andere winterkleederen; in Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde
ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en
vrouwen gedragen worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er
pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen;
in Kamtschatka eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare
sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid
tot zich trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet
behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de
fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt.
Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op
sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; één soort van de
onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De _Zeeotter_ of
_Kalan_ (_Enhydris lutris_), vertegenwoordiger van een afzonderlijk
geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De
kop is wel is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan
bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond;
de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht
behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter alleen
door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte
huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen hebben. De achterste
ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van
de Zeehonden, van welker achterste vinvoeten zij zich onderscheiden,
doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In
vele opzichten gelijken de achterpooten van den Zeeotter op die van
den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte,
zijdeachtige haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange,
stijve, zwartbruine haren met witte spitsen, waardoor de zwartbruine
vacht van het dier wit gesprenkeld is. Bovendien zijn er uiterst fijne
wolharen. De jonge dieren hebben een lange, grove, witte of bruinachtig
grijze beharing, die de fijne bruine wol volkomen bedekt. Volwassen
Zeeotters bereiken een totale lengte van minstens 1.5 M., waarvan
ongeveer 30 cM. op den staart komen, en een gewicht van 30 à 40 KG.
Het verbreidingsgebied van den Zeeotter is beperkt tot het noordelijke
gedeelte van den Stillen Oceaan, waar het in 't noorden ongeveer
door de eilandenketen van de Aleoeten en het Bering-eiland begrensd
wordt. Langs de Amerikaansche kust gaat hij verder zuidwaarts dan
langs de Aziatische, nl. tot 28° N.B.; ook hier wordt hij echter van
jaar tot jaar zeldzamer.
De beste beschrijving van den Zeeotter is gegeven door Steller,
die in 1741 met Bering op het Bering-eiland schipbreuk leed, en
uitmuntend in de gelegenheid was om het dier waar te nemen. "De huid
van den Zeeotter," zegt Steller, "is los verbonden met het vleesch
en beweegt zich gedurende het loopen voortdurend; zijn beharing
overtreft door lengte, schoonheid en zwartheid van kleur het haar van
alle Rivierbevers zoozeer, dat deze met hem niet vergeleken kunnen
worden. De beste vellen worden in Kamtschatka met 30, te Jakoetsk
met 40, aan de Chineesche grens echter, waar zij tegen waren worden
ingeruild, met 80 à 100 roebels betaald. Het vleesch is vrij goed
eetbaar en smakelijk.
"Ook gedurende zijn leven is de Zeeotter een fraai en aardig dier;
hij is vroolijk en grappig van aard en bovendien zeer aanhalig
en verliefd. Als men hem ziet loopen, overtreft de glans van zijn
beharing die van het zwartste fluweel. Het liefst liggen deze dieren
familiesgewijs bijeen: het mannetje met het wijfje, de half volwassen
jongen en de zeer kleine zuigelingen. De liefde van de ouders voor
hunne jongen is zoo groot, dat zij zich voor hen aan het meest
klaarblijkelijke doodsgevaar blootstellen, en als zij hun ontnomen
worden, bijna als een klein kind luid beginnen te weenen. Ook trekken
zij zich dit verlies zoo sterk aan, dat zij, naar wij uit tamelijk
betrouwbare voorbeelden opmaakten, in 10 à 14 dagen zoo mager worden
als een geraamte, ziek en zwak worden, en ook van het land niet wijken
willen. Men ziet ze het geheele jaar door met jongen. Zij werpen er
slechts één en doen dit op het land. Het wordt met open oogen en met
een volledig gebit geboren. De wijfjes dragen het jong in den bek; in
de zee echter gaan zij op den rug liggen en houden het jong tusschen
de voorpooten, zooals een moeder haar kind in de armen houdt. Zij
spelen er mede, zooals een liefderijke moeder zou doen, werpen het
omhoog en vangen het als een bal op, stooten het in 't water, opdat
het zwemmen zal leeren, en nemen het, als het vermoeid geworden is,
weer bij zich en kussen het als een mensch.
"Het voedsel van den Zeeotter bestaat uit Zeekreeften,
Schelpdieren, kleine Visschen, minder dikwijls uit waterplanten
of vleesch. Ongetwijfeld zou men ze kunnen temmen, indien men zich
de kosten wilde getroosten, die aan hun overbrenging naar Rusland
verbonden zijn; waarschijnlijk zouden zij zich hier in een vijver
of rivier voortplanten. Want het zeewater is voor hun welzijn niet
volstrekt noodig; ik heb gezien, dat zij zich verscheidene dagen
achtereen op eilanden en in kleine rivieren ophielden. Nog moet ik
doen opmerken, dat wij aan dit dier veel te danken hebben, daar het
bijna 6 maanden lang ons uitsluitend voedsel is geweest, hetwelk een
heilzamen invloed heeft gehad op onze scorbutlijders.
