"Zijn lichaamskracht was geëvenredigd aan zijn kolossale

grootte. Spelend droeg hij b.v. een hengselkorf, die 2.5 KG. zwaar was,

geruimen tijd achtereen. Een volwassen mannetje van een Heideschaap,

die hem in 't voorbijgaan gestooten had, droeg hij, zonder hem

eenigszins te beschadigen, over twee spoorwegafsluitingen heen naar

mij toe. Een woedende, dreigend op mij losloopende os, die met een

aantal koeien naar de weide gedreven werd, hield hij zoo stevig aan

den hals vast, dat het dier luidkeels brulde van pijn en ontsteld

wegliep, toen het van zijn aanvaller bevrijd werd. De wanden van

een sterke, van nieuwe planken getimmerde verhuiskist, waarin 'Tom'

eens verstuurd zou worden, en die, naar de kastenmaker meende,

sterk genoeg zou zijn voor een Tijger, vernielde hij, voordat hij

aan het dichtbij gelegen spoorwegstation was aangekomen. Als hij op

het punt stond, toe te schieten op iets, dat zijn toorn had opgewekt,

kon zelfs de sterkste man hem niet in toom houden, maar werd als een

kind omgeworpen en voortgesleept.

"In alle huiselijke aangelegenheden toonde hij belangstelling, alsof

hij een mensch was. Wanneer iemand b.v. bedlegerig werd, bleef hij uren

lang bij 't bed van den zieke zitten, hield zijne oogen voortdurend

op diens gelaat gevestigd, en legde om zijn medelijden te toonen

zijn snuit of zijn poot zachtjes op de hand, die hem toegestoken

werd.... Als de post een pakje had gebracht van een buitenshuis

vertoevend kind, kon hij uit blijdschap nauwelijks den tijd afwachten,

waarop de inhoud werd uitgepakt; hij greep dan het eerste het beste

voorwerp, dat in het pak gezeten had en ging daarmede rond bij alle

leden van het gezin, die niet bij het uitpakken tegenwoordig waren,

om hen op deze wijze met de blijde gebeurtenis bekend te maken. Het

was dan ook geen wonder, dat hij weldra de lieveling van alle, vooral

echter van de vrouwelijke huisgenooten was geworden.

"Allervermakelijkst was zijn gedrag, als hij de kans schoon zag

om aan mijne dochters een voorwerp, dat zij bij hunne handwerkjes

noodig hadden, b.v. een paar opgevouwen kousen, een groote kluwen

wollen garen of zoo iets, heimelijk, naar hij meende te ontkapen,

en in zijn grooten bek te laten verdwijnen. Als zij dan het geroofde

voorwerp opzettelijk met in 't oogvallenden ijver zochten, had hij

zijn doel bereikt, nam een onverschillige houding aan en zette een

onnoozel gezicht, om te laten zien, dat hij van de oorzaak van de

opschudding niet het minste vermoeden had; het vermiste voorwerp

gaf hij, sluw knipoogend, eerst dan terug, als men zich direct tot

hem wendde met de vraag: '_Tom_! weet jij dan niet, waar dit of dat

gebleven is?' Als ik toevallig bij dit spel tegenwoordig was, kwam

hij, voordat men hem deze vraag gedaan had, en nadat hij zich door

een blik op de meisjes overtuigd had, dat er niet op hem gelet werd,

ongeroepen bij mij, sperde zijn bek zoo wijd open, dat ik het gezochte

voorwerp zien moest, wierp mij tersluiks een schelmschen blik toe,

die van innige verstandhouding getuigde, om dan, terwijl hij zich

omdraaide, het domme gezicht van vroeger weer aan te nemen, en naar

zijn plaats terug te keeren.

