van den Nerts vernomen hebben. De vrees, dat hij in Duitschland
geheel uitgeroeid zou zijn, is langzamerhand vrij algemeen geworden,
maar berust gelukkig niet op goede gronden. De Nerts komt in
Noord-Duitschland nog allerwege voor, hoewel overal in zeer gering
aantal. Zijn eigenlijk vaderland is het oosten van Europa: Finland,
Polen, Litauen, Rusland. Hier vindt men hem van de Oostzee tot den
Oeral, van den Dwina tot de Zwarte Zee, en niet bijzonder zeldzaam. In
Bessarabië, Zevenburgen en Galicië leeft hij ook. In Moravië behoort
hij tot de zeer zeldzame dieren; in Silezië wordt hij nu en dan
gevangen. Dat hij in Holstein voorkomt, wist men, zonder hierover
echter iets bepaalds te kunnen mededeelen. Des te meer verblijdde het
mij, dat ik van een in de natuurwetenschap ervaren jachtliefhebber,
van den houtvester Claudius, berichten over dit dier ontving:
"De Nerts houdt van de moerassige en met riet begroeide omstreken
van meren en rivieren, waar hij, evenals de Bunzing, een hol in een
damvormige verhevenheid te midden van de elzenwortels tot woning kiest;
hij graaft dit hol zoo dicht mogelijk bij het water, en voorziet het
met weinig uitgangen, die aan den waterkant open zijn. Vluchtgangen
in een andere richting of gangen naar naburige dammen worden hier
niet gevonden. Terwijl de Bunzing, die uit zijn hol verdreven is,
zich in geen geval te water begeeft, maar altijd zijn heil zoekt in
de vlucht op het land, waar hij een voldoend aantal schuilhoeken kent,
stort de Menk zich in zulke omstandigheden onmiddelijk in 't water en
wel in vertikale richting; hij duikt onder en onttrekt zich op deze
wijze aan de blikken zijner vervolgers. Het gelukt zelden hem in 't
water te schieten, daar hij lang onder de oppervlakte blijft en steeds
op een verafgelegen plaats weder te voorschijn komt. Voor den Hond is
hij in het water, zelfs wanneer dit beperkte afmetingen heeft, veilig."
Jaren zijn voorbijgegaan, voordat Claudius, en door zijn tusschenkomst
ik, het gewenschte doel bereikte en in het bezit geraakte van een
levenden Nerts. Eerst in het begin van 1868 kon mijn ijverige vriend
mij mededeelen, dat er een wijfje van deze soort gevangen en bij
hem gebracht was; het dier werd met melk en versch vleesch gevoed
en bevond zich daarbij zeer wel; zijn verzorger hoopte, wegens de
bedaarde gemoedstemming van het dier, dat de door het ijzer van de
val veroorzaakte wonden weldra genezen zouden zijn. "De Nerts is," zoo
schreef Claudius mij, "veel goedaardiger dan zijne geslachtsgenooten
en wordt alleen boos, wanneer men hem plaagt; gewoonlijk let hij niet
eens op mij; hij laat zich met een stokje over 't vel strijken zonder
boos te worden. Den geheelen dag ligt hij aan den eenen kant van de
kooi ineengerold op zijn leger van hooi, terwijl hij den anderen kant
gebruikt om er zijne natuurlijke behoeften te verrichten; des nachts
wandelt hij in zijn ruime woning rond, waaruit hij reeds verscheidene
malen met geweld is losgebroken. Alleen de eerste maal vond ik hem
echter des morgens buiten de kooi, in een hoek van de kamer verborgen;
later vond ik hem, als hij 's nachts uit zijn gevangenis ontsnapt was,
des morgens geregeld weer op zijn leger; het was, alsof zijn nachtelijk
uitstapje alleen ten doel had, hem eenige afwisseling te verschaffen,
en niet een poging was om zijn vrijheid te herkrijgen."