"De bewegingen van den Zeeotter zijn buitengewoon bevallig en vlug. Zij
zwemmen uitmuntend en loopen zeer snel; men kan zich geen schooner
schouwspel voorstellen dan het zien loopen van dit dier, dat als 't
ware met zwarte, glanzige zijde bekleed is. Ook is het merkwaardig,
dat deze dieren des te vlugger, sluwer en vaardiger zijn, naarmate zij
een fraaiere vacht hebben. De geheel witte dieren, die waarschijnlijk
een zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, zijn buitengewoon sluw en
laten zich bijna niet vangen. Bij het slapen op het land liggen zij
gekromd als Honden. Als zij uit de zee komen, schudden zij zich af en
maken zich met de voorpooten schoon als de Katten. Zij loopen zeer
vlug, maar maken vele omwegen. Als hun de weg naar zee afgesneden
wordt, zetten zij een hoogen rug als de Katten, sissen en bedreigen
den vijand met een aanval. Zoodra men hen echter een slag op den kop
geeft, vallen zij voor dood neder en bedekken de oogen met de pooten.
"In Juli of Augustus verharen de Zeeotters, hoewel in geringe mate, en
worden dan een weinig bruiner. De beste vellen zijn die, welke in de
maanden Maart, April en Mei buit gemaakt zijn; zij gaan meestal naar
China. In Kamtschatka kent men geen grooter staatsie dan een kleed,
vervaardigd van aaneengenaaide, witte Rendier-vellen en met Otterbont
afgezet. Eenige jaren geleden droeg iedereen daar nog kleederen van
Zeeottervellen; dit is echter opgehouden sedert zij zoo duur geworden
zijn; bovendien acht men thans in Kamtschatka de Hondevellen mooier,
warmer en duurzamer."
De Zeeotter is door de felle vervolging, waaraan het wegens
zijn kostbare vacht is blootgesteld, niet alleen zeer zeldzaam,
maar ook uiterst schuw geworden zoodat men hem moeielijk kan
naderen. _Pechuel-Loesche_, die 25 jaar geleden den Zeeotter waarnam
bij de (tot de Aleoeten behoorende) eilanden Amoekta en Segoeam, en
er nu en dan jacht op maakte, verhaalt, dat dit waakzame dier zich
door schepen of booten, zelfs wanneer zij bedaard voortzeilen, hoogst
zelden tot op een afstand van een geweerschot laat naderen. De niet
onmiddelijk gedoode dieren gaan in den regel verloren, wanneer men ze
niet aanhoudend vervolgen, en, zoodra zij bovenkomen, opnieuw schieten
kan. Met één enkele boot levert zulk een jacht weinig kans op succes,
want het dier kan ruim een kwartier onder water blijven, en komt dan
dikwijls op een andere plaats, dan waar het verwacht werd, weer boven.
De jacht heeft op verschillende wijzen plaats. Bij min of meer
stil weder varen de jager in hunne "bidarkas," die een lange lijn
beslaan, over de zee, tot zij een Otter bespeuren. Zoodra deze
onderduikt, vormen de schuiten een kring rondom de plaats waar het
dier verdwenen is, en kijken de jagers scherp uit. De Otter wordt, als
hij zich opnieuw vertoont, door het werpen met speren en een gillend
geschreeuw dadelijk naar de diepte teruggedreven; om deze plaats wordt
nogmaals een kring gevormd, en deze handelwijze wordt voortgezet,
totdat, de Otter, wien niet genoeg tijd gelaten is om behoorlijk te
ademen, vermoeid wordt en door den naastbijzijnden jager wordt buit
gemaakt. Zulk een jacht kan 2 à 3 uren duren, voorzoover zij niet
door een goed gemikte speer spoediger ten einde wordt gebracht. Op
deze wijze verkrijgen de jagers in 3 maanden, als het geluk hun zeer
dienstig is, misschien 40 à 50 Otters; ieder van deze dieren heeft
voor hen een waarde van minstens 120 gulden.
