slappen, langen of middelmatig langen staart; zij staan tamelijk
hoog op de pooten, hebben behaarde zolen (als de Katten) en zijn
teengangers; de voeten hebben vijf teenen met in den regel half
terugtrekbare nagels. De overige kenmerken van het geslacht zijn:
de korte, breede ooren, de matig groote oogen met rondachtige pupil,
de spits toeloopende snuit, waarvan de neus sterk vooruitsteekt, het
zachte vel en de zeer sterk ontwikkelde, vóór de aarsopening gelegen
klierzak, waarin zich de stof verzamelt, die door de civetklieren
afgescheiden wordt.
De _Afrikaansche Civetkat_ (_Viverra civetta_) heeft ongeveer de
grootte van een middelmatigen Hond, maar heeft meer het uiterlijk van
een Kat; zij houdt, wat haar voorkomen betreft, ongeveer het midden
tusschen deze en een Marter. De gewelfde, breede kop heeft een tamelijk
spits toeloopenden snuit, kort toegespitste ooren en scheefgeplaatste
oogen met ronde pupil. De romp is langwerpig, maar niet schraal,
krachtig gebouwd in vergelijking met de meeste andere leden van de
familie; de staart is ongeveer half zoo lang als het lichaam en dus
middelmatig; de pooten zijn middelmatig lang. De niet bijzonder lange
beharing is dicht, grof en los; de tamelijk lange, stijve haren op
het midden van hals en rug kunnen opgericht worden; deze "manen"
zijn zelfs op een deel van den staart nog merkbaar. Van de fraaie,
aschgrauwe, soms naar geel zweemende grondkleur onderscheiden zich
duidelijk de talrijke, ronde en hoekige, zwartbruine vlekken, welker
grootte en rangschikking bij verschillende individuën zeer ongelijk kan
zijn; op de zijden vormen zij duidelijk dwarse strepen. De manen zijn
zwartachtig bruin, de buikzijde is lichter van kleur dan de rugzijde,
en de zwarte vlekken zijn hier duidelijker begrensd. De staart, die
aan den wortel tamelijk dik met haar begroeid is, vertoont 6 of 7
zwarte ringen en eindigt in een zwartachtig bruine spits. Een lange
vierhoekige, schuin van boven naar achteren gerichte, witte vlek,
bevindt zich aan iedere zijde van den hals. Het lichaam is ongeveer 70
cM. lang zonder den half zoo langen staart; de hoogte in de schouders
bedraagt 30 cM.
De Afrikaansche Civetkat bewoont hoofdzakelijk de westelijke gedeelten
van tropisch Afrika, nl. Opper- en Neder-Guinea. Ook in het oosten
van Afrika komt zij voor, hoewel in kleiner aantal. Evenals de meeste
soorten der familie, is zij meer nachtdier dan dagdier. Den dag brengt
zij slapend door, des nachts gaat zij op roof uit en tracht de kleine
Zoogdieren en Vogels, die zij bemachtigen kan, sluipend te naderen
of te verrassen. Men zegt, dat vogeleieren haar lievelingskost zijn,
en dat zij zeer ervaren is in het opsporen der nesten, waartoe zij
zelfs in de boomen klimt. In geval van nood eet zij ook Amphibiën,
ja zelfs vruchten en wortels.
Men houdt dit dier opgesloten in stallen of kooien, die zoo ingericht
zijn, dat men gemakkelijk het civet kan verkrijgen; hiertoe wordt
het dier met een touw vastgebonden aan de staven van de kooi;
met de vingers wordt de klierzak omgekeerd en de klieren, welker
afscheidingsproduct door vele openingen in dezen zak uitmonden,
uitgedrukt. In den regel geschiedt dit twee maal per week; de opgaven
omtrent de hoeveelheid civet, die men hierdoor verkrijgt, loopen zeer
uiteen. In verschen toestand is het civet een witte schuimachtige stof,
die later bruin wordt en iets van haren fijnen geur verliest. De beste
soort is, naar men zegt afkomstig van de Aziatische Civetkat, en wel
van het eiland Boeroe, een der Molukken. Het Javaansche civet heet ook
nog beter te zijn dan het Bengaalsche en Afrikaansche. Tegenwoordig
is de handel in dit artikel aanmerkelijk verminderd, daar de muscus
meer en meer boven het civet wordt verkozen.
