De Stinkdieren onderscheiden zich van de overige Dassen door den

aanmerkelijk slankeren romp, den langen, dicht behaarden staart, den

grooten gezwollen neus, de zwarte grondkleur, die met witte banden

geteekend is. De kop is klein in verhouding tot het lichaam en loopt

spits toe; de kleine oogen hebben een doordringenden blik; de ooren

zijn kort en afgerond; de korte pooten hebben matig groote voeten

en vijf bijna geheel met elkander vergroeide teenen, die vrij lange,

zwak gekromde nagels dragen; van de zool zijn minstens de eeltballen

onbehaard. De beide stinkklieren hebben een aanzienlijken omvang en

monden in den endeldarm uit; iedere klier bevat een holte ter grootte

van een hazelnoot, bekleed met een klierlaag, die de gele, olieachtige

vloeistof afscheidt, welke de holte vult en voorts omgeven door een

dikke spierlaag, die door haar samentrekking het vocht verscheidene

Meters ver voortstuwen kan. Van oude dieren en vooral van mannetjes

heeft dit vocht, naar men zegt, een heviger werking, dan van wijfjes

en jongen.

De Stinkdieren zijn geen echte woudbewoners; zij geven aan gewesten,

die met gras en struiken begroeid zijn, de voorkeur boven de

uitgestrekte, uit hoogstammige boomen bestaande wouden. Over dag

liggen zij verborgen en slapen in holle boomen, in rotsspleten en

in onderaardsche holen, die zij zelf graven; des nachts springen en

huppelen zij vlug heen en weer om een prooi te overmeesteren. Hun

gewone voedsel bestaat uit Wormen, Insecten, Amphibiën, Vogels en

kleine Zoogdieren; zij eten echter ook bessen en wortels. Alleen

als zij geplaagd of vervolgd worden, maken zij gebruik van het

bedwelming veroorzakende afscheidingsproduct hunner aarsklieren om

hunne vijanden af te weren. In geval van nood houden zij hiermede

zelfs de bloeddorstigste en roofgierigste Katten op een behoorlijken

afstand; alleen in zeer moedige Honden, die, nadat zij bespoten zijn,

den bedrijver van dit schelmstuk met ware doodsverachting te lijf

gaan, vindt deze een vijand, die tegen hem opgewassen is. Alle bekende

soorten komen in levenswijze met elkander overeen; wij kunnen daarom

met de beschrijving van een of twee soorten volstaan.

Het grootste deel van Zuid-Amerika wordt bewoond door een stinkdier,

dat bij de Brazilianen _Surilho_ heet (_Mephitis suffocans_);

het heeft een lengte van 40 cM. zonder den 28 cM. langen staart,

en is buitengewoon verschillend van kleur en teekening. Het dichte,

lange en overvloedige haar, dat op den snuit kort is en van hier te

beginnen allengs langer wordt, verschilt in kleur van zwartachtig

bruin tot glinsterend zwart. De witte strepen beginnen aan het

voorhoofd, en loopen, van elkander gescheiden door een strook ter

breedte van een vinger, tot aan den wortel van den staart; soms, doch

zelden ontbreken zij geheel, zoodat het dier effen zwart is. Hensel

verzekert, dat er waarschijnlijk geen twee Surilho's te vinden zijn,

die volkomen overeenstemmen.

De levenswijze van den Surilho verschilt niet belangrijk van die

der Marters. Hoewel hij het oerwoud vermijdt, komt hij toch alleen

in de met boomen begroeide gedeelten van het laagland en van het

gebergte voor. Hier verraadt hij zijn aanwezigheid door de kleine,

trechtervormige gaten, die hij dicht bij den rand van 't bosch in den

met gras begroeiden bodem maakt met het doel om Mistkevers te zoeken.

In het noorden van Amerika leeft als evenknie van den Surilho de

slechts befaamde _Skunk_ (_Mephitis varians_). De lichaamslengte van

dit dier bedraagt 40 cM.; zijn staart is bijna even lang. Zwart is de

grondkleur van de glanzige vacht. Aan den neus begint een smalle, witte

streep, die tusschen de oogen doorloopt, zich op het voorhoofd tot

een ruitvormige vlek verbreedt, zich op den hals nog sterker uitbreidt

en eindelijk in een band overgaat, die zich tusschen de schouders in

twee breede strepen verdeelt, welke tot aan de staartspits reiken en

zich daar weder vereenigen. Aan den hals, in de schouderstreek, aan

de buitenzijde der achterpooten, minder dikwijls ook aan de borst en

den buik komen kleine, witte vlekken voor. Over den staart strekken

zich, zooals gezegd is, twee breede, witte overlangsche strepen uit;

soms zijn de witte en de zwarte kleur op een minder regelmatige wijze

over dit lichaamsdeel verdeeld.