Enkele jagers trachten de dieren ook van het land uit te schieten;
zij ontvangen hiertoe van de handelaars uitmuntende geweren. Bij
stormachtig weder loopt de jager op de rotsen, die onder den wind
gelegen zijn, en tracht den eersten den besten Otter, die aan gindsche
zijde van de branding in stiller water te voorschijn komt, een kogel
door den kop te jagen. Het geraas van de branding, het omhoogspattende
schuim verhinderen het zoo voorzichtige dier het dreigende gevaar
te herkennen, zoodat de volhardende schutter het den eenen kogel na
den anderen kan toezenden. Wanneer hij eindelijk het dier getroffen
heeft, gaat hij geduldig zitten, om af te wachten, dat de wind
en de golven hem den kostbaren buit toevoeren. De gevaarlijkste en
meest opwindende wijze van jagen is echter het "otterslaan", daar dit
bedrijf tegenwoordig alleen kan uitgeoefend worden op plaatsen en onder
omstandigheden, die voor den jager bijna onoverkomelijke bezwaren
opleveren. Bij storm worden n.l. de Zeeotters op de afgelegene,
eenzame klippen, waar zij zich nog veilig wanen voor den mensch,
door de al hooger stijgende branding in hun rust gestoord, en zien
zij zich genoodzaakt, te midden van de rotsen hooger op te klimmen,
dan zij gewoon zijn te doen. Hoogst vermetele jagers wagen hun leven
om de dieren, die voor de branding teruggeweken zijn, op hunne hoogere
rustplaatsen te overrompelen. Als de reis naar deze klippen gunstig
afloopt, stappen zij aan de lijzijde aan land, klimmen onder den
wind naar boven en dooden met knotsslagen de dieren, die zij daar
vinden. Het gehuil van den storm, het geloei van de branding verdooft
het gedruisch, dat de jagers mogelijkerwijze maken; de regen of de
nevel verhindert de dieren het gevaar, dat hun bedreigt, bijtijds op
te merken. Op deze wijze hebben twee jagers eens in minder dan één
uur 78 Zeeotters buit gemaakt.
Als de jacht voortgezet wordt op de wijze, waarop zij tot dusver plaats
had, en er geen bepalingen worden gemaakt om haar te beperken, is het
te vreezen, dat de Zeeotter binnen een niet zeer lang tijdsverloop
uitgeroeid zal zijn, en, evenals de Zeekoe van Steller, weldra tot
de dieren zal behooren, die wij als 't ware voor onze oogen van de
aarde hebben zien verdwijnen.
Onder de dieren van een beestenspel zijn er steeds eenige, waarop de
aandacht van het kijkgrage publiek meer in 't bijzonder gevestigd wordt
door de uitlegging van den op een fooi belusten oppasser. Deze zal zich
steeds beijveren om de bedoelde dieren, de _Hyenas_ (_Hyaenidae_), voor
te stellen als ware monsters, en haar de vreeselijkste eigenschappen
toe te dichten. Moordzucht, roofgierigheid, wreedheid, bloeddorst,
arglistigheid en valschheid zijn gewoonlijk niet eens de ergste
beschuldigingen, die de man tegen de Hyenas inbrengt; hij zal er
bijvoegen, dat zij de graven openen, en de lijken verslinden, en
hierdoor een zeer gerechtvaardigd afgrijzen opwekken in de gemoederen
van alle toeschouwers, die met de levenswijze dezer dieren onbekend
zijn. Tot dusver is de wetenschap er niet in geslaagd, deze onware
voorstellingen te doen verdwijnen; ten spijt van de moeite, die
velen aangewend hebben om juistere begrippen te verbreiden, vinden de
genoemde, sinds overouden tijd opgedischte fabels ook thans nog geloof.
Er zijn weinig dieren, welker levensgeschiedenis met zooveel
wondersprookjes en verbazingwekkende overleveringen opgesierd is
geworden, als die der Hyenas. Reeds de ouden hebben de ongeloofelijkste
dingen van haar verteld. Men beweerde, dat de Honden hun stem en
hunne zinnen verloren, zoodra de schaduw van een Hyena op hen viel;
men verzekerde, dat deze afgrijselijke dieren de stem van den mensch
nabootsen, om hem tot zich te lokken, plotseling te overvallen en te
vermoorden. Het merkwaardigste van het geval is, dat deze verhalen
weerklank vonden bij alle volken, die het verbreidingsgebied van de
Hyenas bewonen. Zoo vindt men b.v. bij de Arabieren tal van sagen,
die op deze dieren betrekking hebben. Zij houden het voor zeker en
gewis, dat menschen door het eten van Hyena-hersens razend worden;
zij begraven den kop van het gedoode Roofdier, om aan boosaardige
toovenaars de gelegenheid tot het verrichten van bovennatuurlijke
bezweringen te benemen. Zij zijn er zelfs vast van overtuigd, dat
de Hyenas niets anders zijn dan vermomde toovenaars, die over dag
in menschelijke gedaante rondwandelen, maar des nachts in Hyenas
veranderen om alle rechtvaardigen te benadeelen. Mij zelf hebben zij
verscheidene malen en met aandrang den raad gegeven, niet op Hyena's
te schieten, waarbij mij griezelige verhalen werden gedaan over de
macht der op deze wijze gemaskerde helsche geesten.
