weergalooze roover, die aan alle kleine Zoogdieren den oorlog
heeft verklaard, en onder hen dikwijls een ontzettende slachting
aanricht. Van de Zoogdieren vallen haar ten buit: Huis-, Bosch-
en Veldmuizen, Water- en Huisratten, Mollen, jonge Hamsters, Hazen
en Konijnen. Uit de klasse der Vogels rooft zij: jonge Hoenderen
en Duiven, Leeuweriken en andere op den grond levende Vogels, en
zelfs zulke, die op boomen slapen; zij plundert ook hunne nesten,
voorzoover zij deze bereiken kan. Onder de Kruipende Dieren maakt
zij jacht op Hagedissen, Hazelwormen en Ringslangen en durft zelfs de
gevaarlijke Adder aan te vallen, hoewel zij na eenige malen gebeten
te zijn, bezwijkt. Bovendien eet zij ook kikvorschen en Visschen,
kortom zij gebruikt iedere soort van vleesch, zelfs dat van dieren
van haar eigen soort. Insecten van allerlei orden beschouwt zij
als een lekkernij; als zij Kreeften kan machtig worden, weet zij
hun harde schaal behendig stuk te maken. Haar geringe grootte en
ongeloofelijke vlugheid komen haar op de jacht goed te stade. Men
kan gerust zeggen, dat geen enkel klein dier veilig voor haar is. Men
heeft zelfs waargenomen, dat zij in vereeniging met hare soortgenooten
jaagt, wat geen verwondering kan wekken, als men bedenkt, dat zij
gezellig leeft, en op sommige plaatsen in grooten getale gevonden
wordt: zoo zag Pechuel-Loesche een troep van zeven volwassen Wezels,
waarschijnlijk tot één familie behoorend, over dag een met struiken
begroeid terrein doorzoeken; zij deden dit op de gewone wijze, zonder
zich veel te bekommeren om de haar volgende toeschouwers. De Wezel
pakt kleine dieren in den nek of bij den kop; groote tracht zij aan
den hals te grijpen. Eieren zuigt zij uit, zonder dat er een druppel
van den inhoud verloren gaat; behendig worden hiervoor aan het eene
einde één of verscheidene gaten gemaakt. Groote eieren klemt zij,
naar men zegt, als zij ze vervoeren moet, tusschen de kin en de borst,
kleinere draagt zij in den bek weg. Bij grootere dieren stelt zij
zich tevreden met het bloed, dat zij oplekt, zonder het vleesch aan
te raken, kleinere dieren verslindt zij geheel: die, welke zij eens
gepakt heeft, laat zij niet weder los. In de onmiddellijke nabijheid
van bewoonde gebouwen jaagt zij bijna zonder eenigen schroom.
In Mei of Juni, na een draagtijd van vijf weken, krijgt het wijfje
3 à 8 jongen, die zij meestal in een hollen boom of in een van hare
onderaardsche schuilplaatsen ter wereld brengt, altijd echter op een
verborgen plaats, in een nest, dat van stroo, hooi, droge bladen en
dergelijke materialen vervaardigd is, neerlegt. Zij koestert zeer
veel genegenheid voor hare jongen, zoogt ze gedurende langen tijd
en voedert ze daarna nog verscheidene maanden achtereen met Huis-,
Bosch- en Veldmuizen, die zij hun in levenden toestand brengt. Als
de jongen verontrust worden, draagt de moeder hen met den bek naar
een andere plaats. In tijd van gevaar verdedigt zij haar kroost met
grenzenloozen moed. Zoodra deze alleraardigste diertjes volwassen zijn,
spelen zij over dag dikwijls met hun moeder; een even merkwaardig als
aantrekkelijk familieleven aanschouwt men, als allen in het felste
zonnelicht zich vermaken op een weide, waarin vele onderaardsche
gangen, vooral mollegaten, voorkomen.
Jonge Wezels, die de moeder nog niet verlaten hebben, zijn het best
geschikt om getemd te worden. De meening, dat deze dieren ontembaar
zouden zijn, is sedert Buffon van den eenen natuuronderzoeker
op den anderen overgegaan; voor de volwassene is zij niet geheel
ongegrond. Wezels, die sinds haar kinderlijken leeftijd met den
mensch verkeeren, worden echter buitengewoon tam en zijn dan
allerliefst. Hierover komt in Wood's "_Natural History_" een door
vrouwenhand geschreven verhaal voor, waarvan ik een uittreksel
zal geven.
