zijn koene moed zijn van oudsher erkend en bewonderd. En al heeft
ook de bewondering dikwijls de juiste maat overschreden en den Leeuw
eigenschappen toegedicht, die hij in werkelijkheid niet bezit; geheel
ongerechtvaardigd is zij toch niet. In de eigenschappen, die door
de meest geachte natuuronderzoekers aan den Leeuw zijn toegekend,
ligt mijns inziens nog adel genoeg. En, ieder die den Leeuw nader
leerde kennen, die, zooals ik, jaren lang dag in dag uit met een
gevangen Leeuw verkeerde, hem zal het gaan, zooals het mij gegaan
is. Hij zal hem genegen zijn en achten, zooals ooit een mensch voor
een dier genegenheid en achting kan gevoelen.
Vijftien tot zestien weken of 100 à 108 dagen na de paring werpt de
Leeuwin 1 à 6, gewoonlijk echter 2 of 3 jongen. Deze komen met geopende
oogen ter wereld, en hebben bij de geboorte ongeveer de grootte van
een half volwassen Kat. Gewoonlijk behandelt de leeuwin hare jongen
met groote teederheid; men kan zich bijna geen schooner schouwspel
denken dan deze moeder met haar kroost. De kleine, allerliefste
diertjes spelen als vroolijke katjes met elkander; hun moeder kijkt
wel is waar ernstig, maar toch met blijkbaar genoegen naar het spel
van hare kinderen. Men heeft dit dikwijls waargenomen, omdat het
volstrekt geen zeldzaamheid is, dat een leeuwin in de gevangenschap
jongen werpt. In een doelmatig ingerichte en goed bestuurde diergaarde
fokt men tegenwoordig Leeuwen bijna even zeker en geregeld als Honden;
zelfs in reizende menagerieën, waar de dieren, zooals bekend is,
slechts een zeer geringe speelruimte voor hunne bewegingen hebben en
dikwijls niet eens voldoende voedsel krijgen, worden Leeuwen geboren
en grootgebracht.
Jonge Leeuwen zijn in den eersten tijd van hun leven zeer
hulpbehoevend. Zij leeren eerst in de tweede maand loopen en beginnen
nog later hunne kinderlijke spelen. In 't eerst miauwen zij geheel
als Huiskatten, later wordt hun stem sterker en voller. Bij hunne
spelen toonen zij zich onhandig en plomp; maar de behendigheid komt
mettertijd. Tegen het einde van het eerste jaar hebben zij de grootte
van een flinken Hond. Tegen het derde jaar merkt men bij de mannetjes
de eerste beginselen van manen op, doch eerst in het zesde of zevende
jaar zijn de dieren van beiderlei geslacht geheel volwassen en normaal
van kleur. De leeftijd dien zij bereiken kunnen, is geëveneedigd
aan dezen langzamen groei. Er zijn voorbeelden bekend van Leeuwen,
die 70 jaar in gevangenschap geleefd hebben; zij krijgen dan echter,
zelf bij de best mogelijke verzorging, vrij schielijk een afgeleefd
voorkomen, en verliezen veel van hun schoonheid.
Jong gevangen Leeuwen worden bij verstandige verpleging zeer
tam. Zij erkennen den mensch als hun verzorger, en betoonen hem des
te meer genegenheid, naarmate hij zich meer met hen bemoeit. Men
kan zich moeielijk een lieftalliger wezen voorstellen dan een op
deze wijze getemden Leeuw, die zijn vrijheid--ik zou haast zeggen
zijn koningschap--vergeten heeft, en den mensch met hart en ziel
is toegedaan.
Een leeuw kan, als hij goed gevoed wordt, vele jaren de gevangenschap
verduren. Hij heeft per dag ongeveer 4 KG. vleesch noodig. Daarbij
bevindt hij zich goed en wordt welgedaan en vet.
