de Kaap de Goede Hoop tot op 17° N.B., en vervangt daar, waar zij
veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessinië en
Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen; verder zuidwaarts
echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de
eenige. In Abessinië is zij algemeen, in de gebergten komt zij tot op
4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en
al op die van hare verwanten; zij wordt echter wegens hare grootte
en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk
daarom als een onheilvoorspellend, betooverd wezen beschouwd. Vele
onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt
en vooral slapende en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt,
volgens Rüppell, ook door de Abessiniërs beweerd.
De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld
wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste
en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de
inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien men het
toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte
familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep weldra tot op zekere
hoogte temmen kan. Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam
als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen
verricht, kunnen hiervoor niet als maatstaf dienen, en andere lieden
dan zulke rondreizende dierkundigen zullen er waarschijnlijk geen
behagen in scheppen, zich met haar bezig te houden. Zij is in het hok
al te leelijk, te lomp en te onaardig! Uren lang ligt zij op een en
dezelfde plaats als een blok hout, springt dan op, kijkt ongeloofelijk
dom om zich heen, schuurt zich aan de traliën en laat van tijd tot
tijd haar afschuwelijk gelach hooren, dat, zooals wel eens gezegd
wordt, iemand door merg en been dringt.
De _Schabrak-Hyena_ of _Strandwolf_ (_Hyaena brunnea_) onderscheidt
zich van hare verwanten vooral door de lange, ruige, naar beide zijden
afhangende manen op den rug. De kleur van het overal lange haar is
effen donkerbruin, met uitzondering van eenige weinige bruin en wit
gegolfde plaatsen aan de pooten; de kop is donker bruin en grijs,
het voorhoofd zwart met witte en roodachtig bruine sprenkeling. De
haren van de rugmanen zijn bij den wortel witachtig grijs, overigens
zwartachtig bruin van kleur. De Strandwolf is aanmerkelijk kleiner
dan de Gevlekte Hyena en wordt hoogstens zoo groot als de Gestreepte.
Dit dier bewoont Zuid-Afrika, waarschijnlijk alleen de woestijnachtige,
westelijke landstreken, en houdt zich, naar men zegt, gewoonlijk
in de nabijheid van de zee op. Naar het schijnt, wordt het overal
in veel minder groot aantal gevonden dan de Gevlekte Hyena, maar
komt in levenswijze vrij wel met deze overeen; het voedt zich dus
hoofdzakelijk met doode dieren, misschien wel met die, welke door de
zee op het strand geworpen worden.
De _Gestreepte Hyena_ (_Hyaena striata_) is het ons welbekende dier
der reizende menagerieën. Zij wordt, daar haar vaderland het dichtst
bij het onze gelegen is, en zij er overal gemeen is, het veelvuldigst
tot ons gebracht; gewoonlijk richt men haar af tot het verrichten
van de voor 't publiek zoo belangwekkende kunststukjes, die men in
de beestenspellen te zien krijgt. Daar zij zoo algemeen bekend is,
kan de beschrijving van haar uitzicht kort zijn. De vacht is ruig
en uit stijve, tamelijk lange haren samengesteld. Bij de geelachtig
witgrijze kleur steken zwarte dwarsstrepen af. De haren van de manen
hebben ook bij deze soort zwarte spitsen; het voorste deel van den
hals is niet zelden geheel zwart; de staart is soms eenkleurig, soms
gestreept. De kop is dik, de snuit betrekkelijk dun, ofschoon altijd
nog lomp van vorm; de rechtopstaande ooren zijn groot en volkomen
onbehaard. De jongen gelijken op de ouden. De gewone lichaamslengte
is 1 M., soms iets meer, soms iets minder.