De _Skunk_ is wegens de onbarmhartige wijze, waarop hij een van onze

gevoeligste zintuigen beleedigt, reeds sedert langen tijd goed bekend,

en doet ook thans nog in alle reisbeschrijvingen van zich spreken. Zijn

verbreidingsgebied is tamelijk uitgestrekt; het veelvuldigst wordt

hij in de nabijheid van de Hudsonbaai gevonden, van waar uit hij zich

naar het zuiden verbreidt. Hij houdt zich in hoog gelegen gewesten op,

voornamelijk in bosschen en kreupelhoutstrooken langs de rivieroevers,

ook wel in rotsachtige streken, waar hij spleten en holen van het

gesteente bewoont.

Het Stinkdier is zoo goed bewust van de vreeselijkheid van zijn wapen,

dat hij volstrekt geen schuwheid of lafhartigheid toont. Al zijne

bewegingen zijn langzaam. Hij kan zoomin springen als klimmen, maar

alleen gaan en huppelen. Bij 't gaan zet hij nagenoeg de geheele

zool op den grond, kromt den rug naar boven en draagt den staart

benedenwaarts gericht. Af en toe wroet hij in den grond, of snuffelt

rond om iets eetbaars te vinden. Als men dit dier toevallig ontmoet,

blijft het rustig staan, licht den staart, op, draait zich om, en

spuit, als het noodig is, het pestvocht rechtuit naar achteren. Als

de honden het staande houden, legt het, volgens Hensel, den staart als

een zittend Eekhoorntje over den rug, keert het achterdeel naar de op

hem aandringende vijanden, en maakt uit toorn zonderlinge, huppelende

bewegingen, zooals men soms van gevangene Beren in het hok ziet. De

honden kennen het gevaarlijke wapen van hun tegenstander zeer goed,

en houden zich meestal op een eerbiedigen afstand. Slechts weinige

Honden hebben den moed, het Stinkdier te grijpen en te dooden. Nooit

verspilt het aangevallen dier zijn pestvocht voorbarig; het bepaalt

zich tot bedreigingen, zoolang de Honden eenige schreden ver van hem

verwijderd blijven.

Audubon ervoer de vreeselijkheid van het Stinkdier aan zichzelf. "Dit

kleine, aardige diertje, dat er zoo onschuldig uitziet," zegt hij,

"is niettemin in staat om iederen praalhans door het eerste schot

op de vlucht te jagen, en hem van angst te doen schreeuwen. Ik zelf

heb eens als kleine schooljongen zulk een droevige ondervinding

opgedaan. De zon was juist ondergegaan. Ik ging met eenige vrienden

langzaam mijns weegs. Op eens zagen wij een allerliefst, ons geheel

onbekend diertje, dat bedaard rondsloop, vervolgens staan bleef en ons

aankeek, alsof het ons als een oude bekende opwachtte om ons gezelschap

te houden. Het diertje zag er zoo onschuldig en aanlokkelijk uit; het

hield zijn ruigen staart recht omhoog, alsof het hierbij aangevat en

in onze armen naar huis gedragen wilde worden.--Ik was geheel verrukt,

tastte vol blijde verwachting toe--en pats! daar schoot het duivelsche

beest mij zijn pestvocht in den neus, in den mond, in de oogen. Als

door den bliksem getroffen, liet ik het monster vallen en nam in

doodsangst de vlucht."

De in Zuid-Amerika levende Stinkdieren verschillen, wat de

krachtige werking van hun pestvocht betreft, volstrekt niet van de

Noord-Amerikaansche.

In de gevangenschap ledigen de Stinkdieren hunne klieren niet, wanneer

men zich zorgvuldig wacht hen te plagen. Zij worden na korten tijd

zeer tam en geraken eenigermate aan hun verzorger gewoon, ofschoon

zij in 't eerst met het achterdeel naar hem gericht zich bewegen,

den staart omhoog heffend, om voortdurend gereed te zijn den vijand

de volle laag te geven. Hooi is hun liefste leger. Zij bereiden zich

een gemakkelijk bed en rollen zich daarop als een bal ineen. Na het

eten poetsen zij zich den snuit met de voorpooten; want zij zijn

zindelijk en houden hun haar steeds netjes en glad; ook laten zij

hun vuil nimmer op hun leger vallen. Zij worden met vleesch gevoed;

het liefst eten zij Vogels.