Het is niet te verwonderen, dat de Afrikaan den Leeuw met alle
middelen, die hem ten dienste staan, tracht te verdelgen. Zoo erg
als men zich bij ons voorstelt, is bij hem echter de vrees voor
den Leeuw niet. Men ontmoet den geweldenaar daar, waar hij zijn
vaste verblijfplaats heeft en zelfs daar geenszins iederen dag. Hij
tracht niet voortdurend vee te rooven, maar zoekt zich ook voedsel
in de wildernis; hij wordt door zijn jacht voor enkele volken zelfs
nuttig. De Bosjesmannen danken hem menig smakelijk maal. De streek
waar hij gejaagd heeft, doorzoeken zij vroeg in den morgen; zij
vinden hier nog dikwijls belangrijke overblijfselen van het wild,
dat de Leeuw gedurende den nacht gedood heeft. Zij laten trouwens
niet na, den roover van zijn buit te verdrijven, opdat er zooveel
mogelijk voor hen zal overschieten.
Maar ook de bewoners van Noord-Afrika klagen weinig over de
verliezen, die zij door den Leeuw lijden. Zij spreken wel over
zijne rooftochten, maar toonen niet veel ergernis over de schade,
die zij er door geleden hebben, of vreezen te zullen lijden door het
verlies van vee; veeleer beschouwen zij dit als een beschikking van
het noodlot, als iets onvermijdelijks. Kolonisten van Europeesche
afkomst hebben andere begrippen over de waarde van hun eigendom dan
de zorgelooze Afrikanen. Volgens een berekening van Jules Gérard
veroorzaakten in het jaar 1855 ongeveer 30 Leeuwen, die zich in de
provincie Constantine ophielden, een schade van ruim 80.000 gulden:
een enkele Leeuw gebruikt dus voor ongeveer 2700 gulden aan voedsel
per jaar. In de jaren 1856 en 1857 hebben zich volgens denzelfden
berichtgever in Bona alleen 60 Leeuwen opgehouden, die 10.000 stuks
groot en klein vee verslonden hebben. Verder op in het binnenland
is de schade naar verhouding veel geringer, omdat de veeteelt, die
daar den eenigen tak van bestaan van de bewoners uitmaakt, op veel
uitgebreider schaal gedreven wordt dan in de landen, waar de landbouw
de overhand heeft. Toch is de schade nog altijd gevoelig genoeg; de
arme veeboer heeft menigmaal voldoende redenen om wanhopig te worden
over de verwoestingen, die de Leeuw aanricht.
In het Atlasgebergte wordt de Leeuw op verschillende wijzen
gejaagd. Als hij in de nabuurschap van het kamp van een Bedoeïnenstam
al te lastig wordt, omringen de weerbare mannen het kreupelbosch,
waarin hun hoofdvijand zich verborgen heeft en trachten door geschreeuw
en schoten hem er uit te verdrijven. Als hij eindelijk voor den
dag komt, zenden zij hem zooveel kogels toe, dat hij gewoonlijk er
het leven bij inschiet, menigmaal trouwens eerst, nadat hij eenige
van zijne vervolgers leelijk toegetakeld of gedood heeft. Ook "op
den aanstand" (van een hinderlaag uit) wordt de Leeuw geschoten. De
Arabieren graven een kuil, dekken dezen van boven stevig toe, zoodat
er alleen schietgaten overblijven, en leggen daarvóór een pas gedood
Wild Zwijn; ook gaan zij wel in de boomen zitten om van hier uit te
schieten. Bovendien vangen de Arabieren van den Atlas den Leeuw in
valkuilen, die 10 M. diep en 5 M. breed zijn. Zoodra het koninklijke
dier in den kuil ligt, loopen alle menschen uit den omtrek rondom
den gevallen vijand te hoop en maken een ontzettend geraas. Iedereen
schreeuwt, schimpt en werpt steenen naar beneden. Het gekst stellen
zich echter de vrouwen en kinderen aan. Ten slotte schieten de mannen
het dier dood. Eerst als het volkomen zonder beweging ligt, waagt
iemand het in den kuil af te dalen, om den Leeuw touwen om de pooten
te binden, waarmede het lijk met moeite wordt opgeheschen, want de
volwassen mannelijke Leeuw kan wel 200 KG. zwaar worden. Iedere knaap
krijgt een stuk van het hart te eten, opdat hij moedig zal worden. De
haren van de manen worden als amuletten gebruikt, omdat men gelooft,
dat hij, die zulke haren bij zich draagt, voor de tanden van den
Leeuw beveiligd is.
