begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude Wereld. In
Europa vindt men hem in Skandinavië, Rusland, Engeland, Duitschland,
Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje, in Azië tot aan den Altaï,
zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jenisséi. "Ook ons land schijnt
hij in zijn geheele uitgestrektheid te bewonen," zegt Schlegel,
"ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking
op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts hoogst zeldzaam
voorkomt." Volgens Staring komt hij in ons land tegenwoordig alleen
in de bosschen van "de graafschap" Zutfen voor. Volgens Ritzema
Bos wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in
de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals te
begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men
bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral wat de kleur
van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de
vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht en zoo langharig als
die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche
komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine exemplaren voor;
de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls
bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren (p. 138). De Edelmarters
van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die
van de Pyreneeën zijn groot en forsch, maar eveneens licht van kleur,
die uit Macedonië en Thessalië zijn middelmatig groot, maar donker.
De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen,
zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder de
bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt
boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander Roofdier hem hierin
overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels
en Eekhoorntjes kiest hij het liefst tot verblijfplaats; zelden neemt
hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn leger rust hij gewoonlijk
gedurende den geheelen dag; met den aanvang van den nacht echter,
meestal reeds voor zonsondergang, gaat hij op roof uit, en maakt dan
jacht op alle dieren die hij meent te kunnen overmeesteren. Te beginnen
bij het Reekalf en den Haas, afdalend tot de Muis is geen enkel
Zoogdier voor hem veilig. Hij besluipt en overvalt ze plotseling en
doodt ze door een beet in den hals. Verscheidene boschopzichters hebben
waargenomen, dat hij soms ook jonge en zwakke Reeën aanvalt. Een even
groote slachting als onder de Zoogdieren richt de Boom-Marter trouwens
ook onder de Vogels aan. Alle inheemsche en gefokte Hoender-soorten
hebben in hem een vreeselijken vijand. Zacht, zonder gedruisch te
maken sluipt hij naar de slaapplaatsen dezer Vogels, hetzij ze zich
op boomen of op den vlakken grond bevinden; nog voordat de anders
zoo waakzame Hen de aanwezigheid van den bloedgierigen vijand heeft
vermoed, zit deze haar op den nek, verbrijzelt haar met eenige beten
den hals of scheurt haar de slagaders open, zich gretig lavend aan
het uitvloeiende bloed. Bovendien plundert hij alle vogelhesten uit,
rooft den honing uit de bijenkorven, of vergast zich aan sappige
vruchten--zoowel aan bessen die dicht bij den bodem groeien, als
aan peren, kersen en pruimen. Als het voedsel in 't bosch schaarscher
begint te worden, wordt hij stoutmoediger; in den hoogsten nood begeeft
hij zich naar de menschelijke woningen. Hier bezoekt hij kippenhok en
duiventil en richt grootere verwoestingen aan dan eenig ander dier,
met uitzondering van de andere soorten van zijn geslacht.
Negen weken na de paring, in het einde van Maart of het begin van
April, werpt het wijfje 3 of 4 jongen in een met mos gevoerd leger
in een hollen boom, zelden in een nest van een Eekhoorn of van een
Ekster of in een rotsspleet. De moeder zorgt met opofferende liefde
voor hare jongen en verlaat nooit de nabuurschap van het leger, uit
vrees van haar kroost te zullen verliezen. Reeds na weinige weken
volgen de jongen de ouden na bij hunne pleizierwandelingen in de
boomen; zij springen vlug en haastig op de takken rond, worden door de
voorzichtige moeder duchtig geoefend in allerlei lichaamsoefeningen
en bij het minste gevaar gewaarschuwd en tot een snelle vlucht
aangespoord. Jongen van dezen leeftijd kan men vrij gemakkelijk
opvoeden en lang in 't leven houden, als men ze aanvankelijk met melk
en wittebrood, later met vleesch, eieren, honig en vruchten voedt.
