Wegens de bloeddorstige wreedheid en de hiermede samenhangende,

onevenredig groote schadelijkheid van den Koegoear wendt men alle

mogelijke middelen aan om hem ten spoedigste kwijt te raken. In Noord

Amerika wordt hij gewoonlijk door Honden op een boom gejaagd en dan

van daar naar beneden geschoten. Ook vangt men hem wel in dichtslaande

vallen. De jacht op dit dier biedt bijna geen gevaar aan. In het

noordelijk deel van den staat New-York, in de Adirondack-bergen,

schoot Pechuel-Loesche met groven hagel een grooten Poema, die naast

hem door het struikgewas sloop. Wanneer men de noodige voorzorgen in

acht neemt, heeft men zelfs van een gewonden Poema, die, door pijn

woedend geworden, op zijn aanvaller toespringt, niet veel te vreezen.

Het volgende verhaal is, naar het mij voorkomt, voldoende om den aard

van het dier te kenschetsen: Een Engelsche reiziger, die in de Pampas

Wilde Eenden vervolgde, kroop met zijne licht vogelgeweer gewapend

over den grond op de Vogels af. Hij had om niet in 't oog te vallen

het hoofd en het lichaam omhuld met een "poncho", den mantel dien men

daar gewoonlijk draagt. Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en

voelde bijna in 't zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het

kleed van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing

een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was echter ook

niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd

aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien schreden van zijn

tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met

groote sprongen de vlucht.

Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden

soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, en sterven

vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig

volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar vrij in huis laten

rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan,

likken hem de handen en gaan aan zijne voeten liggen. Als zij gestreeld

worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen

zij ook wel in andere omstandigheden, als zij zich recht op hun gemak

gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun

ontevredenheid door een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.

Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door

een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort afgebroken

gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.

Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij,

als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en graag met hem

speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens

onverwachts op hem toe te springen; iets dergelijks doen tamme Leeuwen

ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs

van genegenheid in sommige gevallen kan zijn.

Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in

het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn vleesch,

dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters

in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij.

De naaste stamverwant van den Poema is de _Yagoearondi_ (_Felis

yaguarundi_), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt

lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop

is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing

dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder haar is aan

den wortel donker zwartachtig grijs, in 't midden zwart en aan de

spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een weinig lichter van kleur

dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear;

want de lichaamslengte bedraagt hoogstens 87 cM. (waarbij voor den

staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM.

De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens

O. Stoll komt hij misschien ook in 't zuiden van Guatemala voor,

waar hij "Gato de monte" genoemd wordt.

Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en

ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden deelt hij

zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte

der Wilde Katten is: Rengger's Honden joegen eens zes volwassene

Yagoearondi's op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit

dier is niet gevaarlijk, daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet

het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met

Honden, waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt.

Rengger heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede

Yagoearondi's in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de

zachtmoedigste Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men

hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen.

Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de _Jagoear_ of

_Once_ (_Felis onza_), is de grootste en sterkste van alle _gevlekte_

en _overlangs gestreepte Amerikaansche Katten_. Reeds in de eerste

berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu

nog heeft bijna iedere reiziger iets van hem te verhalen; uit deze

mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid

van den Jagoear sterk overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten

te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den

mond van het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met

vele fabelen doormengd.

De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en

is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van den Luipaard

of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp

korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen Jagoear is, volgens

Rengger, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel

van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van den

staart. A. von Humboldt maakt echter melding van sommige exemplaren,

die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de

Once ongeveer 80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De

vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste

deel van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige

lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat

de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de

meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde van het

oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de

buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde der vier pooten,

waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend,

ten deele met kleine, zwarte vlekken, die cirkelvormig, langwerpig

rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en

ringen, die geelachtig rood zijn met zwarte randen en één of twee

zwarte punten in 't midden. De volle vlekken bevinden zich vooral

aan den kop, den hals, de onderzijde van het lichaam en de ledematen;

daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter

en onregelmatiger dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms

aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter

aan de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de

voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks spits zwart

is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken

mondhoek een zwarte vlek te vinden en een dergelijke vlek (met een

gele of witte stip in 't midden) aan de buitenzijde van het oor. Op

den rug vloeien de vlekken ineen tot een regelmatige streep, die zich

op het kruis in tweeën verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen

zij min of meer evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger

beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie

vellen in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over

't algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij heeft

ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders,

daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met meer vlekken

voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn

niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel zulk een donkere grondkleur,

dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende

waarnemers verscheidene soorten onderscheiden, moeten de afwijkingen

van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens,

wat de hoofdkenmerken betreft, tamelijk bestendig zijn.

De naam "Jagoear" is aan de taal der Guaranen ontleend, die het dier

"Jaguarette" d. i. "lichaam van den hond" noemen. Bij de Spanjaarden

heet hij "Tigre", bij de Portugeezen "Onça". Zijn verbreidingsgebied

strekt zich uit van Buenos Ayres en Paraguay over geheel Zuid-Amerika

tot in Mexico en het zuid-westelijk gedeelte van de Vereenigde Staten

van Noord-Amerika. Het talrijkst is hij in de gematigde gewesten van

Zuid-Amerika, het zeldzaamst in de Vereenigde Staten, waar de steeds

vooruitdringende blanke hem meer en meer verdringt. Hij bewoont de

met bosschen begroeide oevers van de stroomen, rivieren en beken,

den zoom van de bosschen die dicht bij de moerassen liggen, en het

moerasland waar meer dan 2 M. hooge gras- en rietsoorten groeien. Op

het open veld en in het binnenste van de groote bosschen vertoont hij

zich zelden; hij doet dit alleen, als hij uit de eene streek naar de

andere trekt. Waar de opgaande zon hem verrast, legt hij zich neder,

in het dichtst van het woud of in het hooge gras, en brengt hier den

dag door.

In de morgen- en avondschemering en ook wel bij helder maan- en

sterrenlicht, nooit echter op 't midden van den dag of in een zeer

duisteren nacht, gaat de Jagoear op roof uit. Alle groote Gewervelde

Dieren die hij bemachtigen kan, dienen hem tot voedsel. Hij is in

alle opzichten een vreeselijk Roofdier. Hoe plomp zijn gang ook moge

schijnen, toch kan hij zich in geval van nood gemakkelijk en vlug

bewegen. Zijn kracht is voor een dier van zijne afmetingen buitengewoon

groot, en kan alleen met die van den Leeuw of van den Tijger vergeleken

worden. De zintuigen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. Het gezicht

is scherp, het gehoor voortreffelijk, de reuk echter, evenals bij de

overige Katten, niet bijzonder fijn; toch kan hij altijd nog wel op

eenigen afstand een buit ruiken. Dit dier is dus op zulk een wijze

uitgerust, dat het als roover zeer gevaarlijk kan worden.

De Jagoear is niet kieschkeurig. In zijn drek vond Azara de stekels van

een Stekelzwijn; zijn maag bevatte, volgens Rengger, overblijfselen

van Ratten en Agoetis; hieruit blijkt, dat hij ook kleine dieren

belaagt. Men heeft trouwens waargenomen, dat hij in het riet op

watervogels jacht maakte, en zeer behendig Visschen uit het water

haalde. Reeds Pöppig bericht, dat zelfs de Kaaiman door hem niet

met vrede gelaten wordt. "De Jagoear," zegt A. von Humboldt, "de

gruwzaamste vijand van de Arrau-Schildpad, volgt deze op het strand,

waar zij hare eieren legt. Hij overvalt haar op het zand, en keert

haar om, om haar gemakkelijker te kunnen verslinden. De Schildpad

kan hare pooten niet weer op den grond krijgen, en daar de Jagoear

veel meer van deze dieren omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan,

maken de Indianen dikwijls in hun belang gebruik van zijn arbeid. Men

kan de geschiktheid van den poot van het dier voor deze jacht niet

genoeg bewonderen; het dubbele pantser van de Schildpad wordt er mede

geledigd, alsof de spierbundels met een heelkundig instrument van de

beenderen waren losgemaakt."