In den Bijbel wordt op vele plaatsen melding gemaakt van den Leeuw,
die door de Hebreërs met verschillende namen aangeduid wordt. De
Grieken en Romeinen deden over het koninklijke dier zeer uitvoerige
verhalen, waarin talrijke sprookjes voorkomen.
Het Romeinsche volk werd voor 't eerst op het schouwspel van
een leeuwengevecht onthaald door den aedilis Scaevola, voor de
tweede maal door den dictator Sulla. Deze had reeds 105 Leeuwen in
den circus. Pompejus liet 650, Julius Caesar minstens 400 van deze
dieren vechten. De leeuwenvangst was voorheen een zeer moeielijk werk
en geschiedde gewoonlijk met behulp van valkuilen. Onder Claudius
ontdekte een herder echter bij toeval een gemakkelijker middel. Hij
wierp den Leeuw zijn kleed over den kop, en het dier werd hierdoor
zoo verbluft, dat het zich zonder moeite liet gevangen nemen. In den
circus werd dit middel later dikwijls toegepast. M. Antonius reed na
den slag van Pharsalos door de stad met een tooneelspeelster in een
wagen, die door twee Leeuwen getrokken werd. Hanno, de ons reeds van
vroeger bekende Carthager (p. 6), was de eerste, die een getemden
Leeuw met zijne handen regeerde. Hij werd daarom echter uit zijn
vaderland verbannen, omdat men van oordeel was, dat hij, die zich
met het temmen van een Leeuw bezig hield, ook er naar streefde,
de menschen aan zich te onderwerpen. Hadrianus liet in den circus
dikwijls 100 Leeuwen te gelijk dooden. Marcus Aurelius liet er 100
met pijlen doodschieten. Op deze wijze verminderde het aantal Leeuwen
zoo sterk, dat men de particuliere leeuwenjachten in Afrika verbood,
om een voldoenden voorraad van deze dieren voor de kampspelen over
te houden. Evenwel was eerst met de uitvinding van het schietgeweer
de macht van den "koning der dieren" voor goed gebroken.
"Het is zeer wel mogelijk," zegt Prof. Schlegel, "dat de oude
Grieken en Romeinen twee soorten van _Luipaarden_ gekend hebben,
n.l. den gewonen Noord-Afrikaanschen en den Noordschen Luipaard van
Siberië. De oude Grieken hadden echter, zooals men uit Xenophon en
Aristoteles moet opmaken, slechts één naam, _Pardalis_, voor deze
dieren. Plinius benoemt de Luipaarden met den naam van _Pardus,_
en gebruikt ook voor deze dieren het Grieksche woord _Panthera_
(waarmede de Grieken een geheel ander dier, waarschijnlijk de Civetkat,
bedoelden). Daar hij beweert, dat de _Panthera_ bijkans door niets,
dan de witachtige kleur van den _Pardus_ te onderscheiden is, zoo wordt
het wederom waarschijnlijk, dat met den _Panthera_ der Romeinen de
Noordsche Luipaard gemeend is, wiens grondkleur inderdaad sterk naar
het witte trekt. De naam _Leopardus_ is van nog lateren oorsprong,
en komt voor het eerst voor bij Julius Capitolinus, een schrijver
uit de laatste helft der derde eeuw; deze naam, uit _Leo_ (Leeuw) en
_Pardus_ samengesteld, moest den vermeenden bastaard van Luipaard en
Leeuw voorstellen. Bij de Portugeezen is het woord _Leontius_ (kleine
Leeuw) waarschijnlijk tot _Uncia_, _Onza_ of _Onça_ verbasterd,
dat bij de ontdekking der Nieuwe Wereld door hen op den Jagoear
werd toegepast. Wat het woord _Tigris_ (Tijger) betreft, zoo lijdt
het geen twijfel, dat de Ouden daaronder slechts den Koningstijger
begrepen hebben.
