den _Pischoe_ of _Kanadeeschen Los_ (_Lynx borealis_). Hij is een
weinig kleiner dan zijne verwanten uit Noord-Europa; zijn lichaam
bereikt slechts zelden een lengte van 1.15 M. De beharing is korter
en overvloediger dan die van den Europeeschen Los. Zijn vaderland is
het deel van Noord-Amerika, dat ten noorden van de groote meren en
ten oosten van het Rotsgebergte ligt. Hier leeft hij in boschrijke
gewesten geheel op de wijze van onzen Los.
De Kanadeesche Los is met den _Rooden Los_ (_Lynx rufus_), die eveneens
Amerika bewoont, een hoogst nuttige wilde Kat, omdat van hun vel veel
gebruik wordt gemaakt. Vele duizenden vellen van deze Lossen komen
ieder jaar in den handel, die dan door onze bontwerkers naar kleur
en kwaliteit gesorteerd en met verschillende namen aangeduid worden.
Van de in zuidelijker landen levende Lossen zij nog vermeld de
_Karakal_ (_Lynx caracal_ en _Caracal melanotis_), een echte woestijn-
en steppenbewoner. In grootte staat hij ver achter bij zijne verwanten
in noordelijker gewesten, daar zijn lichaamslengte slechts 65 à 75
cM. bedraagt, zonder den bijna 25 cM. langen staart.
Het verbreidingsgebied van den Karakal is buitengewoon groot. Hij
bewoont geheel Afrika, Voor-Azië en Indië, hij houdt zich zoowel in
woestijnen als in steppen op; in bosschen komt hij niet voor. Zijn
levenswijze gelijkt op die zijner verwanten. Hij maakt jacht op
alle kleine Zoogdieren en Vogels van de woestijn, maar valt ook
Antilopen aan: dit werd mij althans herhaaldelijk verzekerd door de
Arabieren, die dit dier _Khoet el Chala_ noemen. En hiermede staat
dan ook het sinds lang bekende feit in verband, dat de Karakal in Azië
(vooral in Indië) voor de jacht op Antilopen, Hazen en Konijnen wordt
afgericht. Volgens mijn ervaring is hij het woedendste en ontembaarste
lid van de geheele familie. In geen enkele dierentuin is men er tot
dusver ingeslaagd het woedende beest te temmen. In den regel brengt
men het daarmede niet eens zoover, dat hij zijn oppasser in zijn
hok toelaat.
De _Moeras-Los_ (_Lynx Chaus_), die de moerassige en met bosch
begroeide gewesten aan de oevers van de Kaspische Zee en van het
meer van Arel, in Perzië, Syrië, Egypte, Nubië en Abessinië bewoont,
is, evenals de Karakal, slank gebouwd en hoog op de pooten. Zijn
staart is echter langer, zijne oorkwastjes zijn veel kleiner. Zijn
vacht is meer gevuld, over 't algemeen van geelachtige grijze of
groen-geel-grijsachtige kleur, waarop onduidelijke donkere strepen
zichtbaar zijn. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 90 cM., waarvan
26 à 27 cM. op den staart komen.
Meermalen heb ik den Moeras-Los in het Nijldal ontmoet. In Egypte
is hij niet zeldzaam, hoewel men hem niet vaak te zien krijgt. In
dit land ontbreken de groote bosschen, waarin een Roofdier zich zou
kunnen verbergen, bijna geheel; dit moet derhalve gebruik maken van
andere schuilhoeken, zooals bosschen van riet en cyper-grassen en
korenvelden. De Moeras-Los sluipt zoowel over dag als 's nachts rond
om een prooi te zoeken. Hij schroomt niet, bij zijne strooptochten
dicht bij de dorpen te komen; de groote tuinen in de nabijheid zijn,
naar het schijnt, lievelingsplekjes voor hem.