"Het zou den lezer te zeer vermoeien, wanneer ik een beschrijving

gaf van alle overige vaardigheden en talenten, die deze Hond bezat,

hoewel zij in den regel als een kenmerkende eigenschap van andere

Hondenrassen beschouwd worden; ik zal mij bepalen tot het mededeelen

van nog een staaltje van buitengewoon verstand. Eens bevond ik mij,

door mijn Hond vergezeld, in de nabijheid van het spoorwegstation, toen

er juist een personentrein binnenstoomde. Uit gewoonte keek ik naar den

voorbijsnellenden trein, om te weten of er ook een bekend gezicht aan

een der coupé-vensters te zien was. Ik bemerkte intusschen, dat _Tom_

beurtelings aandachtig naar mij en naar den trein keek, blijkbaar

in de meening, dat ik iemand verwachtte. Begeerig om te weten,

of ik zijne gedachten geraden had, riep ik hem toe: 'Ja, _Tom_! ga

er heen!' Bliksemsnel rende de Hond toen den spoorweg op en achter

den trein aan naar het station. Langs een korten omweg ging ik zoo

spoedig mogelijk ook daarheen. Ik kwam nog juist bijtijds om te zien,

hoe _Tom_ in de eerste plaats haastig alle pas aangekomen reizigers

in oogenschouw nam, daarna twee maal langs de geopende compartimenten

ging om ze te onderzoeken en ten slotte, toen hij geen bekend dierbaar

wezen daarin vond, treurig den terugtocht aannam. Sedert dien tijd

gebruiken wij den Hond als een betrouwbaren bediende voor het afhalen,

vooral als het donker was, van alle in een nauwe betrekking tot ons

huis staande reizigers, die wij verwachtten. Zoodra de bepaalde trein

aankwam, drong _Tom_ door de dichte menschenmassa heen tot aan de

waggons, begroette kwispelstaartend de verwachte gasten, vleide hun

een stuk van hun bagage af, liep hiermede fier vooruit, deed dus ook

uitmuntend dienst als baanbreker, en bracht het gezelschap langs den

kortsten weg naar ons, die niet op het perron waren."

Bij den _Bullenbijter_ is de romp ineengedrongen, dik, in de flanken

slechts weinig samengetrokken, de rug niet gekromd, de borst breed

en diep, de hals tamelijk kort en dik, de kop rondachtig, hoog, het

voorhoofd sterk gewelfd, de snoet kort, naar voren smaller wordend

en zeer sterk afgeknot. De bovenlip hangt aan weerszijden over de

onderlip heen (van voren wijken de lippen echter niet uiteen), beide

zijn voortdurend met speeksel bedekt; de vrij lange en middelmatig

breede ooren zijn afgerond en half-hangend, d. w. z. zij staan voor de

helft rechtop, terwijl de top omgebogen is en naar beneden hangt. De

krachtige pooten zijn middelmatig hoog. De staart is bij den wortel

dik, wordt naar den spits dunner, is vrij lang en reikt tot op het

hielgewricht, hij wordt zelden rechtuit of naar achteren gestrekt,

maar meestal omhoog gericht en naar voren gebogen. De kleur is òf

vaal òf bruinachtig geel, soms met een zwartachtig waas overtogen; de

snuit, de lippen en de buitenste randen der ooren zijn zwart; evenals

bij alle Honden, komen ook bij deze vele afwijkingen van kleur voor.

Vermoedelijk is de Bullenbijter uit Ierland afkomstig; daar vindt men

althans de uitnemendste rassen die er bestaan. Wegens de zwaarte

en logheid dezer dieren loopen zij niet snel en ook niet lang

achtereen. Daarentegen hebben zij een buitengewone spierkracht, veel

vastberadenheid en een ongeloofelijken moed; men zou zelfs kunnen

zeggen, dat zij, op weinige uitzonderingen na, als de moedigste van

alle dieren beschouwd kunnen worden. Wegens hun spierkracht zijn de

Bullenbijters bijzonder geschikt voor een moeilijke en gevaarlijke

jacht en voor den strijd met wilde dieren. Hunne geestesgaven zijn

niet zoo uitmuntend als die van vele andere Hondenrassen; zij staan

echter in dit opzicht niet zoo laag, als gewoonlijk aangenomen wordt;