Nadat de Nerts zich met zijn gevangenschap volkomen verzoend had
en zoo tam geworden was, dat hij zich door zijn verzorger liet
aanvatten zonder weerstand te bieden, en ook liefkoozingen aannam,
zond Claudius hem aan mij in een gesloten kist. Toen ik deze opende,
bemerkte ik volstrekt niet den onaangenamen reuk, dien de Bunzing
in dergelijke omstandigheden verbreidt, waardoor ik overtuigd werd,
dat het dier in de kist wel degelijk een Nerts was. Ik mag wel zeggen,
dat, voorzoover ik weet, de ontvangst van geen enkel dier mij zooveel
genoegen veroorzaakte, als die van dezen zeldzamen, reeds jaren
lang door mij begeerden Europeeschen Marter; jaren lang heb ik hem
in den besten welstand behouden. Hij verlaat zijn leger eerst vrij
laat in den avond, althans nooit voor zonsondergang, en beweegt zich
gedurende den nacht in zijn kooi. Hij wijkt nooit van dezen regel af,
en dit acht ik een voldoende verklaring van de onbekendheid, waarin
men over 't algemeen verkeert ten aanzien van de levenswijze van
dit dier in den natuurstaat. Want wie kan in de duisternis van den
nacht den Nerts in zijn eigenlijk woongebied, het broekland of het
moeras, volgen? Zijne bewegingen gelijken, voorzoover ik hierover kan
oordeelen naar aanleiding van waarnemingen aan mijn in een nauwe ruimte
opgesloten gevangene, nog het meest op die van den Bunzing. Hij heeft
volkomen de behendigheid van de Marters, maar bezit niet de vaardigheid
in 't klimmen, die bij de bekendste leden dezer familie voorkomt en
evenmin hun lust om zich te bewegen; men zou veeleer kunnen zeggen,
dat hij geen stap doet, zonder dat dit noodig is. Terwijl hij zich
beweegt, is het veel schranderheid verradend kopje geen oogenblik
in rust; de scherpziende oogen waren onophoudelijk door de geheele
ruimte rond, en de kleine ooren worden zoover mogelijk gesplitst,
om op te merken wat aan de oogen zou kunnen ontgaan. Als men hem
nu een levend dier voorhoudt, dan komt hij oogenblikkelijk nader,
pakt het dier met de behendigheid van een echten Marter, bijt het
met een paar snelle beten dood en sleept het in zijn hol.
Visschen en Vorschen zijn, naar het schijnt, zijn liefste voedsel,
hoewel Claudius meende, dat hij vleeschkost boven alles verkoos, en
alleen dan Visschen gebruikte, als hij geen vleesch krijgen kon. Het
heeft mij vooral getroffen, dat mijn gevangene eerder afkeerig is van
het water, dan dat hij er naar verlangt. Een Vischotter tracht zelfs
in de kleinste ruimte op de een of andere wijze partij te trekken van
het element, waarin hij zich t'huis gevoelt: de Nerts denkt hier niet
aan; hij gebruikt het water alleen als drank, en niet om er zich in
te baden of er in te spelen.
De _Veelvraat_, een van de plompste vormen van de familie der Marters,
vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (_Gulo_), dat de volgende
kenmerken vertoont: De romp is krachtig en gedrongen, de staart kort en
zeer ruig, de hals dik en kort, de rug omhoog gebogen, de kop groot,
de snuit langwerpig, tamelijk stomp afgeknot; de pooten zijn kort en
sterk, de plompe voeten hebben vijf teenen, die met sterk gekromde
en zijdelings samengedrukte klauwen gewapend zijn.
De _Veelvraat_ (_Gulo borealis_) is 95 cM. à 1 M. lang, waarvan 12 à
15 cM. op den staart komen, en in de schouders 40 à 45 cM. hoog. Op
den snuit zijn de haren dun en kort, aan de voeten stevig en glanzig,
aan den romp lang en ruig; stijve en lange haren bedekken den bovenarm,
het bovenbeen en den staart en vormen de lichter gekleurde strepen
langs de zijden. In de vacht van kruin en nek zijn bruinzwarte
met grijze haren gemengd; de rug, de onderdeelen en de pooten zijn
donkerzwart; tusschen oog en oor bevindt zich een lichtgrijze vlek;
een lichtgrijze streep begint aan iederen schouder en strekt zich
langs de zijden van den romp naar achteren uit. Het wolhaar is grijs,
aan de onderzijde meer bruin.
De Veelvraat bewoont de noordelijke landen der aarde. Te beginnen
bij het zuiden van Noorwegen en Finmarken vindt men hem door
geheel Noord-Azië en Noord-Amerika tot in Groenland. Vroeger was de
zuidelijkste grens van zijn verbreidingsgebied op lagere breedte
gelegen dan thans; in den Rendiertijd strekte het zich tot aan de
Alpen uit. Bechstein verhaalt van een Veelvraat, die bij Frauenstein
in Saksen, Zimmermann van een anderen, die bij Helmbstedt op
Brunswijksch gebied gedood werd. De beide laatstgenoemde worden als
verdwaalde dieren beschouwd, daar het niet zeer waarschijnlijk is,
dat de Veelvraat nog voor betrekkelijk korten tijd zoo ver zuidwaarts
kwam. Tegenwoordig vormen Noorwegen, Zweden, Lapland, Noord-Rusland
(vooral de gewesten om de Witte Zee en Perm), geheel Siberië,
Kamtschatka en Noord-Amerika zijn woongebied.
