Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel

voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel en helper; zelfs

den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld

is gekomen dit dier een eigen naam te geven, bewijst de Hond in

de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien

van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. Voor den bewoner der

Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt

hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen van zijn vaderland,

of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In

het noorden van Azië worden hondevellen tot kleedingstukken verwerkt;

in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen,

banden en beenderen wordt lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer

komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot

dansschoenen, aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen

van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk enz.;

het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die

"Grieksch wit" (_Album graecum_) wordt genoemd, omdat de Grieken het

voor 't eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in

den oorlog moesten de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden

zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk

aan 's vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in

de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen van

de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden

bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe rol: vele

van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden

even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige helden, die deel

uitmaakten van de roofgierige benden der _Conquistadores_. Even als

alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze

Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, een evenredig aandeel

van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de

gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, die zich aan het gezag

der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de

wildernis op te sporen.

Reeds sedert de vroegste tijden zijn de Honden den menschen nuttig

geweest; de wijze, waarop zij behandeld werden, en de achting, die men

voor hen had, was echter zeer ongelijk: Socrates was gewoon bij den

Hond te zweren; Alexander de Groote was over den dood van een zijner

lievelingshonden zoo bedroefd, dat hij te zijner eere een stad met

tempels liet bouwen; Homerus bezingt _Argos_, den Hond van Odysseus

op een waarlijk treffende wijze; Plinius acht de Honden zeer hoog en

verhaalt allerlei merkwaardigheden van hen. Hij verhaalt o.a., dat

de Kolophoniërs, die voortdurend oorlog voerden, met het oog hierop

groote troepen Honden onderhielden, dat de Honden altijd het eerst

aanvielen, en in geen veldslag in gebreke bleven. Toen Alexander de

Groote naar Indië trok, had de koning van Albanië hem een grooten

Hond geschonken, waarmede de veroveraar zeer ingenomen was. Hij

liet daarom Beren, Evers en dergelijke dieren bij den Hond brengen,

maar deze bleef stil liggen en wilde niet opstaan. Alexander meende,

dat de Hond lui was, en liet hem ter dood brengen. Toen de koning van

Albanië dit vernam, zond hij nog een Hond van dezelfde soort met de

boodschap, dat Alexander geen zwakke dieren tegenover den Dog moest

plaatsen, maar Leeuwen en Olifanten; hij, de Koning, had slechts twee

zulke Honden gehad; als Alexander dezen liet dooden, had hij er geen

meer over. De Macedonische vorst liet het dier daarom eerst met een

Leeuw, later met een Olifant vechten; de Hond doodde ze allebei.--De

oude Egyptenaars gebruikten de Honden op de jacht, en achtten ze zeer

hoog, zooals uit de afbeeldingen op de gedenkteekenen blijkt. Bij de

Joden daarentegen werd de Hond veracht, zooals door vele aanhalingen

uit den Bijbel aangetoond kan worden; de hedendaagsche Arabieren

zijn ongeveer van hetzelfde gevoelen. Hoog geëerd was de Hond bij de

oude Germanen. Toen de Cimbrem in het jaar 108 v. C. door de Romeinen

overwonnen waren, moesten deze eerst nog een hevigen strijd voeren met

de Honden, die de goederen bewaakten. De Kanarische eilanden ontleenen,

naar Plinus bericht, hun naam aan de Honden. In Peru werden, volgens

Von Humboldt, bij een maansverduistering de Honden zoo lang geslagen,

tot de duisternis geweken was.

Vermakelijk is het te lezen, wat de oude schrijvers van het gebruik

van den Hond voor geneeskundige doeleinden berichten. Nagenoeg al

zijne lichaamsdeelen dienden als geneesmiddelen.

Nu hebben wij den Hond in 't algemeen beschouwd; het wordt tijd,

dat wij eenige van de voornaamste rassen van dezen merkwaardigen

diervorm behandelen; natuurlijk kunnen wij alleen voor eenige van

de belangrijkste een plaats in dit werk inruimen, omdat het aantal

rassen zoo verbazend groot is: Reichenbach vermeldt er 195.