"Deze benamingen zijn,--behalve die van _Pardalis_ of _Pardus,_
welke slechts in het Hoogduitsch als een weinig gebruikelijk woord
(Pardel of Parder) bewaard is--van lieverlede in de meeste nieuwe
talen, met weinig veranderingen overgenomen. Het Hollandsche woord
'Luipaard' schijnt veeleer als een verbastering van _Leopardus_
beschouwd te moeten worden, dan als samengesteld uit Luip-aard of,
gelijk sommigen zeer onjuist schrijven, Lui-paard. Een nader onderzoek
leert ons echter, dat bij de verschillende natiën van Europa, deze
woorden dikwijls met verscheidene wijzigingen worden toegepast. Zoo
worden de groote gevlekte Katten door de meeste dier volken Luipaarden
of Panters genoemd; terwijl in Holland de benaming van 'Tijger' voor
deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of
Panter, welken laatsten naam men zelden of nooit uit den mond des
volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste
overige talen, en in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van
den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch,
om hem van den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den
bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft."
De "_Luipaard_" (_Felis pardus_) heeft een lengte van 170 à 200 cM.,
waarbij voor den staart 60 à 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de
snuit steekt weinig vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig,
de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en
sterk, de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele
grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het
voorste gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de
onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig wit
over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals,
de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm, bovenbeen en
onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet
met kleine, zwarte, rondachtige vlekken, welker grootte afwisselt
tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste
gedeelte van den hals vormen zij schuins naar voren gerichte reeksen;
op de schouders en pooten vloeien zij bij tweeën of drieën tot
onregelmatige vlekken ineen, die reeksen vormen, welke van boven
naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 à 10
dwarsloopende reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten
ieder een "hof", die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn
ieder uit 2 à 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel
tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook aan
't bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart;
voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend, met
uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver
wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde der
ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee
ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig zwart, met
uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog
heeft een groenachtig gele iris en een ronde pupil. Er bestaat geen
belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes,
als tusschen de oude dieren en de zelfstandig geworden jongen. Sommige
exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een
glanzig bruinachtig zwarte verscheidenheid, die alleen in 't volle
zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessinië _Gesela_ genoemd en om
zijn vel ijverig vervolgd.
Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika
bewoont.
Aan den "_Panter_" (_Felis panthera_) worden de volgende kenmerken
toegeschreven: Een totale lengte van 200 à 240 cM., waarvan er
ongeveer 82 à 96 op den staart komen. De kop is matig groot en
langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is
kort, de romp krachtig maar toch gestrekt, de stevige pooten zijn
naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur,
licht okergeel, gaat op den rug in donker roodachtig geel, aan de
onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in
geelachtig wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar
komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan
bij dezen, de vlekken zelf zijn over 't algemeen iets kleiner, en de
kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den kop, den nek,
de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst
vindt men alleen nog op de voorarmen en onderbeenen volle vlekken,
die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan
zijn. De schouder en het bovenbeen daarentegen zijn, evenals de rug
en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken
onderscheiden zich van die van den Luipaard door haar aanzienlijkere
grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende
ring bestaat uit 5 à 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken.
Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het
Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azië en de
Kaukasus.
De _Soendaneesche_ of _Langstaartige Panter_ (_Felis variegatus_)
van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden
kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne kenmerken
worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer
gestrekte romp, de staart die minstens even lang is als de romp,
de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende
pooten. Bovendien vertoont de teekening eigenaardigheden: de vlekken
zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en
dichter bijeengeplaatst dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor
verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk
zichtbaar wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur
is donker leem-geel, de kleur van den hof der ringvlekken bruinachtig
geel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de ledematen
zijn grijsachtig of geelachtig wit.
