Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet
slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan
heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne
bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche
mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht dan
verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later
teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof van onze voorouders
verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den "Wilden Jager" en zijne
Wolven in diens Honden. Ten slotte ontstond uit deze de als "Weerwolf"
bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch
verscheen, en een bron van ontzetting was voor alle bijgeloovige
lieden.
Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch
de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde Europeesche
landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de
vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in geen der groote
wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland,
volgens officieele opgaven, altijd nog duizenden van deze dieren
gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In
Pommeren alleen doodde men er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102,
1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809:
43 stuks. Daarna werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote
menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger,
dat hun lijken genoeg als voedsel verschafte.
"De Wolf," zegt Van Bemmelen, "was vroeger in de meeste streken van
ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten
bij honderden gedood. Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden
zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en
Heeswijk in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden
gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche,
Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren
of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk uit de
Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald."
De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel
dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en droge gedeelten,
in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk
kleine en lage, wild groeiende bosschen, op dammen in broekland en
moerassen, in rietbosschen, maïsvelden, in Spanje zelfs in koornvelden,
dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van bijeenstaande huizen. In
dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering
voor het aanbreken van de schemering, in eenzame wouden daarentegen
begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de
namiddaguren zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande
om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den
honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer
leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie stuks; in den
winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer
of minder groot aantal individuën bestaan, al naar de landstreek
deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende
verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk, staan elkander
bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De
tot benden vereenigde Wolven zwerven even ver rond als de afzonderlijk
levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten,
doorreizen, van het eene bosch in het andere overgaande, geheele
provinciën, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten,
waarin men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen,
niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten in
een enkelen nacht een afstand van 40 à 70 KM. aflegt, is duidelijk
gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke sneeuwlaag
ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze
dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad, op korten afstand van en
achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden,
zoodat het zelfs voor een ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen,
uit hoeveel individuën de bende bestaat.
Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote
arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem zeer
snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid
voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover richt dan ook
overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor
hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij jacht op huisdieren
en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan
wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter ook wel met de kleinste
en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel;
hij eet, naar bericht wordt, maïs, meloenen, komkommers, augurken,
aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou,
hoewel ook dan nog aanzienlijk, toch misschien nog te dragen zijn,
als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde
bloeddorst liet vervoeren, om veel meer dieren te dooden, dan hij
voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een
plaag voor de herders en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten
vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan
dan in den winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild,
nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende
soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen;
van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens eenig
klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats
graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een verschrikkelijke
opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten,
Reeën en roeit in zijn jachtgebied bijna alle Hazen uit, maar valt
de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering
aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende langen tijd tevreden met de
allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen
over een afstand van honderden wersten, en voedt zich dan uitsluitend
met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en
zamelt Meikevers in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber;
daar waar hij met den Los één gebied bewoont, maakt hij op diens
slachtplaatsen den disch schoon.
Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter
op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide en spaart zoo
min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen
hebben alleen dan geen last van hem, als zij aaneengesloten troepen
vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd
heeft. Als de winter aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer
en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg,
Moskou en andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en
Kroatische dorpen door, doorloopt zelfs steden van de grootte van
Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht
bezig; vooral de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn
de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk
kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden
trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling sluipt
hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het
kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak van den vermetelen
roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden,
terwijl daarentegen de bewoners van alle dorpen in de door Wolven
bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden
verliezen, op gelijke wijze als de wolvenjager iederen zomer
verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven
zich tot benden vereenigen om te jagen, vallen zij ook Paarden en
Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland
wordt verteld, dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan,
en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat
de Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen
overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang hem
dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die,
evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en door de fantazie
op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine
kern van waarheid. Een troep door den honger gekwelde en door woede
verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare
volwassenen, aanvallen, dooden en verslinden; de gevaren, die den
mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet
zoo verschrikkelijk als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk
jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een
krachtigen man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij
allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen en
kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar.
Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk
de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle volken die
vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er
zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt in een gewest geheel
onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens Kobell,
voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee
en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten
gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid
wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade op 8 à 10000
gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord "vrede" dezelfde
beteekenis als "geen last van de Wolven". Men kent daar slechts
één oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die
de levende have van de arme nomaden van het noorden dikwijls op de
gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven
aanzienlijke verliezen. In Rusland vallen hun ieder jaar omstreeks
180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten
prooi; Lasarewski begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de
huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt,
dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit
alles komt nog, dat ook zij voor _rabies_ (hondsdolheid) vatbaar zijn,
en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden.
Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar
zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen, maar ook onder de
dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig,
wanneer zij de lucht krijgen van een Wolf; de overige huisdieren,
met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig
vermoeden krijgen van de nadering of van de aanwezigheid van den
gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter
genoegen te bestaan dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden
over 't algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de
gevaarlijkste jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar
toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante
dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden.
Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In
de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf gegraven
holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in
de Russische steppen des nachts voortdurend om de kudden. Zij naderen
de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende
veulens, die zich te ver van de kudde verwijderd hebben, te verrassen,
of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en
werpen ze ter aarde. Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij
onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven
van de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de
tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim, als
hij in de bosschen van Spanje of van Kroatië varkenskluifjes tracht
te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien ten buit,
een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen
last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik om te vluchten,
verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt,
en daarna door hen met evenveel smaak verslonden, als waarmede hij
hen opgegeten zou hebben.