De _Windhonden_ (_Canis familiaris grajus_) zijn kenbaar aan hun

uiterst slanken, sierlijken romp, den spits toeloopenden, fijn

gebouwden kop, de dunne, hooge ledematen, en in den regel ook de

kortharigheid en gladheid van hun vel. De fijne, langwerpige snoet,

de vrij lange, smalle, met korte haren begroeide ooren, die voor de

helft overeind staan en voor 't overige omgebogen zijn, de korte en

strak gespannen lippen verschaffen den kop zijn eigenaardig, sierlijk

voorkomen, en staan tevens in nauw verband met de afwijkingen, die in

de ontwikkeling der zinnen waargenomen worden. De Windhond hoort en

ziet uitmuntend, maar heeft een zwak reukvermogen, daar de neusschelpen

zich in den spitsen snuit niet behoorlijk uitbreiden kunnen, waardoor

de reukzenuw-eindtoestellen niet over zulk een groote oppervlakte

verbreid kunnen zijn als bij andere Honden. Hoewel de romp in de

lengte gerekt is, onderscheidt de borst zich door groote breedte,

diepte en hoogte, en bevat dus de noodige ruimte voor de betrekkelijk

zeer groote longen, die, zelfs wanneer de bloedsomloop door de vlugge

beweging aanmerkelijk versneld is, in staat zijn om aan het bloed een

voldoende hoeveelheid zuurstof toe te voeren, en er het koolzuur uit

te verwijderen. In de liesstreek is de romp daarentegen buitengewoon

sterk versmald, als 't ware om aan het lichaam, dat door de krachtige

borst verzwaard wordt, het noodige evenwicht te hergeven. Denzelfden

lichaamsbouw hebben wij bij de Langarmapen en een dergelijken bij den

Gepard kunnen opmerken; wij vinden dien bij vele dieren terug: een

onbedriegelijk kenteeken van geschiktheid tot een snelle en gedurende

langen tijd voortgezette beweging. Buitengewoon fijn gebouwd zijn

de pooten van den Windhond; men ziet aan hen iedere spier en vooral

ook de sterke pezen, waarin deze spieren uitloopen. Maar ook aan den

borstwand zijn alle tusschenribspieren zichtbaar; sommige Windhonden

zien er uit, alsof hunne spieren reeds door een bekwaam ontleedkundige

waren blootgelegd. De staart is zeer dun, tamelijk lang, strekt zich

uit tot ver onder het hielgewricht, en wordt naar beneden gericht

gedragen met teruggebogen spits, of achterwaarts gestrekt en een

weinig naar boven gekromd. De fijne en gladde beharing, die in den

regel dicht aanligt, verkrijgt bij enkele rassen een grootere lengte,

en verschilt dan ook meestal door haar kleur van die der overige

rassen, waar zij fraai roodachtig geel is. Een andere kleur dan deze

treft men bij de uitnemendste Windhonden, n.l. bij die van Perzië

en van Centraal-Afrika, nagenoeg niet aan. Gevlekte Windhonden zijn

zeldzamer en in den regel zwakker dan de éénkleurige.

De gemoedsaard van den Windhond is anders dan die van de overige

Honden. Hij is een in de hoogste mate zelfzuchtig wezen; in den

regel openbaart hij geen bijzondere gehechtheid aan zijn meester,

maar laat zich door iedereen liefkoozen en toont genegenheid aan

iedereen, die vriendelijk voor hem is. Hij is tevreden, als hij een

meester heeft, die hem voortdurend aanhaalt, en toont dezen dan ook

een zekere mate van gehechtheid; zijn ontrouwe aard blijkt echter,

wanneer een ander persoon jegens hem vriendelijker is dan zijn

eigen meester. De geschiedboeken vermelden een voorbeeld van deze

trouweloosheid. Toen Eduard III van Engeland stierf, verliet zijn

Windhond hem in de stervensure, en voegde zich bij de vijanden van het

huis van Plantagenet. Er zijn echter ook onder de Windhonden enkele,

die, wat trouw en gehechtheid aan hun meester betreft, bijna niet

achterstaan bij andere Honden, hierdoor een loffelijke uitzondering

maken op den algemeenen regel, en onze ingenomenheid met hun ras

vermeerderen.

