bewoont de Das geheel Europa, zoo ook Azië van Syrië af door Georgië
en Perzië tot in Japan, en Siberië tot aan den Lena. Vroeger kwam
hij vrij algemeen in ons geheele land voor, nu is hij bijna overal
zeldzaam, en vermindert daarenboven van jaar tot jaar; in Gelderland en
Noord-Brabant is hij het algemeenst, in de meeste streken van Utrecht,
Overijsel, Drente, Groningen zeldzaam. Hij leeft eenzaam in holen,
die hij zelf met zijne sterke, kromme klauwen aan de zonzijde van met
bosch begroeide heuvels uitgraaft, met 4 à 8 uitgangen en luchtgaten
voorziet, en van binnen op de gemakkelijkste wijze inricht. Het
voornaamste gedeelte van de woning, de kamer, die met verscheidene,
ieder 8 à 10 M. lange gangen in gemeenschap staat, is meestal 1 1/2 à
2 M., soms wel 5 M. diep onder de oppervlakte gelegen, en zoo groot,
dat zij een dik, zacht moskussen en het dier zelf benevens zijne
jongen bevatten kan. Slechts weinige gangen dienen om in en uit het
hol te komen, de meeste doen alleen in geval van grooten nood dienst
als vluchtwegen of ook als luchtgangen. Overal heerscht de grootste
zindelijkheid en reinheid; hierdoor onderscheidt het hol van den
Das zich van bijna alle overige dergelijke onderaardsche woningen
van Zoogdieren. Boschranden, die niet ver van vlakten gelegen zijn,
ja zelfs boomlooze hellingen te midden van een vlakte worden bij
voorkeur voor het aanleggen van deze woningen gebruikt; altijd echter
zijn het stille en eenzame plaatsen, die de kluizenaar hiervoor
uitkiest. Hij houdt er van, een rustig en gemakkelijk leven te leiden
en vooral om zijn afzondering zooveel mogelijk te handhaven. Door
zijn lichaamskracht is het hem gemakkelijk, holen te graven; evenals
eenige andere onder den grond levende dieren, kan hij zich in weinige
minuten in den bodem verschuilen.
In dit hol brengt de Das het grootste deel van zijn leven door en eerst
als het volkomen nacht geworden is, verwijdert hij zich er op grooten
afstand van. In zeer stille bosschen zwerft hij in 't midden van den
zomer ook wel in de laatste uren van den namiddag voor zijn genoegen
buiten rond; ik zelf heb hem in de nabijheid van Stubbenkammer op Rügen
op klaarlichten dag ontmoet; zulke uitstapjes over dag behooren echter
tot de zeldzaamheden. "Van een jager," verhaalt Tschudi, "die het
zeldzame geluk had, een Das in de vrije natuur ongestoord gedurende
langen tijd te kunnen waarnemen, ontvingen wij een merkwaardig
verslag van zijne ervaringen. Herhaaldelijk bezocht hij het hol van
een Das, dat aan den rand van een ravijn aangelegd was en dus van de
overzijde goed kon worden waargenomen. Van den toegang tot het hol was
blijkbaar een druk gebruik gemaakt, de versch opgeworpen aarde voor
den hoofdingang was echter zoo effen en glad als een dorschvloer
en zoo vastgetreden, dat men niet zien kon, of er jongen in het
hol waren. Toen de wind hiervoor gunstig was, sloop de jager aan de
tegenoverliggende zijde tot in de nabijheid van het hol, en zag weldra
een ouden Das, die brommig, in zijn eigen vervelendheid verdiept,
nederzat, maar overigens in de warme zonnestralen zeer veel genoegen
scheen te smaken. Dit was geen toeval: de jager had het dier, zoo vaak
hij op heldere dagen naar het hol keek, in de zon zien liggen. Met
gelukzalig nietsdoen bracht het den tijd zoek. Terwijl het daar zoo
zat, keek het ernstig om zich heen, beschouwde daarna enkele voorwerpen
nauwkeuriger en wiegelde zich eindelijk op de wijze van de Beren op
de voorpooten op zijn gemak heen en weer. Plotseling werd echter zijn
zoete rust op wreede wijze verstoord door bloeddorstige parasieten,
die onmiddellijk op een buitengewoon haastige wijze met de tanden en
klauwen ter verantwoording werden geroepen. Eindelijk stelde de Das,
die blijkbaar tevreden kon zijn over de uitwerking van de door hem
gehouden strafoefening, zich opnieuw in de gemakkelijkste houding
aan den invloed van de zonnestralen bloot, die hij nu eens op zijn
breeden rug, dan weer op zijn goed doorvoeden buik liet schijnen. Lang
duurde echter dit tijdverdrijf niet: hij had, naar het scheen, ergens
de lucht van gekregen. Hij stak den neus omhoog, wendde dien in alle
richtingen, zonder evenwel iets te kunnen ontdekken. Toch scheen hij
het raadzaam te achten voorzorgsmaatregelen te nemen, en stapte daarom
zijn hol binnen."