want iedere Bullenbijter gewent zich aan den Mensen en offert zonder

aarzeling zijn leven voor hem op. Hij is uitmuntend geschikt voor het

bewaken en beschermen van het huis, en verdedigt het hem toevertrouwde

goed met een waarlijk voorbeeldeloozen moed. Als reisgezel in

gevaarlijke, eenzame gewesten is hij onbetaalbaar. Men verhaalt,

dat hij zijn meester met gevolg tegen 5 à 6 roovers verdedigd heeft,

en er zijn voorbeelden van bekend, dat hij als overwinnaar uit zulk

een ongelijken strijd te voorschijn kwam in weerwil van de tallooze

wonden, die hij ontvangen had. Hij wordt ook als wachter bij kudden

Rundvee gebruikt, en is in staat om zelfs den wildsten stier in toom

te houden, want hij is behendig genoeg om op het juiste oogenblik

zijn tegenstander met de tanden bij den bek te pakken en zich zoo

lang vast te houden, totdat de stier zich gewillig aan de overmacht

van den Hond onderwerpt. Voor den strijd met groote roofdieren,

zooals Beren, Wolven en Wilde Zwijnen, kan hij gemakkelijk afgericht

worden. Tegenover andere Honden gedraagt hij zich zeer loffelijk. Hij

zoekt slechts zelden twist, en laat zich vooral van kleine Honden veel

welgevallen. Hij is trouw en gehecht aan zijn meester, maar is voor

vreemden steeds gevaarlijk, hij moge los loopen of aan den ketting

liggen; als hij op menschen aangehitst wordt, is hij werkelijk zeer

te vreezen.

Zeer nauw verwant aan de Bullenbijters zijn de eigenlijke _Doggen_,

zeer groote en sterke dieren, met grooten, dikken, van voren recht

afgeknotten snoet, welks bovenlip, hoewel zij aan de zijden over de

onderlip heen hangt, den mond van voren niet sluit, zoodat het gebit

voortdurend zichtbaar blijft. De neus is niet zelden gespleten, de

vacht kortharig en gewoonlijk effen rood van kleur, dikwijls echter

bont. In vroegere tijden, toen het land minder veilig was dan thans,

kwamen de Doggen vrij veelvuldig voor, tegenwoordig treft men ze

alleen bij sommige hondenliefhebbers aan.

Een der grootste rassen is de _Engelsche Dog_ (_Mastiff_), die vaak

als wachthond dienst doet.

Bij ons ontmoet men het meest een ras van middelmatige grootte, dat

in dit opzicht hoogstens met een Patrijshond vergeleken kan worden,

dikwijls echter nog aanmerkelijk kleiner is. In den regel is dit dier

licht isabelkleurig; men krijgt echter ook wel eens, hoewel minder

dikwijls, donkerder gekleurde Doggen te zien.

De _Bulhond_, _Bulldog_ of _Boxer_ wordt vooral in Engeland veelvuldig

gehouden. Meer nog dan de Bullenbijter, wordt hij als een woedend,

ongenaakbaar en stompzinnig dier beschouwd; dit geldt echter niet

van alle dieren van dit ras. Hij geeft aan zijn meester bewijzen

van trouw en gehechtheid; maar alleen, als hij dezen volkomen heeft

leeren kennen, en bij ervaring weet, dat zijn lichaamskracht in alle

omstandigheden het onderspit moet delven voor de geestesgaven van den

mensch; zoolang hij dit niet weet, bestaat de mogelijkheid, dat hij

een poging doet om den mensch op soortgelijke wijze te behandelen als

de dieren. De Bulhond is buitengewoon bijtlustig en heerschzuchtig;

het is hem een waar genoegen, een ander dier dood te bijten. Tot

zijn lof moet echter opgemerkt worden, dat zijn moed nog grooter is,

dan zijn waarlijk verschrikkelijke sterkte.