De onderscheiding van den zoogenaamden _Zwarten Panter_ of _Zwarten
Luipaard_ (_Felis melas_) berust eenvoudig op een bij enkele individuen
voorkomende sterkere ontwikkeling van de huidkleurstof. Volgens
Rosenberg, worden de zwarte, zooals ieder Javaan weet, met de gele,
in een en hetzelfde nest gevonden. Zij komen op het vaste land zoowel
als op de eilanden voor. Volgens Sanderson, leven zij uitsluitend
in dichte, groote bosschen en niet overal, zooals hunne lichter
gekleurde verwanten. Zwarte Panters vindt men tegenwoordig in bijna
alle diergaarden; in sommige worden zij zelfs geregeld gefokt, daar
zwarte exemplaren, onderling parend, een nakomelingschap van gelijke
kleur voortbrengen.
Hoewel jagers, handelaars, enz. den Luipaard, die kleiner is en een
meer ineengedrongen lichaam heeft, op grond van zijne levenswijze en
uitwendige eigenschappen vrij zeker weten te onderscheiden van den
grooteren, slanker gebouwden Panter, wordt toch deze onderscheiding
door den dierkundige niet gemaakt, omdat zij niet vol te houden
is. Voor hem vormen Panter en Luipaard één soort: _Felis Pardus,_ die
door de West-Afrikaansche Bantoe-stammen _Ngo_, in Perzië _Palang_,
in Indië _Tsjita_, _Adnara_, _Honiga_, _Kerkal_ en door de Maleiers
_Harimau-bintang_ genoemd wordt. De grootte, de vorm van den kop,
de gedrongenheid of slankheid van den lichaamsbouw, de lengte van
den staart, de eigenaardigheden van het haarkleed, zooals lengte en
dichtheid van de beharing, de vorm en de verdeeling der vlekken,
de grondkleur enz. wisselen bij deze soort binnen wijde grenzen
af. Exemplaren met geelachtige of roodachtige huidkleur, ook bruine (in
alle tinten van lichtbruin tot donkerbruin) of zelfs volkomen zwarte
dieren (welker huid slechts dan gevlekt schijnt, als het licht er op
een bepaalde wijze op valt) zijn in de verst uiteenliggende gedeelten
van het verbreidingsgebied dezer soort gevonden. Ook albino's komen
voor. De verschillende grootte is misschien een gevolg van verschil
in leeftijd, woonplaats en voeding.
Men kan dus van den Panter en den Luipaard spreken, en dan aan deze
woorden de beteekenis hechten, die de jagers er aan geven, of de
beide namen als synoniem beschouwen, en al de bedoelde dieren Panter
of Luipaard noemen. Ook zou men echter, zooals wij zullen doen, aan
de Afrikaansche vertegenwoordigers van deze soort den naam Luipaard,
aan de Aziatische den naam Panter kunnen toekennen. Alle stemmen zij
met elkander overeen wat aard en levenswijze betreft, voor zoo ver dit
bij verschillende grootte en lichaamskracht mogelijk is. Gene zijn met
klein wild en kleine huisdieren tevreden, terwijl deze, behalve groot
wild en groot vee van allerlei soort, ook menschen overmeesteren,
en door hun roofzucht den Tijger nabij komen; in Indië worden zij
dikwijls zelfs gevaarlijker geacht dan deze. Dergelijke waarnemingen
zullen ook in Afrika gedaan worden, wanneer dit werelddeel grondiger
doorzocht zal zijn. Dat ook hier de grootte, de teekening en andere
uitwendige eigenschappen van den Luipaard belangrijk varieeren,
is althans niet meer twijfelachtig.