In den paringstijd leeft de Das in gezelschap van zijn wijfje, hoewel
niet voortdurend; gedurende den overigen tijd van het jaar bewoont
hij zijn eigen hol en onderhoudt zoomin met zijn wijfje als met andere
dieren vriendschapsbetrekkingen. In oude, uitgestrekte woningen dringt
de Vos zich niet zelden als commensaal aan hem op; de beide dieren
bekommeren zich echter niet veel om elkander; de Vos bewoont steeds
de bovenste, de Das de onderste gangen en kamers. Dat Reintje door
zijne uitwerpselen den zindelijken Grimbert zou verdrijven, is een
door latere onderzoekers weerlegd jagerssprookje.
De bewegingen van den Das zijn langzaam en traag; hij heeft, naar 't
schijnt, een slependen en loggen gang; zelfs als hij op zijn vlugst
loopt, beteekent zijn snelheid niet veel; men beweert, dat een goed
voetganger Grimbert kan inhalen. Het dier maakt een eigenaardigen
indruk. In 't eerst zou men hem eerder voor een Zwijn dan voor een
Roofdier houden; men moet, naar het mij voorkomt, al eenigermate met
zijn gestalte en zijn aard vertrouwd zijn, om hem te herkennen voor
wat hij is. Aan het Zwijn herinnert ook zijn knorrende stem.
Zijn voedsel bestaat in de lente en den zomer hoofdzakelijk uit
wortels, Insecten van allerlei soort, Slakken en Aardwormen,
bij gelegenheid echter ook uit jonge Hazen, vogeleieren en jonge
Vogels. De Regenwormen boort hij zeer behendig met de scherpe,
lange nagels van zijne voorpooten uit hunne holen te voorschijn,
en van dezelfde werktuigen maakt hij gebruik voor het opzoeken van
de larven van den Meikever en van andere schadelijke Insecten, die
op akkers, weiden en andere plaatsen onder den grond leven. Hier en
daar graaft hij een Hommel- of Wespennest uit en eet met smaak de met
larven gevulde en honigzoete raten op, zonder zich veel te storen aan
de angels der vertoornde eigenaars; zijn ruige pels, de dikke huid
en de daaronder gelegen vetlaag beveiligen hem trouwens volkomen
voor de steken dezer dieren. Slakken, misschien ook wel rupsen,
Vlinders en dergelijke dieren, zoekt hij van de boomen af. In den
herfst eet Grimbert geen beukenootjes, eikels enz., daarentegen
wel afgevallen ooft van allerlei soort, wortels en rapen; kleine
Zoogdieren (Veldmuizen, Mollen enz.) worden ook niet versmaad; hij
eet zelfs Hagedissen, Kikvorschen en Slangen. In de wijnbergen richt
hij soms verwoestingen aan; hij drukt de zwaar beladen wijnstokken
zonder bezwaar met de pooten om en eet zich letterlijk dik aan hunne
zoete vruchten. Hoogst zelden steelt hij jonge Ganzen en Eenden van de
boerderijen, die in de onmiddellijke nabijheid van het bosch liggen,
want hij is buitengewoon wantrouwig en vreesachtig en waagt zich daarom
alleen dan buiten het bosch, als hij overtuigd is, dat hij dit volkomen
veilig doen kan. Met zelden maakt hij van aas gebruik. Over 't geheel
genomen eet hij weinig en verzamelt geen grooten wintervoorraad in
zijn hol. Belangrijke schade richt de Das in Europa niet aan, in alle
gevalle nooit en nergens zoo veel, dat het nut, door hem gesticht door
het wegvangen en verslinden van allerlei ongedierte in bosch en veld,
er niet rijkelijk tegen opweegt. Van alle Marters is hij de nuttigste;
hij helpt het bosch in stand houden, in plaats van het te vernielen:
de boschbeamte, die hem tracht uit te roeien, benadeelt dus zich zelf
en het bosch dat aan zijne zorgen is toevertrouwd.
