voortkruipt, zonder een lid te bewegen; want daar de korte pooten door
de lange haren van den romp volkomen bedekt worden, is hun beweging ter
nauwernood zichtbaar. In de zomermaanden ziet men hem zelden alleen,
maar steeds in gezelschap van zijn gezin. Het mannetje gaat vooraan,
het wijfje volgt, en na de moeder komen de jongen. Ieder lid van de
familie loopt altijd vlak achter het andere, en zoo heeft het er allen
schijn van dat de geheele reeks van dieren slechts een enkel wezen
vormt, dat ongeveer vergeleken kan worden met een merkwaardig lange
slang. Soms blijft de vader staan, licht den kop op en kijkt rond; hij
richt daarbij de neusgaten naar alle zijden en snuift als een hijgend
dier. Als hij de zekerheid heeft verkregen, dat er geen reden voor
vrees bestaat, gaan alle in optocht verder; als hij een buit bemerkt,
kronkelt hij zich als een Slang onhoorbaar tusschen de halmen door om
naderbij te komen en plotseling ziet men hem 1 of 2 sprongen maken,
zelfs naar een reeds opgevlogen Vogel. Voor een muizengat loert hij
zonder beweging te maken; een Rat, een jonge Vogel sluipt hij met
grappige bedachtzaamheid na.
Waarschijnlijk speurt hij even goed als de beste Hond; men weet
althans zeker, dat hij zich op de jacht voornamelijk door den reuk
laat leiden. Als hij eieren vindt, drinkt hij ze leeg; van Zoogdieren
en Vogels zuigt hij in den regel alleen het bloed uit, en vreet de
hersenen op. Hij vermoordt veel meer dieren, dan hij verslinden kan.
Zijn stem hoort men alleen dan, als hij door een kogel aangeschoten
wordt, anders zwijgt hij, zelfs bij de pijnlijkste verwonding. De
Egyptenaars beweren echter, dat hij ook in den paartijd zijn vrij
schel, eentonig gefluit laat hooren.
De Ichneumon-jacht is in de oogen van de Egyptenaars een in de hoogste
mate verdienstelijk werk. Men behoeft slechts in een dorp te gaan,
en daar te berichten, dat men de _Nims_--zoo heet dit dier bij de
Arabieren--wil jagen: dan is voorzeker oud en jong gaarne bereid om
den gehaten schurk en gauwdief te helpen dooden. Men gaat op weg naar
een lange strook rietland, kiest daar een geschikte standplaats en
laat de menschen langzaam het wild opdrijven. Het dier bemerkt zeer
goed waar het om te doen is, en zoekt, zoodra de drijvers geraas
beginnen te maken, een schuilplaats in een van zijne holen; dit
baat hem echter maar zeer weinig, want de Arabieren verdrijven hem
met hunne lange stokken ook uit zijne vluchtgangen en zoo ziet hij
zich genoodzaakt tot een ander rietveld zijn toevlucht te nemen. Met
groote voorzichtigheid sluipt hij tusschen de halmen door, luistert
en snuffelt van tijd tot tijd, maar hoort de vervolgers al nader en
nader komen en moet eindelijk toch het besluit nemen over een plek,
waar hij zich niet volkomen dekken kan, heen te loopen. Hij is gewoon
in gebogen houding en zachtjes er over heen te glijden, om zich niet te
verraden door een snelle beweging. Men moet hem met zeer groven hagel
en op korten afstand schieten, als men hem dooden wil; want wegens
de ongeloofelijke taaiheid van zijn leven verdraagt hij een geducht
schot, en ontsnapt stellig nog, indien hij niet dadelijk gedood wordt.
Fransche onderzoekers verklaren, dat gevangen exemplaren zich
gemakkelijk laten temmen, zachtzinnig worden, de stem van hun meester
herkennen en dezen als een Hond volgen. Nooit zijn zij echter in rust,
verschuiven alles in het huis en worden door het omwerpen van allerlei
zaken lastig. Daarentegen maken zij zich in een ander opzicht zeer
verdienstelijk. Een huis, waarin men een Ichneumon houdt, is in den
kortst mogelijken tijd geheel gezuiverd van Ratten en Muizen; want
het Roofdier houdt zich onverpoosd met de jacht op deze Knaagdieren
bezig. Met den gevangen buit loopt hij in een donkeren hoek, en
toont door zijn grommen en knorren, dat hij zijn eigendom wel weet
te verdedigen.