Het verbreidingsgebied van de bedoelde soort is zeer groot: het
omvat geheel Afrika en het geheele zuiden van Azië. In het westen
gaan hare vertegenwoordigers verder noordwaarts dan de Tijger,
daarentegen blijven zij in 't oosten ver bij hem achter. Van Perzië
aan den eenen kant, van het hoogland van Klein-Azië en het daaraan
grenzende Armenië aan den anderen kant verbreidt de Panter zich tot in
den Kaukasus. Ofschoon zijne rijen nu reeds sterk gedund zijn, is hij
toch nog steeds een vaste bewoner van het zuiden van Daghestan. In
de gewesten tusschen de westelijke helling van den Kaukasus en de
Zwarte Zee dringt hij, naar men zegt, nog verder noordwaarts door;
tot dusver echter kan de noordelijke grens van dit deel van zijn
woongebied nog niet met zekerheid aangeduid worden. In Centraal-Azië
wordt zijn verbreiding beperkt door den midden- en benedenloop van den
Oxus, wegens de Toerkmenen-woestijn die dezen stroom begeleidt. In
Indië ontbreekt hij, volgens Blanford, in Pandsjab en in gedeelten
van Sinde; ook in Hoog-Azië komt hij niet voor.
Er is reden om deze dieren stil te noemen; daar hun niet luide stem
zelden gehoord wordt. Bij gevangene individuen heeft men klagende,
aan kattengeschreeuw herinnerde geluiden waargenomen. Soms laten zij
in de wildernis een 3 of 4 maal herhaald, heesch geschreeuw hooren,
dat volgens Pechuel-Loesche, ongeveer als "hoera-ak" klinkt; als
zij verschrikt zijn, getergd worden of een aanval doen, verneemt men
hetzelfde schor geschreeuw, maar dan scherper, als 't ware kuchend;
dit geluid gaat dan ook wel gepaard met het onbeschrijfelijke,
ratelende geknor, dat een woedende Hond laat hooren.
De Luipaard of Panter is de schoonste van alle Katten. Te recht noemt
men den Leeuw den Koning der dieren, den Tijger het gevaarlijkste
lid van het geheele gruwzame gezelschap, te recht roemt men den
kleurenrijkdom van den Ocelot: wat evenredigheid van lichaamsbouw,
schoonheid van teekening van de huid, kracht en behendigheid,
bevalligheid en sierlijkheid van bewegingen betreft, staan zij en alle
overige soorten van Katten ver achter bij den Luipaard. Hij vereenigt
alles in zich, wat de verschillende soorten van Katten ieder in het
bijzonder onderscheidt; zoowel de lichamelijke voorrechten als de
geestesgaven van deze dieren komen bij hem op de volledigste wijze
tot hun recht. Zijn fluweelen pootje wedijvert in zachtheid met
dat van onze poes; het verbergt echter klauwen, die niet behoeven
onder te doen voor die van eenige andere Kat van gelijke grootte;
zijn gebit is naar verhouding veel krachtiger dan dat van zijn
koninklijken stamgenoot. Even schoon als buigzaam, even gespierd als
behendig, even stoutmoedig als listig is hij een type van een volkomen
ontwikkeld Roofdier.
Op het eerste gezicht zou men kunnen meenen, dat het kleed van
den Luipaard veel te bont is voor een roover, die zijn buit moet
vermeesteren door uit een hinderlaag op hem te loeren en daarna
langzaam te besluipen en die zich daarom zooveel mogelijk voor het
scherpzichtige oog van zijne tegenpartij moet verbergen. Doch reeds
na oppervlakkige kennismaking met de gewesten die het dier bewoont,
ziet men de onjuistheid van deze meening in. Wie dit gebied door eigen
aanschouwing kent, vindt het zeer natuurlijk, dat tusschen de daar
aanwezige planten en gesteenten een zoo bont gekleurd dier, zelfs op
geringen afstand, over het hoofd kan worden gezien. Hij wordt overal
in betrekkelijk groot aantal aangetroffen, waar samenhangende bosschen
voorkomen, vooral als deze dicht zijn, en uit hoogstammige boomen
bestaan, maar ook wel als zij met onderhout schraal bezet zijn. Van
met gras begroeide vlakten houdt hij niet, hoewel hij in de steppe
niet zeldzaam is; in bewoonde streken ligt hij dikwijls in akkers en
aanplantingen of in het naburige kreupelhout verborgen. Zeer gaarne
houdt hij zich op in het gebergte, welks rijk begroeide hoogten hem
niet alleen uitmuntende schuilplaatsen, maar ook een rijken buit
verschaffen.