Als de herfst ten einde spoedt, heeft de Das zich vet gemest. Thans
denkt hij er aan, den winter zoo prettig mogelijk door te brengen en
maakt de belangrijkste toebereidselen voor zijn winterslaap. Hij brengt
bladen in zijn hol en maakt er een warm en dicht leger van. Totdat de
eigenlijke koude begint, voedt hij zich met den door hem verzamelden
voorraad. Nu rolt hij zich samen, gaat op den buik liggen, steekt den
kop tusschen de voorpooten, en vervalt in den winterslaap. Deze wordt
echter, evenals die van de Beren, zeer dikwijls afgebroken. Wanneer
de koude niet aanhoudt, of als het weder zachter wordt, vooral bij
dooi en in niet zeer koude nachten, wordt hij wakker, en verlaat soms
zelfs 's nachts zijn woning om te drinken. Bij betrekkelijk warm weder
begeeft hij zich reeds in Januari of op zijn laatst in Februari van
tijd tot tijd buiten het hol om wortels uit te graven en, als het geluk
hem dient, ook misschien een muisje te verrassen en te vangen. Het
vasten bekomt hem echter slecht; als hij in de lente weder voor den
dag komt, is hij, die zich voor eenige weken nog op het bezit van een
rond buikje kon verheffen, bijna zoo mager als een geraamte geworden.
In het laatst van Februari of in het begin van Maart werpt het
wijfje 3 à 4 blinde jongen op een met zorg samengesteld leger van
mos, bladen, varen en lang gras. Dat zij in dien tijd een eigen hol
bewoont, spreekt van zelf; want de vrouwelijke Das is even zoo goed
een verstokte heremiet als het mannetje. De jongen worden door haar
liefderijk verzorgd. Zij brengt hun na den zoogtijd zoo lang Wormen,
wortels en kleine Zoogdieren in het hol, tot zij in staat zijn zelf
voedsel te zoeken.
Na ongeveer 3 of 4 weken wagen de kleine, zeer lieve diertjes, door
hun moeder vergezeld, zich reeds tot aan den ingang van het hol,
ook gaan zij soms wel daarbuiten in de zon liggen. Daar spelen
zij op echt kinderlijke wijze allerliefst met elkander; zij die
zoo gelukkig geweest zijn, dit zeldzame schouwspel te genieten,
roemen het als zeer aantrekkelijk. Tot aan den herfst blijven de
jongen bij de moeder; dan heeft de scheiding plaats en gaat ieder
zijns weegs. In het tweede jaar zijn deze dieren geheel volwassen;
zij bereiken een leeftijd van 10 of 12 jaar.
De Das wordt in verschillende vallen gevangen; ook wordt hij wel
uitgegraven, of, afschuwelijk genoeg, met een kurketrekkervormig
werktuig, dat in den grond wordt geboord, gedood. Ook verdrijft men
hem uit zijn hol door flinke Dashonden, en schiet hem dood als hij
er uit komt. Alleen door zich in zijn woning zoo te verbergen, dat
zelfs de Honden hem niet vinden kunnen, ontkomt hij aan dit dreigend
gevaar, want hij is zoo log van beweging, dat het hem niet baten zou,
voor de Honden te vluchten. Hij tracht zich daarom, als hij in zijn
hol vervolgd wordt, gewoonlijk hierdoor te redden, dat hij stil, maar
zeer snel zich dieper ingraaft; werkelijk ontsnapt hij hierdoor vaak
genoeg aan de nasporingen zijner vijanden. Zeer vroeg in den morgen kan
men den Das ook wel op den "aanstand" (d. i. van een schuilhoek uit)
beloeren en hem dooden. Des avonds is de aanstand hoogst vervelend,
want het wantrouwig dier verschijnt steeds eerst midden in den nacht
en gaat zoo stil mogelijk zijns weegs.