Alle Mangoesten gelijken in lichaamsbouw op elkander; de meeste
komen ook door hunne handelingen overeen. Wij zouden dus met de
bovenstaande beschrijving van den Ichneumon ons doel bereikt kunnen
achten, indien nog niet eenige andere soorten waard waren besproken
te worden. De soort, die in beroemdheid op de Pharao-rat volgt, en
deze in Indië vervangt, is de _Mungo_, de _Mungoose_ der Engelschen
(_Herpestes mungo_). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Ichneumon;
zijn lichaamslengte bedraagt 40 à 50 cM., de lengte van den staart
is iets geringer. Het lange, ruige haar is grijs, onder de spits
breed wit geringd, waardoor een zilverkleurige sprenkeling en een
lichtgrijze kleur ontstaan.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Vóór-Indië,
oostwaarts waarschijnlijk tot Assam, westwaarts stellig tot Afghanistan
en Beloetsjistan, bovendien ook Ceylon.
De Mungo houdt van omheiningen, hagen en aanplantingen, van de met
bosch begroeide oevers van waterloopen en van met steenen bedekte
hellingen, waar veel struikgewas groeit; dikwijls houdt hij zich
bij de woningen van menschen op, waar hij niet zelden groote schade
aanricht onder het gevogelte. In door hem zelf gegraven holen in den
grond werpt hij 3 of 4 jongen. Hij houdt, naar 't schijnt, ook van
sappige vruchten, maar doet vooral zijn best om vleesch te krijgen. Hij
loopt van rots tot rots, van steen tot steen, van 't eene hol naar
't andere en onderzoekt de streek zoo grondig, dat hem niet licht
iets eetbaars ontgaan zal. Van tijd tot tijd ziet men hem in het een
of ander klein hol verdwijnen, en als hij weer te voorschijn komt,
brengt hij stellig een Muis, Rat, Hagedis, Slang of dergelijk dier
mede, dat hij in diens eigen woning gevangen heeft
Beroemd en geëerd is de Mungo vooral geworden door zijn strijd met
de vergiftige Slangen. Ondanks zijn geringe grootte kan hij zelfs de
Brilslang dooden. Zijn behendigheid verschaft hem de overwinning. De
inboorlingen beweren, dat hij, na door een vergiftige Slang gebeten
te zijn, een kruid met een zeer bitteren wortel, dat onder den
naam "Mangus wail" bekend is, uitgraaft, door het gebruik van dit
geneesmiddel oogenblikkelijk herstelt, en na weinige minuten den
strijd met de Slang kan voortzetten. Zelfs nauwgezette onderzoekers
verzekeren, dat er iets waars is in deze zaak; zij berichten althans,
dat de gebeten en afgematte Mungo van de strijdplaats wegloopt, om
wortels te zoeken, en hierdoor gesterkt, den strijd hervat. Blanford
noemt het verhaal van het tegengif ongegrond. Indien werkelijk de Mungo
over een tegengif kon beschikken, zou het onverklaarbaar zijn, waarom
andere slangenjagers, zooals de Sekretaris-vogel, de verschillende
soorten van Slangenarenden enz., zonder een dergelijk middel de
Slangen aanvallen. Ook zou men in dit geval kunnen verwachten, dat het
bewustzijn van de onwerkzaamheid van het gif hem zou nopen bij zijn
aanval zonder eenigen schroom te handelen, terwijl men integendeel,
behalve zijn stoutmoedigheid, juist de merkwaardige vlugheid en
behendigheid moet bewonderen, waardoor hij de vooruitschietende
bewegingen van de zich verwerende Slang weet te ontgaan, en de list,
die hij bij den aanval ten toon spreidt. Bovendien maken zijne stijve
haren, die gedurende den strijd overeind staan, en zijn dikke huid
het voor de Slang veel moeielijker hem haar gif in te enten; wanneer
haar dit echter gelukt, sterft de Mungo er aan, evenals ieder ander
dier, hoewel bij hem, naar het schijnt, de verschijnselen langzamer
optreden dan bij andere, even groote Zoogdieren.
In de jaren tusschen 1870 en 1880 is de Mungo op Jamaika ingevoerd;
sedert dien tijd heeft hij, naar gezegd wordt, door verdelging van de
Ratten, die de suikerrietplantages vernielen, een schade voorkomen,
die op meer dan een millioen gulden per jaar geschat wordt.
