De Jakhals heeft, zonder den 22 à 26 cM. langen staart, een

lichaamslengte van 65 à 80 cM. en een schouderhoogte van 45 à 50

cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit

is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die van den Vos;

de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren

zijn kort, de lichtbruine oogen hebben een ronde pupil. Een ruige vacht

van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren

samengesteld is, bedekt het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of

grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend,

soms ook zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der

zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den kop,

een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de

keel en den buik in witachtig geel, aan de borst in roodachtig geel,

aan den onderhals in grijs over.

Azië moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij

Indië te beginnen is hij over het westen en noordwesten van dit

werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzië, Kaukasië,

Klein-Azië, Palestina en Arabië strekt zijn verbreidingsgebied zich

uit over Noord-Afrika en ook over een deel van Europa, n.l. Turkije,

Griekenland en eenige streken van Dalmatië. In Indië en Ceylon treft

men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open landschappen,

in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van

1000 M.

De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf

en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over dag blijft

hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om

andere dieren van zijn soort tot zich te lokken en zwerft dan met deze

rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld

jaagt. Misschien is hij wel de brutaalste en lastigste van alle wilde

Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den

mensch, maar dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook

boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van zijn

gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer

en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat hij met een

bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht

werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig, in de hoogste

mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen

Hond, maar zich door een grootere afwisseling onderscheidt. Het moet

volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige

gemoedsstemming; want de Jakhalzen huilen ook bij een overvloedig maal.

Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen

trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut dat

zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade,

die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit den weg ruimen

van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door

het vangen van Muizen; schadelijk zijn zij door hunne onbeschaamde

gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is,

maar stelen bovendien nog allerlei oneetbare zaken uit huis en hof,

tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne

lust en liefhebberij voor 't stelen is misschien even groot als hun

vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen

Reintje, moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even

onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk te

gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van

de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten, vervolgen

klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men

zegt, hebben in Indië ook de suikerriet- en maïs-plantages door

hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen

schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden. De

zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden

ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de beste koffie

opleveren. 't Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van

de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken is in de omstandigheid,

dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn

heengegaan, maar hierin, dat de Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste

vruchten uit te kiezen.

Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer

tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden zeer gehecht

aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich

liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen; zij komen als men ze

roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij

hebben eigenlijk alle zeden en gewoonten van de Huishonden. Zelf als

zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich

na verloop van tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk

ook zijn.

Een welbekende Amerikaansche Wolf, de _Huilwolf_ of _Steppenwolf_,

_Prairiewolf_ of _Coyote_ (_Canis [Lupus] latrans_) doet zich voor

als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij

onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze komt hij door den

bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen,

zijn spits toeloopende snuit herinnert aan dien van den Vos. Wegens

de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog

dikker, dan hij werkelijk is; de hals is kort en krachtig; de van

boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van

den Wolf; het oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven

echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De

vacht heeft een vuil geelachtig grijze kleur.

De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in

de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde

ongeveer door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van

Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de landengte

van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californië

en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De _prins_ Von Wied, aan

wien wij, nevens Audubon, de beste beschrijving van de Coyotes te

danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen

en in levenswijze met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven

alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid

op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in

de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het niet zelden ook

over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt

en het zeer koud is. In den bronsttijd bewoont de Prairiewolf holen,

die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 à 10

jongen. Omstreeks dezen tijd hoort men in de Prairiën haar stem;

een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is,

en dat op het geluid van onze Vossen gelijkt.

Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van

eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen tijd een

Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige

Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden. Als hij zijne vrienden

zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam

dicht bij de traliën van zijn hok om zich te laten liefkoozen. Hij

likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens

rook hij er aan. Als hij alleen was, verveelde hij zich en begon

jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap

gaf, mishandelde hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten

kon dan hij zelf.

De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het

gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde zelfs het

gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak,

huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden in een dergelijk geval

doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen

was evenwel niet zeer ernstig gemeend.

Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op

het noordelijk halfrond beschouwt men den _Marterhond_ (_Canis

[Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus_), een eigenaardig

dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten

van Oost-Azië en meer bepaaldelijk in China en Japan inheemsch

is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met

Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten zijn volgens de nieuwste

onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke

wij den _Maikong_ of _Karasissi_, den _Savanna-Hond_ der kolonisten

(_Canis [Lupus] cancrivorus),_ en den Aguarachay of Braziliaanschen

"Vos" (_Canis [Lupus] vetulus_ of _Azarae_) vermelden. Het vaderland

van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot

den Atlantischen Oceaan, van den evenaar tot aan de zuidspits van

Patagonië. Als een in 't oog vallende eigenaardigheid van dit dier

wordt medegedeeld, dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen

dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. Tschudi vond in het hol van

zulk een "Zorra", zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een

stijgbeugel, een spoor en een mes.

Een tweede ondergeslacht van de Wolven (_Lycaon_) wordt gevormd

door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten:

de _Hyena-Hond_. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de

kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor

en het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna

onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. De matig

hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige

Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten slechts vier

teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en

het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst eigenaardige wijze

gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht.

De _Hyenahond_, _Steppenhond_, _Geteekende Hond_ of _Jachthyena_

(_Canis [Lycaon] pictus_) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig

grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst

vertoont. Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk

van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee dieren

van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft

alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid. Wit, zwart en

okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den

anderen de zwarte kleur de overhand; een van deze kan dus aangemerkt

worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere

vlekken scherp uitkomen. Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens

kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls

over het geheele lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn

echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart,

en deze kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en

ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren zijn

zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in

't midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel.

De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet

nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor; in Oost-Afrika zag

Böhm hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer;

Rüppell ontmoette hem in Nubië; in het Bongo-land is hij, volgens

Schweinfurth, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens Nachtigal,

van Kanem aan het meer Tsad.

Gordon Cumming leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. "Deze

Honden," verhaalt hij, "jagen in benden, die soms uit een zestigtal

individuën bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs

de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor zoover

mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen

het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren het dan onmiddellijk

op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch

toonen zij minder vrees dan eenig ander Verscheurend Dier." Heuglin

noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie kleur en schoone

gestalte "een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier," en

zegt, dat het "zijne valschheid en arglistigheid niet verloochenen

kan"; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet

schroomt, zelf den mensch aan te vallen.

Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in

hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel zijn,

deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij

hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat zich zeer goed kan

verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij

hare veerkrachtige pooten met de grootst mogelijke snelheid beweegt,

door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend,

en op een onbeschrijfelijke wijze luidruchtig; men zou dit geluid

een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort

gaat de jacht; de Antilope vergeet door den grooten nood, waarin

zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen,

die zij gewoonlijk met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht

aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een

nooit vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met

overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste,

die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben,

de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang de jacht

duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In

't bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het hoofd aan hare

moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens

zich over den bodem. Al wordt ook de een of andere vervolger gewond of

misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na

verloop van een minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde,

soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint

een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van

't bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt, vermeerdert

hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt,

dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden en het overige

laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt,

slechts weinig; Burchell vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan

alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op

het overschot van het wild voor eigen gebruik.

Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede

uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond zijn;

maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter

aan den wil van den mensch te onderwerpen. Schweinfurth zag in een

"seriba" in Bongo-land "een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat

voor zijn meester zoo volgzaam was als een Hond." In het jaar 1859

vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna

volwassen Steppenhond in een beestenspel te Leipzig. Later heb ik

verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap

gehad. Een onstuimige uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt,

onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om

hierdoor pijn te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven

om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door

daden te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit

dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond

op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke

bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid zich

openbaarde, vertoont zich in 't volgende oogenblik als wildheid,

bijtlust, roofzucht. "Het blaffen baat hier niet," laat Grandville

zijn Wolf zeggen, "gebeten moet er worden": als hij den Steppenhond

gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd hebben.

Sykes beschreef een Wilden Hond van Indië, den _Kolsoen_, waarin hij

den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat

volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst heeft met den Windhond

dan met den Jakhals of den Wolf, behoort tot een derde ondergeslacht

(_Cyon_) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze

over 't geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij heeft

ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig

grooten Windhond; de beharing is overal even dicht en bestaat uit

vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur

wisselt af van fraai bruin- of roestrood tot bruinachtig grijs,

is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit,

de ooren, de voeten en het puntje van den staart.