Alpinus zag in Kaïro bij verscheidene Joden Civetkatten in ijzeren
kooien. Men gaf dezen dieren niet anders dan vleesch te eten om te
maken, dat zij de grootst mogelijke hoeveelheid civet afscheiden en
goede rente opleveren zouden. In zijn tegenwoordigheid werd van deze
dieren civet verkregen; voor 1 drachme moest hij 4 dukaten betalen. In
vroegeren tijd werden ook te Lissabon, Napels, Rome, Mantua, Venetië,
Milaan, verscheidene Duitsche steden en vooral ook in Nederland
met het genoemde doel Civetkatten in gevangenschap gehouden. Jong
gevangen dieren verdragen het verlies van hun vrijheid veel beter,
dan exemplaren die op lateren leeftijd buit gemaakt zijn en worden
weldra zeer tam en aan den mensch gehecht. De sterke muscusreuk,
die deze dieren verbreiden, is voor menschen met zwakke zenuwen
bijna onverdraaglijk.
Bijna alles wat van de vorige soort gezegd werd, geldt ook van
de _echte_ of _Aziatische Civetkat_ (_Viverra zibetha_), die in
Indië _Bagdos_, _Bhran_ of _Khatas_ wordt genoemd, en lang voor een
verscheidenheid van de Afrikaansche soort gehouden werd. Zij verschilt
van deze echter niet alleen door de kleur en de vlekkenteekening,
maar in vele opzichten ook door de gedaante. Haar kop is spitser,
haar romp schraler, hare ooren zijn langer, en van manen is bij
haar niets te bespeuren. Haar grondkleur is dof bruinachtig geel,
waarbij een groot aantal dicht bijeen geplaatste, donker roestroode
vlekken van verschillenden vorm afsteken. Op den rug vloeien deze
vlekken ineen tot een breede, zwarte streep, aan de zijden zijn zij
zeer onduidelijk. Een volwassen dier van deze soort heeft zonder den
56 cM. langen staart een lengte van 80 cM. en een schouderhoogte van
38 cM.; het weegt 8 à 12 KG.
De Aziatische Civetkat werd door de Maleiers, die haar _Tinggalong_
noemen, ver verbreid. Haar vaderland is volgens Blanford: Bengalen,
Assam, Birma, Zuid-China, Siam en het Maleische Schiereiland. In den
regel leeft dit dier eenzaam en zwerft 's nachts rond, niet zelden
strekt het zijne plundertochten ook tot in de woningen der menschen
uit, en rooft dan vooral Hoenderen en Eenden. Voor het overige voedt
het zich met vruchten en wortels van verschillende soort, alsook met
Insecten, Vorschen, Slangen, eieren en met alle Zoogdieren en Vogels,
die het overmeesteren kan.
In den laatsten tijd komt een Civetkat, die _Rasse_ (_Viverra
malaccensis_) heet, dikwijls in de dierentuinen voor. Zij is
aanmerkelijk kleiner dan de vorige, maar heeft een langeren staart;
haar lichaamslengte bedraagt hoogstens 60 cM., zonder den omstreeks
50 cM. langen staart. De zeer smalle kop met de betrekkelijk groote
ooren kenmerken haar. De ruige vacht is grijsgeel-bruinachtig en
zwart gevlamd, met reeksen van donkere vlekken; de staart is met
verscheidene ringen geteekend.