Oud gevangen Dassen, die bij het ontgraven van hun hol buitgemaakt
werden, zijn werkelijk afschuwelijke dieren, ongevoelig voor goede
behandeling, onvatbaar voor eenige opvoeding, lui, wantrouwend, valsch
en boosaardig. Over dag verroeren zij zich niet, alleen 's nachts komen
zij te voorschijn; bij elke gelegenheid laten zij de tanden zien, en
zijn gevaarlijk, door iedereen te bijten, die hen onvoorzichtig nadert.
Geheel anders gedraagt zich de Das, als hij jong gevangen en zorgvuldig
opgevoed werd. Vooral wanneer men hem uitsluitend of hoofdzakelijk
plantaardig voedsel geeft, wordt hij tam en aan den mensch gehecht;
zelfs kan hij er toe gebracht worden zijn oppasser te volgen en op
diens roep van uit de open lucht in zijn hok terug te keeren.
Over een getemden Das schrijft Ludwig Beckmann mij: "Ik heb
vroeger een wijfjes-Das gehad, die geheel en al een huisdier was
geworden. _Kaspar_, zoo werd zij ondanks haar geslacht genoemd,
was een door en door eerlijke, hoewel eenigszins logge gast. Hij
wilde graag met iedereen in vrede leven, werd echter wegens zijne
ruwe grappen dikwijls verkeerd begrepen en deed dan soms onaangename
ervaringen op. Zijn eigenlijke speelkameraad was een uiterst behendige,
verstandige Patrijshond, die ik sinds zijn jeugd gewend had met
allerlei wilde dieren om te gaan. Met dezen hond voerde de Das op mooie
avonden echte kampspelen op; van heinde en ver kwamen dierenliefhebbers
mij bezoeken om dit zeldzaam schouwspel bij te wonen. De strijd bestond
hoofdzakelijk hierin, dat de Das, na herhaaldelijk met den kop geschud
te hebben, als een Ever regelrecht op den ongeveer 12 pas verder
staanden Hond toeschoot en in het voorbijrennen zijwaarts met den
kop naar zijn tegenpartij sloeg. Deze wipte met een sierlijken sprong
over den Das heen, wachtte een tweeden en derden aanval af, en liet
zich daarna door zijn tegenstander in den tuin jagen. Gelukte het den
Das de Hond bij een achterpoot te grijpen, dan ontstond er een hevige
vechtpartij, die echter nooit in een ernstigen strijd ontaardde. Als
het _Kaspar_ te erg werd, ging hij, zonder zich om te keeren, een eind
weegs terug, ging al snuivend en bevend op zijn achterpooten staan,
zette zijne haren overeind en hompelde dan als een opgeblazen Kalkoen
voor den Hond op en neer. Na eenige oogenblikken ging het haar en het
geheele lichaam van den Das langzaam naar beneden en na eenige malen
met den kop te hebben geschud en na een kalmeerend geknor, dat als
'hoe, goe, goe, goe' klonk, begon het lieve leven weer van voren af.
"Omdat hij volkomen zindelijk was, mocht hij in huis vrij
rondloopen. Het scheen een bijzondere liefhebberij van hem te zijn,
bij de trappen op en af te trippelen; niet zelden draafde hij echter
eenzaam en stil op den zolder rond, waar hij den kop nieuwsgierig
in alle hoeken stak. Hij beschouwde het als een bijzondere gunst,
gedurende het middagmaal bij mij te mogen blijven. Hij drong dan den
Patrijshond zonder complimenten ter zijde, ging op zijne achterpooten
staan, legde de voorpooten en den bonten, gladden kop op mijne knieën,
en eischte nu met het gewone 'hoe, goe, goe, goe' een stukje vleesch,
dat hij zeer behendig en zachtjes met de voortanden van den vork
trok. In den winter hield hij er veel van, zich voor den oven plat
op den rug te leggen en den breeden schaars behaarden buik aan de
warmte bloot te stellen.