In de dierentuinen treft men ze zelden aan; die welke reeds oud zijn,
als zij gevangen worden, blijven onvriendelijk en woedend; jonge
dieren daarentegen kunnen door liefdevolle verzorging zeer gehecht
worden aan den mensch. Zoo verhaalt de Egyptoloog Dümichen van een
jongen Moeras-Los, die hij bij het doorzoeken van een tempel-ruïne
half verhongerd in een onderaardschen gang aantrof: "De Los deed,
toen ik hem greep, geen pogingen om weerstand te bieden, maar liet
zich alles welgevallen; toen het uitgehongerde dier het voedsel,
dat hem gegeven werd, verslonden had, liet hij toe dat ik hem opnam
en liefkoosde. De dienst, die hem bewezen was, scheen hij volkomen
te begrijpen, hij bleef na dien tijd mijn onafscheidelijke geleider,
volgde mij op den voet, waar ik ook heenging, sprong bij mij op de
Kameel als ik op reis ging, trok zoo in mijn gezelschap geheel Nubië
door, en bleef, terwijl ik uren achtereen bezig was opschriften te
kopieeren, voortdurend in mijn nabijheid. Tusschen hem en mijn Hond
bestond een vriendschappelijke verhouding: zij twistten of vochten
nooit, maar speelden iederen dag urenlang zeer aardig met elkander."
Op de Lossen laten wij een eigenaardigen overgangsvorm tusschen
de Katten en de Honden volgen, n.l. de _Jachtluipaarden_ of
_Geparden_. Deze dragen hun geslachtsnaam (_Cynailurus_), die
"Hondskat" beteekent, met volle recht, want zij zijn werkelijk half
Kat, half Hond. Katachtig is nog de kop, katachtig de lange staart,
hondachtig is echter het geheele overige lichaam. Vooral de pooten,
die lang zijn en welker teenen slechts gedeeltelijk de eigenschappen
van katteteenen bezitten, herinneren sterk aan die van den Hond. De
geheele toestel voor het intrekken en uitsteken der klauwen is nog
aanwezig; de hierbij behoorende spieren zijn echter zoo zwak en
krachteloos, dat de klauwen bijna altijd vooruitsteken, en daarom,
evenals bij de Honden, door afslijting stomp worden, het gebit komt in
de meeste opzichten met dat van de Echte Katten overeen, de hoektanden
zijn echter, evenals bij den Hond, zijdelings samengedrukt. Ook
wat de eigenschappen van den geest betreft zijn zij tusschenvormen;
katachtig is nog de uitdrukking van het gelaat; de hondenaard blijkt
echter uit het oog, dat zachtmoedigheid en goedaardigheid verraadt.
De tegenwoordige staat van onze kennis veroorlooft ons niet uit te
maken, of het geslacht der Geparden meer dan één soort omvat. Eenige
onderzoekers zijn van meening, dat de Afrikaansche en de Aziatische
Jachtluipaard tot dezelfde soort behooren, andere onderscheiden,
behalve de _Tschita_ of _Aziatische Gepard_ (_Cynailurus jubatus_) en
de _Fahhad_ of _Afrikaansche Gepard_ (_C. guttatus_), nog de _Gevlekte
Gepard_ (_C. Soemmeringii_) en de _Wollige Gepard_ (_C. laneus_). De
Tschita is zeer lang en schraal, ook veel hooger op de pooten dan de
eigenlijke Katten; de kop is klein en meer als een hondekop verlengd,
dan als een kattekop afgerond, het oor is breed en kort, het oog heeft
een ronde pupil; de beharing is vrij lang en ruig, vooral op den rug,
de grondkleur van de vacht is zeer licht geelachtig grijs, hierop staan
zwarte en bruine vlekken, die op den rug dicht opeengedrongen zijn,
ja zelfs bijna ineenvloeien, ook over den buik zich voortzetten en
zelfs den staart nog gedeeltelijk bedekken, daar zij slechts in de
nabijheid van de spits zich tot ringen vereenigen. De lichaamslengte
van den Tschita bedraagt hoogstens 137, de lengte van den staart
hoogstens 76, de hoogte in de schoften 76 à 84 cM. De Fahhad heeft
bijna in 't geheel geen nekmanen, de grondkleur van zijn vacht is bijna
oranjegeel, de buik echter is wit en ongevlekt; ook zijn de vlekken
een weinig anders; de spits van den staart is wit in plaats van zwart.
De Tschita wordt in geheel Zuidwestelijk Azië gevonden, en, als men
den gevlekten Gepard met hem vereenigen wil, ook in Afrika, althans
in het Noord-westen. Hij is een echt steppen-dier, dat minder door
kracht dan door behendigheid in zijn levensonderhoud moet voorzien.
Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit de middelmatig groote en
kleine Herkauwers, die in zijn gebied leven, en die hij zeer knap
weet te vangen. Zijn liefste buit zijn Antilopen; in de door hen
bewoonde gewesten wordt hij dan ook het veelvuldigst gevonden;
gewoonlijk vestigt hij zijn woonplaats te midden van rotsklompen op
lage heuvels. De deskundigen verzekeren eenstemmig, dat voor een niet
te grooten afstand de Tschita het snelvoetigste van alle Zoogdieren
is. Hij maakt echter ook van sluwheid en list gebruik om zijn prooi
te bereiken. Zoodra hij een kudde grazende Antilopen of Herten ziet,
drukt hij den romp tegen den grond aan, en kruipt nu als een slang,
zachtjes maar behendig, over den bodem, om zich voor de waakzame
oogen van het wild te verbergen. Daarbij houdt hij rekening met alle
eigenaardigheden dezer dieren, komt nooit boven den wind aansluipen,
houdt zich stil en bewegingloos, zoodra het opperhoofd van de kudde
den kop opheft om rond te kijken. Zoo tracht hij de dieren tot op den
kortst mogelijken afstand te naderen, zoekt intusschen het gunstigst
geplaatste dier uit en stormt eindelijk met razende vaart op dezen
buit af, den vluchteling achterna; hij brengt dezen gewoonlijk door
slagen met de klauwen tegen de pooten ten val en pakt hem vervolgens
bij de keel. Wanneer hij zijn prooi slechts tot op een afstand van
een goed geweerschot kan besluipen, aarzelt hij niet, vol vertrouwen
op zijn snelheid, het vlugste wild te vervolgen.
De groote sluwheid en geschiktheid voor de jacht, die den Gepard
aangeboren zijn, moesten wel de aandacht trekken van de menschen,
die hetzelfde land bewonen als hij, en hen aansporen tot pogingen om
partij te trekken van de talenten van dit dier. Door een eenvoudige
dressuur hebben zij er een uitmuntenden bondgenoot van den jager van
gemaakt, die, hoewel op een ander jachtterrein, nagenoeg denzelfden
dienst bewijst als de Edelvalk. In het Oosten en in geheel Indië is
het jagen met den Jachtluipaard reeds sinds eeuwen in zwang. Joseph
Barbaro zag in het jaar 1474 honderd Jachtluipaarden bij den vorst
van Armenië. De shah van Perzië blijft aan deze oude gewoonte getrouw;
de Jachtluipaarden, die hij in een hiervoor ingericht huis onderhoudt,
zijn uit Arabië afkomstig. Ook door sommige Indische vorsten worden
aanzienlijke sommen aan de jacht met deze "Kathonden" besteed. Aan
ervaren personen is hun africhting opgedragen; geoefende jagers,
die een nagenoeg even hooggeachte positie innemen als onze vroegere
valkeniers, moeten de dieren gedurende de jacht vergezellen; goedkoop
zal dit jachtvermaak dus wel niet zijn. De Gepard is bij het begin van
de jacht aan een dunne lijn bevestigd, en wordt, met een muts over de
kop, die hem de oogen bedekt, op een der daar algemeen gebruikelijke,
lichte, tweewielige karren naar het jachtveld gereden. Men tracht
met de kar zoo dicht mogelijk bij het wild, een kudde Gazellen b.v.,
te komen. Evenals overal, laat zelfs het schuwste Aziatische wild een
kar op veel korter afstand naderen dan voetgangers. Men kan daarom
met den Gepard voortrijden, totdat men nog maar 200 of 300 schreden
ver van de kudde verwijderd is. Nu neemt de jager den Tschita den
kap van 't hoofd, en maakt hem door duidelijke gebaren en zachte
aansporingen opmerkzaam op het wild. Zoodra het uitmuntende jachtdier
den hem aangewezen buit ziet, ontwaakt in hem de oude hartstochtelijke
jachtlust, en openbaren zich de list en geslepenheid die hem eigen
zijn. Op sierlijke wijze, zonder dat het wild hem ziet of hoort,
verlaat hij den wagen, sluipt voorzichtig naar de kudde, totdat de
dieren de vlucht nemen, of totdat hij zeker weet, dat hij ze zal kunnen
vangen. Dan ontwikkelt hij op eens een verbazende snelheid, en is met
eenige sprongen bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den
grond drukt. De jager snelt toe, snijdt het slachtoffer den keel door,
verzamelt het uitstroomende bloed in een houten nap, geeft dit den
Tschita te drinken, en schuift hem dan weer den kap over den kop.
Ook de Arabieren van de Noordelijke Sahara en de Abessiniërs gebruiken
den Gepard bij de jacht. Zelfs in Europa hebben sommigen, ofschoon
in vroegere eeuwen, dit jachtvermaak kunnen aanschouwen. Geszner
maakt melding van twee voor de jacht afgerichte "Luipaarden" bij
den koning van Frankrijk. Leopold I, keizer van Duitschland, kreeg
van den Turkschen sultan twee gedresseerde Tschitas, waarmede hij
dikwijls op de jacht ging.
Vreemd moet het den lezer voorkomen, dat men van het leven in den
natuurstaat dezer zoo vaak getemde Katten nog zeer weinig weet. Ik
heb in Afrika zelfs bij de nomaden tevergeefs hierover inlichtingen
trachten te verkrijgen. Het eenige, wat deze lieden, die het dier
volkomen goed kennen, mij konden mededeelen, was, dat men het in
strikken vangt, en, ondanks de wildheid, die het aanvankelijk aan
den dag legt, binnen korten tijd temt.
Dat het temmen niet moeielijk kan gaan, zal iedereen duidelijk
zijn, die een gevangen Gepard gezien heeft. Ik meen mij niet aan
overdrijving schuldig te maken, als ik beweer, dat geen enkel lid
van de Katten-familie beter in staat is, om zich onze genegenheid te
verwerven dan de Jachtluipaard; ik betwijfel, of een dezer Roofdieren
zoo gemakkelijk getemd kan worden als hij. Goed vertrouwen is de
grondtrek van het karakter van dit dier. Het valt den vastgebonden
Gepard in 't geheel niet in, het dunne touw dat hem vasthoudt, stuk
te bijten. Het komt hem niet in de gedachten, iemand, die zich met
hem bezighoudt, kwaad te doen; zonder schroom kan men op hem afgaan,
hem streelen en liefkoozen. Schijnbaar onverschillig neemt hij zulke
liefkoozingen in ontvangst, en het hoogste wat men bereiken kan, is,
dat hij iets sneller spint dan gewoonlijk. Zoolang hij n.l. wakker
is, spint hij onophoudelijk, evenals een Kat, maar een weinig
zwaarder en luider. Dikwijls staat hij uren lang onbeweeglijk in één
richting te staren, en spint daarbij op hoogst tevreden wijze. Op
zulke oogenblikken verwaardigt hij de Hoenderen, Duiven, Musschen,
Geiten, Schapen, die hem voorbijgaan, nauwelijks met een blik. Zijn
gemoedelijke en droomige stemming wordt alleen door andere Roofdieren
verstoord. Het voorbijsluipen van een Hond windt hem merkbaar op;
hij houdt onmiddellijk op met spinnen, ziet den Hond, die gewoonlijk
eenigszins bedremmeld is, scherp aan, spitst de ooren en maakt soms
bewegingen, alsof hij met eenige flinke sprongen hem wilde aanvliegen.
Ik bezat een Gepard, die zoo tam was, dat ik zonder bezwaar met hem
in de straten wandelen kon, als ik hem aan een touw hield. Zoolang
hij alleen menschen te zien kreeg, liep hij bedaard naast mij; dit
werd anders, zoodra wij een Hond ontmoetten. Hij werd dan telkens
zoo onrustig, dat ik op het denkbeeld kwam, eens te beproeven,
wat hij doen zou, indien hij een weinig meer vrijheid van beweging
had. Ik maakte hem daarom vast aan een lijn van 15 à 20 M. lengte,
die ik mij losjes om de hand en den elleboog wikkelde, en ging zoo
met hem wandelen. Twee groote, luie straathonden liepen over den
weg. _Jack_, zoo heette mijn Gepard, keek ze verwonderd aan, staakte
zijn argeloos gespin, en werd ongeduldig; ik vatte toen het einde van
het touw en wierp het overige op den grond, zoodat hij speelruimte
had. Oogenblikkelijk ging hij plat op den grond liggen en kroop nu
op de reeds vroeger beschreven wijze op de Honden toe, die beteuterd
en verwonderd het vreemde dier aankeken. Hoe nader hij bij de Honden
kwam, hoe opgewondener, maar ook hoe voorzichtiger hij werd. Als
een slang gleed hij over den bodem. Eindelijk achtte hij den afstand
klein genoeg, sprong met drie of vier groote sprongen op een van de
Honden toe, die wel aan den loop ging maar ingehaald werd, en wierp
hem op den grond. Dit geschiedde op een vreemdsoortige wijze. Hij
sloeg zijne klauwen niet in den Hond, maar ranselde hem eenvoudig
met de voorpooten af, totdat het dier op den grond viel. De arme Hond
kreeg doodsangsten, toen hij die Kattentronie boven zich zag, en begon
jammerlijk te huilen; alle Honden van de straat kwamen in beweging,
en huilden en blaften uit medelijden; een dichte volkshoop verzamelde
zich en ik moest goedschiks of kwaadschiks mijn Gepard medenemen,
zonder eigenlijk mijn doel bereikt te hebben, d.i. zonder gezien te
hebben, wat hij met de Honden doen wilde.
Uit de onderzoekingen van Pollen en Schlegel is gebleken, dat een
Roofdier, waaraan tot dusver den naam van _Buidelfret_ werd gegeven,
en dat in familie der Civetkatten of Viverren een plaats had gekregen,
nog tot de Katten gerekend, maar als een overgangsvorm tusschen deze
familie en die der Viverren beschouwd moet worden. Dit dier, dat bij de
Madagassen _Fossa_ heet, en dat wij _Fretkat_ (_Cryptoprocta ferox_)
zullen noemen, heeft met de Katten de meeste eigenaardigheden van
den lichaamsbouw, de uitdrukking van het gezicht en de tamelijk ver
terugtrekbare klauwen gemeen; op de Viverren gelijkt het door zijn
langwerpige gedaante, zijne korte pooten, zijne korte, eivormige ooren,
lange snorharen en eenige andere eigenschappen. Het bereikt een lengte
van 1.5 M., waarvan 68 cM. op den staart komen, en staat zeer laag op
de pooten, daar deze slechts 15 cM. lang zijn. De vacht bestaat uit
korte maar dicht bijeen geplaatste, eenigszins stijve, op den kop en
aan de voeten als 't ware afgeschoren haren; zij heeft een roodachtig
gele kleur, die aan de bovendeelen donkerder is, omdat ieder haar
afzonderlijk hier bruin en lichtgeel geringd is; de ooren dragen aan
de binnen- en buitenzijde lichter gekleurde haren; de snorren zijn
deels zwart, deels wit van kleur; de grijs-groenachtig gele pupil,
gelijkt op die van de Huiskat.
Het vaderland van de Fretkat is het eiland Madagaskar, waar dit dier
algemeen bekend is, en op een werkelijk bespottelijke wijze gevreesd
wordt; men beschuldigt het zelfs van aanslagen op het leven van den
Mensch, en vertelt een aantal fabels, waarin het een belangrijke rol
speelt. Van zijn leven in den natuurstaat is nog slechts weinig bekend.
De leden van de familie der _Civetkatten_ of _Viverren_ (_Viverridae_)
onderscheiden zich van de Katten door hun langwerpige, dunnen, ronden
romp, die op korte pooten rust, door een langen, dunnen hals met een
spits toeloopenden kop verbonden is en van achteren eindigt in een
(bijna zonder uitzondering) langen staart, die meestal over den grond
sleept. De oogen zijn gewoonlijk klein, de ooren soms tamelijk groot,
meestal klein; de pooten hebben vier of vijf teenen, met klauwen, die
bij vele soorten teruggetrokken kunnen worden. Naast de aarsopening
bevinden zich 2 of meer "aarsklieren", die een eigenaardige, zelden
welriekende vloeistof afscheiden. Vóór de aarsopening komen bij
sommigen bovendien nog "civetklieren" voor, welker afscheidingsproduct
zich in een eigenaardigen "klierzak" verzamelt.
Over 't geheel genomen gelijken de Viverren eenigszins op onze Marters,
die zij in de zuidelijke landen der Oude Wereld vervangen. In andere
opzichten herinneren vele van deze dieren aan de Katten, ja zelfs aan
de Beren. Dit heeft aanleiding gegeven tot het vermoeden, dat zij,
meer dan hunne verwanten uit andere familiën, op de alleroudste
Roofdieren gelijken. Van de Marters onderscheiden zij zich vooral
door hun gebit, dat scherper is en spitser getakte kiezen heeft.
De Viverren ontbreken in Australië geheel; zij bewonen de zuidelijke
landen van de Oude Wereld, vooral Afrika en Zuid-Azië. In Europa
komen slechts drie soorten van deze familie voor, die uitsluitend de
landen aan de Middellandsche Zee bewonen, en waarvan één alleen in
Spanje inheemsch is. Evenals de familie der Marters onderscheidt de
familie der Viverren zich door een grooten vormenrijkdom, hoewel zij
een veel beperkter gebied bewoont. De verblijfplaatsen dezer dieren
zijn zoo verschillend als zij zelf. Sommige soorten bewonen droge,
onvruchtbare, hoog gelegene gewesten, woestijnen, steppen, gebergten
of de ijle bosschen van de regenarme gedeelten van Afrika en van
het Aziatisch hoogland; andere geven aan de vruchtbaarste vlakten,
vooral aan de oevers van rivieren of aan dichte rietbosschen, boven
alle andere woonplaatsen de voorkeur; eenige komen in de nabijheid van
de nederzettingen der menschen, andere blijven schuw in de duisternis
der dichtste wouden; er zijn er, die op boomen leven, terwijl andere
zich alleen op den grond ophouden. Rotsspleten en kloven, hooge
boomen en gaten in den grond, die zij zelf graven of van anderen in
bezit nemen, dichte opeenhoopingen van struiken enz. vormen hunne
woningen en rustplaatsen gedurende het deel van den dag, waarop zij
hunne krachten sparen.
De meeste Viverren zijn nachtdieren, vele daarentegen echte dagdieren,
die zich, behalve gedurende de middaguren, met de jacht bezighouden,
zoolang de zon aan den hemel staat, maar zich na zonsondergang in
hunne schuilhoeken terugtrekken.