Van alle Hyenas heeft de Gestreepte het grootste verbreidingsgebied;
het omvat Noord-Afrika, te beginnen bij het uiterste westen, een
groot deel van Zuid-Afrika en geheel Zuid-Azië van de Middellandsche
Zee tot aan de golf van Bengalen. Evenals alle Hyenas, houdt zij niet
van boschrijke, maar van open landschappen; zij is nergens zeldzaam,
in schaars bevolkte streken zelfs veelvuldig; zij is echter de minst
schadelijke soort en wordt daarom nergens bijzonder gevreesd. In haar
vaderland zijn gewoonlijk zooveel doode dieren, of althans beenderen,
te vinden, dat zij zelden door den honger gedwongen wordt om levende
dieren aan te vallen. Haar lafhartigheid gaat alle grenzen te buiten;
zij komt echter ook wel in de dorpen, in Egypte althans zeer dicht
erbij. Op het aas, dat wij neerlegden, om in de gelegenheid te zijn
later Gieren te schieten, kwamen des nachts in den regel Hyenas af,
die ons hierdoor lastig werden. Als wij in de open lucht uitrustten,
slopen zij dikwijls tot bij ons leger; meermalen hebben wij uit
onze rustplaats, zonder op te staan, op haar kunnen vuren. Bij een
uitstapje naar den Sinaï schoot mijn vriend Heuglin met hagel een
Gestreepte Hyena op deze wijze. Ondanks haar brutaalheid is geen
mensch bang voor haar; zij waagt het werkelijk nooit menschen, zelfs
gedurende den slaap, aan te vallen. Evenmin graaft zij lijken op,
tenzij deze slechts met een dun laagje zand of aarde bedekt zijn;
aan de griezelige daden, die in de dierententen van haar verhaald
worden, is zij dus onschuldig. Haar levenswijze gelijkt op die van
de Gevlekte Hyena; zij komt echter zelden in groote benden voor.
Weinige dagen na onze aankomt in Khartoem kochten wij twee jonge
Hyenas voor ongeveer 60 cents. De diertjes waren ten naasten bij zoo
groot als een halfwassen Dashond, met zeer zacht, fijn, donkergrijs
wolhaar bedekt, en nog zeer ongemanierd, hoewel zij een tijdlang
in het gezelschap van menschen hadden verkeerd. Wij sloten ze op
in een stal, en hier bezocht ik ze dagelijks. In 't eerst beten
zij hevig; door ze telkens daarna duchtig te kastijden, gingen wij
haar weerspannigheid te keer; drie maanden na den dag waarop wij ze
gekocht hadden, konden wij met haar spelen als met Honden, zonder
eenige mishandeling te moeten duchten. Van dag tot dag geraakten
zij meer aan mij gehecht; het deed haar buitengewoon veel genoegen,
als ik bij haar kwam. Zij gedroegen zich, toen zij meer dan half
volwassen waren, op een hoogst zonderlinge wijze. Zoodra ik in haar
stal kwam, stonden zij met een vroolijk gehuil op, sprongen bij mij
op, legden hare voorpooten op mijne beide schouders en besnuffelden
mijn gelaat. Later ben ik wel in Kaïro met deze dieren, die ieder aan
een dun touw vastzaten, door de straten gaan wandelen tot ontzetting
van alle geloovigen. Soms toonden zij mij haar gehechtheid door mij
ongenood te bezoeken. Voor vreemdelingen was het een even verrassend
als verontrustend schouwspel ons te zamen aan de theetafel te zien
zitten. Ieder van ons had een Hyena aan zijn zijde, en deze zat
schrander en bedaard op zijn achterdeel, zooals een goed opgevoede
Hond aan tafel gewoon is te doen, als hij om een brokje bedelt. Dit
deden de Hyenas ook; hare bescheidene verzoeken bestonden uit een
zeer zacht, maar bijzonder heesch klinkend gekrijsch; zij bedankten
ons, door zich op de achterpooten te verheffen en ons op de reeds
aangeduide wijze te begroeten, of althans onze handen te besnuffelen.
Zij waren hartstochtelijke liefhebsters van suiker, aten echter ook met
smaak brood, vooral als wij dit te voren in thee geweekt hadden. Wij
voedden ze gewoonlijk met het vleesch van de Paria-Honden, die wij
voor haar schoten.
Met elkander leefden mijne gevangenen in goede verstandhouding. Als
de eene langen tijd van de andere verwijderd was geweest, hadden
zij steeds groote pret, als zij weder bijeenkwamen; om kort te gaan,
zij bewezen duidelijk genoeg, dat ook Hyenas voor warme genegenheid
vatbaar zijn.
De _Aardwolf_ of _Civet-Hyena_ (_Proteles Lalandii_) vormt het tweede
geslacht van deze familie. Wat zijne uitwendige eigenschappen betreft,
gelijkt dit dier, dat nog slechts weinig bestudeerd is, in 't oog
loopend op de Gestreepte Hyena; het heeft met deze den afgeknotten
snuit, de hooge voorpooten, den naar achteren afhellenden rug, de
rugmanen en den ruigen staart gemeen; zijne ooren zijn echter grooter
en de voorpooten hebben een korten duim, evenals die der Honden.