De natuuronderzoekers uit vroegeren tijd verhalen van dit dier de
fabelachtigste zaken; aan hen is het te danken, dat dit dier in vele
talen aangeduid wordt met namen, die gelijke beteekenis hebben. Men
heeft zich tevergeefs beijverd het woord Veelvraat uit het Zweedsch
of Deensch af te leiden. Sommigen zeggen, dat het samengesteld is uit
"fjäl" en "fräsz" en "rotskat" beteekent; Lenz zegt echter, dat het
woord "fjälfräsz" als diernaam in 't geheel niet tot de Zweedsche
taal behoort, en weerspreekt ook de veronderstelling, dat het uit
het Finsch afgeleid zou zijn. Bij de Finnen heet het dier _Kampi_,
waarmede men echter ook den Das aanduidt, bij de Russen _Rosomacha_
of _Rosomaka_, bij de Skandinaviërs _Jerf_; de Kamtschadalen noemen
het _Dimug_ en de Amerikanen _Wolverene_. Hoogst waarschijnlijk is
de naam Veelvraat ontstaan naar aanleiding van de verhalen, die over
dit dier de ronde deden, en het is door letterlijke vertaling van de
eene taal in de andere overgegaan. Wie deze verhalen leest en gelooft,
zou instemmen moeten met het oude kinderrijmpje:
"De Veelvraat heet zoo, 't is gewis,
Omdat hij zeer vraatzuchtig is."
Michow zegt n.l.: "In Litauen en Moskovië leeft een dier, dat zeer
vraatzuchtig is en _Rosomaka_ heet. Het is zoo groot als een Hond,
heeft oogen als een Kat, zeer sterke klauwen, een langharigen, bruinen
romp en een staart als de Vos, hoewel korter. Als het een aas vindt,
vreet het zoo lang, totdat zijn lichaam zoo vol is als een trommel; dan
wringt het zich tusschen twee dicht bij elkander staande boomen door,
om zich te ontlasten, keert weder terug, vreet opnieuw en wringt zich
nogmaals tusschen de boomen door, totdat het aas geheel verslonden
is. Het schijnt verder niets te doen dan te vreten, te drinken en
dan weer te vreten." Deze ongerijmde fabelen zijn reeds door Steller
weersproken, terwijl reeds door Pallas een juiste levensbeschrijving
van dit vreemdsoortige dier gegeven werd.
De Veelvraat bewoont de bergachtige gewesten van het noorden; hij geeft
aan de kale toppen van de Skandinavische Alpen de voorkeur boven de
ontzaglijke wouden, die de lagere gedeelten van dit gebergte bedekken,
ofschoon hij ook hier gevonden wordt. In de minst bezochte wildernissen
houdt hij zich op. Hij heeft geen vaste verblijfplaats, maar kiest een
andere woning telkens als hij er een noodig heeft. Als de nacht invalt,
verbergt hij zich op iedere plaats, die hem een schuilhoek verschaft,
zoowel in het dichtst van het woud als in rotskloven, in een verlaten
vossenwoning zoowel als een door de natuur gevormd hol. Hoewel hij,
evenals alle Marters, meer nachtdier dan dagdier is, houdt hij zich
in zijn woongebied, dat weinig door den mensch verontrust wordt,
niet aan een bepaalden regel; ook bij 't zonlicht sluipt hij rond;
hij moet dit ook wel doen, daar, zooals men weet, in de noordelijkste
gedeelten der aarde de zon gedurende den zomer maanden achtereen dag
en nacht boven de kim blijft.