"Den 29en Januari," verhaalt Lenz, "kreeg ik een jongen Edelmarter,
welke dienzelfden dag uit een hollen boom was gehaald. Weldra dronk
hij lauwe melk; ook at hij reeds in melk geweekt wittebrood, weinige
uren nadat hij mij gebracht was. Aan dit diertje heb ik goed kunnen
waarnemen, hoe de smaak zich ontwikkelt in overeenstemming met de
omstandigheden. Aanvankelijk, n.l. in Juni of Juli, krijgt de jonge
Edelmarter van zijne ouders bijna alleen Vogels, later moet hij zich
ook gewennen aan Muizen, vruchten enz., al naar het jaargetijde.
"Op den tweeden dag bood ik hem een Kikvorsch aan: hij sloeg er in
't geheel geen acht op; onmiddellijk daarna gaf ik hem een levende
Musch: terstond pakte hij deze aan en verslond haar, vederen en al. Den
vierden dag liet ik hem honger lijden en bood hem daarna een Kikvorsch,
een Hagedis en een Hazelworm aan. Hij lette op geen van deze dieren,
en wilde ook een jonge Raaf niet eten. Den zesden dag kroop hij 's
nachts uit zijn hok, beet een in 't nest zittenden Torenvalk dood en
at den kop, den hals en een deel van de borst van dit dier. Naderhand
gaf ik hem nog allerlei spijzen, en vond, dat hij kleine Vogels liever
had dan iets anders.
"Toen hij voor drie vierde volwassen en buitengewoon vraatzuchtig
was, hield ik hem weer een Hazelworm voor. Hij had juist honger,
toch kwam hij voorzichtig nader en sprong bij elke beweging van het
dier terug. Toen hij zich eindelijk overtuigd had, dat het dier niet
gevaarlijk was, beet hij toe; de staart van den Hazelworm brak af;
hij vrat dien op en droeg daarna het dier in zijn nest, waar het
hem ontsnapte en onder het hooi kroop. Hij haalde het er weder uit,
beet nog een stuk van het overgebleven staartstompje af; eerst na 2
uren waagde hij het echter den Hazelworm bij den hals te pakken en te
verscheuren. Hij droeg hem daarna in zijn nest en at haar langzamerhand
met smaak, doch niet zeer gretig op. Nog was hij met den Hazelworm
niet gereed, toen ik een ongeveer 60 cM. lange Ringslang in zijn kist
wierp. Dadelijk kwam hij voorzichtig nader, sprong echter verschrikt
terug, telkens als de Slang zich bewoog of siste. Terwijl hij bezig
was met de Ringslang te spelen, bracht ik hem een versch gedoode,
groote Adder. Voorzichtig kwam hij er onmiddellijk op af, overtuigde
zich, dat zij dood was, nam haar op, droeg haar nu eens hier, dan weer
daarheen en at haar na een uur met kop en giftanden op. Ik gaf hem
daarna een Hagedis, die hij eveneens snuffelend begroette; het diertje
liet een heesch gesis hooren, bijna als een Slang, sperde den muil open
en sprong wel tien maal op den Marter toe. Deze vertrouwde de zaak
niet en ontweek hare beten, werd echter voortdurend stoutmoediger,
en pakte, daar de Hagedis hem geen kwaad deed, na verloop van een
uur dit dier aan, beet het dood en vrat het op.
"Hieruit blijkt, dat hij van nature weinig lust heeft in het dooden van
Slangen en andere Kruipende Dieren; op grond van de genoemde ervaringen
is het echter niet onwaarschijnlijk, dat hij ze 's winters, wanneer
hij ze toevallig in weerloozen toestand ontmoet, om 't leven brengt
en opvreet; want in dit jaargetijde zal hij vermoedelijk dikwijls
bitteren honger lijden, daar hij zeer vraatzuchtig is.