De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond:
dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen
en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel
minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze, dat hij niet
door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet geëvenredigd
aan zijn kracht. Zoolang de honger hem niet kwelt, is hij een van de
lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan
niet alleen voor menschen en Honden, voor een koe of een Bok, maar
ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten
en de koppen tegen hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list,
geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos,
bezit veeleer deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel
laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat
hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt,
den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij met even groote
voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt
hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor en het gezicht zijn
alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts
zorgvuldig speurt, maar ook reeds op grooten afstand de lucht krijgt
van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te
bepalen, aan welk dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne
zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere
sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend
waarnemingsvermogen blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt.
Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December
en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen brengt de
Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 à 9, gewoonlijk 4
à 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21 dagen blind, groeien in
't eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden,
spelen vroolijk met elkander of plukharen soms onder luid, op grooten
afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel
liefde, als bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden
wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft
hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend
angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun verblijfplaats
verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben,
of wanneer er werkelijk een gevaar dreigt, draagt zij hare jongen in
den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze
dieren bereiken kunnen, bedraagt vermoedelijk 12 à 15 jaren.
Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van
een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin bastaarden
ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden
houden niet altijd het midden tusschen den Wolf en den Hond; ook
kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den
regel gelijken zij meer op den Wolf dan op den Hond, ofschoon er ook
bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen.
Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld
zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid aan
hun meester. Cuvier maakt melding van een Wolf, die als een jonge
Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan
den "Jardin des Plantes" werd geschonken. "Hier toonde hij zich
gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en
was volkomen onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij
eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden;
het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze
kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug. De Wolf
herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men
hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn blijdschap."
Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet
alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde lokaas, de
verraderlijke strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De
meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in den
winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap,
trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine hoeveelheden in
het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het
dus toebereide dier wordt, nadat de huid er weer overheen getrokken is,
neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf
eet zich zat aan een op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer
spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze
handelwijze is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men
ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep
en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne,
buigzame takken, mos enz.; op 't midden van dit dak wordt een lokaas
vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige
nasporingen te doen, en om menschen, welke dien weg langs gaan, niet
in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven,
waarover ieder die op het lokaas belust is, moet heenspringen.
In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven
uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf was en is het
signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote
houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen, Litauen enz. heeft
men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het
bosch gehouwen en dit hierdoor in kleine vierhoeken verdeeld.
Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische
steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak. Het
opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd,
totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen.
Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn
huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt, een goede
pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste
vellen komen uit Skandinavië, het noorden van Rusland, Siberië en
het noorden van China, en worden met 6 à 15 gulden betaald. Bovendien
wordt in vele landen van regeeringswege nog een premie betaald voor
iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen,
gevangen of vergiftigd werd.
Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops
vermelden: de _Vale Wolf_ (_Canis [Lupus] occidentalis_), een groot,
maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele
noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks kleur van vaalwit,
door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken
met die van den Gewonen Wolf overeenkomt, alsmede de _Jakhalswolf_
of _Aboe-el-Hossein_ der Arabieren (_Canis [Lupus] anthus_), een
kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt
en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals uit afbeeldingen
van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit
eindigende kop draagt groote, breede ooren; de romp rust op hooge
pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert
aanmerkelijk al naar de verblijfplaats. Hij voedt zich met klein
wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd,
jacht op de Schapen- en Geitenkudden van de inboorlingen.
Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de _Gestreepte Wolf_
_(Canis [Lupus] adustus)_, een middelvorm tusschen den Wolf en den
Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig
toegespitsten snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen
zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver
vaneenstaan, zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in
't oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem.
"De Gestreepte Wolf," zegt Pechuel-Loesche, die dit dier in
Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd,
heeft nagegaan, "is grooter en staat hooger op de pooten dan onze
Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in 't gelaat, maar tevens
edelere en ook goedaardige trekken. Het is een buitengewoon behendig
en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De
inboorlingen van Loango, die den Gestreepten Wolf _Mboeloe_ noemen,
doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook
de Honden der dorpelingen denken er niet aan, met hem te twisten. In
alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn
langgerekt, schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend,
dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen,
wanneer het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp
weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten ons
eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas,
waar zulk een dier juist aan een groote Slang, aan een Python, ten
buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel
te bevrijden. Eerst wist hij niet, wat hem overkwam, maar weldra liep
hij huilend weg.
"Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een
van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier, en werd zoo tam
en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden
toestaan. Hij liep niet slechts binnen de omrastering rond, en bezocht
de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen,
als door de velden en heesterbosschen van de omstreken. Daar zocht
en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij
spelenderwijs uit overmoed achterna; hij maakte waarschijnlijk ook
menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig
hield hij zich niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf
een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust,
nadat hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij
op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij later
nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was
een zacht 'Pst!' of een verwijtend woord voldoende, om hem op het
pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig,
maar verscheen toch altijd 's avonds in de eetkamer om eenige brokken
in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte,
vergat hem iets te geven, meldde hij zich aan door zijn neus tegen
ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie
te leggen. Hij nam alles dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch,
vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter
geen andere dan dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en
hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als
een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem
maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk aan die,
welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er
letterlijk door betooverd."
De _Jakhals_ (_Canis [Lupus] aureus_) is het dier, dat door de
ouden _Thos_ en _Gulden Wolf_ werd genoemd; de "Vossen," die Simson
gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn
waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In 't Oosten is dit dier overal
bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen,
als waarmede men te onzent die van den Vos gedenkt.