Tot nu toe is de Civet-Hyena de eenige bekende soort van dit
geslacht. Haar totale lengte bedraagt 1.1 M., die van den staart 30
cM., De vacht heeft op bleekgelen grond zwarte zijdestrepen. De kleur
van den kop is zwart met geel doormengd; de onderdeelen hebben een
witachtig gele, de eindhelft van den staart heeft een zwarte kleur.
De Aardwolf is een bewoner van Zuid-Afrika, vooral van het westelijk
gedeelte.
Uit alle berichten, die op dit dier betrekking hebben, blijkt, dat het
een nachtelijke levenswijze heeft en zich over dag in holen verbergt,
welke op die van onzen Vos gelijken, maar uitgebreider zijn, en door
verscheidene Aardwolven tegelijk bewoond worden. De drie door Verreaux'
gezelschap gedoode exemplaren werden, met behulp van een Hond uit
één hol, hoewel niet uit denzelfden gang, naar buiten gedreven. Zij
kwamen te voorschijn met overeindstaande rugmanen, hangende ooren en
staart, en liepen zeer snel weg; de eene zocht zich in der haast weer
in den grond te verbergen door een hol te graven en toonde daarbij
een merkwaardige behendigheid. Uit het onderzoek van het hol bleek,
dat alle gangen met elkander in gemeenschap stonden en naar een groote
kamer leidden, die waarschijnlijk tijdelijk aller gemeenschappelijke
woning was geweest. De genoemde onderzoeker bericht, dat het voedsel
van deze dieren hoofdzakelijk uit lammeren bestaat, dat zij echter nu
en dan ook wel een Schaap overvallen en dooden, van deze prooi echter
hoofdzakelijk alleen den vetten staart verslinden. Om dit te doen,
hebben zij stellig geen krachtig gebit noodig. Voor 't overige is de
levenswijze van den Aardwolf volkomen onbekend.
In de vijfde familie van Roofdieren, die van de overige tamelijk
scherp onderscheiden is, vereenigen wij de _Honden_ (_Canidae_). Hun
lichaamsbouw verschilt niet zoo sterk van die der Katten, als men bij
vluchtig onderzoek zou kunnen meenen. Maar ofschoon tusschen de beide
familiën vele punten van overeenstemming aangewezen kunnen worden,
vormen zij toch door uitwendig voorkomen en inwendig maaksel, door
levenswijze en door gewoonten duidelijk twee afzonderlijke groepen. In
grootte staan zij alle bij de grootste Katten-soorten achter; zij zijn
ook niet zoo sterk en zoo gevreesd als deze typische Roofdieren. Hun
gestalte is mager, de kop klein, de snuit spits, de stompe neus steekt
vooruit, de romp, die op dunne of hooge pooten met korte voeten rust,
is in de flanken (tot aan de liesstreek) versmald, de staart is kort
en dikwijls ruig behaard. Aan de voorpooten komen meestal 5, aan de
achterpooten geregeld 4 teenen voor, die krachtige, maar steeds stomp
eindigende en niet terugtrekbare klauwen dragen. De oogen zijn groot en
voor het zien op klaarlichten dag beter geschikt dan die der Katten;
de ooren zijn meest spitser en grooter, de tepels aan de borst en den
buik talrijker. In het krachtige gebit, dat uit 36 à 48 tanden bestaat,
zijn de snijtanden (6 boven, 6 onder), vooral die van de bovenkaak,
betrekkelijk groot, de buitenste lang en bijna hoektandvormig; de
vier hoektanden zijn slank en een weinig gekromd; de kleine kiezen
(aan elken kant 3 boven, 4 onder) minder scherp getakt dan bij de
Katten, de 4 scheurkiezen goed ontwikkeld; de knobbelkiezen (2 boven,
2 onder aan elken kant), zijn vrij stompe maaltanden, die het voedsel
flink vergruizen. De kop is langwerpig, omdat de kaken zoo lang zijn;
7 halswervels, 20 rug- en lendewervels, 3 heiligbeenwervels en 18 à
22 staartwervels vormen de wervelkolom. De borstholte is omgeven door
13 paar ribben (9 paar ware en 4 paar valsche). Het sleutelbeen is
onontwikkeld gebleven, het schouderblad smal; de bekkenbeenderen zijn
krachtig. Het spijskanaal is gekenmerkt door een rondachtige maag;
de eigenlijke darm is 4- à 7-maal langer dan het lichaam.