De bedoelde Wilde Hond draagt in Indië de namen _Son-Ram-koetta_,

_Dsjangli_, _Kolsoen_, _Kolsa_ enz. en heet in den Himalaja _Boeansoe_

enz. (_Canis [Cyon] dukhunensis_ en _primaevus_). Hij komt voor in

den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir

oostwaarts tot Assam, in het oostelijk deel van Tibet en in alle

boschrijke districten van Voor-Indië.

Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op

in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken, ook wel

in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn

verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet hij zich ook

weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt,

is hij nergens talrijk, en kan niet lang in hetzelfde jachtgebied

blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig

maakt en verdrijft. Voor de jacht vereenigen deze dieren zich tot

troepen, die in den regel uit 2 à 12, zelden uit 20 (volgens vroegere

berichten uit 50 à 60) individuën bestaan; hij vervolgt zijn prooi

in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op

een angstig jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers

verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van

jagen komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een

dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding,

of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi

te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar men zegt,

niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats,

en is niet naar de keel gericht, maar naar de flanken, naar de weeke

deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door

beten, welke bliksemsnel gedurende de vervolging toegebracht worden,

weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna

het slachtoffer zeer spoedig ter aarde stort.

De _Maleische Wilde Hond_ of _Adjag_ (_Canis [Cyon] rutilans_) is

kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig

vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de onderzijde lichter

gekleurd is. De staartspits is zwart.

De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het

schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat hij groote

dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem

vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java gelegen en strekt zich,

voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot

aan het zeestrand, waar hij, volgens Junghuhn, in sommige tijden een

zeer eigenaardige prooi vervolgt. "Toen ik," zegt Junghuhn, "den 14en

Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van

den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand overzag tot aan

de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald:

'Schildpaddenoorlog') bevindt, kon ik mij op een slagveld verplaatst

wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen

overal verspreid. Eenige waren door de zon gebleekt en bestonden

slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld

met de verrottende, stinkende ingewanden, nog andere waren versch

en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden

n.l. de Schildpadden gedurende hun nachtelijke wandeling van den

zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde

Honden aangevallen. Deze komen in troepen van 20 à 30 stuks, grijpen

de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die

een houvast aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het

achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn

reusachtige grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te

liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het

buikpantser los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en

de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne

bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam

rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee. Ook kunnen de

Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In

vele nachten komt de beheerscher der wildernis, de Koningstijger, uit

het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende

oogen het strand te overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort

zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden

van de Honden, die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast

naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort

afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren

zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk

woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht

wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis zwerft, reeds

op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog

in de lucht daarboven kringen beschrijven."

De _Dingo_ of _Warragal_ (_Canis dingo_) de Wilde Hond van Australië,

werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt,

waarmede hij werkelijk in vele opzichten overeenstemt. Deze meening

vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering

van eenige Vleermuizen en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige

Zoogdier van Australië is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren

behoort. Mac Coy en Nehring hebben echter fossiele overblijfselen van

den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en

het bewijs geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde

Huishond is. Hij is aan den _Indischen Wolf_ of _landjak_ der Mahratten

(_Canis pallipes_) nauw verwant en kwam over het land, dat in een

gedeelte van het pliocene tijdvak Australië met het zuidoosten van

Azië verbond, in het thans door hem bewoonde gebied.

De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen

Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp,

stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong

breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt tot voorbij den

hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een

geringe hoogte hebben. De beharing is vrij gelijkmatig. Bij de meeste

exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig

roode kleur een meer of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De

kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter,

terwijl de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur

onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen,

treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz.

Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van

Australië, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes der

steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en

overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten vijand

van 't vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen.

Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen

Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige plaatsen

den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst

in de nachtelijke uren rond om jacht te maken op nagenoeg alle op

den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook

hierdoor, dat hij slechts zelden tot groote gezelschappen vereenigd

zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 à 6 stuks,

meestal een moeder met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel,

dat zich vele Dingos bij één dood dier verzamelen; sommige kolonisten

beweren, dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 à 100 van deze dieren

bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een familie

zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit

jagen in dat van een andere bende, maar dulden ook niet, dat deze de

grenzen van hun jachtveld overschrijdt.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 22 / 37 段