"In den zomer vergezelde hij mij zeer gaarne naar een strook dicht
boschland, waarin hij zich volkomen op zijn gemak gevoelde, en bij
iederen stap nieuwe ontdekkingen deed. Nu eens ving hij een Hommel of
trok een Worm uit den grond, dan weer greep hij een bruine Aardslak
met zijne nagels. Op den terugweg volgde hij mij met tegenzin en liep
vlak achter mijne hielen; hij begon dan in den regel spoedig aan mijn
broek te trekken. Een flinke schop met het breedste deel van den voet
moedigde hem slechts aan om met zijne lompe grappen voort te gaan;
de zachtste slag met de hand of met een stokje bracht hem echter zeer
uit zijn humeur."
Een ander geslacht is dat der _Honigdassen_ (_Mellivora_). Het bevat
dieren met een breeden rug, een korten snuit en een korten staart;
de romp is plomper dan bij onzen Das en diens naaste verwanten, als
't ware van boven naar onderen samengedrukt; de rug is breed en plat,
de snuit lang; de kleine oorschelpen verheffen zich slechts weinig
boven de huid; de oogen zijn klein en ingezonken; de korte en sterke
pooten hebben naakte zolen; de teenen van de voorpooten zijn met lange,
voor 't graven geschikte klauwen voorzien.
De _Honigdas_ of _Ratel_ (_Mellivora capensis_) bereikt in volwassen
toestand een lengte van ruim 70 cM., waarvan op den betrekkelijk zeer
langen staart ongeveer 25 cM. komen. Het haar is lang en stijf; het
voorhoofd, het achterhoofd, de nek, de rug, de schouders en de staart
zijn aschgrauw, de snuit, de wangen, de ooren, het onderste deel van
den hals, de borst, de buik en de pooten zwartachtig grijs van kleur,
scherp gescheiden van de kleur der bovendeelen. Gewoonlijk ligt een
lichtgrijze randstreep tusschen deze beide kleuren in; vooral door
het bezit van deze streep onderscheidt de _Afrikaansche Honigdas_
zich van den _Indischen_.
De Ratel leeft in holen onder den grond, die door hem zelf gegraven
worden; hij toont een ongeloofelijke vaardigheid in dit soort van
werk. Daar hij overigens langzaam en onhandig is, zou hij aan zijne
vijanden nagenoeg niet kunnen ontkomen, indien hij niet de kunst
verstond, om, althans daar waar de grond zacht is, letterlijk in
den bodem te verzinken, d. i. zoo schielijk een hol te graven, dat
hij zich onder de aardoppervlakte verborgen heeft, voordat een op
hem afkomende vijand dichtbij genoeg is om hem te grijpen. Hij leidt
een nachtelijke levenswijze en gaat over dag slechts zelden op roof
uit. Op onzen jachttocht naar de Bogoslanden, zagen wij hem tweemaal,
telkens tegen den avond, maar toch voordat de zon was ondergegaan. Des
nachts daarentegen zwerft hij langzaam en op zijn gemak rond en maak
jacht op kleine Zoogdieren (n.l. Muizen, Springmuizen enz.), Vogels,
Schildpadden, Slakken en Wormen, graaft wortels en knollen uit, of
zoekt vruchten op. Eén liefhebberij bepaalt zijn geheele levenswijze:
hij is namelijk hartstochtelijk verlekkerd op honig en om deze reden
een der ijverigste bijenjagers.
In de boomlooze gewesten van Afrika bouwen de Bijen hare nesten
hoofzakelijk in den grond en wel in verlaten holen van allerlei aard,
zooals sommige Hommels en Wespen bij ons doen. Zulke nesten nu zijn
voor den Honigdas de meest gewenschte vondst; zoodra hij zulk een
schat ontdekt heeft, gaat hij hem onmiddellijk vol ijver opgraven. De
Bijen verweren zich zoo goed zij kunnen en trachten den aanrander
met haar angel zooveel mogelijk te wonden; zijn dicht behaarde,
zeer dikke huid is echter tegen bijensteken het beste schild dat er
bestaat, omdat zij zoo losjes verbonden is met de daaronder liggende
vetlaag als waarschijnlijk bij geen ander dier. Men beweert, dat
de Ratel zich letterlijk in zijn vel zou kunnen omdraaien. De Bijen
zijn volkomen machteloos tegenover zulk een vijand en deze woelt nu
gretig in hare woningen rond en verkwikt zich naar welgevallen aan
haren kostelijken inhoud.
