De _Bunzing_ of _Bonzing_ (_Putorius foetidus_), in Holland ook wel

_Eierendief_, in Overijsel, Drente en Gelderland _Ulk_, in Groningen

_Meert_ of _Meerten_, op de grenzen van Noord-Brabant en Limburg

_Vis_, in Friesland _Mud_ genoemd, heeft een lichaamslengte van 40

à 42 cM., zonder den 16 à 17 cM., langen staart. De vacht is aan de

onderzijde effen zwartbruin, aan de bovendeelen en aan de zijden van

romp (wegens het vooral hier doorschemerende, geelachtige wolhaar)

lichter, gewoonlijk donker kastanjebruin. Over het midden van den

buik loopt een onduidelijk begrensde, roodbruine streep; de kin en de

spits van den snuit, met uitzondering van den donker gekleurde neus,

zijn geelachtig wit. Achter de oogen bevindt zich een niet zeer scherp

begrensde, geelachtig witte vlek, die met een onduidelijke, achter de

ooren beginnende streep samenvloeit. Verscheidene afwijkingen--waarvan

er eenige als afzonderlijke soorten beschouwd zijn--komen voor,

o. a. albino's en effen geel gekleurde Bunzingen. Het wijfje

onderscheidt zich hoofdzakelijk door de zuiver witte kleur van alle

lichaamsdeelen, die bij het mannetje geelachtig zijn. De vacht is

wel dicht, maar toch veel minder fraai dan die van den Edelmarter.

In het zuidoosten van Europa, noordwaarts tot in Polen, treedt nevens

den Bunzing een van zijne verwanten op: de _Tijger-bunzing_ (_Putorius

sarmaticus_), die in het zooeven genoemde gebied nergens veelvuldig,

in sommige gedeelten van West-Azië zeer zeldzaam, in het zuiden van

Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen

is. In levenswijze komen beide soorten geheel met elkander overeen.

De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en

Azië, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel

uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons

werelddeel overal te vinden. In Azië vindt men hem in Tartarije

en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberië tot

in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft, is hem

welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte,

het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt hij zich

echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote

boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle boomen, rotsspleeten,

oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig

ontmoet; ingeval van nood graaft hij zelf een hol. Op het bouwland

verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich

op in de nabijheid van rotsen, tusschen paalwerk, onder bruggen, in

bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen:

kortom hij neemt iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is,

laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij

dit zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn

verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op zolders en

zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van

de Huiskat of van den Huismarter, evenals deze legt ook hij van tijd

tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken

en andere woonplaatsen van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van

den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten

wel geëvenaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst

hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid van

hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden

om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk aantal

Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen

bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt dan een warme

ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken,

waar men hem even gaarne ziet, als men hem op andere plaatsen haat.

Wij zijn het volkomen eens met Lenz, waar hij iederen boschbeambte

aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op

zijn plaats; hier doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen

van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland

bovendien zeer verdienstelijk maakt door het dooden van Hamsters. De

genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen,

waaruit bleek, dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen,

Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de

Adders niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden.

De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij

overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle Mollen, Veld-

en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van

alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen zijn, naar het schijnt,

een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote

menigte en verzamelt ze bij dozijnen in zijn woning. In geval van

nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter

ook op de vischvangst; bij beken, meren en vijvers beloert hij de

Visschen, springt hen plotseling in 't water na, duikt en grijpt ze

zeer behendig; naar men zegt, haalt hij ze 's winters zelfs van onder

het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn

bloedgierigheid is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke

Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in

het door hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste

dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn

bezoek verscheidene malen in één nacht. Meer dan andere soorten van

Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen; niet

zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen,

Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door zijn behendigheid

valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien.

Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en

doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen

en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den

dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik van allerlei

middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig,

behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend, zeer scherpzinnig en, als

hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om

te bijten, dus volkomen geschikt tot het verrichten van rooverijen op

groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval

van nood door het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls

schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk

taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij van

een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig

allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen.

Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in

een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen, 4 à

5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen,

verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt ze tegen iederen

vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de

nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen te zijn, op menschen

af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met

de ouden op roof uit; na afloop van de derde maand zijn zij bijna

even groot geworden als deze.

Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze

daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van hen,

omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan

ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen gedragen de

in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen

kunnen zij zelfs gevaarlijk worden.

"Te Verna, een dorp in Keur-Hessen," verhaalt Lenz, "had een

zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den

weg neergezet, om het met minder moeite te kunnen oppassen. Plotseling

kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De

eene beet zich in den nek vast, de andere aan de zijde van het hoofd

en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de

knaap wilde het te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere

Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen

twee mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van

de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen."

Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna

overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen doen hierbij

dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou

het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten gaan, en de moeite

die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het

herstellen en beter sluiten van de hoenderhokken.--"Sommige lieden,"

schrijft Rombouts, "maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij

nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok

gewapend en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven

af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen

een Bunzing weg halen, vóórdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een

roover in zijn nabijheid had. Zulk een jacht werpt nog al voordeelen

af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald."

Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat

echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken reuk

veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van

de lange staartharen maakt men penseelen; het vleesch is volkomen

onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad.

Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte

zaak, dat het _Fret_ (_Putorius furo_) een door gevangenschap en

temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het

Fret is reeds sinds overouden tijd bekend, hoewel alleen in getemden

toestand. Aristoteles vermeldt het onder den naam _Iktis_, Plinius

noemt het _Viverra_. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de

Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer Augustus

om hulp smeekten. Hij zond eenige "Viverrae" over, die zich zeer

verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen gelaten

en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner

vijanden.

Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel

is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele dieren het geval,

die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den

gevangen staat leven. De lichaamslengte bedraagt 45 cM., zonder den

13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing

voorkomt, die ook door den bouw van het geraamte niet noemenswaard

van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen

als "Kakkerlak" of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen

iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige

exemplaren hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig

voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen

doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen

vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen dat

het Fret een afzonderlijke soort is, geen steek houden. Deze meening

was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid,

op de zachtaardigheid en grootere geschiktheid om getemd te worden

van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van

den Bunzing. Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de

overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige

wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken,

dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar over

Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor

deze meening bewijzen aan te voeren.--Het Fret komt dus alleen in

gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht;

de Engelschen gebruiken het echter ook voor de Rattenjacht, en achten

de Fretten, die "Rattendooders" genoemd worden, veel hooger dan die,

welke alleen voor de Konijnenjacht kunnen dienen. Deze dieren worden

in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi

en stroo geven en 's winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk

worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid

echter veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren

geeft. Volgens de ervaringen van Lenz kan men ze met Kikvorschen,

Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in 't leven houden; want zij

houden veel van allerlei Kruipende Dieren en Amphibiën.

In aard komt het Fret met den Bunzing overeen met dit verschil,

dat het niet zoo opgewekt is als deze; zijne bloedgierigheid en

rooflust zijn echter niet geringer dan die van zijn in 't wild

levenden broeder. Zelfs als het reeds nagenoeg verzadigd is, valt

het als een razende de Konijnen, Duiven en Hoenderen aan, pakt ze

in den nek en laat ze niet eerder los, voordat alle beweging van

de prooi ophoudt. Ongeloofelijk gretig wordt het bloed, dat uit de

wonden vloeit, opgelekt en ook de hersenen zijn, naar het schijnt, een

lekkernij. Amphibiën nadert deze roover met grootere voorzichtigheid

dan andere dieren, en van de gevaarlijkheid van de Adder schijnt

hij niet onbewust te zijn. Ringslangen en Hazelwormen grijpt hij,

volgens Lenz, zonder eenigen schroom aan, ook als hij deze dieren voor

de eerste maal ziet; hij pakt ze, ondanks hunne hevige kronkelingen,

bijt hun de wervelkolom stuk en verslindt ze dan gedeeltelijk. Uiterst

voorzichtig nadert hij echter de Adder en tracht dit valsch gedierte in

't middelste gedeelte van 't lichaam te bijten. Het Fret wordt door

den beet van de Adder niet gedood, maar wel ziek en lusteloos.

Zelden gelukt het, een Fret volkomen te temmen; er zijn echter

voorbeelden van bekend, dat enkele hun meester als een Hond op den voet

volgden en zonder schroom los loopen konden. De meeste maken, als zij

uit hun kooi ontsnappen kunnen, een ander gebruik van hun vrijheid;

zij begeven zich naar 't bosch, vestigen zich in een Konijnenhol,

dat hun gedurende den zomer als leger en toevluchtsoord dient, en

zijn na verloop van korten tijd den menschen geheel ontwend. Als zij

niet weder gevangen worden, sterven zij echter geregeld gedurende

den winter, omdat zij veel te gevoelig zijn om aan de winterkoude

weerstand te kunnen bieden.

De stem van het Fret is een dof geknor, als het pijn lijdt een schel

gekrijsch. Het laatstgenoemd geluid hoort men zelden; gewoonlijk ligt

het Fret volkomen stil ineengerold op zijn leger, en alleen als het

zijn roofgierigheid bevredigen kan, wordt het wakker en levendig.

Het wijfje werpt in het begin van Mei 5 à 8 jongen die 2 à 3 weken

blind blijven. Zij worden door de moeder zeer zorgvuldig verpleegd

en na verloop van omstreeks 2 maanden gespeend; dan zijn zij geschikt

om ieder afzonderlijk opgevoed te worden.