Wat de Boxer eens gegrepen heeft, laat hij zoo licht niet weder

los. Men kan hem in een stok of een doek laten bijten en hem bij deze

voorwerpen optillen, op den rug werpen en andere dingen met hem doen,

zonder dat hij zijn gebit opent.

De eigenschappen van de Doggen waren reeds aan de Romeinen bekend,

en werden door hen op hoogen prijs gesteld, omdat deze dieren meer

dan alle overige Honden geschikt waren, om een hoofdrol in de bloedige

spelen van het Circus te vervullen.

Niet alle Doggen zijn aangename gezellen van den mensch. Het is wel

eens voorgekomen, dat zij hun eigen, nieuwen meester in staat van

beleg verklaarden en hem dwongen te blijven waar hij was. Het is

daarom best te begrijpen, waarom de Bulhonden tegenwoordig niet meer

zeer in den smaak vallen. Zij zijn echter niet zoo arm aan geest,

als men gewoonlijk meent; integendeel, sommige dieren van dit ras

komen in verstand den Poedel zeer nabij.

Tot de Doggen behoort ook nog een caricatuur van een Hond, men vergeve

mij de uitdrukking, n.l. de _Mops_, eigenlijk een Bullenbijter in

't klein, wiens snoet op zeer eigenaardige wijze afgeknot is en die

een kurketrekkervormig gekromden staart heeft. Zijn ineengedrongen

krachtigen lichaamsbouw en wantrouwigen, brommigen aard, doen hem

zeer veel op de Bulhonden gelijken.

De Mops, die vroeger zeer algemeen verbreid, later bijna

uitgestorven was, behoort sedert weinige jaren weder tot de geliefde

Hondenrassen. Hij wordt licht vertroeteld en bedorven, is dan nukkig

en lastig; vele menschen hebben een hekel aan hem.

Een groot ras van Bullenbijters, de _Cubaansche Bloedhonden_, werd

in vroegere tijden voor een afschuwelijk doel gebruikt. Men richtte

deze dieren af om menschen te vangen, neer te vellen, of zelfs te

dooden. Reeds bij de verovering van Mexico maakten de Spanjaarden

gebruik van dergelijke Honden in den strijd tegen, of tot het opsporen

van Indianen, en een van hen, _Beçerillo_ genaamd, is beroemd, of

liever berucht geworden. Hij muntte evenzeer door stoutmoedigheid als

door schranderheid uit. Hij bekleedde een hoogen rang onder de Honden

van het leger en kreeg daarom een dubbele portie eten. Bij den aanval

was hij gewoon zich in de dichtste drommen der Indianen te werpen,

één hunner bij den arm te vatten en hem op deze wijze als gevangene

weg te brengen. Als hij gehoorzaamde, deed de Hond hem overigens

geen kwaad, als hij echter weigerde mede te gaan, wierp het dier

hem oogenblikkelijk op den grond en beet hem dood. De Indianen die

zich onderworpen hadden, wist hij nauwkeurig te onderscheiden van de

vijanden en deed hen geen leed.

Nog in het jaar 1798 werden op Jamaika Honden van dit ras voor het

bedwingen van een slavenoproer gebruikt; toen waren het echter geen

Spanjaarden, maar Engelschen, die op deze wijze op menschen jacht

maakten.

Een andere _Dog_, die eveneens reeds aan de Romeinen bekend was,

is de _Tibetaansche_, een prachtig, groot dier, dat een werkelijk

indrukwekkend voorkomen heeft. In grootte overtreft hij alle overige

rassen, bovendien is hij schoon van gestalte en fraai van kleur. De

langharige, ruige vacht is grootendeels zwart, de snuit en de

wenkbrauwenstreek zijn geelachtig. De bruikbaarheid en gehoorzaamheid

van dit dier worden in zijn vaderland zeer geroemd; in alle dorpen

van de gebergten van Tibet doet het dienst als bewaker van het huis

en van het vee.