De Rasse bewoont, met uitzondering van het Indusgebied en het
westen van Radschpoetana, geheel Indië van den voet van den Himalaja
tot en met Ceylon, voorts Assam, Birma, Zuid-China, het Maleische
Schiereiland, Sumatra, Java en vermoedelijk ook andere eilanden van
Zuidoost-Azië. In haar vaderland staat zij in hoog aanzien wegens
het civet, waarvan door de Maleiers een veelvuldig gebruik wordt
gemaakt. Men besprenkelt met deze welriekende stof, waaraan andere
geurige stoffen toegevoegd worden, de kleederen, maar geeft op
deze wijze ook aan de kamers en bedden een voor Europeesche neuzen
onverdraaglijken geur.
Het ondergeslacht der _Genetkatten_ (_Genetta_) is gekenmerkt door
den zeer lang gerekten romp, de onbehaarde overlangsche strook op
de zolen, de terugtrekbare klauwen aan de vijf teenen der voor- en
achterpooten, den langen staart en de middelmatige groote ooren. Een
ondiepe klierzak bevindt zich vóór de aarsopening.
De meest bekende soort is de _Genetkat_ (_Viverra genetta_), de eenige
in Europa voorkomende Civetkat; zij en twee Mangoesten zijn de eenige
Europeesche vertegenwoordigers van de familie der Viverren. In vele
opzichten gelijkt zij op hare vroeger beschrevene verwanten, ook wat
de kleur betreft. Haar lichaam is, zonder den 40 cM. langen staart, 50
cM. lang, de hoogte in de schouders bedraagt 15 à 17 cM. Het lichaam
staat zeer laag op de pooten en is buitengemeen slank; de kleine,
van achteren breede kop eindigt in een langen snuit en draagt breede,
in een stompe punt uitloopende ooren. De pupil is, als die van de Kat,
over dag spleetvormig. De afscheiding van een vettig, naar muscus
riekend vocht is hier slechts gering. De grondkleur van de korte,
dichte en gladde vacht is een naar geel zweemend lichtgrijs met
donkere vlekken.
Het Atlas-gebied is het eigenlijke vaderland van dit diertje, dat
een bijzonder sierlijke gestalte heeft, maar tevens zeer moord- en
roofgierig, bijtlustig en moedig is. Het komt echter ook in Europa
voor: vooral in Spanje is de Genetkat een vaste bewoner van de
voor haar geschikte verblijfplaatsen, hoewel men haar hoogst zelden
ontmoet. Zij houdt zich zoowel in bosch- en boomlooze als in boschrijke
gebergten op, komt echter ook in de vlakten. Aan vochtige plaatsen in
de nabijheid van bronnen en beken, boschrijke gewesten, berghellingen,
die met vele ravijnen doorsneden zijn, en dergelijke plaatsen geeft zij
de voorkeur. Hieruit wordt zij soms ook wel over dag door den jager
opgeschrikt; die haar gewoonlijk wegens de gelijkheid van hare kleur
met die der omgeving te kort in 't gezicht behoudt, om haar te kunnen
treffen. Zij kronkelt zich als een Aal, met de behendigheid van een
Vos, tusschen de steenen, struiken en kruiden door. Hare bewegingen
zijn even bevallig en sierlijk als vlug en behendig. Ik ken geen enkel
Zoogdier, dat zoo zeer de buigzaamheid van de Slang aan de snelheid
van den Marter paart. De volmaaktheid van hare bewegingen is werkelijk
bewonderenswaardig. Uit Tschintschotscho, een der standplaatsen van de
Loango-expeditie van Güszfeldt, schreef Pechuel-Loesche: "Civetkatten
en Genetten hebben wij hier vaak gevangen gehouden. De Civetkatten
zijn zeer onaardige dieren, die men nooit recht vertrouwen kan, en
welker reuk bovendien onverdraaglijk is; de Genetten echter worden
zeer tam, luisteren naar haar naam, loopen haar verzorger zelfs op
klaarlichten dag als Honden na, en verschaffen op allerlei wijzen
zeer veel genoegen. In onze hoofdbarak was een half-volwassen dier
van deze soort, die zich volkomen thuis gevoelde; hij vond er naar
het scheen, rijkelijk voedsel aan de Ratten, die er tot onze spijt
in groote menigte waren. Als wij des avonds in de gemeenschappelijke
kamer gezellig bij elkander zaten, vertoonde het diertje zich dikwijls
op de onderste balken van het dak, keek nieuwsgierig naar omlaag en
wipte dan met een sierlijken sprong op de tafel. Daar schuifelde het,
terwijl het zachtjes zijn helder geluid liet hooren, van den een naar
den ander, liet zich een oogenblikje streelen en plagen, en verdween
weldra zooals het gekomen was."--In Noord-Amerika wordt dit dier,
evenals onze Kat, voor het bestrijden der Ratten- en Muizenplaag in
de huizen gehouden. Het vel van de Genetkat wordt door de bontwerkers
zeer gezocht.
