, beginnen zij
onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen
en groote lichaamskracht hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij
aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn,
op den rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze
schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken
van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De
beroemdste Hond van dit ras was _Barry_, een onvermoeid werkzaam dier,
dat aan meer dan 40 menschen het leven redde."
Een dichter heeft dezen Hond bezongen; Tschudi haalt dit gedicht in
zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in
gebonden taal geschreven is, n.l. de beschrijving, die Scheitlin van
_Barry_ geeft. "De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen," zegt
hij, "was niet die, welke de wachten van den Akropolis van Korinthe
deed ontwaken, ook niet de Bloedhond _Beçerillo_, die honderden van
naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter,
die op bevel van zijn meester, een beangste reiziger vergezelde en
beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook
niet Dryden's '_Draak_,' die na een wenk van zijn meester, op vier
bandieten aanviel, eenige hunner doodde en zóó zijn heer het leven
redde, niet die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar
in 't water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug te
Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in
de golven ontrukte, ook niet Aubry's Hond, die woedend den moordenaar
van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid
van den koning plaats had, verscheurde, ook niet de Hond van Benvenuto
Cellini, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen
stelen wilde, maar _Barry_, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij,
_Barry_, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij
waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een warme ziel
voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met
een korfje vol brood en zoete, versterkende lafenis aan den hals,
verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder,
dag aan dag, om ingesneeuwde, door lawinen bedekte ongelukkigen op
te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek,
snel naar huis te rennen, opdat de kloosterbroeders met u kwamen en
met spaden u bij 't graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een
doodgraver, gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een
fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen
maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben
durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster te laten
dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige poort,
om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging
over te geven. En toen de zoete last u afgenomen was, sneldet gij
dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door
iedere naar wensch geslaagde poging nam uw ervaring toe en werdt
gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad,
dat zij voortdurend goede gevolgen teweegbrengt!"
Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en
alle andere hospitiën worden, volgens Tschudi, uitmuntende Honden
gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls
Newfoundlanders of kruisingsproducten van deze. De hospitiumbewoners
op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter
het naderen van slecht weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en
door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo
beroemd als _Barry_ is geen hunner echter geworden.
Een Zijdehond is ook de algemeen bekende _Poedel_. Hem te beschrijven,
komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel eigenaardigheden heeft,
die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam
met de lange, wollige, vlokkige haren, die op vele plaatsen echte
lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de
lange en breede ooren onderscheiden hem van zijne verwanten. Een fraaie
Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn
overigens zuiver zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben.
De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden,
doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en gaarne,
en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter
is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden; in dit opzicht
doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter
te schetsen, ontleen ik de woorden aan Scheitlin, een zijner warmste
vereerders. "Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft
den fraaist gevormden kop, den best gebouwden romp, de schoonste
gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet
hoog en niet laag, niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig
voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden
voor allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit
zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem aan,
zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te
verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt hij gewaar, dat hij
het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer
hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij onderscheidt de spijzen zeer goed
en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een
zoek geraakt kind een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken,
kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind
terugvinden. Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem
het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn;
voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn
gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem zijns meesters,
merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de
klokken en schellen, herkent de huisgenooten aan hun wijze van gaan
en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter
minder ontwikkeld: hij ziet niet goed, hij herkent zijn meester door
het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is.