"Het valt een geoefenden jager niet moeielijk," schrijft Rengger,

"den Jagoear gedurende zijne jachten na te gaan, vooral langs de

rivieren. Men ziet hem dan naar den oever sluipen, waar hij vooral de

Waterzwijnen en de Vischotters lagen legt. Van tijd tot tijd blijft

hij staan, alsof hij luistert, en kijkt dan opmerkzaam in 't rond;

nooit heb ik echter kunnen bespeuren, dat hij door den reuk geleid,

met den neus op den grond het spoor van een dier gevolgd heeft. Als

hij b.v. een Waterzwijn heeft waargenomen, wendt hij ongeloofelijk

veel geduld en omzichtigheid aan, om het te naderen. Als een slang

kronkelt hij zich over den bodem, houdt zich daarna weer eenige

minuten lang stil, om de plaats waar zijn slachtoffer zich bevindt,

te leeren kennen, en maakt dikwijls groote omwegen, om deze plaats

van een anderen kant, waar hij minder goed ontdekt kan worden,

te bereiken. Als het hem gelukt is ongezien zijn prooi te naderen,

springt hij in eens, zelden in twee sprongen, op haar af, drukt haar

op den grond, scheurt haar den hals open en draagt het nog met den

dood worstelende dier het bosch in."

De schade die de Jagoear onder het vee aanricht, is niet

onbelangrijk. Vooral het jonge hoornvee, de Paarden en de muilezels

hebben veel van hem te lijden.

De Jagoear grijpt zijn buit zoowel in het water als op het land; in

de boomen jaagt hij niet, hoewel hij ze vrij goed weet te beklimmen,

wanneer hij vervolgd wordt. Men heeft veel gefabeld over de wijze,

waarop hij zich Visschen weet te verschaffen. Rengger bericht hierover

het volgende: "Toen ik op een zwoelen zomeravond, van de eendenjacht

terugkeerend, in mijn schuit naar huis voer, bemerkte mijn metgezel,

een Indiaan, aan den oever van den stroom een Jagoear. Wij naderden

hem zooveel mogelijk en verborgen ons, om te zien, wat hij zou

doen. Ineengehurkt zat hij op een uitstekende punt van den oever,

waar het water eenigszins sneller stroomde, de gewone verblijfplaats

van een roofvisch, die hier te lande 'Dorado' heet. Onverpoosd tuurde

hij in 't water, en boog zich af en toe voorover, alsof hij in de

diepte wilde zien. Na ongeveer een kwartier zag ik hem plotseling met

den poot een slag op het water geven en een grooten Visch op het land

werpen. Hij vischt dus geheel op dezelfde wijze als de Huiskat."

Als de Jagoear een klein dier gedood heeft, verslindt hij het dadelijk

met huid en haar; van een grootere prooi echter, zooals van Paarden,

Runderen en dergelijke, eet hij slechts een deel, zonder voor het

eene of andere stuk van 't lichaam een bepaalde voorkeur te toonen;

de ingewanden laat hij liggen. Na den maaltijd keert hij in het bosch

terug, verwijdert zich evenwel in den regel niet meer dan een kwartier

gaans van de plaats, waar hij at, en gaat dan slapen. Des avonds of

den volgenden morgen zoekt hij zijn buit weer op, eet er ten tweeden

male van en laat vervolgens het overschot voor de Gieren achter.

Meer dan tweemaal eet de Jagoear, volgens Rengger, niet van een gedood

dier; bedorven vleesch raakt hij in 't geheel niet aan. Nooit doodt

hij meer dan één stuk vee te gelijk, en vormt hierdoor een gunstige

uitzondering op hetgeen voor de andere groote Katten regel is.