"Als ik een weinig melk in mijn hand giet," zegt de bedoelde dame,
"drinkt mijn tamme Wezel daarvan een behoorlijke, hoeveelheid; zij zal
echter niet licht een druppel van deze haar zoo goed smakende vloeistof
nemen, als ik haar niet de eer aandoe, mijn hand als drinkbeker te
mogen gebruiken. Zoodra zij verzadigd is, gaat zij slapen. Mijne kamer
is haar gewone verblijfplaats, daar ik een middel heb gevonden om den
onaangenamen reuk van dit diertje door welriekende stoffen volkomen
weg te nemen. Over dag is haar slaapplaats een voetkussen, waarin
zij heeft weten door te dringen; gedurende den nacht dient hiervoor
een blikken doos in een kooi; zij houdt echter volstrekt niet van
deze gevangenis en verlaat haar met genoegen. Als zij haar vrijheid
herkrijgt, voordat ik wakker word, komt zij in mijn bed en kruipt na
tal van kapriolen onder de dekens om in mijn hand of aan mijn boezem
te rusten. Als ik bij haar komst al wakker ben, houdt zij zich wel een
half uur met mij bezig en liefkoost mij op allerlei wijzen. Zij speelt
met mijne vingers als een hondje, springt mij op het hoofd of in den
nek, of klimt bij mijn arm of bij mijn lichaam op met zulke vlugge en
sierlijke bewegingen, als ik bij geen ander dier heb waargenomen. Als
ik haar op een afstand van 1 M. mijn hand voorhoud, springt zij er
in, zonder ooit te vallen. Om in het een of ander geval haar zin te
krijgen, handelt zij met veel overleg en list; dikwijls schijnt het,
alsof zij uit lust tot ongehoorzaamheid een verbod niet telt.
"Het diertje herkent mijn stem uit twintig andere, weet mij spoedig
te vinden en springt over iedereen heen, om bij mij te komen.
"Een bijzondere eigenschap van mijn bevallige beschermeling is haar
nieuwsgierigheid. Het is letterlijk onmogelijk een kist, een kastje
of een doos te openen, ja zelfs eenvoudig naar een papier te kijken,
zonder dat ook mijn Wezel het voorwerp beschouwt. Als ik haar ergens
heen wil lokken, heb ik niets anders te doen, dan een stuk papier of
een boek te nemen en er aandachtig naar te zien; dadelijk komt zij bij
mij, loopt over mijn hand heen, en bekijkt het voorwerp dat ik bezie,
met de grootste opmerkzaamheid. Ten slotte moet ik er nog op wijzen,
dat het dier graag speelt met een jonge Kat en een Hond, die beide
reeds tamelijk groot zijn."
Bij goede behandeling kan een Wezel 4 à 6 jaren in gevangenschap leven;
waarschijnlijk kan het in den natuurstaat een leeftijd van 8 à 10
jaar bereiken. Ongelukkig worden deze kleine, nuttige diertjes door
onwetende menschen veel vervolgd en uit pure baldadigheid gedood. In
vallen met een lokaas van eieren, vogeltjes of Muizen kan men de
Wezel gemakkelijk vangen. Dikwijls vangt men haar in rattenvallen,
waarin zij bij toeval geraakt. In plaats van dit voortreffelijk
dier te vervolgen, zou men het wegens het groote nut dat het sticht,
zorgvuldig moeten beschermen. Gerust mag men beweren, dat geen enkel
dier zoo uitmuntend uitgerust is voor de muizenvangst als de Wezel.
De naaste verwant van de Wezel is de _Hermelijn_ (_Mustela
erminea_). In zijn zomerkleed wordt hij gewoonlijk, evenals _Mustela
vulgaris_, "_Wezel_" genoemd en met deze verward; terwijl hij in het
winterkleed _Hermelijntje_ en _Witte Wezel_ heet, ook _Harmpje_,
_Harmel_ en _Harmken_ (in Gelderland en Overijsel). Hij gelijkt
zeer veel op de Wezel door zijn gestalte en levenswijze, maar is
aanmerkelijk grooter dan zijn kleine geslachtsgenoot. Hij heeft een
lengte van 32 à 33 cM., waarvan 9 cM. voor den staart; in noordelijker
landen wordt hij, zegt men, grooter dan bij ons. De bovendeelen en
de staartwortelhelft zijn in den zomer bruinrood, in den winter
wit; zij hebben in 't eerstgenoemde seizoen bruinroodachtig, in
't laatstgenoemde wit wolhaar; de onderzijde is altijd wit met een
geelachtige tint; de achterste helft van den staart is altijd zwart.