Het sprookje en de overlevering zoeken steeds de voor haar passende
gestalten uit. Een dier, waarvan vele wonderbaarlijke verhalen gedaan
en geloofd worden, moet wel iets vreemdsoortigs in zijn gedaante
hebben. Dit vinden wij dan ook bij de Hyenas bevestigd. Zij gelijken
op Honden en verschillen toch in ieder detail van hen; hun uitzicht
is volstrekt niet aanlokkelijk, maar beslist terugstootend. Alle
Hyenas zijn leelijk. Enkele onderzoekers hebben ze beschouwd als
middelvormen tusschen Honden en Katten; wij kunnen ons met deze
zienswijze niet vereenigen, omdat de Hyenas een geheel bijzondere,
eigenaardige gedaante hebben. De romp is gedrongen, de hals dik,
de kop groot, de snuit krachtig en leelijk. De kromme voorpooten
zijn langer dan de achterpooten, waardoor de ruglijn een hellenden
stand verkrijgt; alle voeten zijn met vier teenen voorzien. De ooren
zijn slechts dun behaard en onedel van vorm; de oogen zijn scheef
geplaatst, fonkelen verdacht en hebben een onaangename, onvaste,
wantrouwen wekkende uitdrukking. De dikke, schijnbaar stijve hals,
de ruig behaarde staart, die niet voorbij het hielgewricht reikt, en
de langharige, losse, ruige vacht, die zich langs den rug verlengt
tot manen, die op varkensborstels gelijken, de doffe, nachtelijke
kleur der haren: dit alles draagt bij tot den onaangenamen indruk,
dien het geheele dier maakt. Bovendien zijn alle Hyenas nachtdieren,
hebben een onaangename, wanluidende krijschende stem, die werkelijk
soms op een afgrijselijk gelach gelijkt; zij zijn gulzig, vraatzuchtig,
verbreiden een onaangenamen reuk, maken geen andere dan onedele, bijna
hinkende bewegingen, en hebben ook in andere opzichten gewoonlijk
iets vreemdsoortigs in hun wezen: kortom, men kan ze onmogelijk
schoon noemen. Bij vergelijking van deze dieren met hunne verwanten
merkt men nog andere eigenaardigheden op. Uit hun gebit blijkt,
dat zij geen ander dan dierlijk voedsel gebruiken. De buitengewone
stevigheid van de lompe tanden stelt hen in staat om partij te trekken
van hetgeen andere vleescheters overgelaten hebben en de stevigste
beenderen te verbrijzelen. De snijtanden zijn zeer ontwikkeld, de
hoektanden stomp kegelvormig, de kleine kiezen onderscheiden zich
door hun sterk ingedrukte kroon, de scheurkiezen door hun massieve
ontwikkeling. Krachtige kauwspieren, groote speekselklieren, een met
hoornachtige papillen bezette tong, een wijde slokdarm en eigenaardige
klieren in de nabijheid van de aarsopening zijn verdere kenmerken
van deze dieren.
Het verbreidingsgebied van de Hyenas is zeer uitgestrekt; het
omvat--waarschijnlijk met uitzondering van de tusschen de keerkringen
gelegen landen van het westen--geheel Afrika en Zuid-Azië tot
aan den golf van Bengalen, maar niet de verder oostwaarts gelegen
landen en evenmin Ceylon. Onze dieren houden niet van geslotene en
met uitgestrekte bosschen bedekte, maar van opene, steenachtige
landschappen met gras, struiken en kleine bosschen, doch ook van
echte steppen en zelfs van woestijnen. Over dag ontmoet men ze alleen
dan, wanneer zij toevallig opgejaagd worden; de zon moet ondergegaan
zijn, voordat zij er aan denken om uit te gaan. Dan eerst verneemt
men het gehuil van de Hyenas, die ieder afzonderlijk of tot kleine
gezelschappen vereenigd rondzwerven, en op buit of op den afval van
den maaltijd van andere Roofdieren belust zijn. Zoodra de eene haar
afschuwelijk nachtgezang laat hooren, zijn de andere gewoon in te
vallen. De stem van de Gestreepte Hyena is zeer wanluidend, maar niet
zoo afkeerwekkend, als men haar wel eens heeft voorgesteld: heesche
geluiden wisselen af met hoogklinkende, krijschende met murmelende
of knorrende. Daarentegen onderscheidt zich het gehuil van de
Gevlekte soort door zijn overeenkomst met een inderdaad ijzingwekkend
gelach. Wie deze geluiden voor de eerste maal hoort, kan een lichte
huivering moeielijk onderdrukken, en de onbevooroordeelde onderzoeker
herkent hierin dadelijk een van de voornaamste redenen van het ontstaan
der verschillende sagen over onze dieren. Het is zeer waarschijnlijk,
dat de Hyenas elkander met hare nachtgezangen tot een bijeenkomst
uitnoodigen; ook schijnt het zeker te zijn, dat het gehuil in een
streek oogenblikkelijk verstomt, zoodra een der medewerkers aan dit
nachtelijk concert het een of ander te eten heeft gevonden. Zoolang de
nacht duurt, zwerven deze dieren rond en zijn voortdurend in beweging;
zij komen zelfs onbeschroomd in dorpen en steden, zonder zich aan de
Honden te storen, en keeren des morgens naar hunne schuilhoeken terug.