Ofschoon het Fret bij de Konijnenjacht uitstekende diensten bewijst,

is toch het voordeel, dat het aanbrengt, gering, in verhouding tot

de kosten die het veroorzaakt.

Des morgens begeeft men zich op de jacht. De Fretten worden in een

zacht bekleeden korf of kist, soms ook in de weitasch meegedragen. Bij

het konijnenhol gekomen, zoekt men alle daarbij behoorende gangen

op, legt voor ieder een zakvormig net van ongeveer 1 M. lengte,

dat om een grooten ring gevlochten en aan dezen vastgemaakt is;

men laat nu het Fret in den hoofdgang gaan, die vervolgens eveneens

gesloten wordt. Zoodra de Konijntjes den in hunne woning gedrongen

vijand bemerken, gaan zij verschrikt op de vlucht, komen in het net

en worden hier gedood. Het Fret zelf wordt door een kleinen muilkorf

of door het afvijlen van de tanden verhinderd, een Konijn in het hol

te dooden en krijgt een schel klinkend klokje aan den halsband, om

te maken, dat men steeds weten zal, waar het zich bevindt. Zoodra

het Fret weder aan den ingang van het hol verschijnt, wordt het

onmiddellijk opgenomen; want als het in het hol terugkeert, gaat het

daar slapen, en laat dan dikwijls uren lang op zich wachten. Van zeer

veel belang is het, dit dier aan fluiten of roepen te gewennen. Als

het niet buiten wil komen, tracht men het hiertoe te bewegen door

allerlei lokmiddelen. O. a. bindt men aan een dunne lat een Konijn

en steekt dit in het hol. Aan zulk een uitnoodiging tot bevrediging

van de bloedgierigheid, welke het Fret beheerscht, kan dit dier geen

weerstand bieden; het slaat zijne tanden in het Konijn en laat zich

met zijn prooi uit den gang trekken.

In Engeland gebruikt men het Fret minder voor de jacht op Konijnen, dan

wel voor die op Ratten en nog liever eenvoudig voor den strijd met deze

bijtlustige Knaagdieren. Een Fret, dat alleen voor de Konijnenjacht

werd afgericht, is, naar men zegt, volkomen onbruikbaar voor de

Rattenjacht, omdat het voor elke groote Rat bang is. De Rattenjager

moet dus opzettelijk voor zijn bedrijf opgevoed worden. In den beginne

laat men hem alleen met jonge en zwakke Ratten vechten; zoo gewent hij

langzamerhand aan den strijd en aan de zege. Dan wordt de aangeboren

bloeddorst in hem wakker; de moed van den kleinen roover neemt toe,

en ten slotte krijgt hij zulk een bekwaamheid in den strijd met het

bruine of zwarte wild, dat hij als 't ware wonderen verricht. Een

volkomen goed gedresseerde Fret kan in één uur tijds 50 Ratten dooden,

die zich in een ruimte van 2 bij 3 M. bevinden.

Soms ontmoet het Fret bij de Konijnenjacht onder den grond een dier,

dat een verlaten Konijnenhol als toevluchtsoord gebruikt, b.v. een

Bunzing; in dit geval ontstaat tusschen deze beide wezens een strijd

op leven en dood, die geenszins de goedkeuring wegdraagt van den

eigenaar van het getemde lid der Marter-familie, omdat deze alle

reden heeft om gevaar te duchten voor het leven van zijn jachtgezel.

De Wezel en hare naaste verwanten zijn nog veel slanker en gerekter

dan de overige Marters. Alle hiertoe behoorende soorten houden zich

het liefst op in velden, tuinen, holen in den grond, spleten in 't

gesteente, onder steenen en houtmijten; zij jagen bijna evenveel over

dag als 's nachts. Hoewel zij de kleinste leden van de Roofdieren-orde

zijn, onderscheiden zij zich zoozeer door moed en roofgierigheid,

dat zij als echte toonbeelden van de Marter-familie beschouwd kunnen

worden.