De kleursverandering, die de Hermelijn in den zomer en in den winter
ondergaat, wordt door de natuuronderzoekers op verschillende wijzen
verklaard. Eenige nemen aan, dat dit dier twee maal verhaart; anderen,
waarbij ik mij voeg, zijn van oordeel, dat het zomerhaar tegen den
winter, als het fel koud begint te worden, eenvoudig verbleekt,
zooals men dit bij den Sneeuwhaas en den Poolvos kan waarnemen. Over
de kleursverandering in de lente heeft de Zweedsche onderzoeker
Grill, wiens interessante beschrijvingen wij zullen mededeelen, bij
gevangene dieren zeer volledige gegevens verzameld: "Den 4en Maart",
zegt hij, "kon ik voor 't eerst eenige donkere haren tusschen de oogen
bespeuren. Den 10en zag ik op dezelfde plaats een bruine, hier en daar
door wit afgebroken vlek, half zoo breed als het voorhoofd. Boven de
oogen en om den neus vertoonden zich nu verscheidene kleine, donkere
vlekken. Als het dier zich kromde, zag men, dat de diepst gelegen
deelen van de vacht langs het midden van den rug, onder de schouders en
op de kruin donker waren. De kleursverandering had zeer snel plaats,
vooral in den beginne, zoodat er dagelijks, ja zelfs iederen halven
dag verschil viel op te merken. Den 3en April waren alleen de volgende
deelen nog wit: de onderzijde van den hals en van de keel, de geheele
buik, de ooren en de ruimte tusschen deze en de oogen, die met een
kleinen ring omgeven waren, een kort stuk vóór de zwarte helft van
den staart, en de geheele onderzijde van de voorste staarthelft,
de geheele voet alsmede de binnenzijde van voor- en achterzijde van
de dijen. Den 19den waren ook de ooren bruin, op een klein deel van
den onderrand na. Het haarkleed is op geen enkele plaats borstelig
geweest, behalve aan het voorhoofd, waar verscheidene witte haren bij
elkander zitten en kleine vlekken vormen. Eerst groeiden de donkere
haren _alle tegelijk_ naar buiten, en, voordat zij gelijke hoogte
hadden als de witte, waren deze reeds uitgevallen. Waarschijnlijk
heeft de eigenlijke haarwisseling in de eerste helft van de maand
Maart plaats; na den 19den Maart heeft het bruine haarkleed zich
eenvoudig meer uitgebreid en allengs het witte verdrongen."
De Hermelijn heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied in het
noordelijke faunistische rijk van de Oude Wereld. Hij bewoont geheel
Europa, voor zoover het ten noorden van de Pyreneeën en van den Balkan
gelegen is; bovendien komt hij in Noord- en Middel-Azië tot aan de
oostkust van Siberië voor. In Klein-Azië, Perzië en Afghanistan heeft
men hem eveneens waargenomen. In geen dezer landen is hij zeldzaam;
zoowel in ons land als in Duitschland is bij een der meest veelvuldige
Roofdieren.
Evenals de Wezel neemt ook de Hermelijn elk gewest, ja zelfs iedere
plaats voor lief; hij heeft er slag van, zich overal op de aangenaamst
mogelijke wijze in te richten. Gaten in den grond, gangen van Mollen
en Hamsters, rotskloven, gaten en spleten in muren, steenhoopen,
boomen, onbewoonde gebouwen en honderd andere dergelijke gelegenheden
verschaffen hem een ligplaats en een schuilplaats gedurende den dag,
dien hij voor een groot deel in zijn woning verslaapt, ofschoon
het volstrekt geen zeldzaamheid is, dat hij bij helder zonlicht
in de vrije natuur rondloopt en zich driest aan de blikken der
menschen blootstelt. Zijn eigenlijke jachttijd vangt echter eerst
met de schemering aan. Reeds tegen den avond begint hij zich te
roeren. Wie omstreeks dezen tijd de voor Hermelijnen geschikte plaatsen
voorbijgaat, zal, zonder te zoeken, weldra een dezer scherpzinnige en
schrandere dieren opmerken. Zonder overdrijving mag men den Hermelijn
een meester in alle lichaamsoefeningen noemen. Hij loopt en springt
uitmuntend, klimt voortreffelijk en zwemt, als 't noodig is, snel en
onbeschroomd over een breed water.