In den winter, die hij, op gelijke wijze als zijne naaste verwanten
uit de familie der Marters, doorbrengt zonder langen tijd te slapen,
stellen zijne groote teenen hem in staat, om met gemak over de sneeuw
te loopen; daar hij niet keurig is op zijn voedsel, leidt hij over 't
algemeen een onbezorgd en rustig leven, zonder ooit in grooten nood te
komen. De wijze, waarop hij zich voortbeweegt, is zeer eigenaardig;
vooral zijn gang verschilt van dien van alle andere, mij bekende
dieren. Deze bestaat namelijk uit groote, boogvormige sprongen, welke
gepaard gaan met een zonderling hompelen en buitelen. Toch komt hij
hierdoor snel genoeg vooruit, om kleine Zoogdieren zonder moeite
in te halen, en grootere na een langdurige vervolging tot staan te
brengen. Hoe log hij ook is, toch kan hij boomen van geringe hoogte
beklimmen. Op de takken van deze boomen ligt hij, dicht tegen den
stam aangedrukt, op de loer, en wacht, totdat een prooi onder hem
langs gaat. Van zijne zinnen is de reuk het meest ontwikkeld; ook
het gezicht en het gehoor zijn tamelijk scherp.
Zijn hoofdvoedsel bestaat uit de verschillende soorten van Muizen,
die in het noorden leven, en vooral uit Lemmingen, waarvan hij
een verbazend groot aantal exemplaren verdelgt. Wegens de groote
veelvuldigheid van deze dieren in sommige jaren behoeft hij bijna niet
naar ander wild om te zien. Hij volgt de Wolven en Vossen op hunne
rooftochten, in de hoop iets van hun buit te kunnen rooven. In geval
van nood maakt hij zelf jacht op groote dieren. Zeker is het, dat
hij Rendieren, en zelfs Elanden aanvalt en doodt. Thunberg vernam,
dat hij zelfs koeien om 't leven brengt, door haar den strot te
verscheuren. Lôwenhjelm vermeldt in zijn reisbeschrijving van Nordland,
dat de Veelvraat hier schade aanricht onder de schapenkudden. Erman
hoorde van de Ostjaken, dat dit dier den Eland op den rug springt
en door beten doodt. Mijn jachtgezel Erik Swenson verhaalde mij,
dat de Veelvraat zich in Skandinavië, vooral als de sneeuw zeer
hoog ligt, zachtjes in den wind op naar de plaatsen begeeft, waar de
Sneeuwhoenderen hunne holen hebben gegraven, ze daarin vervolgt en
zonder moeite doodt. De jagers haten hem in hooge mate. Mijn geleider
verzekerde mij, dat ieder door hem gedood Rendier, dat hij niet
zorgvuldig onder steenen verborgen had, gedurende zijn afwezigheid
door den Veelvraat werd aangevreten. Zeer dikwijls eet deze het
lokaas uit de vallen op, en verslindt de hierin gevangen dieren
ten deele. Op dezelfde wijze handelt hij in Siberië en Amerika. In
de hutten der Lappen richt hij dikwijls belangrijke verwoestingen
aan. Hij baant zich met de klauwen een weg door de deur of het dak, en
rooft vleesch, gedroogde visch, kaas en dergelijke voedingsmiddelen,
verscheurt bovendien de dierenhuiden, die hier bewaard worden, en
vreet ze zelfs gedeeltelijk op, als hij zeer hongerig is. Gedurende
den winter is hij bij dag en bij nacht in de weer; als hij vermoeid
is, graaft hij eenvoudig een gat in de sneeuw, laat zich insneeuwen,
en rust in deze nu warme slaapplaats op zijn gemak uit.
Een kleine prooi wordt dadelijk met huid en haar verslonden, een
grootere wordt echter zorgvuldig begraven, om nog voor een tweeden
maaltijd dienst te kunnen doen.
Door alle bewoners van de noordelijke gewesten wordt de Veelvraat
wegens zijn tallooze rooverijen zooveel mogelijk vervolgd en gedood,
ofschoon zijn vel niet overal gebruikt wordt. De Kamtschadalen schatten
het echter zeer hoog, en zijn van oordeel, dat geen huid beter dan
deze voor bont geschikt is.
In weerwil van zijn betrekkelijk geringe grootte is de Veelvraat
geen tegenstander om mede te spotten, omdat hij buitengewoon sterk,
woest en flink gewapend is. Tegen den mensch verweert hij zich alleen,
als hij hem niet meer ontwijken kan. Gewoonlijk neemt hij bij 't zien
van een jager de vlucht, of klimt, wanneer de drijvers hem opjagen,
in een boom, of zoekt een toevlucht op de hoogste rotspunten, waar
zijne vijanden hem niet volgen kunnen. Door vlugge Honden wordt hij
in vlakke, boomlooze landstreken spoedig ingehaald; ook tegen hen
verdedigt hij zich echter met moed en groote behendigheid.