Het naast aan de Civetkatten komen de _Palmrollers_ of _Rolmarters_
(_Paradoxurus_). Zij zijn half-zoolgangers: aan het achterste gedeelte
van den voetwortel komt een onbehaarde eeltbal voor. De staart,
die tot den naam van deze dieren aanleiding heeft gegeven, is bij
verscheidene soorten voor oprolling vatbaar; deze eigenaardigheid
valt echter niet bijzonder in 't oog. De vijf teenen van voor-
en achterpooten hebben klauwen, die in meerdere of mindere mate
terugtrekbaar zijn, en, evenals die der Katten, bij het grijpen van
de prooi en als verdedigingsmiddel dienst doen.
Alle soorten bewonen Zuid-Azië en de naburige eilanden, gaan eerst
na zonsondergang op roof uit, en bewegen zich dan vlug en behendig
genoeg om kleine Zoogdieren en Vogels met goed gevolg te naderen;
zij voeden zich echter ook met vruchten.
De _Indische Palmroller_ (_Paradoxurus niger_) gelijkt door zijn
gestalte en ook door zijn kleurschakeering op de Genetkatten. Hij
is ongeveer zoo groot als onze Huiskat: het lichaam is 45 à 55 cM.,
de staart bijna even lang; de schouderhoogte bedraagt 18 cM. De
romp is langwerpig, maar dikker dan bij de Genetkatten; de pooten
zijn kort en krachtig; de lange staart kan zoowel naar onderen als
naar boven ineengerold worden. De ooren zijn middelmatig groot;
de zeer uitpuilende oogen hebben een bruine iris en een groote,
buitengemeen beweeglijke pupil, die tot een haarfijne spleet vernauwd
kan worden. De vacht bestaat uit veel wol- en weinig bovenhaar. Haar
grondkleur wisselt af van zwart tot bruingrijs, en is met donkere
streepen en reeksen van vlekken geteekend.
De Indische Palmroller komt algemeen voor op Ceylon en (met
uitzondering van het Indusgebied) in nagenoeg alle gewesten van
Voor-Indië, tot aan den voet van den Himalaja, voor zoover zich
daar bosschen of boomaanplantingen bevinden; hij leeft zoowel in de
wildernis als in de nabijheid van menschelijke woningen, waar hij zich
niet zelden in de bijgebouwen nestelt. Evenals alle leden der familie
maakt hij ijverig jacht op Zoogdieren en Vogels, eet ook de eieren
en de jongen in het nest op, voedt zich ook wel met Hagedissen,
Slangen en Insecten en houdt bijzonder veel van vruchten. In de
ananas-kweekerijen richt hij soms groote schade aan; in de koffietuinen
is hij dikwijls een hoogst lastige gast; ook is hij een liefhebber
van palmwijn. Bovendien plundert hij niet zelden het hoenderhok.
