van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend groot aantal
Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen
3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen en lammeren door de
Dingo's geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct
gevolg zijn van den aanval van het Roofdier, is de schade die er
indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt,
in zinneloozen angst wegrennen, zonder te weten wat zij doen, in de
wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo's of van
dorst bezwijken.--Bovendien verslindt dit Roofdier allerlei soorten
van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas
levende dieren. Hij maakt jacht op ieder in Australië inheemsch dier,
en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden
leven in voortdurende vijandschap met de Dingo's; deze dieren vervolgen
elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden een Dingo zien,
vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt
den verdwaalden Huishond ten deel, als hij onder de Dingo's geraakt.
Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog
tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en de geslepenheid van
den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden
in zijn belang gebruik te maken; wanneer echter zijne vijanden hem
dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen,
draait hij zich in wilde woede om en verweert zich met de razernij der
vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid
gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van
't leven van dit dier voert Bennett bewijzen aan, die werkelijk aan
't ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en
zoo door hen geslagen, dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen
zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter
hadden de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd,
toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich afschudden
en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.--Alle mogelijke
middelen worden toegepast om den Dingo uit te roeien. De hand van een
ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt
hem met strychnine. Met het geweer wordt hij slechts bij toeval gedood,
want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen;
ook bij drijfjachten weet hij behendig zich uit de voeten te maken.
Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de
inboorlingen van Australië vindt men echter nu en dan Dingos, die in
een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche
dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig, en hun
wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne
oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten zijn. Dat men
echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit
hetgeen aan één of eenige exemplaren waargenomen werd, een algemeenen
regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo's van de
dierentuin te Breslau. Een daarvan is zoo tam geworden als een Hond,
de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk
feit is, mettertijd op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den
regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in
de nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen
huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals, op dezelfde
wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden
dus een huil-duet op. Schlegel, aan wien ik deze mededeelingen te
danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze
Dingos hoogst waarschijnlijk zeer bruikbare helpers van den mensch
zouden kunnen opleveren.
Werkelijk is dan ook King er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden
en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar
bleek te zijn, en Pechuel-Loesche zag aan boord van het Engelsche
pantserschip "Defence" een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond
op het geheele schip rondliep, zonder ongeval de steile trappen op-
en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde.
"_Door het verstand van den Hond bestaat de wereld_," leest men in
den _Vendibad_ (het "wetboek"), het oudste en echtste deel van de
_Zendavesta_, een van de oudste boeken, die men kent.
Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde
achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als de Hond. Hij
maakte als 't ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven
en welzijn hij onontbeerlijk is. "De Hond," zegt Cuvier, "is de
merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch
ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons eigendom geworden,
ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe,
richt zich naar diens gebruiken, kent en verdedigt diens eigendom en
blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen
gevolg van nooddwang of vrees, maar het uitvloeisel van zuivere
liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone
ontwikkeling van zijn reukzin, is hij voor den mensch een machtige
bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van
de menschelijke maatschappij. De Hond is het eenige dier, dat den
mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft."
De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij
schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde en
onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk
geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs de armzaligste,
onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot
vriend, tot verdediger. Zoomin de overlevering als het wetenschappelijk
onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft
over zijne voorouders: over de afstamming van het belangrijkste van
alle huisdieren loopen de meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander
dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen
aanleiding gegeven.
"Om," zegt Blasius, "den Huishond als _soort_ van de overige Wolven
te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan
de naar links gekromde staart, welk feit reeds door Linnaeus werd
vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt
op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel heeft onderworpen en
overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die
door de belangrijkheid van hare gevolgen eenig is in de geschiedenis
der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven
met dat van den mensch, de Hond heeft zich, evenals de mensch,
aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde
natuurwerkingen, die op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten
onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te
veroveren en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen
ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken
natuurstaat (en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter
alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn
geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn
geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel niet
mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn
schedel of van zijn gebit met een in 't wild levende soort van Wolf,
welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende
soorten van Wolven scherp te onderscheiden. Onze Europeesche Honden
zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen
tusschen den Wolf en den Jakhals, maar zóó, dat deze eigenschappen
op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn.