De Windhond gedraagt zich ten opzichte van andere Honden als tegenover

den mensch: hij houdt niet van hen, zij zijn hem zelfs nagenoeg

onverschillig: wanneer het echter tot vechten komt, is hij stellig de

eerste, die toebijt; hierdoor kan hij gevaarlijk worden. Want ondanks

zijn slanke, fijne gestalte is hij sterk, en zoodra het bijten begint,

trekt hij partij van zijn grootte, houdt steeds den snoet boven den

nek van zijn tegenstander, pakt dezen, zoodra hij zich verroert,

stevig beet, tracht hem op te tillen, en schudt hem heen en weer,

tot hooren en zien hem vergaan. Tegenover deze onaardige eigenschappen

staan echter vele uitmuntende hoedanigheden. Voor vele volken is hij

even onmisbaar als de Staande Hond voor den Europeeschen jager, als

de Herdershond voor den schaapherder. Veel meer dan in de noordelijke

gebruikt men hem in de zuidelijke gewesten en meer bepaaldelijk in alle

steppenlanden. De Tartaren, Perzen, bewoners van Klein-Azië, Bedoeïnen,

Kabylen, Soedaneezen, Indiërs en andere volken van Middel-Afrika en

Azië achten hem buitengewoon hoog en schatten zijn waarde dikwijls

gelijk aan die van een goed Paard. Bij de Arabische stammen van de

woestijn, of liever van de woestijnsteppen aan den rand van de Sahara,

bestaat het spreekwoord:

"Een goede Valk, een snelle Hond, een edel Paard,

Zijn meer dan twintig vrouwen waard,"

en de oorsprong van dit gezegde is duidelijk voor een ieder, die met

deze menschen verkeerd heeft.

Bij ons wordt de Windhond trouwens niet veel gebruikt. Het terrein moet

vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats kunnen bereiken,

zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een

Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert een fraai schouwspel op. De

Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren

Hond menige poets. Met razenden spoed snelt deze het wild achterna,

maakt sprongen, die werkelijk ongeloofelijk schijnen, en niet zelden

met die van de groote Kattensoorten kunnen wedijveren, d. i. van 2,

3 en 4 M. wijdte, en haalt op deze wijze den Haas spoedig in. Hij is

hem reeds op de hielen,--in 't volgende oogenblik zal hij hem zeker

grijpen--maar de Haas is plotseling zijwaarts uitgeweken en loopt

nu, wat hij kan, in tegengestelde richting; de Hond echter, die hem

regelrecht najoeg, is ver uit den koers geraakt, valt bijna op den

grond, kijkt woedend om, wordt hoe langer hoe meer vertoornd, zoekt

en ziet eindelijk den Haas, die reeds een honderd vijftig schreden

ver gekomen is. Nu gaat ook hij dien kant uit, ijlt het wild na, heeft

het opnieuw bijna gegrepen, daar maakt de Haas een tweeden zijsprong,

en het gaat den Hond als de eerste maal. Op deze wijze zou de jacht

nooit tot een einde komen, als men niet twee Honden tegelijk in 't

veld bracht, waarvan de eene den Haas vervolgt en de andere hem den

pas afsnijdt.

Terwijl de Windhonden van de noordelijke landen veel uiteenloopen,

wat lichaamsbouw en beharing aangaat, behooren die van het zuiden in

meerder of mindere mate tot één ras, waarmede de _Steppenwindhond_

ons kennis kan doen maken. Dit even edel als bevallig dier heeft

haar zoo zacht als zijde; zijn kleur is licht issabella-geel, niet

zelden naar 't witachtige zweemend, dikwijls echter tot echte reekleur

verdonkerd. Op de Egyptische gedenkteekenen vindt men dit ras onder

andere, vooral gevlekte Windhonden afgebeeld.

In het jaar 1848 bracht ik verscheidene weken in het dorp Melbesz

in Kordofan door, en was hier dikwijls in de gelegenheid om den

Centraal-Afrikaanschen Windhond te leeren kennen. De dorpsbewoners

voorzien hoofdzakelijk door veefokkerij en jacht in hun onderhoud,

hoewel zij ook graan verbouwen. Hierom houden zij alleen Herdershonden

en Windhonden, de eerste bij hunne schapenkudden, de laatste in het

dorp. Het was een genot, een wandeling door het dorp te doen; vóór

iedere deur zaten verscheidene van deze prachtige dieren, het eene

al mooier dan het andere. Zij waren waakzaam en verschilden reeds

hierdoor zeer van hunne verwanten. Zij beschermden het dorp ook tegen

de nachtelijke rooftochten van de Luipaarden en Hyenas; aan een strijd

met den Leeuw waagden zij zich echter niet. Over dag hielden zij zich

rustig; na het invallen van den nacht begonnen zij eerst recht te

leven. Men zag ze dan op alle muren klimmen; zij klauterden zelfs op

de kegelvormige stroodaken van de ronde hutten, waarschijnlijk om een

geschikt standpunt voor het uitkijken en luisteren te verkrijgen. Te

recht verwonderde ik mij over hun vaardigheid in 't klimmen.