Het vel van den Skunk, waaraan men den onaangenamen reuk geheel kan

ontnemen, vormt sedert 1860 een belangrijk handelsartikel. Ieder jaar

worden ongeveer 600.000 van deze vellen (welker prijs f 3.60 à f 7.20

bedraagt) uitgevoerd, voornamelijk naar Rusland en Polen.

In Afrika vindt men in plaats van de Stinkdieren de _Bandbunzingen_,

die door hun vorm en andere uitwendige eigenschappen veel op de

dieren van de vorige groep gelijken; hun gebit komt echter meer met

dat van de Marters dan met dat van de Stinkdieren overeen. Zij hebben

behaarde zolen.

De best bekende soort van dit geslacht is de _Zorilla_, de _Muishond_

van de Europeesche kolonisten in het Kaapland (_Rhabdogale mustelina_),

een dier van 35 cM. lichaamslengte benevens 25 cM. staartlengte.

Hij is over geheel Afrika verbreid, gaat ook nog verder dan de

landengte van Suez, komt in Klein-Azië voor, en wordt zelfs, naar men

zegt, in de nabijheid van Konstantinopel (natuurlijk alleen aan de

Aziatische zijde van de zeeëngte) aangetroffen. Bij voorkeur houdt

hij zich in rotsachtige gewesten op. Hier leeft hij in spleten van

het gesteente of in zelf gegraven holen onder boomen en struiken. Hij

heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; hierdoor komt het, dat hij

over 't geheel slechts zelden gezien wordt. Zijn voedsel bestaat uit

kleine Zoogdieren, voornamelijk uit Muizen, kleine Vogels, vogeleieren,

Amphibiën en Insecten. Niet zelden wordt hij gevaarlijk voor het

pluimvee, omdat hij op de wijze van de Marters in de boerderijen

sluipt en als een Bunzing moordt.

Door zijne bewegingen gelijkt hij niet op de Marters; want hij is

minder behendig en moet eerder traag genoemd worden. Het klimmen

verstaat hij niet, en ook voor het water heeft hij een grooten afschuw,

ofschoon hij, als het zijn moet, zeer goed zwemt. Zijne afschuwelijke

wapens gebruikt hij geheel op dezelfde wijze als het Stinkdier.

In de derde onderfamilie van de Marters vereenigt men de _Otters_

(_Lutridae_). De hiertoe behoorende soorten, ongeveer 20 in getal,

zijn gekenmerkt door den gestrekten, platten, op korte pooten rustenden

romp, den platten kop met den stompen snuit, kleine, uitpuilende oogen

en korte, ronde ooren, de zeer ontwikkelde zwemvliezen tusschen de

teenen, den langen, spits toeloopenden, eenigszins plat gedrukten

staart en het korte, stijve, gladde, glanzige haar. Hunne voor- en

achterpooten hebben vijf teenen, de beide middelste zijn slechts weinig

langer dan de zijwaarts gerichte. In de aarsstreek komt geen klierzak

voor; twee klieren monden echter naast de aarsopening uit. Door het

gebit en den bouw van het geraamte geleken de Otters nog zeer op

de overige Marters. Een zeer eigenaardig kenmerk, dat ook aan het

geraamte zichtbaar is, levert echter de in 't oog loopend platte kop,

welks breede schedel zich aan het voorhoofd sterk versmalt, en die

in een korten snuit eindigt.

De Otters bewonen de rivieren en de zee; zij zijn over bijna alle

deelen der aarde, met uitzondering van Australië en de Poolgewesten,

verbreid. Slechts door den nood gedwongen verwijderen zij zich van

het water; ook dan doen zij dit alleen met de bedoeling om een ander

water op te zoeken. Zij zwemmen en duiken meesterlijk, kunnen langen

tijd onder water blijven, loopen ondanks hunne korte pooten tamelijk

snel, zijn sterk, moedig en koen, verstandig en geschikt om getemd

te worden; bijna overal leven zij echter op gespannen voet met den

mensch, omdat zij dezen zooveel nadeel doen, dat de kostbare pels,

die zij leveren, daarvoor op lange na geen vergoeding schenkt.