Een Jagoear, die den mensch nog niet heeft leeren kennen, wijkt

vol ontzag, als hij hem ontmoet, of beschouwt hem nieuwsgierig van

uit de verte. Er is geen voorbeeld van bekend, dat een mensch in

onbewoonde wouden door een Jagoear verscheurd werd. De Oncen, die zich

in bewoonde gewesten of bij rivieren met veel scheepvaart ophouden,

verliezen echter zeer schielijk hun vrees voor den mensch, en vallen

ook hem aan. Volgens een algemeen verbreide overlevering hebben zij

zich 's nachts wel eens verstout tot een bezoek aan vaartuigen, die

aan den wal vastgelegd waren, en hebben van daar vleesch of Honden

geroofd, ja zelfs matrozen doodelijk gewond; gewoonlijk echter hebben

deze menschen dit lot aan hun onvoorzichtigheid te wijten; zij die

voorzichtig zijn, ontkomen er aan. Dat de Jagoear zich door het vuur

niet laat afschrikken, is volkomen zeker.

Het veelbesprokene "gebrul" van den Jagoear kan niet bijzonder

indrukwekkend zijn. Vroegere reizigers hebben onnadenkend dit woord

ter aanduiding van de stem van den Jagoear gebruikt; het kan ook wel

zijn, dat zij deze verward hebben met de stem van een ander dier, of

van de geluiden der voor hen vreemde en verontrustende omgeving een

al te grootschen indruk kregen. De reizigers uit lateren tijd spreken

niet van gebrul. Evenals de Luipaard en den Tijger is de Jagoear in

den regel stilzwijgend; hij knort, gromt, huilt en laat hoogstens

een kattengeschreeuw hooren, dat aan zijn grootte geëvenredigd is.

De Jagoear blijft dezelfde streek bewonen, zoo lang hij hier buit kan

vinden en niet al te veel verontrust wordt. Als de voorraad voedsel

te gering, of de vervolging door den mensch te fel wordt, verlaat hij

de streek en verhuist naar een andere. Dit geschiedt gedurende den

nacht. Hij schroomt in dit geval niet door dicht bevolkte gewesten te

trekken, en wordt zelfs door zeer breede stroomen niet teruggehouden,

daar hij uitmuntend zwemmen kan.

"De telken jare wederkeerende overvulling van de stroomen en rivieren,"

merkt Rengger op, "verdrijft den Jagoear van de eilanden en met bosch

begroeide oevers, zoodat hij in dezen tijd nader bij de bewoonde

gewesten komt en schade aanricht onder menschen en vee. Bij groote

overstroomingen wordt hij niet zelden gezien te midden van een stad,

die aan een hoogen oever gelegen is, of in een dorp. Toen wij in 't

jaar 1825 bij hoogen waterstand te Santa-Fé aan wal stapten, verhaalde

men ons, dat voor weinige dagen een Franciskaner-monnik, juist toen

hij de vroegmis wilde lezen, onder de deur van de sacristie door een

Jagoear was verscheurd. Er gebeurt trouwens niet altijd een ongeluk,

als zulk een Roofdier in een stad verdwaald geraakt, want het geblaf

van de Honden, die het vervolgen, en het te hoop loopen van de menschen

brengen het zoo zeer in de war, dat het zich tracht te verbergen. De

wonden die de Jagoear toebrengt, zijn altijd hoogst gevaarlijk,

niet alleen wegens hun diepte, maar ook wegens hun aard. Daar n.l. de

klauwen en de tanden van dit dier niet bijzonder scherp zijn, zal elke

verwonding met kneuzing en verscheuring van de weefsels gepaard gaan."

