worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk
gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige
beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige aangezicht, in den
koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in
den kwast die het einde van den staart versiert. In vergelijking met de
andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het
geheele lichaam hierdoor zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart
eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die
reeds door Aristoteles werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele
latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde
pupil, de snorren zijn op 6 à 8 reeksen geplaatst. De mannelijke
Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche,
koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij
volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte van de
borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar--te
recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist laten--verscheidene
onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende
afwijkingen zullen hieronder in 't kort beschreven worden; daarna
moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een
oordeel te vormen. In de eerste plaats vestigen wij onze aandacht
op den _Leeuw van Barbarije_, want hij is het, die sinds overouden
tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en
lichaamskracht, dapperheid en heldhaftigheid, door zijne adel en
grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den
naam van "koning der dieren" heeft gekregen.
De _Leeuw van Barbarije_ (_Felis leo barbarus_) heeft, evenals
zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks
voorste gedeelte wegens de breede borst en de versmalde liesstreek
veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna
vierhoekige kop verlengt zich tot een breeden en stompen snuit, de
ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar
levendig en vurig, de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig,
de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook
wel naar evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan
bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten doorn,
die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige
vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur bedekt het
aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige
plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of zijn geheel en al zwart,
en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn
door dichte manen omgeven. Ook de benedenzijde van den romp is in het
midden over haar geheele lengte met lange, dicht bijeengeplaatste,
sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de
voorste gedeelten der dijen staan minstens nog eenige vlokken van
zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte
in de schoften 80 à 100 cM., bij 1.6 à 1.9 M. lichaamslengte en 75
à 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele
lengte van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot
aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren
Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een
staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed bedekt;
dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en
aan den staart een teekening, die den in 't vergelijken van dieren
geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze
teekening verbleekt reeds in het eerste levensjaar, hoewel zij,
vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan
de pooten en aan de onderzijde van het lichaam zichtbaar blijft. De
Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral
door de beharing onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren
zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het
lichaam een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het
Atlas-gebergte en naburige gewesten.
De _Senegal-Leeuw_ (_Felis leo senegalensis_) verschilt van de zooeven
genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende
buikmanen; de manen aan 't voorste gedeelte van 't lichaam zijn goed
ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm.
De _Kaapsche Leeuw_ (_Felis leo capensis_), en, naar het schijnt, ook
die van Abessinië, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft
donkere manen. Het verbreidingsgebied van den Senegal-Leeuw en van den
Kaapschen Leeuw--die misschien tot dezelfde ondersoort behooren--omvat
alle landen van Middel- en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de
oostkust en van ongeveer 20° N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den
Blauwen en Witten Nijl en in Abessinië in boschrijke streken geregeld,
in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor.
De _Perzische Leeuw_ (_Felis leo persicus_), die bleek isabelkleurig
is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte
haren bestaan, is van Perzië tot Indië verbreid; wij kennen hem
nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de
Senegal-Leeuw dan wel met die van Guzerate grootere overeenkomst
vertoont.
De _Leeuw van Guzerate_ (_Felis leo guseratensis_), zoo genoemd naar
een gebied in Vóór-Indië, heet ten onrechte ook wel "Manenlooze
Leeuw," en is ook niet altijd kleiner dan zijne verwanten, zooals
vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en
al vaal roodachtig geel of geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering
van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde,
dicht bij hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn.
De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in
de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend jaren
achter ons. Sedert dien tijd heeft de "koning der dieren" zich voor
den "beheerscher der aarde" meer en meer teruggetrokken. De mensch
bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot
nu, verder en verder terugdringen en eindelijk geheel vernietigen. De
Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten
van Afrika verbreid en kwam in Egypte niet veel minder veelvuldig
voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van
de bevolking en de toenemende beschaving werd hij echter allengs
verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer
voorkomt en in nagenoeg geen enkele kuststreek van de Middellandsche
Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algerië en
Marokko niet zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen
geen ongewone verschijning. Vooral in Algerië is het aantal Leeuwen
sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen
met de Arabieren zijn zij verdrongen; de Fransche leeuwenjagers,
van welke Jules Gérard vooral vermelding verdient, hebben hunne
rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden:
de inboorling van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder
dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een
geweer gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts
weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen
mensch meer en meer teruggedrongen.