Iedere week bracht een paar feestdagen voor onze dieren. Vroeg in den

morgen hoorde men soms in het dorp het geluid van een hoorn: het was

de oproeping tot de jacht. De mannen verzamelden zich om de Honden

en weldra trok de geheele jachtstoet in geregelde orde het dorp uit,

hetwelk een prachtig schouwspel opleverde. Zelden ging men ver, want

reeds de naastbijgelegen bosschen leverden een overvloedigen jachtbuit

op en de moeite om haar te verkrijgen was voor de mannen betrekkelijk

gering, dank zij den ijver en de behendigheid der Honden. Zoodra men

bij een met struiken aangevuld woud was aangekomen, vormde men een

wijden kring en liet de Honden los. Deze drongen in de wildernis door,

en vingen bijna al het jaagbare wild, dat zich daar bevond. Men bracht

mij Trappen, Parelhoenders, Frankolijnen, ja zelfs Steppenhoenderen,

die door de Honden gevangen waren. Een Antilope ontkwam hun nooit,

omdat telkens 4 of 6 Honden samenwerkten om haar te vervolgen.

Van de Windhonden van het westelijk gedeelte van de woestijn, deelt

generaal Daumas het volgende mede: "In de Sahara en in alle overige

door de Arabieren bewoonde landen is de Hond niets meer dan een

verwaarloosde, lastige dienaar, die men den rug toewendt, hoe nuttig

ook zijne bediening zij, onverschillig of hij de woning moet bewaken of

het vee hoeden; de Windhond alleen geniet de genegenheid, de achting,

de teedere zorgen van zijn meester. De rijken zoowel als de armen

beschouwen hem als de onafscheidelijke metgezel bij alle ridderlijke

uitspanningen, waarvan de Bedoeïnen zooveel werk maken. Men verzorgt

dezen Hond, als zijn eigen oogappel, geeft hem het meest geschikte

voedsel, laat hem bij wijze van spreken met zich uit één schotel eten

en let zorgvuldig op het zuiver houden van de rassen.

"Als de Windhond 3 of 4 maanden oud geworden is, begint men zich bezig

te houden met zijn opvoeding. De jongens laten in zijn nabijheid

Springmuizen en Renmuizen loopen en hitsen hem op dit wild aan. Na

verloop van korten tijd toont het edele dier reeds een groote en

levendige belangstelling in deze jacht, en na weinige weken heeft het

reeds zooveel ervaring opgedaan, dat het ook voor 't vangen van andere,

grootere Knaagdieren gebruikt kan worden. In de 5e of 6e levensmaand

begint men het reeds af te richten voor de Hazenjacht, waaraan veel

meer moeilijkheden verbonden zijn. Van deze klimt men op tot de jacht

op jonge Gazellen. Men nadert deze Antilopen zoo voorzichtig mogelijk,

terwijl zij aan de zijde van hun moeder rusten, vestigt de aandacht

der Honden op dit wild, spoort ze aan, tot zij ongeduldig worden, en

laat ze dan los. Na eenige oefeningen houdt de Windhond zich ook zonder

bijzondere aansporing met hartstochtelijken ijver met deze jacht bezig.

"Onder al die bedrijven is het edele dier één jaar oud geworden

en heeft bijna zijn definitieve sterkte bereikt. Toch wordt de

'Sloegoei' nog niet als de volwassen dieren voor de jacht gebruikt;

men stelt dit uit, totdat hij 15 of 16 maanden oud is. Maar na dien

tijd legt men hem een taak op, die bijna onmogelijk schijnt, en hij

volbrengt dien naar behooren. Als deze Hond nu een kudde van 30 of 40

Antilopen ziet, trilt hij van opgewondenheid en jachtlust, en kijkt

zijn meester smeekend aan. Deze neemt zijn waterzak en bevochtigt

den rug en den buik van 't dier, in de overtuiging, dat het hierdoor,

meer dan door iets anders, versterkt wordt. Eindelijk is de Windhond

vrij, hij jubelt van pleizier en snelt als een pijl uit den boog op

zijn buit af, waarvoor hij altijd het grootste en mooiste exemplaar

uitkiest. Zoodra hij een Gazelle of een andere Antilope gevangen heeft,

krijgt hij oogenblikkelijk het stuk, waarop hij recht heeft, n.l. het

vleesch aan de ribben,--ingewanden zou hij met verachting laten liggen.

