De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend

geschikt voor het bewaken van 't vee; ook kan hij meesterlijk graven,

zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond

durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt jacht op Wilde

Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht

aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit te water. Men gebruikt en

misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische

gronden te voorzien was, steeds strijdlustiger wordt; vooral voor

kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich

niet verweren kunnen, is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst

is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij 't bijten

en bij het verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren

aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de

Windhonden wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna

niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien

hebben zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden

laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op Hazen

en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten,

waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond (en ieder ander dier)

moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust

heeft, voordat de mensch op het denkbeeld komt hem hiervoor af te

richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten

dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij haar op schoot te

zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de

kamer te blijven, met de vrouw uit één glas te drinken, van één bord

te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes

en de Leeuwtjes gehouden. Van den Jachthond worden de fijne reuk, de

groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan

zijn meester geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken

van 's menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de

Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam,

vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag bijten en

is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch

en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten is gekenmerkt door

onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en

geen slagen vreest; hij is onverzadelijk, maar kan toch gedurende

langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer

verstandig; zij zijn goede waakhonden, door hunne woestheid en moed

voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt;

met ware doodsverachting pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders

aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten

zich op den man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen

en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij 't vechten

vreeselijk toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten

mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem

omspringen, op één plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij

houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich niet bewegen

kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig

meer verstand, dan men meent. Het laagst ontwikkeld onder de Honden

is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan

en kan, zooals licht te begrijpen is, zich zelf niet tot hooger peil

verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat.

"Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een

te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien indruk

door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te

geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen, als een zoogdierenziel

kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat

het om geheel menschelijk te zijn, niets anders mist dan de spraak,

geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen

van den gemoedsaard, geen dier heeft de stof geleverd voor zooveel

verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen,

zijn herinneringsvermogen, zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van

zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid,

waakzaamheid, liefde voor den meester, geduld bij 't omgaan met

kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden

van zijn meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten

voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld van zijn

geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt

over een koord, hij staat op schildwacht, hij bestormt en verdedigt

vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den

wagen; hij kent de noten, de getallen, de kaarten, de letters; hij

neemt een mensch de muts van 't hoofd, brengt hem zijn pantoffels en

tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken;

hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele andere zaken."

"Ik heb Honden gekend," zegt Lenz, "die, naar het scheen, bijna

ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden

of sloten, den stoel, de tafel op de bank binnendroegen, hem den

hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk

voorwerp opzochten en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen

vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels

te voorschijn haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien,

hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel

van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als

hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij trekt, als hij

thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een

kruisweg gekomen is, omkijkt, om te vernemen of hij rechts of links

moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige

daad, hoe beschaamd daarentegen, als hij een dommen zet gedaan heeft;

hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn

meester het bemerkt, liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap

of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar

zich verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot

tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend spoedig

leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk

onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten is enz. Aardig is het ook

om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt,

waarvoor hij van nature in 't geheel geen trek gevoelt, hoe een andere

Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant,

naarmate hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft."

Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht

onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht van

elkander afwijken. Hunne meest in 't oogloopende karaktertrekken

zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester,

onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette

waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang, een

dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij

alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de eene eigenschap

meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond

treden. De opvoeding heeft hierop grooter invloed, dan men gewoonlijk

meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding

geven. De Hond is een getrouw spiegelbeeld van zijn meester: hoe

vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe

beter en zindelijker men hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger

men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt

hij; juist het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld

wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden,

van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn

ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt ongelukkig

gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord

"hondsch" nog steeds in onteerenden zin gebezigd, hoewel het eigenlijk

juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel

mede bedoelt. Door zijne veelzijdige begaafdheden neemt de Hond den

hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens

onontbeerlijken metgezel.

Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo

huilen en blaffen vele bij 't zien van de maan, zonder dat men hiervoor

een reden weet aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging

geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig

of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het

te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen zeker

van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen

sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate vijandig, zonder dat

hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten

en de Egels; als zij een der laatstgenoemde dieren ontmoeten, scheppen

zij er als 't ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de

stekelbekleeding te bijten, ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel

leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen.

Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van

weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen

tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den

onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden regen aan.

Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als

twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst een

wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien,

en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere gevoelens bij hen

de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in 't oog van

de vriendschapsbanden, die soms tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden

twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in

nood. Ook met andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan;

zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen

Hond en Kat is wel eens onjuist.

De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 à

10, gewoonlijk 4 à 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20 of

meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds

hebben, maar 10 à 12 dagen lang blind blijven. De moeder bemint hare

kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt

ze niet zelden van de eene plaats naar de andere, waarbij zij ze met

de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost

is in één woord roerend: er zijn voorbeelden van bekend, die ons niet

alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo

verhaalt Bechstein een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: "Een

schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen

op het Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op

dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl

hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder

zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar huis terug

te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met

zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had telkens over kleine

gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen,

en op deze wijze de 18 mijlen dertien malen achtereen afgelegd,

ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde."

Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare

jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De kleintjes

hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het

noodige te verschaffen. Het spreekt van zelf, dat de teef gedurende

dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere

eigenaar van een drachtige teef moet voor haar van te voren in

een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats,

een zacht leger gereed maken, en haar ook later op allerlei wijzen

bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef

zoogt, is haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde

vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, ja zelfs

jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk

gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls bij Honden waargenomen,

maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor

hare pleegkinderen waren dan Honden, die, hoe goedhartig zij ook zijn,

bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden

zijn, zooals uit het rimpelen van de huid van den neus blijkt. Zij

zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.

Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden

zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang

zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat

zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu worden de

diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de

eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of 4e levensmaand wisselen

zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel

meer om hun moeder. Als het de bedoeling is, ze op te voeden, of,

zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang

uitgesteld worden. De meening van ouderwetsche jagers en andere

Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van

zijn eerste levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om

te leeren, berust op een dwaling. Adolf en Karl Müller, beiden zeer

ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het

dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra deze behoorlijk loopen kunnen,

en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden

nooit met slagen bestraft, krijgen bijna nooit een hard, hoogstens

een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste

gezellen en helpers op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden

als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij

gewillig en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van

hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer

en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die

hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep,

zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.

Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn

trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd van 20, ja

zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame

uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen ouderdomsverzwakking, maar

een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren,

onderhevig zijn, een einde aan hun leven.

Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door

woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger

meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van

onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, die

een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst

voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk sterft

meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt

althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden zij alle gekweld

door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij

hebben dikwijls zeer veel te lijden van Vlooien en Luizen en op

sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van

ongedierte kan men spoedig verdrijven door onder het strooleger van den

Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier

met Perzisch-insectenpoeder in te wrijven. De Tieken, die den Hond

het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn,

pekel of tabakssap te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld

uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door

't zuigorgaan veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren

of zweren.

De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of _lyssa_,

vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren,

maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk komt

deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor,

meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den winter bij

al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte

is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich anders gedraagt

dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn

meester; voorts openbaren zich bij hem een ongewone slaperigheid

en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat

dikwijls naar zijn voedsel zonder te eten, drinkt gretig water,

doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over

't algemeen door zijne handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke

kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier

verandert, dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat

zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan,

dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij

graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt of verslindt,

en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding

bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk verstopping voor; de ooren

worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat,

de blik loensch. Later wordt het oog rood en ontstoken. De dolle Hond

laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn

meester, wordt steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of

vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de

wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt

uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. Weldra

knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte

zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook van dorst versmacht, hij

kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water

in de keel giet, veroorzaakt dit bij hem ademnood en een krampachtige

samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere

andere vloeistof te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt

met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.

Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in

den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken,

maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls

ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de mondhoeken; de

bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar

beneden. Met den staart tusschen de pooten en hangenden kop loopt de

Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles

wat hem in den weg komt, vooral echter naar andere Honden. Ontmoet

hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke

richting te blijven volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt

dikwijls neder en hapt naar lucht.

Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt

het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts weinig met

speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds

in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen ziektevorm is de Hond

in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij

hapt onwillekeurig naar Vliegen of naar alles wat in zijne nabijheid

komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten,

lokt andere Honden tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat

de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de

ontstoken tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen

mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond

druppelt. Van 't water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch

nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem voor den

bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt,

zelfs in zijn ketting.

De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in

't zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel in

landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel

behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in 't geheel niet tot

uitbarsting.

Van oudsher zijn vele middelen tegen de _lyssa_ aangeprezen; het

is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad,

en wel voornamelijk niet, omdat men geen zekerheid kon verkrijgen,

dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid

leed, of ten onrechte verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal

helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan;

dit moest echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet

gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam

verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de

mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig einde

nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door

Pasteur ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog

redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk is,

door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken

door inenting van koepokstof. Volgens de methode van Pasteur wordt

het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in

bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene malen achtereen

onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de

vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg verzwakt, en wordt

het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte

beschut. Sedert 1885 zijn duizenden van menschen, die gebeten waren,

op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld

gebeten door dieren, die ten onrechte van dolheid verdacht werden;

er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest,

die gebeten waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid

kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil

(misschien zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de

meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.

Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude

en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de oogen dof staan,

als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn,

dat het onpasselijk is. Als er in den toestand van den patiënt niet

spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een

ervaren veearts voorgeschreven zijn, niet baten, blijft er weinig hoop

op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen

zware ziekten doorstaan. Verwondingen genezen schielijk en volkomen,

niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn

zelfs ervaren geneeskundigen, om van kwakzalvers niet eens te spreken,

meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon

snel verloop hebben.

De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor

beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer uit eigen ervaring;

de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien

nog meer noodig. Zijn vleesch wordt gegeten op de Zuidzee-eilanden,

door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen,

Chineezen, Eskimos, de Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China

ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn;

zij hebben echter veel last van de vijandige gezindheid van andere,

nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In

verband met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking

tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij ons een

gevoel van afschuw te wekken. Nadat Bernardin de Saint-Pierre het

denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap

zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de volkenkunde verrijkt

geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de

gewoonte om Honden te eten een voorlooper, begeleider of overblijfsel

is van het menscheneten.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 25 / 37 段