"Ik wil hier nog de aandacht vestigen op een dwaling, die vrij
algemeen verbreid is. Men meent n.l., dat de Wezel-soorten, als
zij een dier dooden, steeds de dikke slagaders van den hals met de
hoektanden treffen en doorsnijden. Dit is niet zoo. Wel pakken zij
de groote dieren bij den hals om ze te dooden; dit gebeurt echter,
zonder dat zij juist die bloedvaten treffen; daarom zijn zij ook niet
in staat hun het bloed uit te zuigen, maar stellen zich tevreden met
het opslikken van het toevallig uitvloeiende bloed. Daarna eten zij
het dier gedeeltelijk op en beginnen gewoonlijk met den hals; bij
dieren, die iets grooter zijn, zooals groote Ratten, Hoenderen enz.,
wordt bij het dooden niet eens de huid van den hals, die taai is en
meegeeft, doorgesneden, maar geschiedt dit eerst later.
"Zoolang mijn Boom-Marter nog jong was, speelde hij graag met menschen,
als deze het spel begonnen; later was het niet raadzaam met hem te
spelen, omdat hij bij 't grooter worden de gewoonte aannam, om, zelfs
wanneer hij het niet kwaad meende, alles met de tanden stevig aan te
pakken; mij heeft hij met de hoektanden eens door dikke handschoenen
heen in 't vleesch gebeten; hij deed dit trouwens zonder eenige
vijandige bedoeling. Eigenlijke liefde voor zijn opvoeder blijkt
niet uit zijne houding en gebaren, hoewel hij goede kennissen nooit
kwaad doet, als hij goed behandeld wordt. In zijne zwarte oogen staan
alleen begeerte en moordlust te lezen. Als hij recht genoeglijk in
zijn nest ligt, laat hij dikwijls een trommelend gebrom hooren, dat
eenigen tijd aanhoudt. Het gniffelen van den Bunzing heb ik nooit
van hem gehoord. Als hij boos is, knort hij hevig."
De Edelmarter wordt overal op de nadrukkelijkste wijze vervolgd,
niet zoo zeer om zijn moordgierigheid, maar veeleer om zijn kostbaar
vel machtig te worden. Het gemakkelijkst kan men hem dooden,
als er pas sneeuw gevallen is, omdat men dan, (niet alleen op den
grond, maar zelfs op de met sneeuw bedekte takken) zijn spoor kan
volgen. Toevallig ziet men hem ook wel eens in 't bosch liggen,
gewoonlijk lang uitgestrekt op een boomtak. Het is niet moeilijk
hem daar te schieten; als men hem gemist heeft, kan men dikwijls
nog eens laden, omdat hij vaak niet van de plaats wijkt en den jager
voortdurend blijft aanstaren.
Bij de jacht op den Edelmarter moet men een Hond hebben, die flink
toebijt en den Marter stevig vasthoudt, omdat deze gewoon is woedend
tegen zijn vervolger op te springen, waardoor een minder goede Hond
licht afgeschrikt wordt. Betrekkelijk gemakkelijk laat hij zich
vangen in een ijzeren klem, die opzettelijk voor dit doel vervaardigd
en zeer verborgen geplaatst wordt; men vangt hem echter ook in den
zoogenaamden slagboom en in de kastval. Als lokaas dient gewoonlijk een
stukje brood, dat men met een schijfje ui in ongezouten boter en honig
gebraden en met kamfer bestrooid heeft. Andere lokspijzen worden uit
velerlei sterk riekende stoffen volgens bepaalde voorschriften bereid.
Het bont van den Edelmarter is het kostbaarste pelswerk, dat door
inheemsche Zoogdieren wordt voortgebracht; het komt, wat kwaliteit
betreft, nog het naast aan dat van het Sabeldier. Voor de vacht van
een gedurende den winter gevangen Marter wordt f 10 à f 12 betaald. De
schoonste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit die
van Schotland; de overige worden geleverd door Italië, Zweden,
Noord-Duitschland, Zwitserland, Opper-Beieren, Tartarije, Rusland,
Turkije en Hongarije.