"De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond
door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico troffen
de Spanjaarden stomme Honden aan. A. von Humboldt bericht, dat de
Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka Pachacutec hen tot de
zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne
priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen; schedels en mummiën
van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten
tijd gevonden. Tschudi heeft deze schedels onderzocht, houdt ze
voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel,
dat zij tot een afzonderlijke soort behooren, die hij _Canis ingae_
noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal
Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche, die
verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt,
vooral den Europeanen vijandig gezind.
"Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door
den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van Wolven naderen,
nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook
in uitwendige eigenschappen weder op de wilde vormen beginnen te
gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den
vorm van het dier, van de rechtopstaande, spitse ooren, de beharing
enz. Reeds Olivier vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de
omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en
oosten van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen
rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw en
ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou
kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig voorkomen
is het licht te begrijpen, dat, zooals Pallas heeft opgemerkt,
de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is
een bekend feit, dat er bastaarden van den Hond en den Wolf bestaan;
ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden
bastaarden voor. Pallas zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van
den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd;
blijkbaar echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond.
"Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan,
zich afvraagt, of _de Hond een soort, een zelfstandige en goed
gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos_,
dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend
antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort komen zulke groote
afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute
grootte voor, als bij den Huishond. Maar ook de huisdieren, welke,
naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en
onvervalscht behouden hebben--die dus slechts in minder belangrijke
opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard,
de Ezel, het Rund, de Geit, het Zwijn--, bieden zulke tegenstellingen
niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen
van Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van één stamsoort
van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen
afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot
dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn.
"En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit
vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk
geen anderen uitweg over, dan de door Pallas uitgesproken meening te
onderschrijven: _dat de Huishond zijn ontstaan dankt aan de temming
en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen
inheemsch zijn_. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere
meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid
zal men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en
Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in deze zaak de
leerstellingen en meeningen van Buffon ons op een dwaalspoor zouden
brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van
den Hond met den Wolf en den Jakhals, is met de meening van Pallas
het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang
ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van vorm en
grootte der Honden--die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij
Hoenderen, voorkomt--een analogie verschaft in dergelijke, niet
minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende
planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming in vorm en
kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat,
en ook het samenleven en de vriendschap dezer dieren, zijn eveneens
feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij
aanvankelijk meer en meer aan de wilde gelijk. Geiten, die gedurende
het grootste gedeelte van 't jaar vrij in het gebergte rondzwerven,
en welker voorouders vele geslachten her ditzelfde leven leidden,
zooals de Geiten van Dalmatië en van vele gewesten van Italië, gelijken
zeer op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur
aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige jaren
jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn."
Darwin zegt: "De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen
zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan één wilde
soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen
onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en ten tweede het
feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene
Hondenrassen bestonden, die zeer weinig op elkander geleken, maar
veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs
geheel gelijk waren aan deze. Zoo geeft Youatt een teekening van een
beeldhouwwerk uit de villa van Antoninus, waarop twee jonge Windhonden
voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640
v. C. is een zeer groote Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die,
welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische
monumenten van de 4e tot de 12e dynastiën (d.i. van ongeveer 3400
tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor
't meerendeel aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit
een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die
op den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger
toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte kromme
pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op
de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een der eigenaardigste:
hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en
een korten, omgekrulden staart. Hij is nauw verwant aan een ras,
dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen
Everhond, waarvan E. Vernon Harcourt getuigt, dat hij "een excentriek,
hiëroglyphisch dier is, zooals dat, waarmede Cheops eertijds ter jacht
ging," en dat hij "eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen
Hertenhond." In denzelfden tijd als dit overoude ras bestond er een,
dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat
er reeds 4000 à 5000 jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren,
namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters,
Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere
mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen, dat een
dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans
levende, bezitten wij echter niet.