Van alle Mangoesten is de Mungo--die aan het geheele geslacht den naam
heeft verschaft--het meest geschikt om getemd te worden, omdat hij een
bijzonder zindelijk, net, vroolijk en betrekkelijk goedaardig dier is.
Sterndale bezat een Mungo, die drie jaar lang in Indië zijn
vaste begeleider en bovendien gehoorzaam en trouw als een Hondje
was. "_Pips_" wist precies, wanneer zijn meester hem een vogel wilde
schieten, ging opzitten, als het geweer werd aangelegd, en zoodra
de prooi gevallen was, haalde hij deze ten spoedigste. Hij was zeer
zindelijk; zelfs gebruikte hij na het eten zijne klauwen op een
hoogst grappige wijze als tandenstokers. Hij was zeer stoutmoedig,
ging zelfs eens met goed gevolg een grooten Hond te lijf, en bracht
in den strijd met een kolossalen, mannelijken Trap, die zes maal
zoo zwaar was als hij zelf, dezen Vogel zulke wonden toe, dat hij
stierf. _Pips_ doodde ook vele Slangen. Als hij opgewonden was, stond
zijn haar zoo steil overeind, dat zijn omvang bijna dubbel zoo groot
was als gewoonlijk; het sussend opsteken van den vinger door zijn
meester was echter voldoende om het woedende dier onmiddelijk tot
bedaren te brengen. Later vergezelde hij zijn meester naar Engeland,
en werd de lieveling van allen, die hem zagen. Hij kon een groot aantal
kunstjes verrichten: springen, kopje-over buitelen, met een muts op
den kop op een stoel zitten, soldaatje spelen en exerceeren. _Pips_
stierf van verdriet: toen hij eens gedurende geruimen tijd van zijn
meester gescheiden was, weigerde hij eenig voedsel te gebruiken.
Behalve de Ichneumon verdient de _Melon_ of _Meloncillo_ (_Herpestes
Widdringtonii_) vermelding, omdat hij de eenige Europeesche
vertegenwoordiger van dit geslacht is. Het dier was reeds lang aan
de Spaansche jagers bekend, voordat een natuuronderzoeker het in
handen kreeg. De jacht op den Meloncillo loont de moeite, omdat zijn
staartharen voor 't maken van schilderspenseelen zeer gezocht zijn
en duur betaald worden; de jagers schoten echter het dier alleen om
deze haren en, nadat zij deze hadden uitgetrokken, wierpen zij het
overige weg.
Deze soort leeft in Spanje in de rivierdalen, vooral in de provinciën
Estremadura en Andalusië, geheel op de wijze van den Ichneumon. Hij
bewoont bijna uitsluitend de rietbosschen en de met esparto, een
borstelgras, begroeide vlakten, komt echter volstrekt niet in het
gebergte voor, zooals bericht werd. Zijn lengte bedraagt 1.1 M.,
waarvan de staart ongeveer 50 cM. in beslag neemt. De over 't geheel
korte beharing verlengt zich op het midden van den rug, en verdwijnt
bijna geheel aan het voorste deel van den hals en aan het onderlijf,
welke deelen bijna naakt zijn. De donker grijze grondkleur is lichter
gesprenkeld.
Tot de merkwaardige soorten van de groep behoort ook de
_Zebra-Mangoeste_, de _Sakie_ der inboorlingen (_Herpestes
fasciatus_.) Zij is een van de kleinste leden van het geheele
geslacht. Men zegt, dat zij zonder den 20 cM. langen staart een lengte
van 40 cM. bereikt; ik zelf heb echter veel grootere individuën van
deze soort gezien.
Naar het schijnt, komt onze Mangoeste in geheel Oost-Afrika van
de Kaap de Goede Hoop tot aan Abessinië en tot aan de overzijde,
in West-Afrika, in tamelijk groot aantal voor.
De fonkelende oogen van deze sierlijke Viverre verraden haar
bloedgierigen aard. Haar voedsel bestaat uit alle kleine Zoogdieren,
Vogels, Kruipende Dieren en Insecten, die zij overmeesteren kan,
uit eieren en stellig ook uit vruchten.