De _Steen-_ of _Huismarter_ (_Mustela foina_) verschilt van den
Edelmarter door zijn iets geringere grootte, de naar verhouding
kortere pooten, den kop die, ondanks het kortere aangezicht langer
is, de kleinere ooren, de kortere vacht, de lichtere haarkleur en
de witte keel. De totale lengte van het volwassen mannetje bedraagt
70 cM., waarvan een weinig meer dan een derde op den staart komt. De
grijsbruine kleur van de vacht (met wit wolhaar) wordt op de pooten
en den staart donkerder en gaat op de voeten in donkerbruin over; de
keelvlek die altijd kleiner is dan bij den Edelmarter, bestaat uit
zuiver witte, in de jeugd dikwijls uit roodachtige of geelachtige
haren; de randen van de ooren zijn met korte witachtige haren
bezet. De Steenmarter komt voor in bijna alle landen en gewesten,
waar de Edelmarter gevonden wordt. Geheel Middel-Europa en Italië
(met uitzondering van Sardinië), Engeland, Zweden, het gematigde deel
van Europeesch Rusland (tot aan den Oeral, den Krim en den Kaukasus)
en West-Azië, vooral Palestina, Syrië en Klein-Azië, zijn het vaderland
van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel
van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van niet minder dan
1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven
den dennengordel, in den winter keert hij gewoonlijk naar lagere
streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig
zeldzaam. Toch is hij in verscheidene provinciën, Noord-Brabant,
Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen
waargenomen. In Noord-Brabant wordt hij _Fluwijn_ genoemd. In de
andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal
veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij nadert de woningen der
menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich
bij voorkeur in dorpen en steden ophoudt. Eenzaam gelegene schuren,
stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote houtmijten
in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken
vijand van het tamme gevogelte bewoond.
De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele
opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een meester
in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig,
even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot; hij klimt
zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken,
zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en kan door zeer nauwe
openingen heendringen.
Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter;
toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel
meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te
brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij in
de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke
bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten, Konijnen, allerlei
Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren
en Amphibiën. Eieren schijnen voor hem een lekkernij te zijn; ook zijn
allerlei soorten van vruchten--kersen, pruimen, peren, kruisbessen,
lijsterbessen, hennep en dergelijke--naar zijn smaak.
Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een
eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van dit
dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum
te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet men echter voor
hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn,
dat hij door iedere opening, voor zoover deze half zoo groot is als
een rattengat, binnen dringen kan.
Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn,
laten zich tot op zekere hoogte temmen.--In Schotland heeft men eens
op de volgende vreemde wijze een Steenmarter gevangen en getemd:
Gedurende langen tijd had de ongenoode gast zich in een dorp van het
gebergte opgehouden, en daar tallooze schanddaden ten nadeele van het
hoenderengeslacht gepleegd. Met behulp van goede Honden verdreef men
hem eindelijk uit de eenzame schuur, zijn roovershol, en joeg hem in
't open veld. Tevergeefs wendde hij al zijn list en behendigheid aan,
om aan de Honden te ontkomen. Zij kwamen hem al nader en nader op de
hielen, en hadden hem eindelijk aan den rand van een afgrond bijna
gegrepen. Hij nam een kort en goed besluit, en sprong in den wel 30
M. diepen afgrond. Deze val was hem toch te hevig; hij lag beneden
als dood en verroerde zich niet meer. Zijne vervolgers waren vast
overtuigd, dat hij te pletter gevallen was. Om het vel te bemachtigen
daalde een van de lieden in den afgrond af en lichtte den verongelukten
Marter op. Plotseling begon deze zich opnieuw te bewegen en toonde
den persoon, die hem ving, ook dadelijk door een flinken beet ten
duidelijkste, dat hij zijn bewustzijn herkregen had. Toch liet de
gewonde man zijn prooi niet los, maar stelde haar, door haar aan den
hals te vatten, buiten staat om verder tegenweer te bieden; zoo nam
hij haar mede naar zijn huis. Hier werd de Steenmarter vriendelijk
en zacht behandeld en was na verloop van korten tijd werkelijk tam,
misschien ten gevolge van den zwaren val of uit dankbaarheid voor de
hem bewezen vriendschap. Zijn meester besloot, hem als muizenvanger te
gebruiken, en bracht hem in den paardenstal. Hier gevoelde hij zich in
korten tijd volkomen thuis; zelfs had hij een vriendschapsband weten
te sluiten,--met een van de Paarden n.l. Zoo vaak men in den stal kwam,
vond men hem bij zijn kameraad, die hij door een dof geknor in zekeren
zin trachtte te verdedigen. Soms zat hij op den rug, soms op den hals
van het Paard; hij liep over zijn vriend heen en weer, of speelde met
diens staart of ooren; het Paard scheen zeer verheugd te zijn over
de genegenheid, die het van het kleine Roofdier ondervond. Ongelukkig
werd deze merkwaardige vriendschapsband op wreede wijze verscheurd. De
Marter geraakte op een van zijne nachtelijke uitstapjes in een val
en werd den volgenden morgen dood gevonden.