De geestesgaven van den Hermelijn zijn in volkomen harmonie met
zijne lichamelijke bekwaamheden. Hij is even moedig als zijn kleine
stamgenoot; een onbedwingbare moordlust en de bloedgierigheid, die
aan alle leden van zijn geslacht eigen is, maken de grondtrekken van
zijn karakter uit.
De Hermelijn maakt, om zich voedsel te verschaffen, jacht op
alle soorten van kleine Zoogdieren en Vogels, die hij door list
overweldigen kan, en waagt niet zelden een aanval op dieren, die hem
in lichaamsgrootte aanmerkelijk overtreffen. Hij leeft aanhoudend
op voet van oorlog met de Muizen, Hamsters, Mollen en Konijnen, met
de Musschen, Leeuweriken, Duiven, Hoenderen en Zwaluwen, die hij uit
hunne nesten haalt, met de Slangen en Hagedissen; zelfs de Hazen zijn
niet veilig voor hem.
Wie een Hermelijn kan bespieden bij een van zijne liefste
jachtbedrijven, n.l. bij het vervolgen van een Waterrat, zal een
alleraardigst schouwspel genieten. Het vlugge Knaagdier wordt door
den onverbeterlijken roover te water en te land nagespoord en delft
steeds het onderspit, hoe ongunstig het eigenlijke element van deze
Ratten voor den Hermelijn schijnbaar is. Het Roofdier begint met alle
holen te besnuffelen. Zijn fijne reuk verraadt hem zonder fout, of
een dezer woningen op dit oogenblik als rustplaats dient voor een of
twee Ratten. Zoodra de Hermelijn een hol ontdekt heeft, dat hem buit
belooft, gaat hij er zonder aarzeling in. De Rat weet natuurlijk geen
beteren raad, dan hals over kop te water te gaan; zij is voornemens
door het rietbosch te zwemmen, maar dit beveiligt haar niet voor
haar onvermoeiden vervolger en ergsten vijand. Den kop en den nek
boven het water houdend, zooals een zwemmende Hond pleegt te doen,
glijdt de Hermelijn met de behendigheid van den Vischotter door het
hem eigenlijk vreemde element en vervolgt met zijn bekende volharding
de vluchtende Rat. Deze is verloren, als niet een toeval haar redt.
Men vangt den Hermelijn in vallen van allerlei soort, dikwijls ook in
rattenvallen, waarin hij bij toeval geraakt. Jong uit het nest genomen
Hermelijnen worden zeer tam en verschaffen hun verzorger veel genoegen;
men zegt dat sommige zoo tam worden, dat men hun toestaan kan, naar
verkiezing te komen en te gaan, en dat zij hun meester als een Hond
volgen. Maar ook met op lateren leeftijd gevangen dieren gelukt het
temmen soms.