In West-Afrika wordt de Zebra-Mangoeste zeer dikwijls in factorijen,
zendingsposten en soms ook op stoombooten tam gehouden. Zij heeft hier
een volledige vrijheid, maar denkt er niet aan, naar de wildernis terug
te keeren. Haar grappig voorkomen maakt haar tot ieders lieveling;
naar het schijnt, hecht zij zich echter, evenals de Huiskat, meer aan
huis en hof dan aan de menschen, hoewel zij niet zelden voor sommige
personen een groote genegenheid toont, hen naloopt, hun op den schoot
klimt, en zich door hen graag krauwen en koesteren laat, waarbij zij
haar tevreden stemming door allerlei geluiden openbaart. Eieren maakt
zij open door ze met de voorpooten ergens tegen aan te tikken, nog
vaker echter door ze tusschen de achterpooten door in achterwaartsche
richting tegen een weerstandbiedend voorwerp te smijten. Bij 't
spelen behandelt zij ook andere kleine en rondachtige voorwerpen
op deze wijze; het is daarom raadzaam voorwerpen van eenige waarde
buiten haar bereik te houden. Pechuel-Loesche vond een dikke glazen
flesch, waarin het kwik voor den kunstmatigen horizon geborgen was,
in gruis tegen een blikken kist liggen, en E. Teusz verhaalde hem,
dat een Zebra-Mangoeste te Malandsche een onmisbaren chronometer
reeds meermalen flink tegen kasten en muren had geworpen, voordat
men bemerkte, met welk duur speelgoed zij zich den tijd verdreef.
Ten slotte zal ik nog een soort van dit geslacht noemen, nl. de
_Krabben-Mangoeste_ of _Urva_ (_Herpestes urva_), daar zij een overgang
schijnt te vormen tusschen de echte Mangoesten en de Veelvraten. De
gedaante en het gebit van de Urva verschillen niet belangrijk
van die der overige Mangoesten; in vele opzichten herinnert haar
gestalte echter aan die van den Veelvraat. De snuit is langwerpig
en toegespitst, de romp gedrongen en krachtig. De teenen hebben
groote spanvliezen en de aarsklieren zijn in 't oog loopend sterk
ontwikkeld. Wat de algemeene kleur van de vacht betreft, gelijkt de
Urva op de overige Mangoesten. De bovendeelen zijn vuil ijzergrauw
met grijsachtig bruin gemengd; de onderdeelen en de pooten zijn
gelijkmatig donkerbruin. Over het bovenlichaam loopen dikwijls
donkerder strepen; van het oog naar den schouder loopt een witte,
bij de grondkleur scherp afstekende strook; ook de staart, die aan
den wortel zeer sterk behaard is, vertoont eenige dwarsbanden. In
grootte wordt de Urva waarschijnlijk door geen andere soort van haar
geslacht overtroffen; volwassen mannetjes worden 80 à 90 cM. lang,
waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen.
Hodgson ontdekte de Urva in de moerassige dalen van Nepal. Volgens
haar ontdekker moet zij half en half een waterdier zijn, dat zich
vooral met Vorschen en Krabben voedt.
Bij de Mangoesten sluiten zich verder eenige dieren aan, welker
voornaamste onderscheidend kenmerk in den bouw van den voet gelegen
is; daar de voorvoeten vijf, de achtervoeten vier teenen hebben en
de zolen gedeeltelijk behaard zijn.
De _Vos-Mangoeste_ of het _Honds-fret_ (_Cynictis penicillata_)
bereikt, zonder den omstreeks 30 cM. langen staart, een lengte
van ongeveer 40 cM. De vacht is glad, de staart ruig. De tamelijk
gelijkmatige, lichtroode of geelbruine kleur is aan den kop en de
ledematen donkerder; de staartharen zijn met zilvergrijs doormengd
en vormen een witte spits. Lange, zwarte tastharen staan boven de
oogen en op de lippen.
Zij bewoont de zandstreken van Zuid-Afrika, te beginnen aan de Kaap
de Goede Hoop, woont in gaten in den grond en voedt zich met Muizen,
Vogels en Insecten; zij is wild en bijtlustig, listig en behendig;
er wordt echter weinig of geen jacht op haar gemaakt; daarom heeft
nog geen onderzoeker berichten over haar levenswijze gegeven.