"In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang vóór
den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten tot ons
gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat
in de Deensche Kjökkenmöddingen (of ophoopingen van keukenafval) uit
de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen
werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk afkomstig van een
Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd
(het tijdperk der bronzen werktuigen) vervangen door een grooter,
eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode
door een nog grootere verscheidenheid. In Zwitserland bestond in de
jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige
grootte, wiens schedel ongeveer evenveel afweek van dien van den
Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden
met onze Jachthonden en Patrijshonden gemeen had. Gedurende den
bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar
uit zijne kaakbeenderen blijkt, overeenkwam met een Hond, die in
hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. Schmerling vond in een hol
overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk
verschilden, doch waarvan men niet met zekerheid gewaar kan worden,
in welk tijdperk zij leefden."
"De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de
verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in 't wild levende
stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men
in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde Honden en de
wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het
vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst gegrond is, slechts in
weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier
staat echter tegenover, dat er niets onwaarschijnlijks gelegen is
in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden
getemd zouden zijn. In bijna alle deelen der aarde worden leden van
de familie der Honden in 't wild aangetroffen, en verscheidene van
deze soorten stemmen vrij wel overeen met de verschillende rassen
onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot
het temmen van allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren
worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene
soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang
vervlogen tijd voor 't eerst in een land zich vestigde, hadden de
daar levende dieren geen aangeboren of overgeërfde vrees voor hem,
en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden, dan thans. Toen
de Falklands-eilanden voor 't eerst door den mensch bezocht werden,
kwam de groote _Falklandsche Wolf_ (_Canis antarcticus_) onbevreesd
Byron's matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende
nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen om hen te
ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier 's
nachts dood te steken, terwijl hij een stuk vleesch in de eene en een
mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden
stiet ik met den loop van mijn geweer Valken van een tak af, en hield
aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te
drinken. Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten
van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap
voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen
staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen tegen de
temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn
op het bezit van Honden; zelfs half-getemde dieren zijn hun hoogst
nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden
met Wolven, waardoor zij jachtgezellen verkrijgen, die wel wilder,
maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de
jongen van twee soorten van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht,
na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen
van Nieuw-Holland met de jongen van den Dingo. Van King vernam ik,
dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen
te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar bleek te zijn. Met het oog
op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de
mensch in verschillende landen verschillende soorten van Wilde Honden
getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij
van de talrijke, voor dit doel geschikte, in verschillende landen
levende soorten, er slechts één aan zich onderworpen had.
"Vele feiten steunen de bedoelde meening: Richardson, die als een
nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de
in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen gelijken op de
Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan
in de meerdere grootte en spierkracht van den Wolf. "Meer dan eens,"
zegt hij, "heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van
een bende Indianen aangezien, want zelfs het gehuil van beide dieren
bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor
van de Indianen somtijds het onderscheid niet opmerkt." Kane heeft
bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een
kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote waarde hechten), den
neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In
aard verschillen de Eskimohonden weinig van Wolven; volgens Hayes,
zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat
zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester aanvallen. Zij
verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo
groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen; de Indianen nemen
jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. Columbus vond
in West-Indië twee soorten van Honden; Fernandez beschrijft er
drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom,
d. w. z. zij blaften niet. Sedert Buffon's tijd is het bekend, dat
de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort,
waarschijnlijk met den _Maikong_ of _Karasisi_ (_Canis cancrivorus_).
"Rengger brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de
bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor 't eerst door
Europeanen bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden
kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook
nu nog niet blaffen. Tschudi zegt van hen, dat zij in de Cordilleras
van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien,
welke Tschudi onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij
zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het is
onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn
van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen, dat de mensch,
toen hij zich voor 't eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische
vaste land Honden medebracht, die niet blaffen konden. Deze meening
is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azië
afkomstige bewoners van Amerika op hun weg naar het zuiden minstens
twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds
genoemde Grijze of Vale Wolf (_Canis occidentalis_) en de Prairie-Wolf
(_Canis latrans_), welke laatste soort, volgens Richardson, volkomen
overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen.
"Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden
gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche vlakten
er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen Paget verhaalt van
een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag.
"De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen
en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort gehouden. De
Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt,
gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige districten van Indië.