"Eenige dagen voor Kerstmis 1843," verhaalt Grill, "kreeg ik een
mannelijken Hermelijn, die in een houtmijt gevangen was. Hij droeg
zijn zuiver winterkleed. De zwarte ronde oogen, de roodbruine neus en
de zwarte staartspits staken sterk af bij de sneeuwwitte vacht, die
slechts aan den wortel en aan de binnenste helft van den staart een
fraaie, zwavelgele tint vertoonde. Het was een allerliefst, uiterst
beweeglijk diertje. Ik plaatste het aanvankelijk in een groote,
onbewoonde kamer, waarin zich weldra de onaangename reuk verbreidde,
die aan alle leden van het Martergeslacht eigen is. Zijn vaardigheid
in het klimmen, springen en zich verbergen was bewonderenswaardig. Met
gemak klauterde hij bij de venstergordijnen omhoog; als hij daarboven
verschrikt werd, liet hij zich dikwijls met een angstkreet op den
vloer vallen. Op den tweeden dag klom hij bij de kachelpijp op, en
bleef daar, zonder iets van zich te laten hooren, totdat hij eindelijk,
na verscheidene uren, met roet bedekt weer te voorschijn kwam. Dikwijls
fopte hij mij uren achtereen, als ik hem zocht, totdat ik hem eindelijk
verscholen vond op een plaats, waar ik hem het minst vermoedde. Daar er
in de kamer niet gestookt werd, gebruikte hij een bedstede als leger,
en koos voor zich een bepaalde plaats uit, die hij echter onmiddellijk
verliet, als iemand de deur binnenkwam. Het bed bleef echter van nu
af zijn liefste schuilplaats. Gewoonlijk zoekt hij dit op, als men
snel op hem afgaat; wanneer men hem echter vriendelijk toespreekt
en overigens geen beweging maakt, blijft hij dikwijls staan of gaat
nieuwsgierig eenige schreden vooruit, waarbij hij zijn langen hals
vooruitsteekt, en een van de voorpooten optilt. De nieuwsgierigheid
van dit dier is algemeen bekend, en heeft aanleiding gegeven tot de in
Zweden gebruikelijke spreekwijze: 'het Wezeltje heeft er schik in, als
men het prijst.' Als hij zeer opmerkzaam is, of als iets hem verdacht
voorkomt en hij verder wil zien dan zijn geringe hoogte toelaat, gaat
hij op de achterpooten staan en richt het lichaam hoog op. Als men
nadert, blaft hij, voordat hij vlucht, met een hard en schel geluid,
dat nog het meest op de stem van den Grooten Bonten Specht gelijkt. Nog
vaker verneemt men van hem een gesis als dat van een Slang.
"Toen de Hermelijn op den derden dag in een groote kooi werd geplaatst,
waaruit hij, naar hem duidelijk bleek, niet ontsnappen kon, en waar hij
zich veilig achtte, liet hij niemand naderen, zonder naar de traliën
te springen, hevig met de tanden te dreigen en het reeds genoemde
geluid, gevolgd door een langen triller, die zeer veel op het tjakkeren
van een Ekster geleek te laten hooren. In de kooi was hij niet bang
voor den Hond, wiens geblaf hij beantwoordde, terwijl beide dieren
dicht bij elkaar, maar ieder aan een andere zijde van de traliën,
stonden. Als men een voorwerp, b.v. den vinger van een handschoen
door de traliën stak, beet hij er in en trok er met kracht aan.
"Als hij zeer boos is (en dit wordt hij reeds, als men hem van zijn
leger opjaagt), staat elk haar van zijn langen staart overeind. Over
't geheel genomen is hij zeer boosaardig. Van muziek heeft hij een
afkeer. Als iemand voor de kooi op de gitaar speelt, springt hij,
alsof hij gek is, bij de traliën op, en blaft en sist zoolang als
de muziek aanhoudt. Hij tracht nooit de klauwen voor het verscheuren
van zijn prooi te gebruiken, maar pakt deze steeds met de tanden aan.
"Eerst op den 7den Mei, nadat ik het dier ongeveer 4 1/2 maand gehad
had, beproefde ik hem te streelen, maar had uit voorzorg handschoenen
aangetrokken. Hoewel hij zich hierin vastbeet, voelde ik de spitsen
zijner tanden niet, en deze lieten dan ook geen sporen achter. In
't eerst trachtte hij mijne liefkoozingen te ontwijken; ten slotte
bleek het echter duidelijk, dat zij hem welgevallig waren: hij ging
op den rug liggen en sloot de oogen. Den volgenden dag herhaalde ik
mijne pogingen, daar ik mij vast voorgenomen had, het dier zoo tam te
maken, als mogelijk was. Weldra kon ik mij zonder handschoenen aan
even veilig als vroeger met hem bezighouden. Hij liet zich gewillig
streelen en krauwen, zoolang ik dit verkoos; ik kon hem den poot
oplichten, ja zelfs den bek openen, zonder dat hij boos werd. Als ik
echter zijn lichaam omvatte, gleed hij mij vlug en zonder inspanning
als een Aal door de vingers. Om hem niet bang te maken, moest men hem
zachtjes naderen; bij de behandeling van deze en andere wilde dieren
komt het er vooral op aan te gelijker tijd te toonen, dat men niet
bang is en dat men het dier geen kwaad wil doen."