Uit alle eigenaardigheden van de Honden blijkt, dat zij niet
uitsluitend dierlijk voedsel behoeven te gebruiken, waardoor
het besluit voor de hand ligt, dat zij ook minder moordlustig en
bloedgierig zullen zijn dan de Katten. Inderdaad verschillen zij
in dit opzicht aanmerkelijk van deze. Wat wildheid, moordlust en
bloedgierigheid betreft, staan zij onvoorwaardelijk bij de Katten
ten achter; veeleer geven alle eenige bewijzen van goedaardigheid,
zij het dan ook in zeer verschillende mate. Het gelaat van den Hond
heeft in den regel een vriendelijke uitdrukking; men ziet hierin nooit
op zulk een in 't oog loopende wijze het drieste zelfvertrouwen en
de wildheid doorstralen, die het bij den Kat ten toon spreidt.
Reeds in den voortijd waren de Honden wijd verbreid; het is boven
allen twijfel verheven, dat zij zeer vroeg op het wereldtooneel
verschenen. Tegenwoordig zijn zij over de geheele bewoonde wereld
verbreid en komen in de meeste gebieden veelvuldig voor. In eenzame,
stille gewesten en wildernissen, onverschillig of deze bergachtig zijn
dan wel vlak, in uitgestrekte donkere bosschen, op dicht begroeide
plaatsen, in steppen en woestijnen houden zij zich op. Eenige dolen
bijna voortdurend rond en blijven hoogstens zoo lang in een oord, als
zij door een nog hulpbehoevende nakomelingschap in hunne bewegingen
beperkt worden; andere graven zich holen in den grond, of maken
gebruik van holen, die door andere dieren gemaakt zijn, om hierin
voor vast verblijf te houden. Sommige soorten zijn ware nachtdieren,
andere zijn dit slechts ten deele, nog andere zijn echte vrienden van
het daglicht. Gene verbergen zich gedurende den dag in hunne holen
of in eenzame en beschutte schuilhoeken, in het struikgewas, in het
riet of in het hooge koren, tusschen onbezochte en donkere rotsen;
zij zwerven des nachts eenzaam of in troepen door hun jachtgebied,
maken daarbij in sommige gevallen tochten van verscheidene mijlen,
jagen onderweg, bezoeken intusschen zelfs groote dorpen en steden
en trekken zich bij het aanbreken van den dag in den eersten
den besten geschikten schuilhoek, dien zij vinden, terug. Andere
Honden daarentegen zijn over dag bijna even ijverig in de weer als
des nachts. Weinige leven eenzaam of bij paren; zelfs die soorten,
waarvan de mannetjes en wijfjes tijdelijk bijeen blijven, voegen zich
in sommige omstandigheden tot grootere troepen bijeen, men mag wel
aannemen, dat alle Honden zonder uitzondering gezellige dieren zijn.
Wat hun bewegingsvermogen betreft, staan de Honden maar weinig bij
de Katten achter. Hunne stompe klauwen veroorlooven hun niet te
klimmen; zij zijn genoodzaakt op den bodem te blijven; ook kunnen
zij zulke hooge en verre sprongen niet maken als de Katten: voor
't overige overtreffen zij deze eerder, dan dat zij minder bekwaam
zouden zijn. Zij kunnen uitmuntend loopen en toonen een ongeloofelijke
volharding; zonder uitzondering kunnen zij zwemmen en sommige doen
dit meesterlijk; zelfs treffen wij bij hen reeds echte waterdieren
aan; er zijn Honden, die met duidelijk merkbaar genot met de golven
spelen. Bij het gaan zetten zij, evenals de Katten; alleen de teenen op
den grond, hun gang is echter eigenaardig scheef, daar zij gewoon zijn
de pooten niet recht voor zich uit te zetten. Alle Honden hebben zeer
goed ontwikkelde zintuigen. Het gehoor is maar weinig minder scherp
dan dat van de Katten, de reukorganen daarentegen zijn verwonderlijk
fijngevoelig; ook van het gezicht kan men zeggen, dat het beter
is dan bij de Katten; want de nachtelijk levende Honden staan in
dit opzicht met de Katten gelijk, terwijl de over dag jagende hen
beslist overtreffen.
Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs
de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken van
list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere
in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk doen. De
hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de
menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met lichaam en ziel aan hen
overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een
trap van ontwikkeling hebben bereikt, die bij geen ander dier wordt
aangetroffen. De tamme Hond en de in 't wild levende Vos handelen
met schrander overleg en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit,
welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door
zijn verstand is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt;
hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren.
De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral
met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren niet liever
dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur
schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer graag beenderen;
andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk
lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien eten zij Kruipende Dieren,
Amphibiën, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld-
en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen, uitspruitsels, wortels, gras
en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij
verslinden kunnen; de bloeddorst vertoont zich hier echter nooit in
een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters;
er is geen enkele Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode
slachtoffers met welgevallen bedwelmt.
De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten;
het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen van het
voortplantingsvermogen der Zoogdieren in 't algemeen. Men kan aannemen,
dat de Honden gemiddeld 4 à 9 jongen werpen; het is echter wel eens
gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat
een Hond in een worp 18 en zelfs 23 jongen ter wereld bracht. Het
komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond
de jonge nakomelingschap van een teef met moordzuchtige bedoelingen
vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven
en Vossen, die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten
niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren
dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met
ware zelfverloochening voor haar kroost.
Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten
zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade, die de geheele
familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den
mensch benadeelen, worden daarom overal onbarmhartig vervolgd. Hier
staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van
schadelijke Knaagdieren en Insecten of door het uit den weg ruimen
van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien
nog door hun vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren.
Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder
in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten de _Wolven_ of
Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (_Canis_), de _Vossen_,
met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (_Vulpes_) en de
_Lepelhonden_, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit
zeer vele tanden samengesteld gebit (_Otocyon_).
Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen,
is het volstrekt noodzakelijk, zijne in 't wild levende verwanten,
de _Wolven_ (_Canis_), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken,
te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende
Honden tot de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was,
voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog het
oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men
wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier.
In het ondergeslacht der _Eigenlijke Wolven_ (_Lupus_), vereenigen
wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond),
hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij ook vertoonen, voorzoover
hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een
matig grooten kop met tamelijk spitsen snuit.
De _Wolf_ (_Canis lupus_, _Lupus vulgaris_), heeft ongeveer den
vorm van een grooten, hoog op de pooten geplaatsten, schralen Hond,
die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij
nauwkeuriger vergelijking merkt men de volgende punten van verschil
op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren
met dezen bouw van den romp; de langharige staart hangt tot op het
hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken,
gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen
zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind. De beharing
wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont;
zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar verschillen. In de
noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst
aan het onderlijf en aan de bovenste gedeelten der ledematen, ruig
aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden;
in zuidelijke streken is de beharing over het algemeen korter
en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een
zwartachtige tint doormengd, die aan de onderzijde lichter, dikwijls
witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood,
in den winter is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert
zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het
voorhoofd is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter
met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig en
soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs.
Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die
men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen moet
beschouwen. De Wolven in 't gebergte zijn over 't algemeen groot
en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner en zwakker,
maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot
den aanval. In Hongarije en Galicië onderscheidt men algemeen de
Rietwolven en de Boschwolven.
Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45
cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 85 cM. Een
flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin
onderscheidt zich van den Wolf door een iets zwakkeren lichaamsbouw,
een spitseren snuit en een dunneren staart.
Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied
is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont
tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste
gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt hij in
alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten
geregeld voor; in Griekenland, Italië en Frankrijk is hij tamelijk
veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel-
en Noord-Duitschland en in Groot-Britannië is hij geheel uitgeroeid;
in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galicië,
Kroatië, Krain, Servië, Bosnië, de Donau-vorstendommen, Polen,
Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij
ook thans nog in noemenswaardig aantal voorkomt. Op IJsland en de
eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden
te hebben. In de Atlaslanden wordt hij wel gevonden. Bovendien
strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en
Middel-Azië, door Afghanistan en Beloetsjistan tot in het stroomgebied
van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In
Noord-Amerika heeft hij verwanten, die zoo zeer op hem gelijken,
dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond
binnen zijn verbreidingskring heeft getrokken, en niet alleen den
Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten
heeft opgevat.