De Jagoear leeft, naar Rengger bericht, gedurende het grootste gedeelte

van het jaar alleen; in de maanden Augustus en September echter

zoeken de beide geslachten elkander op. Het wijfje brengt omstreeks

3 of 3 1/2 maanden later (het juiste tijdsverloop is onbekend) 2,

zelden 3 jongen ter wereld; het zoekt hiertoe een schuilplaats in een

ongenaakbare wildernis van het woud of onder een half ontwortelden

boom. De moeder verwijdert zich in de eerste dagen nooit ver van

hare jongen, en draagt ze met den bek naar een ander leger, wanneer

het eerstgekozene haar niet veilig genoeg voorkomt. Haar liefde voor

haar kroost schijnt zeer groot te zijn; zij verdedigt het met woede,

en vervolgt, naar men zegt, den roover van hare jongen uren ver.

Niet zelden worden jonge Jagoears door de menschen groot

gebracht. Hiervoor moeten zij echter als zuigelingen gevangen

worden, daar zij zich anders niet meer laten temmen. Zij spelen met

jonge Honden en Katten; zeer vermaken zij zich echter met houten

ballen. Hunne bewegingen geschieden vlug en met gemak. Zij leeren

hun verzorger zeer goed kennen, zoeken hem op, en toonen blijdschap,

als zij hem terugzien. Zoodra de Oncen van hun kracht bewust worden,

ongeveer in het derde levensjaar of nog vroeger, verzuimen zij niet,

ten nadeele van hun meester van hunne tanden gebruik te maken. Het

baat niet veel, of men hun de hoek- en snijtanden tot aan den wortel

afvijlt en hunne klauwen van tijd tot tijd inkort; hun groote kracht

stelt hen in staat ook zonder wapens onheil te stichten. Zoolang zij

nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het

moeielijk baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid

zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid voor

zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is

daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar in gevangenschap

te houden zonder hem op te sluiten.

Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op

alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika maken de

Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif

gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze van jagen is de

volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel

en wapent zich met een tweesnijdend mes of dolk van omstreeks twee

voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear

op. Tegen zulk een gering aantal Honden stelt deze zich dadelijk te

weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien

door woorden en gebaren. Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn

vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan

evenals onze Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden

arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en

stoot, terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de

linkerzijde van het Roofdier.

De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear

eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals, slepen

hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden

lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken wordt. Soms

schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken

worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst men bij een door

den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de

prooi aangrijpt.

Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde

en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken gebruikt. Het

vleesch van een Once, dat door Von den Steinen gegeten werd, bleek

taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten

dier: "Het oncevleesch smaakt vet als gebraden varkensvleesch; bij de

coteletten zou roode kool zeer goed passen." Sommige lichaamsdeelen

van den Jagoear worden als geneesmiddelen gebruikt.

Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de _Ocelot_ of _Pardelkat_

(_Felis pardalis_). Haar lengte bedraagt 1.30 à 1.40 M. (waarbij 40

à 45 cM. voor den staart), de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.;

het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los,

maar staat, wat hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is

naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en

afgerond, de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits

dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht en

even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is

bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde geelachtig

wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen

naar de ooren. Aan de bovenzijde van den kop komen geen stippels voor;

de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep

uitgaat; over den rug loopen verscheidene overlangsche strepen,

meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van

smalle, zwarte vlekken, waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de

zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige

strepen voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken,

en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen zijn

zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de

pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart tot ringen

worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer.

De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat

het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke landen

van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever

op in de onbewoonde bosschen van het binnenland dan in de nabijheid

van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open

veld vindt men hem nooit, wel echter in boschrijke, rotsachtige en

moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale

voor. Naar het schijnt, heeft hij geen bepaald leger. Over dag slaapt

hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar

labyrint van bladen en struiken, soms ook in holle boomen; in de

morgen- en avondschemering, vooral echter 's nachts gaat hij op roof

uit; hij doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als

bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam,

omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en

daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet de eigenaar

zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen,

richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen aan. In de vrije

natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in

den boom of op den grond in hunne nesten besluipt, bovendien uit

allerlei kleine Zoogdieren, jonge Reeën, Zwijnen, Apen, Agoetis,

Pakas, Ratten, Muizen enz.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 8 / 37 段