De _Dashonden_ (_Canis familiaris vertago_), in Engeland _Terrier_

genoemd, verschillen aanmerkelijk van de Doggen. Zij onderscheiden

zich van alle overige rassen door den hoogst eigenaardigen vorm

en andere merkwaardige eigenschappen. De lange, rolvormige, naar

onderen gekromde romp, met den naar binnen gebogen rug, die op korte,

verdraaide pooten rust, de groote kop en de groote snoet met het

degelijke gebit, de hangende ooren, de groote teenen met de scherpe

klauwen en het korte, gladde, stijve haar kenmerken hen. De pooten

zijn zeer kort, plomp en sterk; de voorste ledematen zijn naar binnen

gebogen, zoodat de handgewrichten elkander bijna aanraken, vandaar

te beginnen zijn zij echter plotseling weder naar buiten gekromd;

aan de achterpooten merkt men een iets hooger geplaatsten, met een

klauw gewapenden binnenteen op. De staartspits bereikt nagenoeg het

hielgewricht; de staart wordt hoog naar boven gericht en sterk naar

binnen gebogen, zelden recht uitgestrekt gedragen. Het haar is kort en

grof, maar glad en nog al verschillend van kleur, aan de bovenzijde

gewoonlijk zwart of bruin, van onderen roestrood, niet zelden ook

eenkleurig bruin of geelachtig, soms zelfs grijs of gevlekt. In den

regel staan een paar licht roestroode vlekken boven de beide oogen.

De afkomst van den Dashond ligt nog geheel in 't duister. Xenophon

heeft hem, naar 't schijnt, gekend; ook vindt men hem afgebeeld in

oud-Egyptische tempels. In verhouding tot zijn geringe grootte is de

Dashond een buitengewoon sterk dier, dat bovendien zeer moedig is. Op

de jacht verzot, zelfs meer dan de meeste andere Honden, zou hij voor

de vervolging van alle soorten van wild gebruikt kunnen worden, als

hij niet de onhebbelijkheid had, zich weinig of niet om het bevel van

zijn meester te bekommeren en gewoonlijk ook die van te "scheuren",

d. w. z. het buit gemaakte wild aan te vreten. Alle Dashonden hebben

een zeer fijnen speurneus en een buitengewoon fijn gehoor; moed

en verstand bezitten zij in de hoogste mate, ook zijn zij dapper en

volhardend; zij kunnen daarom voor iedere jacht gebruikt worden; zelfs

op een Wild Zwijn gaan zij onverschrokken af; zeer behendig weten zij

buiten het bereik te blijven van de tanden van dit woedende dier, dat

hen wegens hun geringe hoogte toch al niet zoo gemakkelijk pakken kan

als een grooteren Hond. Zij zijn schrander, leerzaam, trouw, vroolijk

en prettig in den omgang, waakzaam, laten zich door vreemden niet licht

tot ontrouw verleiden; ongelukkig zijn zij tevens listig en diefachtig,

en op lateren leeftijd ernstig, knorrig, bijtlustig en dikwijls valsch.

Op de jacht heeft men dikwijls heel wat moeite met hen. De Dashond

wijdt zich aan de vervolging van het wild met een ongeloofelijken

ijver en begeeft zich in de verwardste wildernissen; ook vindt hij,

geholpen door zijne voortreffelijke zintuigen, weldra een stuk wild: nu

echter vergeet hij alles. Al is hij vroeger ook nog zoo vaak gekastijd

geworden wegens zijn ongehoorzaamheid, de jager moge hem fluiten,

roepen, naar hem zoeken,--het baat alles niets: zoo lang hij het wild

voor oogen heeft of het spoor er van vervolgt, gaat hij zijn eigen

gang met een eigenzinnigheid, die bij geen ander ras van Huishonden

in deze mate voorkomt. Uren achtereen vervolgt hij den opgejaagden

Haas, uren lang woelt en graaft hij in een hol, waarin een Konijn zich

verscholen heeft, onvermoeid rent hij een Ree achterna en vergeet onder

deze bedrijven volkomen afstand en tijd. Als hij vermoeid is, gaat hij

liggen, en zet de jacht voort, als hij uitgerust is. Om deze redenen is

de Dashond gewoonlijk slechts voor één jachtbedrijf bruikbaar: n.l. om

dieren, die onder den grond wonen, uit hunne holen te verdrijven.