Een van de naaste verwanten van de inheemsche Marters is het wijd
vermaarde _Sabeldier_ (_Mustela zibellina_). Van den Edelmarter
onderscheidt het zich door den kegelvormigen kop, de groote ooren,
de hooge, krachtige pooten, de groote voeten en het glanzige,
zijdeachtig zachte vel. Dit geldt voor des te fraaier, naarmate
de beharing dichter, zachter en gelijkmatiger van kleur is; vooral
echter hangt de kwaliteit af van de duidelijkheid waarmede de naar
't blauwachtig grijze zweemende, roodbruine kleur van het wolhaar op
den voorgrond treedt. Hoe lichter van kleur het bovenhaar is, des
te geringer, hoe gelijkmatiger van kleur en hoe donkerder het is,
des te hooger schat men de waarde van het vel. De fraaiste vellen
zijn aan de bovendeelen zwartachtig, aan den snuit zwart en grijs
gemengd, op de wangen grijs, aan den hals en aan de zijden roodachtig
kastanjebruin, aan den onderhals fraai dooiergeel van kleur; het oor
heeft gewoonlijk een grijs-witachtigen of lichtbleekbruinen rand. Hoe
meer de gele kleur van de keel bij het levende dier in 't oog viel,
des te schielijker zal zij verbleeken na zijn dood.
Het oorspronkelijke verbreidingsgebied van het Sabeldier reikte van
den Oeral tot aan de Behring-zee en van de Zuidelijke grensgebergten
van Siberië tot op omstreeks 68° N.B.; bovendien omvatte het
een zeer uitgestrekt deel van Noord-Amerika; langzamerhand is
het echter zeer ingekrompen. De onophoudelijke vervolgingen,
waaraan het is blootgesteld, hebben het de wijk doen nemen naar
de donkerste wouden van de gebergten van Noordoost-Azië; daar de
mensch het ook hier begeerig, ja zelfs met gevaar voor zijn eigen
leven vervolgt, moet het zich al verder en verder terugtrekken en
wordt steeds zeldzamer. Gedurende den gouden tijd voor de handelaars
in sabelvellen werden in Kamtschatka vele vereenigingen, voor de
vangst van Sabeldieren opgericht; sedert dien tijd echter is hun
aantal zoowel daar als in andere landen en gewesten van Oost-Azië
afgenomen. De vervolgingen waaraan deze Marter van de zijde der
jagers is blootgesteld, zijn oorzaak, dat hij allengs verdwijnt. Hij
onderneemt echter ook groote zwerftochten; volgens de meening van de
inboorlingen geschieden zij met het doel om de Eekhoorntjes, zijn
lievelingswild, te volgen. Bij het vervolgen van deze Knaagdieren
zwemt hij, zelfs gedurende het kruien van het ijs, zonder aarzeling
over breede stroomen, die hij overigens schijnt te vermijden. Zeer
gewenschte verblijfplaatsen bieden hem de arvenbosschen, welker
reusachtige stammen hem goede schuilhoeken verschaffen, terwijl hij
in de zaden hunner kegels een geschikt voedsel vindt.