De Indische Palmroller wordt in Birma, Siam, het Maleische
Schiereiland, Sumatra, Java en Borneo vervangen door den
_Maleischen Palmroller_, _Musang_ of _Koffie-rat_ (_Paradoxurus
hermaphroditus_). Deze heeft een lichaamslengte van 42 cM.; zijn staart
is gewoonlijk een weinig korter. De kleur van de vacht vertoont ook
bij hem veel variatie.
Van het leven van dit dier in den natuurstaat en meer bepaaldelijk van
zijn werkzaamheid in de Javaansche koffietuinen heeft Junghuhn een
verslag gegeven: "Als de vruchten van de koffie-boomen rijp worden,
meer en meer een scharlakenroode kleur aannemen, als volwassenen en
kinderen van beiderlei geslacht de roode bessen van de takken plukken
en met gevulde korven zich naar de lager gelegene drogerijen begeven,
ziet men dikwijls op de wegen, die rechtlijnig en elkander kruisend
door de koffietuinen loopen, zonderlinge, witachtige drekhoopjes
liggen, die geheel en al uit aaneengekleefde, maar overigens volkomen
gave koffieboonen bestaan. Deze zijn afkomstig uit het spijskanaal
van den Musang, die bij de bergbewoners als hoenderdief in een kwaden
reuk staat, maar zich ook met vruchten voedt; bijzonder graag bezoekt
hij de koffietuinen, als de vruchten rijp zijn; hier wordt hij dan ook
het meest door de Javanen gevangen. Hij verteert het vleezige, sappige
gedeelte van den vruchtwand, en werpt de koffieboonen onverteerd weer
uit. Volgens de Javanen leveren juist deze boonen de allerbeste koffie,
waarschijnlijk omdat het dier alleen de rijpste vruchten eet. Behalve
met vruchten voedt de Musang zich met Vogels en Insecten, vangt vele
Wilde Hoenderen, zuigt de eieren uit van tamme en wilde Vogels,
en schijnt vooral van eieren veel te houden. Gevangen dieren zijn
dikwijls weken achtereen met pisang tevreden; zij worden weldra zoo
gehecht aan het huis van hun meester, dat deze hen vrij kan laten
rondloopen. Als honden volgen zij den persoon, die hen van voedsel
voorziet en van tijd tot tijd op een kippenei tracteert; zij laten
zich door hem opnemen en streelen."
Een in China en op Formosa levende soort is de _Larfroller_
(_Paradoxurus larvatus_). In grootte stemt hij ongeveer overeen met
zijne verwanten. De kleur van zijn dicht haarkleed is aan den kop
grootendeels zwart, aan wangen, onderkaak, keel en hals echter grijs,
aan de bovendeelen van den romp geelachtig grijs. Een witachtige
streep, die bij het onbehaarde puntje van den neus begint, loopt over
het voorhoofd tot aan het achterhoofd, een andere streep is boven de
oogen en een derde onder de oogen gelegen. De ooren, de staartspits
en de voeten zijn zwart.
Van de Viverren met niet terugtrekbare klauwen moeten in de eerste
plaats genoemd worden de _Mangoesten_ of _Ichneumons_, die sedert
overouden tijd beroemd zijn.
De _Mangoesten_ (_Herpestes_) onderscheiden zich door de volgende
kenmerken: de romp, die altijd op korte pooten rust is langgerekt en
rolvormig, de kop klein of hoogstens middelmatig groot, de snuit
toegespitst, het oog tamelijk klein, de pupil cirkelvormig of
langwerpig rond, het oor kort en rondachtig, de neus kort, naakt,
van onderen glad, in het midden gegroefd, iedere poot vijfteenig,
de staart kegelvormig, het vel ruig en langharig. Het gebit bestaat
uit 40 voor 't meerendeel krachtige tanden.