Dressuur heeft de Dashond niet noodig. Men tracht jongen te verkrijgen

van een recht goede teef en houde ze gedurende den zomer in een open

hok, in den winter in een warmen stal; men moet ook alles vermijden,

wat hen schroomvallig zou kunnen maken; want den moed, die hun van

nature eigen is, moet in alle omstandigheden gestaald of althans in

stand gehouden worden.

Van den bij ons zeer zeldzamen _Otterhond_, die naar zijn vaderland

_Skije-terrier_ heet, is de afkomst niet met zekerheid bekend;

volgens sommigen is hij ontstaan door kruising van een Ruigharigen

Terrier met een aan de Dashonden verwant ras, dat rechte pooten heeft,

en _Spithond_ genoemd wordt, omdat men het in Engeland en Frankrijk

voor 't draaien van 't braadspit gebruikt, en hiervoor, evenals bij

ons den Karnhond, in een tonvormig treerad laat loopen.

De Otterhond is een forsch gebouwd dier, met tamelijk langen romp,

rechte pooten, langen kop, tamelijk spitsen snoet en hangende

ooren; zijn schouderhoogte bedraagt niet zelden 60 cM. Zijn ruige,

verwarde middelmatig lange vacht is meestal licht (grijs of geel)

van kleur. Hij is zeer goed tegen temperatuurswisselingen bestand, kan

uitstekend zwemmen en duiken, en wordt daarom veel voor de otter-jacht

gebruikt. Vroeger deed dit dier ook wel bij de Hazenjacht dienst;

het heet daarom ook thans nog "_Welsh Harrier_."

De groep der _Jachthonden_ (_Canis familiaris sagax_) omvat een veel

grooter aantal rassen en vormen dan die der Dashonden; ook zijn zij

veel beter geschikt om goed afgericht te worden voor de diensten, die

men van hen verlangt; zij nemen hierdoor onbetwistbaar den hoogsten

rang in onder de Huishonden. Reeds bij ons is het aantal rassen niet

onbelangrijk; veel meer heeft men er echter in Groot-Brittannië,

waar men zich reeds sinds lang met ijver op het veredelen van

deze uitmuntende dieren toelegt. Dit doel wordt vooral door een

doelmatige keuze van de voor 't fokken gebezigde rassen bereikt;

steeds leert de ervaring, dat uitmuntende ouders voortreffelijke jongen

voortbrengen. Alle deze dieren zijn krachtig, snel ter been en door de

hooge ontwikkeling hunner zintuigen, en vooral door hun uiterst fijnen

reuk meer dan de overige Honden voor de jacht geschikt. Zij hebben

zulk een sterk speurvermogen, dat zij het spoor van het wild nog na

verloop van uren, ja zelfs van dagen, door den reuk waarnemen kunnen.

Van de hiertoe behoorende rassen willen wij de meest bekende, de

_Staande Honden_, het eerst beschouwen. Zij zijn middelmatig groot

en tamelijk forsch gebouwd; hun snoet is lang en dik, de neus soms

gespleten, het oor breed, lang en hangend (men noemt de oorlappen "het

behang"); zij zijn òf kort en gladharig, òf langharig, òf ruigharig;

hun kleur is gewoonlijk wit met bruine, zeldzamer met zwarte vlekken;

men treft echter ook geheel witte, bruine, zwarte of gele exemplaren

aan.