Bij hunne rooftochten worden de Hyenas zoowel door den reuk als door
het gehoor en het gezicht geleid. Even goed als door een gewond
dier, een kreng, het lijk van een mensch, worden deze leelijke
gasten ook aangelokt door een kudde Schapen, Geiten of Runderen,
die binnen een omheining zijn opgesloten; zij zwerven dan rondom
het dichte staketsel, waardoor zij niet kunnen heendringen. Zoodra
zij de lucht gekregen hebben van een buit, verstommen zij, en draven
nu zoo onhoorbaar mogelijk (want tot sluipen zijn zij niet in staat)
met korte tusschenpoozingen steeds naderbij; zij loeren, luisteren en
speuren telkens als zij stilstaan, en zijn ieder oogenblik bereid om
weder de vlucht te nemen. De Gevlekte soort is iets moediger dan de
Gestreepte; in verhouding tot haar grootte is zij echter nog altijd
erbarmelijk lafhartig en vreesachtig. Wanneer de Hyenas geen dood dier
kunnen vinden, stellen zij zich gewoonlijk hiervoor schadeloos door
dieren aan te vallen, die zich niet voldoende verdedigen kunnen; zij
richten daarom vooral onder de zwakste huisdieren schade aan. Maar ook
met deze beperking van haar werkzaamheid zijn de door haar veroorzaakte
nadeelen soms zeer belangrijk. Selous verloor door haar in Zuid-Afrika
twee sterke Ezels, van welke hij alleen de schedels terugzag; een
andere keer vraten zij een 's avonds door hem geschoten Leeuwin 's
nachts gedeeltelijk op. In allen gevalle wagen zij den strijd met
gezonde, levende dieren alleen dan, als zij geen zieke of afgematte
dieren en geen krengen kunnen vinden.
In sommige omstandigheden worden zij echte jachtdieren, vervolgen en
jagen des nachts Antilopen, werpen ze ter aarde, evenals de Wolven met
hun prooi doen, bijten ze in den hals, tot zij dood zijn, en vreten ze
op. Zulke jachtbedrijven moeten echter als uitzonderingen beschouwd
worden; in alle omstandigheden geven zij aan krengen de voorkeur. Om
ieder dergelijk voorwerp is weldra een groot gezelschap Hyenas aan
den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet
te beschrijven. Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij
zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles,
zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls
gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen strijd geraken;
door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach,
dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig mensch waarlijk op
het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier
bijeengekomen waren.
Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt
de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe nut
op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode
dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten uit den
weg geruimd.--De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken,
worden steeds gevolgd door een of minder groot aantal Hyenas, die als
't ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze
expedities haar ten deel zullen vallen.
Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en
ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van dezen aard
bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht,
dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid boven allen twijfel
verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk
alleen dan een strijd met volwassenen, wanneer deze ziek of afgemat
zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter
weerbare mannen. In eenige streken van Afrika wordt zij daarom als
een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte
voorkomt. Wegens de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden
zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele
stammen vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken,
vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die op zeer
jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en
worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen de gevangenschap
zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind.
In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de
aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in Middel-Europa
veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en
uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer dieren ten duidelijkste
blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten
van deze familie, de drie echte Hyenas en de Aardwolf, die als een
middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd
mag worden.
De _Gestippelde_ of _Gevlekte Hyena_ (_Hyaena crocuta_) onderscheidt
zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de
Gestreepte Hyena, die veel vaker naar Europa wordt overgebracht, en
van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die
nu eens wat meer, dan weer wat minder naar 't vaalgele zweemt, staan
op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen
bruine vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig,
de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart;
de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af:
sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte
van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80
cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook veel grootere
exemplaren voor.