Het is billijk, dat wij aan den _Ichneumon_, de "_Pharao-rat_",
het heilige dier der oude Egyptenaars (_Herpestes ichneumon_)
den voorrang geven, wegens den roem, dien het zich reeds in de
oudste tijden verworven heeft, en de achting, die het vroeger
genoot. Reeds Herodotus verhaalt, dat de Ichneumons in iedere stad
op heilige plaatsen gebalsemd en begraven werden. Strabo bericht,
dat dit voortreffelijke dier nooit groote slangen aanvalt, zonder
eenige van zijne metgezellen te hulp te roepen, maar dan ook zelfs
over de vergiftigste dieren gemakkelijk zegepraalt. Daarom duidt
zijn beeltenis in het heilige beeldenschrift een zwak mensch aan,
die den bijstand van zijne medemenschen niet ontberen kan. Aelianus
daarentegen beweert, dat het onverzeld op de slangenjacht gaat, maar
listig genoeg is, om zich uit voorzorg in het slijk te wentelen en de
slijkkorst in de zon te laten drogen, om een pantser te verkrijgen,
dat zijn lichaam tegen zijn vijand beschut, terwijl het den snuit tegen
beten beveiligt door er den staart voor te houden. De sage is hiermede
echter nog niet voldaan, maar dicht aan den moedigen strijder voor het
algemeen belang nog andere daden toe, die ons door Plinius medegedeeld
worden. De Krokodil n.l. gaat, als hij zich zat gegeten heeft, rustig
op een zandbank liggen en spert dan den vreeselijk getanden muil
ver open, ieder met den dood bedreigend, die het wagen mocht, hem te
naderen. Slechts aan een kleinen Vogel is dit geoorloofd; deze heeft de
stoutmoedigheid het voedsel, dat tusschen de tanden is blijven zitten,
van daar weg te pikken. Ieder dier ontwijkt vol vrees de nabijheid
van het monster, behalve de bedoelde Vogel en--de Ichneumon. Deze
nadert stil, wipt met een stouten sprong in den gevaarlijken bek,
bijt en woelt zich door het keelgat heen, verscheurt het hart van
het slapende ondier, doodt het zoodoende en baant zich nu, met bloed
bedekt, met zijne scherpe tanden een weg door het lichaam van het
monster naar buiten. Ook spoort de overal rondsluipende Ichneumon
de plaatsen op, waar het gevreesde Reptiel zijne talrijke eieren
verborgen heeft; het graaft en woelt den grond op, totdat het de
diep verborgen schat bereikt; dan eet het in korten tijd, ondanks de
waakzaamheid van de moeder, het geheele nest leeg en wordt hierdoor
tot een onwaardeerbaren weldoener van de menschheid. Het valt niet
te betwijfelen, dat de Egyptenaren deze verhalen geloofd hebben,
en dat zij eerst door hun tusschenkomt ter kennis van de hierboven
genoemde schrijvers zijn gekomen: deze overigens zoo nauwkeurige
onderzoekers hebben zich laten beetnemen. Want al die fraaie verhalen
over den Ichneumon zijn onjuist. Hoewel men eerst in den laatsten
tijd nauwkeurige berichten over de levenswijze en de gewoonten van
dit dier heeft kunnen krijgen, hebben verscheidene reizigers toch al
eeuwen geleden in hunne geschriften het groote nut van den Ichneumon
in twijfel getrokken; deze kwestie had men dus reeds voor lang als
afgedaan kunnen beschouwen, indien niet vele menschen al te hardnekkig
bleven hangen aan overleveringen, die hun dierbaar geworden zijn.