De _Wezel_ (_Putorius vulgaris_), in Friesland ook wel _Wezeling_

genoemd, bereikt een lichaamslengte van 20 cM., waarbij 4 1/2 cM. op

het korte staartje komen. Het buitengewoon gerekte lichaam ziet er,

wegens het geringe verschil tusschen hals en kop, nog slanker uit

dan het werkelijk is. Van den kop tot aan den staart bijna overal

even dik, is het lichaam slechts bij volwassenen in de liesstreek

een weinig versmald; aan den snuit is het eenigszins toegespitst. De

romp rust op zeer korte en dunne pooten met zeer fijnen voet; de

zool is tusschen de teenballen behaard; de teenen zijn met dunne,

spitse en scherpe klauwen gewapend. De betrekkelijk korte staart wordt

van den wortel tot de spits allengs dunner. De neus is stomp en door

een overlangsche groeve eenigszins verdeeld. De breede en afgeronde

ooren staan zijdelings en ver naar achteren; de scheef geplaatste

oogen zijn klein, maar zeer vurig. Een middelmatig lange, gladde

beharing bedekt het geheele lichaam en is alleen in de nabijheid

van de spits van den snuit een weinig overvloediger. Bovendien,

komen vóór en boven de oogen lange snorren en onder de oogen enkele

borstelharen voor. De kleur van de vacht is roodachtig bruin; de

rand van de bovenlip en de geheele onderzijde van 't lichaam alsmede

de binnenzijde van de pooten zijn wit. Achter elken mondhoek staat

een kleine, rondachtige, bruine vlek; soms bevinden zich ook enkele

bruine vlekken op den lichtgekleurden buik. In gematigde en zuidelijke

gewesten blijft de kleur 's zomers en 's winters in hoofdzaak dezelfde;

verder noordwaarts echter verkrijgt de Wezel, evenals de Hermelijn,

een winterkleed: wit met bruine vlekken of zuiver wit, echter zonder

de fraaie, zwarte staartspits, die den Hermelijn zoozeer onderscheidt.

De Wezel komt in geheel Europa vrij veelvuldig voor, hoewel misschien

niet in zoo groot aantal als in Noord-Azië; zij bewoont zoowel

de vlakke als de bergachtige streken, boomlooze vlakten zoowel

als bosschen, bevolkte plaatsen in niet minder grooten getale dan

eenzame. Hoe talrijk zij in ons land voorkomt, kan blijken uit het

door Van Bemmelen medegedeelde feit, dat tijdens het betalen van

premiën voor elk in ons land gedood Roofdier (tot in het jaar 1857

in gebruik) 5000 à 6000 Wezels ieder jaar werden aangegeven. Overal

vindt zij een voor haar geschikte verblijfplaats, want zij weet van de

omstandigheden partij te trekken, en ontdekt overal een schuilhoek,

die haar voldoende beveiligt tegen groote vijanden. Zoo woont zij nu

eens in holle boomen, in steenhoopen, in bouwvallen, dan weer onder

holle oevers, in mollegangen, hamster- en rattenholen, in den winter

in wagenhuizen en schuren, kelders en stallen, op vlieringen enz.,

dikwijls ook in steden. Waar zij met vrede wordt gelaten, zwerft zij

ook over dag rond; waar zij zich vervolgd ziet, jaagt zij alleen des

nachts, of neemt over dag de uiterste voorzichtigheid in acht.

Als men oplettend en zonder gedruisch te maken, plaatsen voorbij gaat,

waar zij zich verscholen heeft, kan men licht het genoegen smaken, haar

te beluisteren. Men hoort een onbeduidend geritsel in de afgevallen

bladen en ziet een bruin diertje zich voortreppen, dat, zoodra het

den mensch bemerkt, argwaan toont en op de achterpooten gaat staan,

om beter te kunnen rondkijken. Gewoonlijk denkt het dwergje er niet

aan, de vlucht te nemen; het kijkt integendeel moedig en vermetel de

wereld in, en neemt een echt uitdagende houding aan. Als men het tot

op korten afstand nadert, is het ook wel driest genoeg, zelf nader

bij den rustverstoorder te komen en dezen met een onbeschrijfelijke

onbeschaamdheid aan te kijken, alsof het wilde onderzoeken, wat deze

ongenoode gast hier eigenlijk te maken heeft.

Meer dan eens is het gebeurd, dat dit stoutmoedige dier zelfs den

mensch aangevallen en eerst na langen strijd losgelaten heeft. Ook

heeft het zich wel eens met de tanden vastgehecht aan een poot van

een voorbijgaand Paard, zoodat het eerst door de vereende inspanning

van paard en ruiter afgeschud kon worden. De moed gaat hier met een

onvergelijkelijke tegenwoordigheid van geest gepaard, waardoor de Wezel

bijna altijd nog een uitweg vindt. Zelfs als zij door de klauwen van

een Roofvogel gegrepen is, acht zij zich nog niet verloren. Zoo heeft

men eens een Wouw op het veld zien neerschieten om een klein Zoogdier

op te nemen, waarmede hij zich in de lucht verhief. Op eens begon de

Vogel te slingeren; zijn beweging werd onvast; weldra stortte hij dood

ter aarde. De hierover verbaasde toeschouwer zag, toen hij nader kwam,

een Wezel zich vlug voortreppen. Zij had haar vreeselijken vijand

behendig den hals stukgebeten en zoo haar eigen leven gered.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 14 / 37 段