Zoo lang een gevangen Veelvraat jong is, gedraagt hij zich zeer
grappig, bijna als een jonge Beer. Wanneer hij met een touw aan een
paal vastgebonden is, loopt hij in een halven cirkel heen en weer,
schudt intusschen den kop en laat een grommend geluid hooren. Als
er slecht weer zal komen, wordt hij nukkig en brommig. Ofschoon
zijne bewegingen niet bijzonder vlug zijn, is hij toch voortdurend
in beweging, en alleen wanneer hij slaapt, ligt hij stil op een
en dezelfde plaats. Een boom, die in zijn kooi staat, beklimt hij
met gemak, en hij schijnt bijzonder veel genoegen te hebben in de
merkwaardige gymnastische toeren, die hij in de takken verricht.
De Veelvraat toont zijn eigenlijken aard eerst dan, als hij in
gezelschap van zijne soortgenooten is. In den Berlijnschen dierentuin
waren drie exemplaren van dit in onze kooien zoo zeldzame dier,
n.l. een oud en twee nog niet volwassene, die er op zeer jeugdigen
leeftijd gekomen zijn. Men kan zich bijna geen grappiger en vroolijker
schepsels denken dan de beide jonge dieren waren. Zeer zelden
kwam het voor, dat zij zich gedurende korten tijd rustig hielden;
het grootste deel van den dag sleten zij met spelen, waarmede zij
oorspronkelijk volstrekt geen booze bedoeling gehad schenen te hebben,
maar die spoediger ernstiger werden en van tijd tot tijd in een
tweegevecht ontaardden, waarbij de beide helden gebruik maakten van
hun gebit en hunne klauwen. Als het spel uit was, draafden de beide
plompe dieren achter elkander aan, doorkruisten hun hok in allerlei
richtingen, doorsnuffelden alle hoeken en gaten, wierpen de etens-
en drinkbakken het onderste boven, ergerden de brave schoonmaaksters,
die hun kooi moesten schoonmaken, door hun nimmer verflauwden ijver in
het onderzoeken van voorwerpen en gereedschappen, waarmede zij niets
te maken hadden, werden nogmaals boos op elkander en hervatten het
oude spel, dat oplettende toeschouwers uren lang kon boeien. Geheel
anders gedroegen zij zich in tegenwoordigheid van den oppasser,
die hun voedsel bracht. Van alle middelen, waardoor een dier zijn
honger te kennen kan geven, maakten zij gebruik. De oorsprong van
den naam Veelvraat werd mij, toen ik ze voor de eerste maal zag
voederen, op eens duidelijk. Jankend, huilend, knorrend, keffend,
tandenknarsend renden zij, elkander af en toe op oorvegen onthalend,
de kooi rond, alsof zij dol en van zinnen waren; begeerig keken
zij naar het vleesch, wentelden zich, als de oppasser het hun niet
oogenblikkelijk toereikte, als 't ware vol wanhoop over den grond,
schoten, zoodra het stuk hun toegeworpen werd, er gretig op af, en
kauwden nu, terwijl zij druk smakten, knorden en bliezen, zoo ijverig,
slokten en verzwolgen zoo gulzig, dat men er niet aan kan twijfelen,
of de sprookjes van de oude schrijvers hebben hun ontstaan en in
zekeren zin hun rechtvaardiging gevonden in het waarnemen van het
gedrag van zulke gevangene Veelvraten.
In Brazilië leven de _Huronen_ of _Grisons_ (_Galictis_). Deze slank
gebouwde Marterachtige dieren zijn gekenmerkt door den tamelijk dikken,
van achteren verbreden kop, die bij het begin van den snuit slechts
weinig ingedeukt is, de korte, afgeronde ooren en de betrekkelijk
groote oogen; de romp rust op korte pooten, welker matig groote
voeten vijf door spanvliezen vereenigde teenen dragen en naakte,
eeltachtige zolen hebben; de staart is middelmatig of tamelijk lang;
het haarkleed kort; het gebit vertoont belangrijke afwijkingen van dat
der overige Marters. Naast de aarsopening bevinden zich klierachtige
plekken, die een sterk naar muskus riekend vocht afscheiden. Tot nu
toe zijn twee soorten van dit geslacht bekend, die zich in bosschen
en in struikgewas ophouden. Zij zijn behendig in al hunne bewegingen,
klimmen ook zeer goed en zijn hierdoor flinke jagers, die kleine
en middelmatig groote Zoogdieren vervolgen, en evenals de Ratel of
Honigdas en de Beren, zeer veel van honig houden. Deze beide soorten
zijn de _Tayra_ der bewoners van Paraguay, die de Brazilianen _Hyrare_
noemen, (_Galictis barbara_), en de _Grison_ (_Galictis vittata_).