Het vel van den Hermelijn levert bont, dat wegens zijn fraaiheid
geschat wordt, maar niet duur is. Vroeger werd het alleen door
vorstelijke personen gedragen; het is nu veel algemeener geworden.
De _Nerts_ en zijne naaste verwanten komen veel met den Bunzing
overeen; zij verschillen van dezen alleen door den iets platteren kop,
de meerdere grootte van de knobbelkies, de korte pooten, de spanvliezen
tusschen de teenen, die vooral aan de achterpooten duidelijk zichtbaar
zijn, den naar verhouding iets langeren staart en het glanzige, met
dicht bijeengeplaatste, glad neerliggende, korte haren bedekte vel,
hetwelk aan dat van den Vischotter herinnert, ook door de kleur, die
zoowel van boven als aan de onderzijde effen bruin is. Behalve de
Europeesche _Nerts_ beschrijven wij den Amerikaanschen _Mink_. Tot
in den laatsten tijd wist men van de levenswijze dezer beide dieren
slechts zeer weinig af, en ook thans nog zijn de bekend geworden
onderzoekingen verre van volledig, althans wat de Europeesche soort
betreft. Aan de vriendelijkheid van een jachtliefhebber uit de
omstreken van Lubeck dank ik een belangrijke uitbreiding van onze
bekendheid met den Nerts; over den Mink hebben Audubon en de _prins_
von Wied mededeelingen gedaan.
De _Nerts_, die ook wel _Kreeftotter_, _Steenhond_, _Waterwezel_ en
bij Lubeck _Menk_ of _Watermenk_ (_Putorius lutreola_) wordt genoemd,
bereikt een lengte van 50 cM., waarvan ongeveer 14 cM. op den staart
komen. Het lichaam is gerekt en slank; het rust op korte pooten, en
gelijkt over 't geheel genomen op dat van den Vischotter; de kop is
echter nog slanker dan bij dit verwante dier. De voeten gelijken op die
van den Bunzing, maar alle teenen zijn, zooals reeds gezegd is, door
vliezen met elkander verbonden. De glanzige vacht bestaat uit dichte
en glad aanliggende, korte, vrij harde bovenharen van bruine kleur,
waartusschen en waaronder het grijsachtige, zeer dichte wolhaar zich
bevindt. Op het midden van den rug, vooral echter aan den nek en op
het achterlijf, is de kleur het donkerst, ook de haren van den staart
zijn gewoonlijk donkerder dan die van de zijden van den romp. Aan de
buikzijde gaat de kleur in grijsbruin over. Een kleine, lichtgele of
witachtige vlek bevindt zich aan de keel; de bovenlip is van voren,
de onderlip over hare geheele lengte wit.
Nagenoeg dezelfde kleur heeft de vacht van den _Mink_ (_Putorius
vison_), die veel hooger geschat wordt, omdat zij wolliger en
zachter is.
Ten aanzien van de levenswijze zullen de beide dieren waarschijnlijk
in alle hoofdzaken overeenstemmen; daarom komt het mij wenschelijk
voor, aan de korte beschrijving van de gewoonten en den aard van den
Nerts een overzicht van de belangrijkste feiten uit de mededeelingen
van de reeds genoemde Amerikaansche onderzoekers over den Mink te
laten voorafgaan.
Na den Hermelijn is, volgens Audubon's bericht, de Mink het ijverigste
en vernielzuchtigste Roofdier, dat om het boerenerf of om den
Eenden-vijver van den landman zwerft; de aanwezigheid van een of
twee dezer dieren zal weldra blijken uit het plotseling verdwijnen
van verscheidene jonge Eenden en kuikens. Geduld is het eenige middel
om den schadelijken roover kwijt te raken. Audubon ondervond dit zelf
bij een Mink, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis in
den steenen dam van een kleinen vijver had genesteld. De vijver was
eigenlijk voor de Eenden van de plaats, door opstuwing van het water,
aangelegd, en bood dus het Roofdier een goed voorzien jachtgebied
aan. Zijn schuilhoek was even vermetel als listig gekozen: zeer dicht
bij het huis en nog nader bij de plaats, waarlangs de Hoenderen moesten
afdalen om te drinken. Vóór het hol lagen twee groote stukken graniet;
zij dienden den Mink tot uitkijkplaats, van waar hij de boerderij
en den vijver kon overzien. Hier lag hij dag in dag uit uren lang op
de loer, en van hier uit roofde hij op klaarlichten dag Hoenderen en
Eenden, totdat onze berichtgever aan zijn bedrijf een einde maakte,
na lang op hem geloerd te hebben.
Vooral aan den Ohio trof Audubon den Mink zeer veelvuldig aan; hij
merkte op, dat dit dier ook nuttig is door de vangst van Muizen en
Ratten. Behalve met dit voor den mensch voordeelig bedrijf houdt hij
zich ook met allerlei wilddieverijen en vooral met de vischvangst
bezig. Volgens de waarnemingen van onzen zegsman, zwemt en duikt de
Mink met de grootste behendigheid, en maakt, evenals de Otter, jacht op
de snelste Visschen, zelfs op de Zalmen en Forellen. In geval van nood
behelpt hij zich trouwens ook met Kikvorschen en Salamanders; wanneer
de gelegenheid hiervoor bestaat, is hij echter zeer kieschkeurig. In
het moeras volgt hij de Waterratten, Rietmusschen, Vinken en Eenden,
aan de oevers der meren maakt hij jacht op Hazen, aan de zeekust zamelt
hij Oesters in en van den bodem der rivieren haalt hij schelpdieren
op: kortom hij weet zich overal naar de gesteldheid van de plaats
in te richten en altijd iets buit te maken. Als hij beangst is,
verbreidt hij evenals de Bunzing, een zeer onaangenamen reuk.
De 5 of 6 jongen, die ieder wijfje werpt, vindt men tegen einde van
April in holen onder overhangende oevers of op kleine eilandjes,
in het moeras en ook wel in holle boomen. Als men ze spoedig uit
het nest neemt, worden zij zeer tam, men kan er mede omgaan als met
schoothondjes. Richardson zag er een in het bezit van een Canadeesche
vrouw, die het diertje over dag in een zak van haar kleed bij zich
droeg.
De Mink laat zich licht vangen in alle soorten van vallen; hij wordt
even vaak geschoten als gevangen; wegens de taaiheid van zijn leven
heeft hij echter een goed schot noodig.
Over den Nerts zijn de berichten veel onvollediger. Reeds Wildungen
zegt in zijn "Nieuwjaarsgeschenk voor bosch- en jachtliefhebbers," voor
het jaar 1799, dat de Moerasotter een in Duitschland zeer zeldzaam, aan
menigen wakkeren jager waarschijnlijk nog geheel onbekend dier is,--dat
hij reeds lang gewenscht had, nader met dit dier bekend te worden,
en dat hij de vervulling van dezen wensch alleen aan de onvermoeide
zorg van Graaf Mellin te danken heeft. Van dezen natuuronderzoeker
deelt hij eenige waarnemingen mede. "Door zijn loopen met gekromden
rug, door zijn vaardigheid in het sluipen door de nauwste openingen
gelijkt de Nerts op den Marter. Evenals het Fret is hij voortdurend
in beweging om alle hoeken en gaten te onderzoeken. Hij loopt slecht,
klimt ook niet in de boomen, is echter, evenals de Gewone Vischotter,
een zeer bekwaam zwemmer, die zeer lang onder water kan blijven.
"De Moerasotter houdt van stilte en eenzaamheid op zijn
woonplaats. Hoewel hij de menschen ontwijkt en met grooter
schranderheid aan hunne vervolgingen weet te ontkomen, bezoekt hij toch
soms de hokken van het huisgevogelte, en moordt dan, evenals de Marter
en de Bunzing, zoolang er nog Vogels zijn en hij niet gestoord wordt;
dit geschiedt echter alleen in afgelegene visscherswoningen; ik heb
nooit gehoord, dat hij in dorpen is gekomen, om daar te rooven. Zijn
gewone voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen, Kreeften, Slakken;
waarschijnlijk vallen hem ook vele jonge Snippen en waterhoenderen
ten buit. Door den verlokkend hoogen prijs van zijn vel, dat ook
in den zomer goed is, wordt de vervolging van het steeds zeldzamer
wordende dier zeer in de hand gewerkt; indien de thans heerschende
zachte winters hem niet eenigermate voordeelig zijn geweest, is het
niet onmogelijk, dat deze diersoort ook in Pommeren, waar Mellin haar
heeft weggenomen, weldra geheel uitgeroeid zal zijn."