In gewoonten komt dit dier, naar het schijnt, het meest met den
Edelmarter overeen, wiens vlugheid en geschiktheid voor 't klimmen
ook het Sabeldier eigen zijn. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
uit Eekhoorntjes en andere Knaagdieren, Vogels enz.; het versmaadt
echter ook de Visschen niet, daar het zich door visch als lokaas
in vallen laat lokken; ook heeft men opgemerkt, dat het zeer veel
houdt van den honing van Wilde Bijen. Ceder-"noten" acht het een zeer
gewenschte spijs; bij de meeste Sabeldieren, die Radde onderzocht,
was de maag stijf gevuld met deze zaden. Ieder jaar brengt het jagen
en vangen van het Sabeldier alle weerbare mannen van geheele stammen
in beweging, en doet het de kooplieden reizen van duizenden mijlen
ondernemen. Evenals in de vorige eeuw (toen de Duitsche onderzoeker
Steller en later de Russische reiziger Schtschukin Siberië doorreisden)
komen ook thans nog de meeste Sabeldieren voor in de duistere bosschen
tusschen den Lena en de verder oostwaarts gelegen zee; ook thans nog
vormt de opbrengst van de vellen dezer dieren de voornaamste bron
van inkomsten van de inboorlingen en van de Russische kolonisten. De
jacht duurt van October tot het midden van November of het begin van
December. De jagers vereenigen zich tot kleine gezelschappen op het
jachtterrein; ieder gezelschap heeft hier zijn eigen woning; de Honden
moeten gedurende de reis de sleden trekken, die met levensmiddelen
voor verscheidene maanden beladen zijn. De jacht heeft in hoofdzaak
nog steeds plaats op de door Steller beschreven wijze. Vallen en
strikken van zeer verschillende inrichting worden hierbij gebruikt;
ook volgt men op sneeuwschoenen het spoor van het Sabeldier, omgeeft
zijn schuilhoek met netten of doodt het vluchtende dier met pijlen
of met het geweer. Het meest in trek zijn die soorten van vallen,
waarin het vel van het dier in 't geheel niet beschadigd wordt. De
jager en zijne gezellen hebben verscheidene dagen noodig om alle vallen
op te stellen; iederen dag moeten zij er bij langs om ze na te zien;
dikwijls blijkt dan, dat een verwaten Sneeuwvos of een ander Roofdier
den kostbaren buit opgevreten heeft. Het gebeurt ook wel, dat de jager
door slecht weer en rampspoeden van allerlei aard overvallen, tot den
terugtocht genoopt wordt, en zelfs zich haasten moet om zijn leven te
redden, zonder aan het inzamelen van de dieren, die mogelijkerwijze
in de val geraakt zijn, te kunnen toekomen. Vaak is de jacht op het
Sabeldier een onafgebroken reeks van allerlei bezwaren. Dikwijls
blijkt het bij het einde van den jachttijd, dat de gewonnen buit
ternauwernood voldoende is om de gemaakte kosten te dekken, terwijl
de moeiten aan het bedrijf verbonden, nooit behoorlijk beloond worden.
Over het leven van het Sabeldier in den gevangen staat zijn de
berichten nog zeer schaarsch. Een Sabeldier in het paleis van den
aartsbisschop van Tobolsk was zoo volkomen getemd, dat het naar eigen
goedvinden in de stad mocht gaan wandelen. Andere getemde Sabeldieren
speelden zeer vroolijk met elkander, gingen dikwijls opzitten om
zoo beter te kunnen vechten, sprongen opgeruimd in hun hok rond,
en gaven gelijk jonge Honden, hun tevredenheid door kwispelstaarten,
hun toorn door grommen en knorren te kennen.
_Stinkmarters_ (_Putorius_ of _Foetorius_) heeten de leden van een
ander Martergeslacht op grond van een algemeen bekende eigenschap
van den Bunzing, die bovenstaanden naam zeer zeker verdient, wat van
de andere soorten der groep geenszins gezegd kan worden. De hiertoe
behoorende Marter-soorten zijn gekenmerkt door een naar voren sterk
in breedte afnemenden kop, een toegespitsten snuit, kort afgeronde,
driezijdige ooren, een slanken, langgerekten romp, korte pooten met
lange teenen, en een ronden, vrij lang behaarden staart, welks lengte
geringer is dan de halve lichaamslengte.