De Ratel maakt trouwens niet alleen op honig jacht, maar houdt ook
van krachtiger voedsel. Carmichael zegt, dat de Honigdas door de
eigenaars van hoenderhokken als een van de schadelijkste dieren wordt
beschouwd. Bij de Algoa-baai betwisten eens eenige Boeren elkander het
eigendomsrecht op de eieren, die door de Hoenderen verlegd waren. De
Ratel maakte in één nacht aan dezen strijd een einde door eenvoudig
alle Hoenderen, omstreeks 30 stuks, de keel door te bijten en drie
er van in zijn hol te sleepen.
De _Indische Honigdas_ (_Mellivora indica_) komt, wat levenswijze
betreft, met den Afrikaanschen overeen; ook hij is wegens het
bezoeken van hoenderhokken zeer schadelijk. Hij is over geheel Indië
ten westen en noordwesten van de golf van Bengalen tot aan den voet
van den Himalaja verbreid, met uitzondering echter van de kust van
Malabar en van Beneden-Bengalen. Op Ceylon komt hij niet voor.
Jong gevangen Ratels worden tam en zijn zeer vermakelijk door de
plompheid en zonderlingheid van hunne bewegingen.
De _Stinkdas_, op Sumatra _Tellego_ of _Teledoe_, op Java _Segoeng_,
op Borneo _Saät_ genoemd, (_Mydaus meliceps_, p. 155), is, zonder het
ongeveer 2 cM. lange staartstompje, 35 cM. lang. Het dicht en lang
behaarde vel is, met uitzondering van het achterhoofd en den nek,
effen donkerbruin van kleur. Een witte of geelachtig witte streep
loopt langs den rug tot aan de staartspits. De onderzijde van het
lichaam is lichter gekleurd dan de bovenzijde. De vacht bestaat uit
zijdeachtig zachte wolharen en grof bovenhaar, dat aan de zijden en
op den nek een soort van manen vormt. De Stinkdas bewoont Sumatra,
Java en Borneo; of hij ook op het Maleische Schiereiland en andere
deelen van het vastland voorkomt, is nog niet uitgemaakt.
Horsfield heeft ons voor 't eerst de levenswijze van dit eigenaardige
dier leeren kennen. Zijn woning legt de Stinkdas met groote
voorzichtigheid en veel behendigheid op geringe diepte onder de
oppervlakte aan. Als hij een plaats heeft gevonden, die door lange en
stevige boomwortels goed beveiligd is, graaft hij tusschen de wortels
een hol, zoodat de bolvormige kamer, die bijna 1 M. middellijn heeft
en regelmatig uitgegraven wordt, onder den boom komt te liggen. Van
hier uit leiden gangen van ongeveer 2 M. lengte naar de oppervlakte;
zij zijn naar verschillende zijden gericht en hunne openingen
zijn gewoonlijk onder takken en droge bladen verborgen. Gedurende
den dag blijft hij in zijn hol verscholen; na het invallen van
den nacht begint hij jacht te maken op allerlei larven en Wormen,
vooral Aardwormen, die in de vruchtbare teelaarde in buitengewoon
grooten getale voorkomen. Hij wroet de Regenwormen als een Zwijn
uit den grond, en richt hierdoor op de akkers schade aan. Volgens
Horsfield is hij op Java uitsluitend beperkt tot hoogten die meer dan
2000 Meter boven den zeespiegel liggen, en komt hier even geregeld
voor als sommige plantensoorten. Door latere onderzoekers wordt deze
mededeeling echter uitdrukkelijk weersproken. Karl Bock verzekert,
dat de Saäts, die in Zuidoostelijk Borneo "even overvloedig zijn als
de Ratten," daar gevonden worden op hoogten, "die 800 of 1000 voet
niet te boven gaan. Ook op Sumatra," zegt hij verder, "bedraagt de
grootste hoogte, waarop de Saät wordt aangetroffen, geen 1000 voet,
en op deze hoogte komt hij slechts zelden voor."