De _Surikate_ (_Suricata_ of _Rhyzaena tetradactyla_), tot dusver de
eenige bekende soort van dit geslacht, bewoont Afrika van het meer
Tsad tot aan de Kaap de Goede Hoop. De kop met den langen puntigen
snuit, de hooge pooten met vier teenen aan elken voet, de gelijkmatig
dun behaarde staart en het gebit onderscheiden de Surikate van de
haar verwante Mangoesten. Aan de voeten is dit dier, dat niet ten
onrechte door de Duitschers "Scharrthier" (Graafdier) wordt genoemd,
het best te herkennen; zij zijn gewapend met lange en sterke klauwen;
vooral die van de voorpooten vertoonen een sterkere ontwikkeling dan
bij eenig ander lid van de familie. Hiermede kan de Surikate vrij
gemakkelijk diepe gangen graven.
Door zijne uitwendige eigenschappen houdt deze zoolganger het midden
tusschen de Mangoesten en de Marters. Hij is 50 à 60 cM. lang, de
helft van deze lengte wordt door den staart geleverd. De tamelijk
ruige vacht heeft een grijsachtig bruine grondkleur met geelachtige
weerschijn; 8 à 10 donkere dwarsstrepen steken op het achterste deel
van den rug bij de grondkleur af.
Rijker aan vormen dan de familie der Viverren is die der _Marters_
(_Mustelidae_). Het is zeer moeielijk een op al deze dieren
toepasselijke beschrijving te geven; de lichaamsbouw, het gebit en
het maaksel van den voet wijken bij hen meer uiteen dan bij eenige
andere familie der Roofdieren-orde. De Marters zijn middelmatig
groote of kleine Roofdieren met een zeer in de lengte gerekten romp,
die op zeer lage pooten rust, welker voeten 4 of 5 teenen hebben. In
de nabijheid van de aarsopening komen klieren voor, evenals bij de
meeste Viverren; nooit echter scheiden zij een welriekende stof af,
zooals bij sommige van de laatstgenoemde dieren; integendeel de ergste
stinkers van de geheele orde behooren tot de Marters. Het lichaam is
gewoonlijk zeer dicht en fijn behaard; de meest geschatte pelterijen
zijn van dieren uit deze groep afkomstig.
De Marters verschenen in 't tertiaire tijdvak voor 't eerst op
't wereldtooneel. Tegenwoordig bewonen zij alle werelddeelen (met
uitzondering van Australië), alle klimaten en hoogtegordels, de
vlakten zoowel als de gebergten. Hunne verblijfplaatsen zijn wouden
of rotsachtige landstreken, maar ook vrije, opene velden, tuinen
en menschelijke woningen. Sommige zijn landdieren, andere bewonen
het water; gene kunnen gewoonlijk uitstekend klimmen, alle zijn in
't zwemmen ervaren. Vele graven zich gaten en holen in den grond of
gebruiken reeds aanwezige holen als woningen; andere maken zich meester
van holen in boomen of ook wel van de nesten van den Eekhoorn en van
vele Vogels: kortom, men kan zeggen, dat de leden dezer familie van
bijna alle schuilplaatsen partij weten te trekken: van de door de
natuur gevormde rotsspleet tot het kunstmatig gegraven hol, van de
donkere hoeken in menschelijke woningen, zoowel als van de verborgene,
uit dooreengegroeide takken of wortels bestaande toevluchtsoorden,
die het eenzame woud oplevert. De meeste hebben een vaste woonplaats;
vele zwerven rond, al naar de behoefte aan voedsel hen hiertoe
dringt. Eenige soorten, die noordelijke gewesten bewonen, vervallen
in winterslaap, de overige blijven gedurende het geheele jaar werkzaam.