"De edele Windhond jaagt met niemand anders dan met zijn meester. Zulk

een gehechtheid en de zindelijkheid van het dier verschaffen vergoeding

voor de zorgen aan zijn opvoeding besteed. Als de eigenaar na een

afwezigheid van eenige dagen terugkomt, schiet de Windhond jubelend

uit de tent te voorschijn, en wipt met een sprong op het zadel,

om den meester, wiens uitblijven hij betreurde, te liefkoozen. Dan

zegt de Arabier tot hem: "Mijn lieve vriend, houd het mij ten goede,

het was noodzakelijk dat ik u verliet; maar nu ga ik met u, want ik

heb vleesch noodig, ik ben het dadels-eten moede, en gij zult wel

zoo goed zijn, mij vleesch te verschaffen." De Hond gedraagt zich

bij al deze plichtplegingen, alsof hij woord voor woord de beteekenis

er van begrijpt. De prijs van een Sloegoei, die de grootste soorten

van Gazellen vangt, staat gelijk met dien van een Kameel; voor een

Windhond, die grootere Antilopen neervelt, betaalt men gaarne evenveel

als voor een mooi Paard."

Het sierlijkste lid van het geheele Windhonden-gezelschap is de

zoogenaamde _Italiaansche Windhond_, in vergelijking met andere

Windhonden een echte dwerg, maar een buitengewoon fraai gevormde dwerg,

bij wien alle lichaamsdeelen volkomen met elkander harmonieeren. Zijn

gewicht bedraagt zelden meer dan 3 à 5 KG., de alleruitmuntendste wegen

zelfs niet meer dan 2 KG., hoewel zij 40 cM. hoog zijn. In gestalte

en kleur stemt hij volkomen met den eigenlijken Windhond overeen.

Als een leelijke ontaarding van het Windhond-type mag men den

_Naakten Hond_ van Centraal-Afrika (_Canis familiaris africanus_)

beschouwen. Zijn romp is een weinig gerekt, slank, naar de liesstreek

sterk ingetrokken, de rug sterk gekromd, de borst smal, de hals

middelmatig lang, maar dun, de kop langwerpig en hoog, het voorhoofd

sterk gewelfd; de tamelijk lange snoet wordt naar voren smaller en

spitser; de middelmatig lange, nog al breede, spitser toeloopende

en half overeindstaande ooren zijn, evenals het overige lichaam,

onbehaard en bij de spits een weinig omgebogen; de lippen zijn kort

en strak gespannen. Andere kenmerken van dit dier zijn de hooge,

tamelijk slanke en fijne pooten, de zeer dunne, matig lange staart en

het ontbreken van den binnenteen aan de achterste ledematen. Alleen in

de nabijheid van den staart, rondom den mond en aan de pooten komen

eenige haren voor; overigens is de huid volkomen naakt; dit maakt

dezen Hond tot een leelijk dier; want ook de zwarte huidkleur, die

bij ons na verloop van eenigen tijd grijsachtig wordt en op sommige

plaatsen vleeschkleurige vlekken heeft, is niet mooi. De lengte van

het lichaam bedraagt 65, die van den staart 25, de schouderhoogte 35

cM. Behalve bij dezen op een Windhond gelijkenden vorm, treft men het

ontbreken van de beharing ook nog wel bij andere rassen van Honden aan;

alle zijn afschuwelijke beesten; niet zelden hebben zij een verkleurd

bosje haar midden op den kop. Naakte Honden komen voor in China,

Middel- en Zuid-Amerika, op Manila, de Antillen en de Bahama-eilanden.

Daar de Naakte Hond zeer teer en gevoelig voor ruw weder is, moet hij

in ons klimaat voortdurend in de kamer blijven en kan in den regel

niet lang in 't leven gehouden worden.