Ter eere van onzen Grimbert noemen wij de uit Zoolgangers bestaande
tweede onderafdeeling van de Marter-familie _Dassen_ (_Melidae_)
en vereenigen hierin de plompste en gedrongenste vormen van de
geheele familie, die zich bovendien door hun zeer onaangenamen reuk
onderscheiden.
De _Das_ is het volmaakste type van een zelfzuchtige, wantrouwige,
slecht gehumeurde persoon, die als 't ware met zichzelf in strijd
verkeert. In dit opzicht stemmen nagenoeg alle onderzoekers overeen,
hoewel zij het nut, dat deze eigenaardige Marter aanbrengt, niet
miskennen. De Das is het onschadelijkste van de groote Europeesche
Roofdieren en wordt toch vervolgd en beoorloogd als de Wolf of de Vos,
zonder dat hij vele verdedigers heeft gevonden, zelfs niet onder de
jachtliefhebbers, die toch, zooals bekend is, het meest houden van de
dieren, die zij het ijverigst vervolgen. Zij, die hem zoo onbarmhartig
beschuldigen en veroordeelen, bedenken hierbij niet, dat hij op zijn
wijze zich eenvoudig en netjes gedraagt en zoo veel mogelijk eerlijk
en braaf zijn levenspad bewandelt. Zijn eigenaardige levenswijze
is de eenige aanleiding tot het harde oordeel, dat over hem geveld
wordt. Men kan niet ontkennen, dat hij een kniezerig, menschen en
dieren ontwijkend, eenzelvig schepsel is, en bovendien zoo op zijn
gemak gesteld, zoo lui als geen ander; al deze eigenschappen zijn
zeer zeker niet geschikt, om iemand vrienden te doen verwerven. Wat
mij betreft, ik moet erkennen, dat ik wel iets met hem op heb: zijne
levenswijze en zijn voorkomen vermaken mij.
Een gedrongene, stevige en gespierde romp, een dikke hals, een lange
kop met een slurfvormig toegespitsten snuit, kleine oogen en kleine,
maar duidelijk zichtbare ooren, naakte zolen en stevige klauwen
aan de voorpooten, een korte, behaarde staart, een dichte, grove
vacht alsmede een dwarse spleet, die naar een aan den aars gelegen
klierzak leidt, kenmerken het geslacht _Meles_, dat door den Das wordt
vertegenwoordigd. Aan het gebit vallen de stevigheid der tanden, vooral
de buitengewone grootte van de eenige knobbelkies in de bovenkaak en
de stompheid van de scheurkies als eigenaardigheden in 't oog.
De _Das_ (_Meles taxus_) bereikt zonder den 18 cM. langen staart een
lichaamslengte van 75 cM. bij een hoogte in de schouders van ongeveer
30 cM. Oude mannetjes worden in den herfst tot aan 20 KG. zwaar. Een
glanzige, uit vrij lange, stijve, bijna borstelachtige haren bestaande
vacht bedekt het geheele lichaam en omhult ook de ooren. Haar kleur
is aan den rug witachtig grijs en zwart dooreengemengd, omdat ieder
haar afzonderlijk aan den wortel meest geelachtig, in het midden
zwart en aan de spits grijsachtig wit is; aan de zijden van het
lichaam en aan den staart is de kleur roodachtig, aan de onderdeelen
en de voeten zwartachtig bruin. De kop is wit, maar een doffe, zwarte
streep loopt aan iedere zijde van den snuit, verbreedt zich, strekt
zich over de oogen en de wit behaarde ooren uit en loopt in den nek
allengs te niet. De wijfjes onderscheiden zich van de mannetjes
door hare geringere grootte en breedte, alsook door de lichtere
kleur, die een gevolg is van het doorschemeren van het witachtige
wolhaar. De jagers onderscheiden de jonge en oude dieren dikwijls door
de namen "Hondsdassen" en "Varkensdassen" wegens den vorm van den
snuit. Volkomen witte Dassen zijn zeer zeldzaam; nog zeldzamer zijn
die, welke op een witten grond donker kastanjebruine vlekken hebben.