"De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen,

dat Geoffroy St. Hilaire geen standvastig verschil heeft kunnen

vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige

verwantschap ook uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. Ehrenberg

is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte

en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij onderzocht, van

den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (_Canis lupaster_) afstammen,

en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden,

evenals de thans nog in Nubië levende, in dezelfde betrekking staan

tot den Jakhals dezer gewesten. Pallas beweert, dat de Jakhalzen en

Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt

uit Algerië bericht. De tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom

en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4° en 6°

Z.B. en ongeveer tien dagreizen het binnenland in, komt, naar Erhard

mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der

inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. Lichtenstein zegt,

dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen

zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den rug) met den

Schabrak-Jakhals (_Canis mesomelas_) van Zuid Afrika. Layard bericht,

dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond

gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel tam als wild voor.

"Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende

landen op de wilde soorten, die daar nog leven,--wegens de

gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen

worden,--wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan half-getemde

dieren hechten,--en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden,

die het temmen van Honden begunstigen, is het hoogst waarschijnlijk,

dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed

bepaalde soorten van Wolven--de Gewone Wolf (_Canis lupus_) en de

Huilwolf (_Canis latrans_)--en van twee of drie andere minder goed

gekarakteriseerde soorten van Wolven--n.l. van de Europeesche, de

Indische en de Noord-Amerikaansche--voorts van minstens één, misschien

twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene

soorten van Jakhalzen en misschien van één of meer uitgestorven

soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten

invloed toe op de eigenaardigheden der dieren en meenen hierdoor de

overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche

wilde vormen te kunnen verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend,

die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat spreken.

"Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is,

dat de mensch door de geheele wereld heen slechts één enkele soort

van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige

diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als wij de zeer groote

ouderdom der verschillende rassen in 't oog houden, en vooral, als

wij ons de groote gelijkenis herinneren, zoowel in uitwendig maaksel,

als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen

en de wilde soorten, welke nog diezelfde landen bewonen, spreekt de

groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren

die nog steeds kunnen worden aangevoerd, _beslist ten gunste van den

meervoudigen oorsprong onzer Honden_."

Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog Zittel, aan wiens

voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen,

die op de geschiedenis van den Huishond gedurende vroegere tijdperken

betrekking heeft.

"Hoewel," zegt Zittel, "in beenderenholen dikwijls overblijfselen

van den Huishond gevonden (en onder de namen _Canis familiaris ferus,

C. ferus, C. Mikii_ beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen,

of dit dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste

afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel van

den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den

steentijd, n.l. in de Deensche Kjökkenmöddinger, in de Zwitsersche en

Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Italië. Het

ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen gevonden zijn, wordt

_Turfhond_ (_Canis familiaris palustris_) genoemd, en gelijkt, volgens

Rütimeyer, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op

den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren

snuit gekenmerkte _Brons-hond_ (_Canis familiaris matris optimae_),

die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel

van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft in den

Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men

onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van." "De Turfhond

is, volgens Jeitteles en Naumann, een getemde afstammeling van den

Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (_Canis

hiberniae_), maakt, dat Studer de afstamming van _Canis Mikii_,

waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden

zijn, waarschijnlijker acht. Volgens Anutschin vertoont de kleine

Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in 't oog

loopende overeenkomst met den Turfhond. Die verschillende rassen

van het brons-tijdperk zijn, volgens Studer, door teeltkeus uit den

Turfhond ontstaan. Jeitteles echter meent, dat zij uit den Indischen

Wolf (_Canis pallipes_) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de

afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond

van één enkelen vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige

rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van

Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising

en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd."

De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als

een voortbrengsel van 's menschen bemoeiingen, beschouwd moeten worden.

Met den naam _Paria-honden_ zullen wij, in navolging van de Engelschen,

de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die,

hoewel zij aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van

den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen,

want parias,--ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten

dieren--zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid om te doen

en te laten wat hun goeddunkt,--parias, die dankbaar de hand likken,

welke hun het juk der slavernij oplegt, die gelukkig schijnen te zijn,

als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen.

Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere

verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije, Griekenland

en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met

scharen van Honden, die geen eigenaar hebben; zij komen ook wel in

de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de

Huishonden onmiddellijk verdreven worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk

met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op

Muizen en dergelijke kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in

't zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en

zwerven des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op

de Kanarische Eilanden is het, volgens Bolle, nog in den laatsten tijd

voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden

een aanzienlijke schade aanrichtten.

Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van

de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen

gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste

dezer steden, zooals Alexandrië en Kaïro, tot op zeer aanzienlijken

afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan

verwilderde Honden, die alle tot een zelfde ras behooren. Zij komen in

grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben

een onaangename gezichtsuitdrukking; hun lange en tamelijk ruige staart

wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige,

verwarde vacht is vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar

grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele

exemplaren, komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij

leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven,

brengen er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven 's

nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en deze

zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft

iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het oosten, de andere

naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn,

dat zij van weerszijden aan den noordewind blootgesteld zijn, dan

graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant,

dat zij evenwel alleen dan gebruiken, wanneer zij in hun naar 't

oosten of naar 't westen gerichte hol last hebben van den kouden

wind. Des morgens tegen tienen vindt men ze geregeld in het hol,

welks opening naar 't oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar,

na de koelte van den morgen, in de eerste stralen van de zon, om weer

warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet,

en noodzaken hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de

andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar het

aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer

de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen te schijnen, gaat

de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang

liggen blijft.

Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er

vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden. Men hoort

blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een

groot kreng verzamelen zij zich altijd in groote menigte; een doode

Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het

schrokkerige gezelschap verslonden, zoodat alleen de grootste beenderen

blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag

bij het aas, n.l. wanneer het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste

concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in

hun bedrijf benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in

de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met

ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk

niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan de Honden

den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten;

van hen hebben zij daarom het meest te lijden. In alle omstandigheden

is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook

op de wijze van de Katten voor de nesten van de Renmuizen loeren, en

als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er

bij geval voor hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten,

komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten rond. Hier

worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er

niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet vaak meer gebeuren,

dat geloovige Mohammedanen hen bij uiterste wilbeschikking gedenken,

zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op

zekere hoogte zorg dragen.

Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden

tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert,

vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men

een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar oproer. Uit ieder

hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen

der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk blaffen. Meermalen

heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren

kennen, als om hun vleesch te gebruiken; het diende mij tot lokaas bij

't vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en

Gieren. Bij deze jacht heb ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat

de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen;

onder andere heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds

na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem

b.v. was het mij in 't laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden

met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400 pas afstand

lieten naderen.

Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk

sterk en worden dan een ware plaag voor het land. Mohammed Ali liet

eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen

met Honden, en deze in volle zee overboord werpen om de zekerheid

te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij

slechts uiterst zelden gevaar loopen dol te worden; er zijn werkelijk

nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door

een dollen Hond gebeten werd.

Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke

betrekking tusschen den mensch en de Honden. "Onafscheidbaar van de

straten van de hoofdstad," zegt Hackländer, "is de gedachte aan hare

nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in

tallooze menigte daar gevonden worden. Gewoonlijk vormt men zich van

zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en

wordt daarom later dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van

't geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen

lezen. Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen,

zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze dieren

veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij

behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige betreft, komen zij

nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen

gekromden staart; ook hun haar is anders, n.l. kort en vuil geel

van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen,

moet men erkennen, dat geen dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen,

zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt

het van deze Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af,

of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden

op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet,

gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een Muzelman een van

deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman

hen uit zijn werkplaats de overblijfselen van zijn maal toe. Alleen de

Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid;

door hun hand verliest menige Hond in den Gouden Hoorn het leven.

"Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals

in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen hebben;

wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls

heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige aanvielen,

en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden,

letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze wel willen vergelijken

met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van

den bazar iets eetbaars kochten, dan volgden ons alle Honden, die

wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere

straat binnengingen, waar ons een andere troep Honden op dezelfde

wijze begeleidde."

Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer _Huishonden_

zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten

voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door Linnaeus, op

de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar

zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit geen gemakkelijke zaak

is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt

ongeveer als volgt: "Vreet vleesch, aas, melige plantaardige stoffen,

geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt

leppend; watert zijdelings, in goed gezelschap dikwijls honderdmaal;

beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt

zijwaarts, gaat op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de

tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn

slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De

teef draagt 9 weken, werpt 4 à 8 jongen: de mannetjes gelijken op

den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot

van den mensch, kwispelstaart bij 't naderen van zijn meester,

duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit,

aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam, spoort verloren zaken op,

doet 's nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij

goederen, houdt het vee van de akkers af, houdt de Rendieren bijeen,

bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen,

drijft het wild op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert

het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het

braadspit, trekt in Siberië den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt,

als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet

gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars,

valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en kanker door

likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen;

onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend onweer. Heeft last van den

lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt

zijn eigen lichaam. De Amerikaansche Hond verleert het blaffen. De

Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij

onderzoekingen van den bloedsomloop etc."

Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te

breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten vrijwel

overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten

van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen, genoodzaakt worden

hun levenswijze te veranderen.

De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even

goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker en vlug. Als

het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als

's nachts, en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In

't algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze

heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles,

wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig, en beide

in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij

van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins bedorvene dan van het

versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best

opgevoede en best verzorgde Honden verslinden gretig de uitwerpselen

van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven

al het andere voedsel, andere schatten het minder hoog. Van de

gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn,

hun het best; als zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur

boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk

zijn het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn

daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend met brood

voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel

op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs mag hem heet voorgediend

worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet,

moet steeds zindelijk gehouden worden. Een volwassen Hond krijgt

genoeg voedsel, als hij zich éénmaal per dag behoorlijk zat eten kan,

tweemaal te voederen is echter beter; een Hond die 's avonds eten

kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht

laten omkoopen, als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel

en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij

wijze van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen

spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen blijven.

De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig

klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij langs een

steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve

richting. Als hij hard loopt, kan hij groote sprongen maken; tot

plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden

houden merkwaardig veel van 't water (p. 199); verwende Honden

schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien

klimmen. Hier klauteren zij zeer behendig bij muren en bij de niet

sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen

veilig langs zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond

op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik;

in 't laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts,

de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop; zelden

strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts.

Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun

slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen vergezeld,

zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het

knorren en het zachte blaffen gedurende den slaap. Zij zijn bijzonder

sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en

vooral hun slaapplaats, moet altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs

bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig;

de speekselafscheiding treedt voor de zweetvorming in de plaats;

van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek

laten hangen, druppelt onophoudelijk speeksel af.

De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen

niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het gezicht hebben

naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van

alle overige door een fijnere ontwikkeling van het gehoor, andere

door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken

gevoelig zijn, kan niet ontkend worden, hoewel deze zin zich bij

hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne

zintuigen te sterk aandoen, hebben zij een afkeer. Het minst worden

zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter

voor schelle en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het

reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan 't huilen; als men

hun eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke

stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen

van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld,

en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij ons in

't geheel geen denkbeeld kunnen vormen.

Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men

boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in 't kort

te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door Scheitlin

gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende

citaat ontleend is: "Hoe groot het verschil ook zij, dat er in

lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt

nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen zijn

volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer

korten tijd. Sommige zijn in 't geheel niet tembaar, terwijl andere

spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere

zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat uit eigen beweging te water,

de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man

africhten, met den Poedel gelukt dit niet. Alleen de Jachthond heeft

een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen

de achterpooten; alleen de langlijvige Dashond, die, naar men zou

kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond

en heeft zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen;

hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor het

loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 24 / 37 段