De volwassen Ichneumon is aanmerkelijk grooter dan onze Huiskat,
want zijn lichaamslengte bedraagt, zonder den minstens 45 cM. langen
staart, ongeveer 65 cM. Wegens zijne korte pooten schijnt hij echter
korter dan hij is. Slechts zelden vindt men volwassene mannetjes, die
in de schouders hooger dan 20 cM. zijn. Het lichaam is slank zooals
bij alle Civetkatten, maar op lange na niet zoo sierlijk als bij de
Genetkatten; het is in vergelijking met de meeste andere leden dezer
familie zelfs zeer krachtig gebouwd. De pooten zijn kort, de zolen
onbehaard en de teenen bijna tot op de helft van hun lengte door
korte spanvliezen vereenigd. De lange staart schijnt door de lange
beharing aan den wortel zeer dik; men zou haast kunnen zeggen, dat hij
onmerkbaar in den romp overgaat; hij eindigt in een penseelvormigen
kwast. De omgeving van de oogen is naakt, daardoor komen de kleine,
vurige oogen, die een ronde pupil hebben, des te duidelijker voor
den dag. De ooren zijn kort, breed en afgerond. De vacht is zeer
eigenaardig. Zij bestaat uit dicht bijeengeplaatste wolharen van
roestgeelachtige kleur, die echter overal door de 6 à 7 cM. lange
bovenharen overdekt worden. Deze zijn zwart en geelachtig wit geringd
en loopen in een vaalgele spits uit. Hierdoor verkrijgt het geheele
haarkleed een groenachtig grijze kleur, die uitmuntend past bij de
verblijfplaatsen van het dier. Aan den kop en op den rug wordt de
kleur donkerder, aan de zijden en aan den buik valer; de pooten en
de staartkwast zijn donker zwart; er komen echter ook afwijkingen voor.
De Pharaorat is niet alleen over geheel Noord-Afrika en over een
groot deel van Voor-Azië (Palestina b.v.) verbreid, maar komt ook in
Oost- en Zuid-Afrika voor, en misschien ook in andere landen van dit
werelddeel, alsook op Madagaskar, waar zij waarschijnlijk door den
mensch ingevoerd is. Nooit verwijdert zij zich ver van de vlakten. Haar
eigenlijke woonplaatsen in Egypte zijn de dicht begroeide oevers van
de rivieren en de dichte rietbosschen, die vele velden omgeven. Hier
houdt het dier zich over dag op en maakt tusschen de riethalmen smalle,
maar hoogst zorgvuldig gezuiverde looppaden, die naar diepe, maar niet
zeer uitgestrekte holen leiden. Hier brengt het wijfje in de lente-
of eerste zomermaanden 2 à 4 jongen ter wereld, die zeer lang gezoogd
en nog veel langer door beide ouders opgepast worden.
Den naam Ichneumon, die "opspoorder" beteekent, verdient dit dier in
ieder opzicht. Door zijne gewoonten en inborst gelijkt de "opspoorder"
op de in gestalte met hem overeenkomende Marters, welker onaangename
reuk hem eigen is en waarmede hij de listigheid, de behendigheid in
't stelen en de moordlust gemeen heeft. Hij is in de hoogste mate
vreesachtig, voorzichtig en wantrouwend. Nooit waagt hij zich in
't open veld, altijd sluipt hij zoo goed mogelijk gedekt en met de
grootste voorzichtigheid voort, toch strekt hij zijne zwerftochten
vrij ver uit. Hij gaat over dag op roof uit en eet alles, wat hij met
zijn list overmeesteren kan: alle Zoogdieren, die niet grooter zijn
dan een Haas, alle Vogels, die niet grooter zijn dan het Hoen en de
Gans. Bovendien verslindt hij Slangen, Hagedissen, Insecten, Wormen
enz. en waarschijnlijk ook vruchten. Door zijne dieverijen heeft hij
zich den grootsten haat en de verachting van de Egyptische boeren op
den hals gehaald; omdat hij hunne hoenderhokken en duiventillen op
de onbarmhartigste wijze plundert, en vooral zeer gevaarlijk wordt
voor de hoendernesten, die daar geheel op de wijze van de Vogels,
die in den natuurstaat leven, aangelegd zijn. Werkelijk nut doet
hij zoo goed als in 't geheel niet; tenzij men hem de verdelging van
Slangen zeer hoog wil aanrekenen.