Bijna alle Marters zijn in hooge mate vlug, behendig, beweeglijk en in
alle lichaamsoefeningen buitengewoon goed ervaren. Bij 't gaan zetten
zij de geheele zool op den grond, bij 't zwemmen gebruiken zij hunne
pooten en den staart, bij 't klimmen weten zij zich, ondanks hunne
stompe klauwen, uiterst geschikt vast te klemmen en in evenwicht te
houden. Onder de zinnen van de Marters schijnen de reuk, het gehoor en
het gezicht op nagenoeg even hoogen trap van volkomenheid te staan,
maar ook de smaak en het gevoel mogen als goed ontwikkeld aangemerkt
worden. Even uitstekend als hunne lichamelijke begaafdheden zijn hunne
geestesgaven. Het verstand staat bij de meeste soorten op een hoogen
trap van ontwikkeling. Zij zijn schrander, listig, wantrouwend en
behoedzaam, uiterst moedig, bloeddorstig en gruwzaam, tegenover hunne
jongen echter ongemeen liefderijk. Sommige houden van gezelligheid,
andere leven eenzaam of tijdelijk bij paren. Vele zijn zoowel bij
dag als bij nacht werkzaam; de meeste echter moeten als nachtdieren
beschouwd worden. In bewoonde en druk bezochte streken gaan alle
uitsluitend na zonsondergang op roof uit. Hun voedsel bestaat bij
voorkeur uit dieren, namelijk kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren,
Kruipende Dieren en Insecten. Enkele eten Slakken, Visschen, Kreeften
en Schelpdieren; verscheidene versmaden niet eens rottende stoffen;
andere voeden zich ook wel tijdelijk met voortbrengselen uit het
plantenrijk, en houden vooral van zoete, saprijke vruchten. In 't oog
loopend sterk is de bloeddorst, die al deze dieren bezielt. Zij dooden,
indien de gelegenheid hiertoe bestaat, veel meer dieren dan zij voor
hun voeding noodig hebben; verscheidene soorten worden letterlijk
bedwelmd door het bloed, dat zij hunne slachtoffers uitzuigen.
De jongen, welker aantal wijd uiteenloopt (voor zoover men weet,
van twee tot tien), komen blind ter wereld, en moeten lang gezoogd
en verzorgd worden. Hun moeder bewaakt ze zorgvuldig, verdedigt ze
met grooten moed bij dreigend gevaar of sleept ze, zoodra ze zich niet
veilig acht, naar andere schuilhoeken. Jongen die in den gevangen staat
een zorgvuldige opvoeding ontvangen, worden zeer tam; zij kunnen er
toe gebracht worden, hun meester als een Hond na te loopen, voor hem
te jagen en te visschen. De nakomelingen van één soort leven zelfs
sedert onheuglijke tijden in gevangenschap en worden door den mensch
voor een bepaalde wijze van jagen gebruikt.
Door hunne roofgierigheid en bloeddorst veroorzaken zij den mensch
een niet onbelangrijke schade; over 't geheel genomen overtreft
echter het voordeel, dat zij onmiddellijk of middellijk aanbrengen,
in hooge mate de schade, die zij aanrichten. Door het dooden van
schadelijk gedierte bewijzen zij ons niet onbelangrijke diensten,
en, moge men het hun ook niet vergeven, dat zij inbreuk maken op ons
eigendomsrecht, toch moet erkend worden, dat de beroofde in den regel
de schade, die hij lijdt, slechts aan zijn nalatigheid te wijten heeft.
Hoe groot het aantal Marters is, die ieder jaar om hun vel gedood
worden, blijkt uit de statistieke opgaven betreffende de opbrengst van
den pelterijhandel. Volgens Lomer komen ieder jaar omstreeks 3 millioen
vellen van verschillende soorten van Marters, ter waarde van meer
dan 12 millioen gulden, in de handen van Europeanen en op de markt;
hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers
zelf gebruikt worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen
leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren,
waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang
innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel een
middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten
zijn door de pelsjagers bekend geworden.
Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze met het geslacht
der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten,
welker leden, evenals de Eigenlijke Marters, teengangers zijn. Zij
vormen de eerste onderfamilie, die de _Marters_ (_Martidae_). Een
tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige _zoolgangers_
der familie--de _Dassen_ (_Melidae_). Een derde onderfamilie eindelijk
omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam
_Zwemvoetigen_ van de overige Marterachtige dieren onderscheiden--de
_Otters_ (_Lutridae_).
Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den
_Edelmarter_ en de overige leden van zijn geslacht (_Mustela_). Deze
zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte,
kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden kop, een
toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige,
aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig groote, levendige
oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een
middelmatig langen staart, aarsklieren die een muscus- of bisamachtige
vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht.
De _Marter_, _Edelmarter_ of _Boommarter_ (_Mustela martes_) is een
even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30
cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen donkerbruin, aan den
snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden
van den romp en aan den buik geelachtig, aan de pooten zwartbruin en
aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt
zich onder de ooren uit. Tusschen de achterpooten bevindt zich een
roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil
gele streep tot aan de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den
hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze "bef" is het meest bekende
kenteeken van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat
uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen, die
aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig
geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen snorharen; bovendien
zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en
aan de keel. In den winter is de algemeene kleur donkerder dan in den
zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere
kleur van den rug en de minder duidelijke "bef". Bij de jonge dieren
zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur.