een waarlijk vreeselijke vijand van alle dieren en zelfs van den
mensch, ofschoon hij dezen zoolang mogelijk ontwijkt. Meesterlijk
ervaren in alle lichaamsoefeningen en listiger dan andere Roofdieren,
verstaat hij de kunst om zelfs het vlugste en schuwste wild te
overrompelen. In het klimmen wordt hij door slechts weinige Katten
overtroffen. Men treft hem bijna even dikwijls op boomen aan, als in
het struikgewas verscholen. Als hij vervolgd wordt, klimt hij steeds in
een boom. Als het noodig is, schroomt hij niet, over tamelijk breede
stroomen te zwemmen. Eerst gedurende zijne bewegingen vertoont hij
zich in al zijn schoonheid. Ieder van deze op zich zelf beschouwd is
zoo smijdig, zoo veerkrachtig, vlug en behendig, dat men schik in het
dier moet hebben, hoe zeer men den roover ook haat. Bij hem bemerkt
men geen spoor van inspanning. Het lichaam kronkelt en draait zich in
alle richtingen; de pooten worden zoo zachtjes neergezet, alsof zij
het lichtste lichaam dragen. Elke buiging van dit dier is sierlijk,
afgerond en zacht, kortom een loopende of sluipende Luipaard levert
aan ieder een prachtig schouwspel op, zooals slechts één andere,
maar veel kleinere roover, n.l. de Genetkat, ons verschaffen kan.
Ongelukkig is zijn gemoedsaard niet in overeenstemming met de
schoonheid van zijn lichaam, althans niet volgens de eischen die wij
stellen. De Luipaard is geveinsd, boosaardig, wild, moordgierig,
wraakzuchtig en bovendien niets minder dan lafhartig. Zelfs geeft
men in sommige streken van Afrika aan hem (evenals in Amerika aan
den Jagoear) den naam van Tijger, omdat deze naam spreekwoordelijk
geworden is ter aanduiding van een bloeddorstig wezen. En waarlijk
geen andere Kat van de oude Wereld verdient meer dan hij om met
het vreeselijkste lid van de geheele familie den naam gemeen te
hebben. Hij moordt alle schepsels, onverschillig of zij groot of
klein zijn, of zij zich verweren, of hem ten buit vallen zonder
weerstand te bieden. Antilopen, Jakhalzen en klein vee zullen wel
zijn voornaamste voedsel zijn; hij vervolgt echter ook de Apen in de
boomen, de Klipdassen te midden van de rotsen; hij bespringt zoowel
de Trappen en Paarlhoenders als de kleinste Vogels en versmaadt zeer
zeker ook de Kruipende Dieren niet. Alle dieren zijn naar zijn smaak;
volgens Pechuel-Loesche's ervaringen verslindt hij echter ook de
vette vruchten van den oliepalm. Hij zit de Bavianen voortdurend op
de hielen; hij verhindert, dat deze dieren op een voor ons gevaarlijke
wijze in aantal toenemen: dit blijkt indirect ook uit hun talrijkheid
op hoogten, waar hij niet komt.
Onder kudden die binnen een omheining zijn opgesloten, richt hij,
naar men zegt, soms een echt bloedbad aan; in een enkelen nacht zal
hij soms een dozijn of meer schapen dooden. Daarom wordt hij door den
veehouder meer gevreesd dan andere roovers, die meestal met één dier
tevreden zijn. Onophoudelijk besluipt hij de Hoenderen.
Van zijn koenen moordlust leverde de Luipaard ook aan mij een
treffend bewijs. Wij reden op een voormiddag door een deel van het
Bogos-gebergte. Het geblaf van de Bavianen boven ons, dat een voor
den jager onweerstaanbare aansporing tot de jacht bevat, deed ons
besluiten onze buksen op de levenmakers te beproeven. Onze bedienden
bleven beneden in het dal om op de muildieren te passen; wij klauterden
langzaam bij de berghelling op, kozen een vrij goede standplaats en
vuurden van hier uit op de omhoog gezeten Apen. Zij zaten vrij hoog,
waardoor verscheidene schoten het doel misten; eenige waren echter
raak; de getroffene dieren stortten ter aarde of namen gewond de
vlucht. Zoo zagen wij een stokouden Mantelbaviaan, die aan den hals
getroffen was, van de rotsen tuimelen, bij ons langs komen, en meer
en meer in de richting van het dal zich bewegen, waar wij zijn lijk
hoopten te vinden.
Op eens ontstond er onder de Apen een waar oproer, weinige seconden
later hoorden wij een woest rumoer in het dal. Alle mannelijke
Mantelbavianen begaven zich naar den rand van de rots, knorden,
bromden, brulden en sloegen woedend met de handen op den grond; aller
oogen richtten zich omlaag, de geheele bende rende heen en weer;
eenige bijzonder grimmige mannetjes begonnen bij den rotswand naar
beneden te klauteren. Wij dachten reeds, dat wij nu aangevallen
zouden worden en haastten ons iets meer dan gewoonlijk met het
laden van de buksen. Toch bracht het geraas in de diepte teweeg,
dat wij onze opmerkzaamheid vestigden op hetgeen er beneden ons
voorviel. Wij hoorden onze Honden blaffen, de menschen roepen, en
verstonden eindelijk de woorden: "Help! Help! Een Luipaard!" Bij de
berghelling langs ziende, herkenden wij ook werkelijk het Roofdier,
dat regelrecht op onze bedienden toesnelde, zich echter reeds bezig
hield met een voorwerp, dat wij niet duidelijk konden onderscheiden,
wijl het door het lichaam van den Luipaard bedekt was. Onmiddelijk
daarna vielen in het dal twee schoten, waarop het geraas verstomde
met uitzondering van het aanhoudend geblaf der Honden.
Het geheele voorval had zoo schielijk plaats gehad, dat wij nog altijd
niet wisten, wat er eigenlijk gebeurd was. Wij begaven ons daarom
tamelijk haastig naar het dal. Hier ontmoetten wij onze bedienden,
die in de meest verschillende houdingen allen de oogen op een naburig
kreupelboschje gevestigd hielden: daar zat de Luipaard in, zeiden
zij. Voorzichtig ging ik naar het boschje, maar kon, hoe ik ook mijn
best deed, niets van het dier bespeuren, voordat een van de bedienden,
zich vermannend, naderkwam en met de hand naar een bepaalde plaats
wees. Hier, dicht voor mij, zag ik den Luipaard eindelijk liggen. Hij
was dood. Ongeveer 10 schreden verder het dal in lag de eveneens
gedoode Hamadryas.
Nu werd ons alles duidelijk. Bij het naar boven klimmen waren wij
ongetwijfeld buitengewoon dicht langs de legerplaats van het Roofdier
gegaan. Daarna hadden wij omstreeks tien schoten gelost, welker knal
steeds vele malen door de naburige rotsen was teruggekaatst. De naar
het dal hompelende gewonde Aap was besprongen door den Luipaard,
welke zich in 't geheel niet stoorde aan de menschen, die hij gezien
en gehoord had, maar in weerwil van de schoten, die aan alle dieren
zooveel schrik inboezemen, en ondanks den helder lichten, zonnigen
dag, een prooi trachtte te bemachtigen. Als een te paard zittend
ruiter, was hij op den Baviaan naar beneden gereden in het dal, en
was niet eens afgedeinsd voor het schreeuwen en geraasmaken onzer
lieden. De kok had, "in doodsangst", naar hij bekende, de tweede
buks van zijn meester opgenomen, haar de juiste richting gegeven en
gelukkig den Luipaard een kogel midden door de borst gejaagd. Toen
had hij ook den Hamadryas neergeveld, waarschijnlijk zonder recht
te weten met welke bedoeling. Zooals later bleek, had de Luipaard
den Aap met de klauwen van de beide voorpooten juist voor aan den
bek aangepakt, en hier diepe gaten ingescheurd; met de achterpooten
had hij getracht zich aan het zitvlak van het dier vast te klemmen,
of ze, gedurende een deel van den weg althans, achter zich aan laten
slepen. Onbegrijpelijk was het ons, dat de Mantelbaviaan geen gebruik
had gemaakt van zijn vreeselijk gebit. De wonde, die wij hem hadden
toegebracht, kon hiervan de reden niet zijn.
In steden en dorpen, die dicht bij het bosch liggen, bezoekt de
Luipaard maar al te vaak de huizen, rooft hier voor de oogen van de
bewoners het een of ander dier, en sleept het weg, zonder zich aan
het geschreeuw der menschen te storen, of zich zijn prooi te laten
ontrukken. Ieder huisdier is hem welkom, en niet het minst de Honden,
ofschoon deze zich duchtig te weer stellen. In vele gewesten van
Afrika zien de inboorlingen zich genoodzaakt voor hunne huisdieren
stevige stallen van stijlen en planken te bouwen, opdat zij althans
's nachts tegen den Luipaard beveiligd zijn.
Wanneer de Luipaard zijne jongen bedreigd acht, en ook wanneer hij
aangevallen of gewond wordt, werpt hij zich dikwijls als een razende
op zijn tegenstander. Er zijn echter ook voorbeelden bekend, dat de
roover, zonder op de een of andere wijze getergd te zijn, den mensch
aanvalt. In Abessinië komen ieder jaar dergelijke ongelukken voor;
zelfs volwassene, weerbare mannen worden door den Luipaard aangevallen
en gedood; nog vaker rooft hij kinderen. Ook in West-Afrika brengt
hij menigmaal menschenlevens in gevaar.
Uit ambtelijke mededeelingen in Indië blijkt, dat in de 10 jaren
1876-1886 ieder jaar 194 à 300, in 't geheel 2368 menschen door
Luipaarden gedood zijn, terwijl deze dieren in hetzelfde tijdperk ieder
jaar 3047 à 5466 stuks vee roofden. Er wordt hierbij (en ook bij de
statistieken, die op den Tijger betrekking hebben) niet medegedeeld,
hoeveel van deze ongelukken door getergde en gewonde dieren veroorzaakt
zijn. Sanderson zegt uitdrukkelijk, dat hem geen geval is voorgekomen,
dat Panters, evenals Tijgers, echte menscheneters geworden zijn; toch
wordt hierover in verschillende deelen van Indië geklaagd. Blanford
schrijft, dat zij "zich, als de omstandigheden hiervoor gunstig zijn,
aan het menscheneten gewennen, en dan, wegens hun stoutmoedigheid,
tot een nog vreeselijker plaag voor den mensch worden dan de Tijgers
met gelijke gewoonten."
Het is moeielijker op Luipaarden dan op Tijgers geregeld jacht te
maken. Ofschoon de Luipaarden veel talrijker zijn, bestaat er minder
kans ze op te sporen, daar zij niet zoo veel behoefte aan water
hebben, niet aan bepaalde plaatsen gebonden zijn en zich overal op
een verbazingwekkende wijze weten te verbergen. Uit alle berichten
blijkt bovendien, dat zij moediger zijn, en op een behendiger wijze
tegenstand bieden dan de Tijgers; hierdoor verzwaren zij de taak van
den jager zeer. Een Panter, verhaalt Sanderson, wiens verblijfplaats
door netten omgeven zou worden, sprong dadelijk tegen de pas opgerichte
schutting op, wierp haar neder, viel een der daarbij staande wachters
aan, scheurde hem het vleesch van den linker arm, en was verdwenen,
voordat iemand hulp kon bieden. Hij werd vervolgd, in het kreupelhout
verborgen gevonden en nogmaals door netten omgeven. Hij weigerde echter
hardnekkig het boschje te verlaten, ondanks de steenen en knuppels
die men naar hem wierp. De vervolgers waren te opgewonden om geduld
te oefenen. Sanderson, vergezeld door een vast aaneengesloten troep
van met lansen gewapende volgelingen, betrad de door netten omgeven
ruimte en ging op het kreupelboschje af. Zooals bekend is, deinst de
Tijger voor zulk een phalanx steeds terug, de Panter echter niet: hij
sprong plotseling te voorschijn uit zijn schuilhoek, wierp bliksemsnel
den derden man links van Sanderson op den grond en wondde hem met de
klauwen; ook den man daarnaast en dien daarachter behandelde hij op
deze wijze; vóórdat een lans of een kogel hem bereiken kon, had hij,
rechts en links van zich afslaand, zich een weg gebaand door den stoet
zijner aanvallers, en was voor altoos verdwenen. Op één dag had dit
dier dus vier mannen buiten gevecht gesteld, en was zelf zonder een
schram den dans ontsprongen.
De paartijd van den Luipaard valt in de maanden, die in het
door hem bewoonde land aan de lente voorafgaan. Dan verzamelen
zich dikwijls verscheidene mannetjes op één plaats en strijden
woedend met elkander. Bij gevangene dieren heeft men waargenomen,
dat het wijfje ongeveer 90 dagen na de paring 3 à 5 jongen werpt,
die blind ter wereld komen en op den 10en dag de oogen openen. Zij
zijn allerliefst, zoowel door de fraaie teekening van hun huid
als door hunne handelingen. Gelijk Katten spelen zij vroolijk met
elkander en met hun moeder, die hun veel liefde betoont en met moed
verdedigt. Zij heeft voor haar kroost een schuilplaats gereed gemaakt
in een rotshol, onder de wortels van een dikken boom of te midden van
dicht struikgewas; zoodra de jongen echter de grootte van een Huiskat
hebben, begeleiden zij hun moeder op hare nachtelijke rooftochten,
en zijn, dank zij het goede onderricht dat deze hun geeft, weldra in
staat om zelf in hun onderhoud te voorzien. Een zoogende Luipaard
is een plaag voor den geheelen omtrek. Zij rooft en moordt met de
grootste stoutmoedigheid, is echter voorzichtiger dan ooit te voren,
zoodat men haar of hare jongen slechts zelden bemachtigen kan.
Tijdens mijn verblijf in Afrika hield ik gedurende geruimen tijd
een mannelijken Luipaard in gevangenschap; ik heb het echter niet
zoover kunnen brengen, dat er tusschen ons een dragelijke verhouding
bestond. Zoodra ik bij zijn hok kwam, gaf hij door grijnzen of zijn
tanden te laten zien, ook wel door blazen zijn ontevredenheid te
kennen, en als ik maar een duim naderbij kwam dan gewoonlijk, miste
het nooit, of hij sloeg zijne klauwen naar mij uit, natuurlijk steeds
op een oogenblik dat ik er het minst op bedacht was. Ik had hem,
evenals alle Roofdieren, die ik bij mij had, aan een langen ketting
laten leggen, en kon mij dus ook het genoegen gunnen, hem soms uit
zijn hok te laten gaan. Zoodra hij op de binnenplaats kwam, werd hij
als razend, maakte dolle sprongen, rekte zich uit, trok gezichten,
blies en keek woest naar alle zijden. Bovendien wilde hij ieder,
die hem naderde, dadelijk te lijf gaan, en gedroeg zich zoo, dat er
geen twijfel kon bestaan, of hij zou ons allen neergeveld hebben,
als hij ons had kunnen bereiken. Hoe meer ik den ketting door een
touw verlengde, des te doller werden zijne bewegingen, des te grooter
zijn woede. De zoo lang met geweld onderdrukte woeste aard van het
in vrijheid levende Roofdier kwam weer voor den dag, zijn bloeddorst
ontwaakte, en zijne blikken bedreigden alle overige, hier aanwezige
dieren met dood en verderf. Met een door den schrik hun afgeperst,
gorgelend keelgeluid vlogen de Apen bij de muren, palen en pilaren
omhoog, de Geiten blaatten van angst, de Struisvogels renden als
dol hun kooi op en neer, brommend keek de Leeuw den razenden Roeland
aan. Deze trachtte op alle mogelijke wijzen zijn vrijheid te heroveren
en meermalen sloeg ons de schrik om 't hart bij het zien van zijne
woeste pogingen. Uiterst moeilijk was het, den Luipaard weer in zijn
hok terug te drijven. Uit eigen beweging ging hij niet, en 't was
haast niet mogelijk hem te dwingen. Bedreigingen hadden in 't geheel
geen invloed op hem: als wij hem den zweep voorhielden, liet hij ons
zijne klauwen zien; op ons roepen antwoordde hij met blazen; als wij
op hem afgingen, maakte hij zich tot een sprong gereed. Wij moesten
zijn koppigheid breken zonder hem te mishandelen: want daar hij mijn
eigendom niet was, moest ik hem ontzien. Ik waagde het niet eens,
gebruik te maken van den uit een nijlpaardenhuid gesneden zweep, die
bij andere dieren gewoonlijk volkomen voldoende was; ik waagde het
niet, omdat de zweep mij niet lang genoeg voorkwam, en ik het dier
in zijn kooi moest drijven. Daarom nam ik een nieuwen stalbezem en
maakte dezen vast aan een langen, dunnen stang: met deze tuchtroede
werd den weerspannige een kastijding toegediend, die echter niets
baatte, zoodat ik andere dwangmiddelen moest bedenken. Het beste van
alles, en dat ik toevallig ontdekte, was, hem met water te begieten;
daarbij bewees een groote spuit mij uitmuntende diensten. Toen hij
een emmer water over den kop gekregen had en door den straal van de
spuit doornat geworden was, zocht hij, zoo gauw hij kon, zijn kooi
op. Later bracht ik het zoo ver, dat ik hem den bezem en de spuit
alleen maar behoefde te toonen, om hem oogenblikkelijk te nopen,
in zijn schuilhoek terug te keeren.
Luipaarden en panters speelden dikwijls een rol bij de wilde
dierengevechten, die de Romeinen in de hoofdstad te aanschouwen
kregen. Destijds waren deze Katten in Klein-Azië veel talrijker dan
thans. Caelius schreef aan Cicero, die toen landvoogd in Sicilië was:
"Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal
men de schuld op u werpen." Scaurus was de eerste, die, terwijl hij
de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht;
hij liet er 150 tegelijk vechten, Pompejus echter 410 en Augustus 420.
Waarschijnlijk is de _Noordsche Luipaard_, _Sneeuwluipaard_ of _Irbis_
(_Felis uncia_) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In
grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is
witachtig grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten
(p. 108) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit
van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken
zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en ringvormig en
breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen,
die ieder een aan den rand lichten, in 't midden donkerden hof
omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door
gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter koudere gewesten bewoont
dan de Luipaard. "Hij vervangt," volgens A. Walter, "den Panter in
de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Altaï en de Zuid-Siberische
gebergten, breidt zich door het zuidoosten van Boekharije, den Pamir,
Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit." In den Himalaja
voedt hij zich met Wilde Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels,
rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan;
dat hij ook menschen bespringt, is nooit gebleken.
Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met
de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding. De
_Gestippelde Kat_ of _Visschende Kat_ (_Felis viverrina_) komt,
wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft
een grijsachtige grondkleur met over 't geheele lichaam verspreide
stippels. Zij bewoont Oost-Indië, het zuiden van China en het Maleische
schiereiland, waar zij aan de oevers van rivieren en moerassen Visschen
vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook
wel grootere Zoogdieren, zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in
de gevangenschap wild en moeilijk te temmen.
Nog kleiner--niet grooter dan de Huiskat--is de _Koeëroek_ of
_Dwergkat_ (_Felis minuta_), die over geheel Oost-Azië verbreid is en
o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar
behendigheid in 't klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het
is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen.
Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den
_Serval_ (_Felis serval_), den "Boschkat" van de Zuid-Afrikaansche
Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in 't oog
vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel
met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels op de zijden. In
Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika,
komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel bestaat vooral uit
Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is,
wordt zij bij doelmatige behandeling zeer tam; de oude dieren zijn
echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt,
komt onder den naam van "Afrikaansche Tijgerkat" in den handel voor.
Onder de _Katten der Nieuwe Wereld_, met welker beschrijving wij nu
beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te
vinden; ten onrechte werd toen deze rang toegekend aan de _éénkleurige
Katten van Amerika_; want door haar in 't oog loopend kleinen kop
zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen
zij belangrijk van den "koning der dieren".
De meest bekende soort van de genoemde groep is de _Koegoear_
of _Poema_ (_Felis concolor_). Dit dier kan 1.85 M. lang worden
(waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65
cM. bedraagt. De dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een
weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels
donker geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig
wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter, aan
de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde
zwart, in 't midden naar rood zweemend. Boven en onder het oog staat
een kleine, witte, vóór het oog een zwartachtig bruine vlek; beide
soorten van vlekken kunnen echter ook wel ontbreken. De kop is grijs,
de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen
verschil in kleur; de jongen echter zijn geheel anders. De kleur van
de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk;
die uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in
Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig geel,
of zelfs vaal bruinachtig grijs.
De Koegoear heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij
komt voor in geheel Zuid-Amerika, van Patagonië tot Nieuw-Granada;
hij bewoont echter ook de landen ten noorden van de landengte van
Panama--Mexico en de Vereenigde Staten--en strekt zijne rooftochten
zelfs tot in Canada uit. In vele gewesten is hij zeer menigvuldig, in
andere reeds nagenoeg uitgeroeid, en was dit ook reeds ten tijde van
Azara, die in 't einde van de vorige eeuw de eerst goede beschrijving
van den Poema leverde.
De Poema laat zich bij de keuze van een verblijfplaats leiden door
de geaardheid van het land. In boomrijke gewesten geeft hij aan het
woud duidelijk de voorkeur boven het vrije veld; het liefst houdt hij
zich echter op in den zoom van het woud en in de met zeer hoog gras
begroeide vlakten, hoewel hij deze, naar het schijnt, alleen bezoekt
om er te jagen; althans wanneer hij hier door menschen vervolgd wordt,
vlucht hij dadelijk naar het woud. Van de Pampas van Buenos Ayres, die
in 't geheel geen bosschen bevatten, is hij echter een standvastig
bewoner; hij weet zich hier zeer geschikt tusschen het gras te
verbergen. Van rivieroevers en ook van landstreken die dikwijls
overstroomd worden, schijnt de Koegoear niet te houden. Evenals vele
van zijne verwanten, heeft hij zoomin een leger als een bepaalde
woonplaats. Den dag brengt hij slapend op boomen, in struiken of
in het hooge gras door; des avonds en des nachts gaat hij op roof
uit. Bij zijne strooptochten legt hij dikwijls in een enkelen nacht
verscheidene uren gaans af, zoodat de jagers hem niet altijd aantreffen
dicht bij de plaats, waar hij een prooi overmeesterd heeft.
Alle bewegingen van den Poema geschieden met groot gemak en bewijzen
zijn groote spierkracht: naar men beweert, kan hij sprongen maken van 6
M. en meer. In den nacht en bij schemerlicht kan hij beter zien dan op
klaar lichten dag: evenwel schijnt hij niet veel hinder te hebben van
het zonlicht; hij wordt er niet door verblind. Zijn reuk is zwak, zijn
gehoor daarentegen uiterst scherp. Alleen in den grootsten nood toont
hij moed; in andere gevallen vlucht hij steeds voor menschen en Honden.
Alle kleine, zwakke Zoogdieren dienen hem tot voedsel: Koatis,
Agoetis en Pakas, Reeën, Schapen, jonge Kalveren en Veulens,
de beide laatstgenoemde, wanneer zij van hun moeder gescheiden
zijn. Zelfs de behendige Apen en de snelvoetige Nandoe zijn voor zijne
aanslagen niet veilig, want hij beheerscht de hoogten zoowel als den
bodem. Rengger zag hem eens op de apenjacht. Het fluitend geroep
van eenige Kapucijner-apen trok de aandacht van den onderzoeker,
en deed hem zijn geweer grijpen om er een of meer te dooden. Op eens
echter liet het geheele apengezelschap een heesch geschreeuw hooren
en snelde in de richting van den waarnemer voort. Met de hun eigen
behendigheid zwaaiden de dieren zich van tak tot tak, van den eenen
boom op den anderen; door hun jammerende stem, en meer nog, doordat
zij hun drek lieten vallen, gaven zij grooten schrik te kennen. Zij
werden nagezeten door een Koegoear, die hen met groote sprongen van
den eenen boom op den anderen begeerig vervolgde. Met ongeloofelijke
behendigheid sloop hij tusschen de door slingerplanten omstrengelde
en verward samengebonden takken door, waagde het, er langs te gaan,
totdat de tak zich naar beneden boog, en deed dan een sprong, die zijn
doel niet miste, naar het uiteinde van een tak van een naburigen boom.
Als de Koegoear een buit gegrepen heeft, scheurt hij hem onmiddellijk
den hals open, en lekt, eer hij begint te eten, gretig het uitvloeiende
bloed op. Kleine dieren eet hij geheel op, van grootere dieren
verslindt hij een gedeelte, gewoonlijk het voorste, en bedekt het
overschot, gelijk Azara zag, met stroo of zand. Dikwijls laat hij
het niet bij het dooden van een enkel dier, en wordt hierdoor tot
een zeer schadelijken vijand van de vee-eigenaars. Nooit sleept hij
een door hem gevangen prooi ver weg van de plaats, waar hij haar
doodde. Grootere dieren, b. v. Schapen, valt hij zelden aan: Paarden,
Muilezels, Stieren en Koeien zijn veilig voor hem, zoo ook de Honden,
hoewel hij de woningen soms tot op korten afstand nadert.