Europa dient tot woonplaats aan een enkele soort van deze onderfamilie,

de _Otter_ of _Vischotter_ (_Lutra vulgaris_), een Watermarter van

ruim 1.2 M. lengte, waarvan 40 à 43 cM. op den staart komen. De kop

is langwerpig rond, de snuit afgerond, de oogen klein maar vurig; de

romp is vrij slank, maar plat, de staart meer of minder rondachtig,

aan de spits sterk versmald; de zeer korte pooten, welker teenen met

elkander verbonden zijn door zwemvliezen, die zich tot aan de klauwen

uitstrekken, worden met de geheele zool op den grond gezet. Een dichte

en kort aanliggende beharing, die uit stevig, stijf, glanzig bovenhaar

van donkerbruine kleur bestaat, bedekt het lichaam; alleen aan de

onderdeelen wordt de haarkleur iets lichter; onder den hals en aan de

zijden van den kop gaat zij over in witachtig grijsbruin, terwijl de

in 't haar verborgen rand van 't oor een lichtbruine kleur heeft; een

lichte, wegsmeltende, witachtige vlek bevindt zich boven het midden

van de onderlip; enkele onregelmatige, zuiver witte of witachtige

vlekjes komen aan de kin en tusschen de onderkaakshelften voor. Sommige

exemplaren hebben eer een grijsbruine dan een donkerbruine kleur.

Onze Vischotter bewoont geheel Europa en bovendien het grootste

gedeelte van Noord- en Middel-Azië; in oostelijke richting strekt

zijn verbreidingsgebied zich uit tot aan den mond van den Amoer,

zuidoostwaarts minstens tot aan de noordwestelijke gedeelten van

den Himalaja. In de Poolgewesten dringt hij, naar het schijnt,

niet ver noordwaarts door, toch vindt men hem, hoewel zelden,

ook nog in Lapland; in Siberië komt hij niet binnen den Poolcirkel

voor. In Indië, China en Japan wordt hij door nauw verwante soorten

vervangen, in Afrika en Amerika door soorten, die men tot afzonderlijke

onder-geslachten brengt. In Middel- en Zuid-Europa bewoont hij elk

water, dat hem voedsel belooft, zelfs rivieren en beken van de

volkrijkste gedeelten van sterk bevolkte staten; in Middel-Azië

ontbreekt hij evenmin op plaatsen die voor hem geschikt zijn. De

Indische Otter gaat zelfs in brak water en zeewater, leeft in de

monden van rivieren en bezoekt nu en dan de zee.

De Vischotter was voorheen in de groote en kleine wateren van ons

geheele land vrij algemeen; hij wordt echter elk jaar zeldzamer en

is in vele streken reeds geheel uitgeroeid. Het meest houdt hij van

rivieren, welker oevers tot op grooten afstand met bosch begroeid

zijn. Hier woont hij in onderaardsche gangen, die geheel naar zijn

smaak en in overeenstemming met zijne gewoonten ingericht zijn. De

ingang van het hol bevindt zich steeds onder water, gewoonlijk 1/2

M. onder den waterspiegel. Van hier gaat een ongeveer 2 M. lange gang

in schuinsche richting naar boven, en komt uit in een ruime kamer,

die geregeld met gras bekleed en steeds droog gehouden wordt. Een

tweede, enge gang loopt van de kamer naar den bovenrand van den oever,

en doet als luchtververschingskanaal dienst. Steeds heeft de Otter

verscheidene woningen, tenzij het water, waarin hij zich ophoudt,

buitengewoon rijk aan Visschen is, zoodat hij geen groote zwerftochten

behoeft te ondernemen. Bij hoogen waterstand, als zijn hol overstroomd

wordt, zoekt hij een schuilplaats op nabijgelegen boomen of in holle

stammen, en rust hier uit; ook ontspant hij zich hier, als hij van

zijn jachtterrein, van 't water, terugkomt.

Aan eigenaars van vischwaters en aan hartstochtelijke hengelaars

geeft de Otter, door de groote schade die hij aanricht, veel stof

tot ergernis; voor den natuuronderzoeker levert hij echter een zeer

aantrekkelijk onderwerp van studie op. Het leven van dit dier is

zoo eigenaardig, dat het iederen vriend der natuur moet boeien. Aan

den Vischotter is alles merkwaardig: zijn handel en wandel in 't

water, zijne bewegingen, de wijze waarop hij zich voedsel verschaft,

en zijne geestelijke vermogens. Ontegenzeggelijk is hij een van de

belangwekkendste dieren van ons werelddeel. Dat hij een echt waterdier

is, ziet men dadelijk, ook als hij zich op het land bevindt. Wegens

zijne korte pooten gelijkt zijn gang, die echter volstrekt niet

langzaam is, op het kruipen van een Slang.