Een tweede groep van Honden is die der _Doggen_ (_Canis familiaris

molossus_). Van deze noemen wij in de eerste plaats den _Deenschen

Hond_, hoewel hij als een bastaard van den _Windhond_ en den

_Bullebijter_ wordt beschouwd. Hij is een groot, fraai dier van

edelen vorm met slanke pooten, gladden staart en groote, mooie oogen;

de snoet is toegespitst, maar in overeenstemming met het geheele

dier, toch nog veel forscher dan die van den Windhond. In vroegere

tijden werd hij veelvuldig gefokt en voor de Hertenjacht gebruikt;

thans treft men hem nog wel hier en daar als Huishond aan, vooral in

Engeland, waar hij een trouwe geleider is van Paarden en rijtuigen.

Een ander, eveneens verouderd ras is dat, hetwelk vroeger met den naam

_Wachthond_ of _Slagershond_ werd aangeduid (_Mâtin_ der Franschen,

welk woord volgens sommigen letterlijk "huishond" beteekent), en

waaruit zich, volgens Linnaeus, in het noorden de Deensche Hond,

in het zuiden de Hazewindhond ontwikkeld zou hebben.

Veel menigvuldiger dan de Deensche Hond ziet men bij ons een door

kruising verkregen afstammeling van dit dier, de _Duitsche Dog_, die

zich evenzeer door schoonheid als door geestesgaven onderscheidt,

en ook nog om een andere reden, zooals men het noemt, in de mode

is gekomen. Wie heeft wel niet eens van den Duitschen "_Rijkshond_"

gehoord of gelezen? De Duitsche hondenfokkers zijn er in geslaagd dit

ras, dat oorspronkelijk den naam van het stamras bleef dragen, en ook

wel _Ulmer Dog_ werd genoemd, zoozeer te ontwikkelen, dat sedert een

twaalftal jaren de vroegere benamingen vervangen zijn door den naam

_Duitsche Dog_.

De Duitsche Dog is kort en dicht behaard ook op den dun uitloopenden

en weinig gekromden staart. Zijn kleur is effen zwart, licht- of

donkergrijs, bruin- of lichtgeel; de lichtkleurige exemplaren zijn

dikwijls donkerder gestreept of, als zij licht grijs zijn, meestal met

onregelmatige, donkere vlekken geteekend; bij eenkleurige dieren komen

niet zelden witte merken op de borst en de teenen voor. De middelmatig

groote, hoog aangehechte ooren worden in den regel ingekort. Een Hond

van dit ras, van wiens begaafdheden en daden hieronder een aan Gräszner

ontleende beschrijving zal volgen, had in zijn derde levensjaar een

schouderhoogte van 94 cM., een totale lengte van 175 cM. en een gewicht

van 61 KG., bijgevolg een zeer buitengewone grootte bereikt. Onze

zegsman, rector van een school in een groote industrieele stad van

Duitschland, woonde buiten de poort op een niet geheel veilige plaats,

en achtte het daarom noodig, zich een flinken Hond aan te schaffen,

tot bescherming van zijn gezin en tot bewaking van zijn huis. "Mijn

keuze viel," verhaalt Gräszner verder, "op een Duitschen Dog van 5

maanden, wiens ouders wegens hunne grootte, schranderheid en trouw bij

de Hondenliefhebbers van den geheelen omtrek zeer gezien waren, maar

tevens ook wegens hun boosaardigheid gevreesd werden. Toen ik den Hond

in huis bracht, waren mijne huisgenooten over zijne lompe manieren en

zijn boos uitzicht niet bijzonder gesticht. Na verloop van eenige uren

legde hij zijn onbeholpenheid al een weinig af en gevoelde zich in zijn

nieuwe omgeving al eenigszins op zijn gemak. Het spreekt van zelf, dat

hij mijn bestendige geleider was op mijne dagelijksche uitstapjes. Bij

deze gelegenheden toonde hij een zoo levendigen en waakzamen aard,

als ik niet in hem gezocht had. Daar ik mij maar weinig met hem bezig

hield, verschafte hij zich zonder mijn hulp allerlei tijdverdrijf,

ging bij voorkeur met onverflauwde opmerkzaamheid al het doen en laten

van de menschen na en bemoeide zich er mede, zoodra er iets gebeurde,

dat zijns inziens niet geoorloofd was. Van geharrewar en ruzie b.v. had

hij een grooten afkeer. Wanneer twee personen met elkander in hevige

woordenwisseling geraakten, schoot hij op hen toe, zelfs wanneer zij

tamelijk ver af waren, plaatste zich brommend en de lippen optrekkend

tusschen de twistenden, en bracht teweeg, dat zij spoedig uiteengingen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 26 / 37 段