Slechts enkele soorten zou men traag, langzaam en eenigszins log kunnen
noemen; de meeste kunnen in behendigheid en vlugheid met de flinkste
Roofdieren wedijveren. Eenige geslachten zijn echte teengangers,
terwijl andere bij 't gaan de geheele zool op den grond laten rusten;
enkele soorten klimmen, de meeste blijven op den grond. Hunne zinnen
zijn zeer scherp, vooral de drie edelste: het gezicht, het gehoor en
de reuk. Dit maakt hen uitnemend geschikt voor het roovershandwerk;
slechts in de eigenlijke Marters vinden zij beroepsgenooten, die
tegen hen opgewassen zijn. Alle Viverren zijn in de hoogste mate
roofzuchtig en bloedgierig; zij vallen alle dieren aan, die zij meenen
te kunnen overmeesteren. Waarschijnlijk vormen kleine Zoogdieren,
Vogels, vogeleieren en allerlei Insecten de hoofdbestanddeelen van hun
voedsel; niet weinige soorten maken echter ook jacht op Reptiliën,
Amphibiën, Visschen en Schaaldieren. De behendigheid en de moed,
die vele Viverren in den strijd met de vergiftigste Slangen toonen,
werden reeds in overouden tijd geroemd door alle volken, die hen
leerden kennen; van enkele soorten worden naar aanleiding van dezen
strijd zeer zonderlinge fabels verteld. Zoolang zij wakker zijn,
zwerven zij onverpoosd door hun jachtgebied, bespieden en onderzoeken
elke opening, elke spleet, elke uitholling, het open veld zoowel
als het dicht begroeide bosch, de rietbosschen zoowel als de met
steenen bedekte hellingen, kortom iedere plaats waar zij een prooi
kunnen verwachten. Hun rusttijd brengen zij daarentegen, meestal tot
een bal ineengerold, in stille afzondering door; gewoonlijk blijven
zij liggen op de plaats, waar de morgen hen verrast; daar slechts
weinige een vaste slaapplaats hebben.--Van sommige soorten hoort men
een heesch en dof geknor, van andere een schel, eentonig gefluit;
in de stem van enkele soorten is meer afwisseling op te merken.
Merkwaardig is de vrij sterke muscusreuk, die vele soorten
verbreiden. Deze is te danken aan het "civet"--een olieachtige of
vettige, welriekende stof, die door de reeds genoemde civetklieren
afgescheiden en in een zak vóór de aarsopening opgehoopt wordt.
Evenals bij de overige Roofdieren varieert ook bij de Viverren
het aantal jongen tamelijk sterk; voor zoover men weet, wisselt
het af van 1 tot 6. De moeders betoonen zeer veel liefde aan haar
kroost; bij eenige soorten neemt de vader een deel van de zorg voor
de kinderen op zich. In den regel kunnen de jongen gemakkelijk
getemd worden; zij worden even vertrouwelijk als goedaardig, als
de oude dieren bijtlustig, wild en onhandelbaar zijn. Tegen de
gevangenschap zijn zij goed bestand; in eenige landen houdt men van
sommige soorten een menigte exemplaren gevangen met het doel om het
kostbare afscheidingsproduct der civetklieren gemakkelijker te kunnen
verkrijgen. Andere Viverren worden met goed gevolg binnenshuis voor
de jacht op schadelijk gedierte gebruikt.
Over 't geheel genomen, kan het nut, dat de Viverren ons aanbrengen,
waarschijnlijk wel opwegen tegen de schade, die zij aanrichten. In
de landen die zij bewonen, hinderen de door hen gepleegde rooverijen
den mensch niet veel; deze zag echter al voorlang in, dat de Viverren
hem nuttig zijn door het verslinden van schadelijke dieren, zooals
o.a. blijkt uit het voor heilig houden van een der Viverren door de
Egyptenaars der oudheid.
De beide belangrijkste geslachten van deze familie zijn dat der
_Civetkatten_ (in engeren zin) (_Viverra_) en dat der _Mangoesten_
(_Herpestes_), gene hebben geheel, of ten deele terugtrekbare, deze
vooruitstekende nagels.