Alle bewegingen van den Stinkdas zijn langzaam; hij wordt daarom
dikwijls door de inboorlingen gevangen, die volstrekt niet bang voor
hem zijn; naar gezegd wordt, eten zij zijn vleesch in de meening,
dat ieder die dit durft doen, voortaan tegen ziekte gevrijwaard is.
Horsfield gaf gedurende zijn verblijf in het gebergte Prahoe op Java
aan de inboorlingen last hem voor zijne onderzoekingen Stinkdassen te
verschaffen; deze werden hem in zoo groote menigte gebracht, dat hij
er weldra geen enkele meer kon aannemen. "Men verzekerde mij," zegt
deze onderzoeker, "dat het vleesch van den 'Teledoe' zeer goed smaakt;
het was echter noodig, het dier schielijk te dooden en zoo spoedig
mogelijk de stinkklieren te verwijderen, voordat deze hun helschen
stank aan de overige lichaamsdeelen hadden medegedeeld. Van mijn
Indischen jager vernam ik, dat de Stinkdas zijn stikvocht slechts op
een afstand van hoogstens 60 cM. kan spuiten. Dit vocht is kleverig;
zijn werking berust op de gemakkelijkheid waarmede het verdamt;
soms worden de omstreken van een dorp er geheel door verpest; in de
onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze stof werd uitgespoten,
is de stank zoo hevig, dat sommige lieden flauw vallen, als zij
genoodzaakt zijn eenigen tijd daar te blijven. De Amerikaansche
Stinkdieren verschillen van onzen Teledoe o. a. hierdoor, dat zij
het vocht verder kunnen spuiten."
"De Stinkdas is zachtaardig en vreedzaam van natuur en kan, als men
hem jong vangt, gemakkelijk getemd worden. Een Exemplaar, dat ik
gevangen hield, werd weldra zeer lieftallig, schikte zich in zijne
gevangenschap, herkende zijn oppasser en geraakte nimmer in zulk een
woede, dat hij van zijne stinkklieren gebruik maakte."
Men kan niet zeggen, dat eenig lid van de familie der Marters een
aangenamen geur verspreidt; integendeel zelfs bij de inheemsche
soorten zijn er, welker stank spreekwoordelijk is geworden. Wat
beteekent echter de stank van onzen Bunzing in vergelijking met dien
van eenige zijner in Amerika en Afrika levende verwanten en met dien
van den zoo even beschreven Stinkdas uit het zuidoostelijke gedeelte
van de Oude Wereld! Zij zijn de stinkers bij uitnemendheid! Als men
leest, welk een afschuw zij kunnen inboezemen overal waar en zoodra
zij zich vertoonen, begrijpt men eerst recht, welk een uitmuntend
verweermiddel een echte stinkklier is. Alle Amerikaansche reizigers
en natuuronderzoekers verklaren eenstemmig, dat het niet mogelijk is,
de werking van het afscheidingsproduct der stinkklieren naar behooren
te beschrijven. Geen scheikundig laboratorium, geen riool, geen kreng,
verbreidt een stank zoo hevig, zoo onuitstaanbaar als dien, waaraan de
(voor het uitwendige zoo sierlijke) _Stinkdieren_ hun naam te danken
hebben; weken, zelfs maanden lang blijft hij gebonden aan het hiermede
bezoedelde voorwerp. Men noemt dezen stank terecht een "pestlucht";
want iemand, die het ongeluk heeft, met een Stinkdier in aanraking
te komen, wordt werkelijk door iedereen gemeden als ware hij een
pestlijder. Ondanks hun geringe grootte zijn de Stinkdieren zulke
vreeselijke en machtige vijanden van den mensch, dat zij ieder, dien
zij met hun vreeselijk vocht bespuiten, in den letterlijken zin van
't woord uit de samenleving verbannen; zij zijn dus bij machte hem een
straf op te leggen, die al mee tot de zwaarste ontberingen behoort,
die iemand kunnen ten deel vallen. Zij zijn in staat een huis geheel
onbewoonbaar te maken, of een met de kostbaarste goederen gevulde
schatkamer haar waarde te doen verliezen.