De namen waaronder verschillende rassen van Jachthonden hier te lande

bekend zijn, worden wel eens verwisseld, of althans door sommigen in

ruimeren zin gebruikt dan door anderen. Zoo wordt de naam _Staande

Hond_ soms beperkt tot de gladharige verscheidenheid; terwijl de

naam _Patrijshond_ meer bepaaldelijk tot aanduiding van de lang- en

ruigharige rassen dient. Beide namen worden echter ook wel gebezigd

tot aanwijzing van al deze rassen te zamen genomen. De Engelschen

zijn in dit opzicht nauwgezetter. Hun gladharige Staande Hond heet

_Pointer_: dit dier "teekent" (d. w. z. wijst den jager het wild)

door in de nabijheid van het door hem opgespoorde dier onbewegelijk

te blijven staan, het heeft den neus naar het doelwit van de jacht

gericht (_chien d'arrêt_). De langharige Engelsche staande Hond heet

_Setter_, omdat hij gewoon was te "teekenen" door te gaan zitten of

liggen bij de plaats waar het wild verborgen is (_chien couchant_);

tegenwoordig wordt hem meestal geleerd, dit op dezelfde wijze te doen

als de Pointer.

De Staande Honden zijn uitmuntende, schrandere, leerzame, volgzame

dieren, hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op allerlei wild,

en hiervoor in den letterlijken zin van 't woord onontbeerlijk. Zij

sporen het wild op, zoowel door het nauwgezet volgen van het versche

spoor, als ook doordat zij van de dieren zelf de lucht krijgen; in

gunstige omstandigheden kunnen zij het kleine wild reeds op een afstand

van 30 en zelfs van 50 schreden door den reukzin waarnemen.--Diezel

roemt den Staanden Hond als verreweg de voortreffelijkste van alle

Jachthonden. Den hoogsten trap van volkomenheid zal dit dier echter

alleen dan bereiken, als zijn afkomst geheel zuiver is, zoodat het

van nature een uitmuntenden aanleg, en vooral een zeer scherpen

reuk bezit. Het mag niet door vreemden opgevoed zijn, maar moet,

om ieder woord, iederen wenk van den jager, wiens metgezel hij zal

worden, te leeren verstaan, geen anderen meester gekend hebben. Deze

moet alle eigenschappen van een goeden opvoeder, en wel in de eerste

plaats geduld, in hooge mate bezitten, en bovendien een uitmuntend

schutter zijn.

Diezel beschrijft de werkzaamheid van den Staanden Hond als volgt:

"Een volkomen goed afgerichte, van jongs af doelmatig geleide Hond

van 3 of 4 jaar, zal, volgens zijn natuurdrift, het wild opsporen

met een steeds naar den wind gerichten neus, en zich nu eens naar

rechts, dan weer naar links begeven. Van tijd tot tijd blijft hij even

stilstaan, en kijkt om naar zijn meester, die dan door een gebaar

de streek aanwijst, die afgezocht moet worden. Deze wenken worden

zeer nauwkeurig opgevolgd. Zoodra het dier de lucht krijgt van het

gezochte wild, wordt de beweging van den staart, die vóór dien tijd

geen oogenblik in rust was, plotseling gestaakt. De Hond verandert op

eens in een levend beeld. Dikwijls echter sluipt hij als een Kat, met

lichte schreden, dichter bij, voordat hij geheel stilstaat. Weinige

oogenblikken later wendt hij den kop naar zijn meester, om te zien,

of deze het teeken heeft opgemerkt en nadert. Wanneer de jager, door

den aard van het terrein (b.v. in een bosch of in het hooge koorn)

den Hond niet zien kan, zal deze soms voor een korte poos zijn plaats

verlaten en zijn meester opzoeken, om hem naar het gevonden wild te

geleiden. Van de vele Honden, die ik gehad en gebruikt heb, waren

echter slechts eenige zoo loos; ook waren zij dit niet reeds in den

eersten tijd, maar leerden het eerst in latere jaren."

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 27 / 37 段