Geheel anders beweegt hij zich in 't water, zijn eigenlijke woonplaats,

die hij bij de geringste aanleiding tot vluchten tracht te bereiken,

om het gevaar, dat hem te land bedreigt, te ontgaan. De bouw van

zijn lichaam stelt hem in staat om op een onovertreffelijke wijze

te zwemmen en te duiken: het slangvormige, breede lichaam met de

korte, door groote zwemvliezen in krachtige roeiorganen veranderde

voeten, de gespierde en tamelijk lange staart, die uitmuntend als

roer gebruikt kan worden, en de gladde, glibberige pels--al deze

eigenschappen te zamen genomen maken het snel doorklieven van het

water mogelijk. Voor het grijpen van den buit dient hem het scherpe,

voortreffelijke en krachtige gebit, dat het eenmaal gevatte voorwerp,

hoe glad en glibberig het ook zij, nooit weder loslaat. In den winter,

als het water met een ijskorst bedekt is, zoekt hij de gaten in het

ijs op, waardoor hij zich te water begeeft en die hij weer opzoekt

om adem te halen. Zulke wakken of bijten weet hij zonder zich ooit te

vergissen weer terug te vinden; even behendig is hij in het ontdekken

van andere wakken gedurende zijn tocht onder het ijs. Een gat in 't

ijs, dat groot genoeg is om zijn neus er door te steken en waardoor

hij dus lucht kan krijgen, is voldoende om hem in staat te stellen

tot het jagen in het toegevroren water.

In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder

dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding vindt

tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men

hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van hem verneemt, als

hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als

de dikwijls en snel achtereenvolgens herhaalde klank "gierk"; het is

zoo schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw

verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid.

De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert

en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene honderden

schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk

een verschijning is voor hem steeds een reden om ten spoedigste naar

het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan

hij is blootgesteld, hebben hem zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer

listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan

zonder hem waar te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang

op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig

houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke

jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden tot op een

afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen

die aan groote rivieren of stroomen liggen, meestal zonder dat men

van zijn aanwezigheid iets bemerkt.

Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven

echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich bij andere

wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan

gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen zij den stroom op,

en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen

terdege af; tevens bevisschen zij tot op een afstand van een mijl van

hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier

uitmonden of met haar in gemeenschap staan.

In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en

den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water drijft hij

de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen

en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt hen, door meermalen

met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of

onder steenen te verschuilen, waar zij hem dan zeker ten buit vallen.

De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine

en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn

lievelingsspijs zijn.

Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in

elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd, bij ons

gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude

boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den waterkant op een

zacht en warm leger van gras 2 à 4 blinde jongen. De moeder betoont

hun veel liefde en verpleegt ze met de grootste zorgvuldigheid. In

het derde levensjaar zijn zij volwassen.

Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood

gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken een soort

van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft

men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht.

Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn

meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een trouwe Hond

op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig

voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever eet dan vleesch; dit kan

zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in 't geheel niet meer aanraakt.

"Een welbekend jager," verhaalt Wood, "bezat een Otter, die

uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, _Neptunus_, geroepen werd,

antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn

jeugd toonde hij een buitengemeen verstand, en met de jaren namen

zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond,

en mocht naar welgevallen visschen. Soms voorzag hij geheel alleen

de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij

hieraan het grootste deel van den nacht. Des morgens stond _Neptunus_

steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit

vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande Honden

en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn

bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn roem van dag tot

dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch

uitspraken, dat hij hun het dier voor een of twee dagen zou leenen,

opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen."

De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht,

onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid zijn vele

wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of

onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den "aanstand" (d. i. van

een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt,

dat een mensch in de nabijheid is, komt hij niet te voorschijn. In

den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral

als men in de nabijheid van de wakken het dier opwacht. Het meest

vangt men den Otter in een klem, dien men vóór de plaats waar hij

het water verlaat, zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer

5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos

bedekt. Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot,

waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen

vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De

weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op zulk een wijze

vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren

en vijvers vervolgt men hem in lichte schuiten, en schiet op hem,

zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen

verraden den weg, dien hij onder water aflegt, en geven den jagers de

richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze

van jagen niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den

bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot weer

boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren,

waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze van jagen in

praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door

de rivier, en laat den Otter opjagen door de voor dit doel afgerichte

Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen

staan bij de netten, of gaan, zoo dit mogelijk is, met de Honden in

de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en

dragen het daarna trotsch op de spiesen naar huis. Zoo jaagt men den

Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers

zich hierdoor een grooten naam verworven hebben. De gevangen Otter

sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht,

en is dan ook zeer gevaarlijk voor onvoorzichtige Honden, daar hij

dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende

Otterhonden weten trouwens dergelijke aanvallen te ontwijken, en

hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op 't oogenblik

van den dood laat de Otter klagende en kermende geluiden hooren.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 18 / 37 段