De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn
wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika zijn
eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel
met andere dieren van zijn soort strijd te voeren. In Zuid-Afrika komt
het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote
jacht-expedities. Volgens Livingstone zwerven troepen van 6 à 8 stuks
gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen
zij tot nog talrijker troepen bijeen. Selous, wiens berichten uit den
laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: "In het binnenland van
Zuid-Afrika treft men troepen van 4 à 5 Leeuwen, die te zamen jagen,
veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individuën; troepen van
10 à 12 stuks zijn niet zeldzaam."
De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open
veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken
met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan steppen met
armzalige struiken en aan woestijnachtige landstreken, onverschillig
of zij bergachtig zijn of vlak. Op de een of andere gedekte plaats
kiest hij zich een ondiepen kuil tot leger; hij rust hier één of meer
dagen, al naar de streek arm of rijk, onrustig of rustig is. In Soedan
vestigt hij zich het liefst in boschjes; in Zuid-Afrika geeft hij de
voorkeur aan de breede strooken van langhalmige rietgrassen langs de
oevers der stroombeddingen, die slechts gedurende een deel van het
jaar water bevatten; daar waar deze ontbreken bewoont hij boschjes
van doornstruiken. Gedurende zijne reizen blijft hij liggen daar,
waar de morgen hem verrast.
Over 't geheel genomen gelijken zijne gewoonten op die van andere
Katten; in vele opzichten onderscheidt hij zich echter van deze. Hij
is trager dan de overige leden zijner familie, en houdt volstrekt niet
van groote strooptochten, maar tracht het zich zoo gemakkelijk mogelijk
te maken. Volgens de ervaringen van Selous, wil de Zuid-Afrikaansche
Leeuw zich liever verzadigen aan het wild dat door den jager neergeveld
is, dan het zelf te dooden. Om dezelfde reden volgt hij elders, in
Oost-Soedan b.v., geregeld de nomadische veefokkers, waarheen zij ook
trekken. Hij begeeft zich met hen in de steppe en keert met hen naar
het woud terug; hij beschouwt hen als zijne schatplichtige onderdanen,
en eischt van hen werkelijk de drukkendste van alle belastingen.
Hij leidt een nachtelijk leven. Over dag ontmoet men hem zelden; in
het woud komt men hem misschien nooit toevallig tegen, maar ziet hem
alleen dan, wanneer men hem, op zijne gewoonten lettend, opzoekt en
door Honden uit zijn rustplaats laat verdrijven. In de nabuurschap
van de dorpen komt hij niet vóór het derde uur van den nacht. "Drie
maal," zeggen de Arabieren, "kondigt hij door gebrul zijn komst aan,
en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan." Deze
goede meening berust ongelukkig op zwakke grondslagen; want zoo vaak
ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat
hij zonder gedruisch te maken naar het dorp was geslopen, en het een
of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de
Leeuw zeer dikwijls zachtjes nadersluipt "als een dief in den nacht."
Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen,
onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring geven van
iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul
geen waarschuwing is aan de dieren, die de Leeuw als prooi verlangt,
maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de
dieren tot vluchten te nopen en ze hierdoor toe te voeren aan den
een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren,
dan misschien aan zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn
inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die
tot berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik
aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik zal trachten
een dergelijken rooftocht te beschrijven.
Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de "seriba"
gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke,
uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa's
samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien hij maken
kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds
gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep waakzame Honden
houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt;
de vrede van den nacht daalt op de legerplaats neder. Vrouw en kind
van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De
mannen hebben hunne laatste bezigheden verricht en zijn ook van plan
hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten
de langstaartige Geitenmelkers hun nachtlied hooren, of dragen vliegend
hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de
seriba en ijlen als geesten over de slapende kudde heen. Overigens
is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar
toch niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt.
Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke
nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam "_Essed_,"
d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste
ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen als zinneloos
tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende
Runderen dringen tot een verwarde troep bijeen, de Kameel tracht,
omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te
verbreken, en de moedige Honden die Luipaarden en Hyena's bevochten,
huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een
geweldigen sprong is de machtige vijand over den muur van doornen
geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag
met zijne vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het
krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier. Dof
brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen
van roofgierigheid en van blijdschap over de behaalde zege; met den
staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende
dier los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw
aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint hij den
terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet
achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht noodig om met het Rund
in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel:
ik heb een meer dan manshooge seriba gezien, waarover een Leeuw met
een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel
waargenomen, achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de
omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil
in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag,
voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die door het
voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen
tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi verscheurd heeft.
Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen,
vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet echter
niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis
laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn een langgerekte toon,
gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of
gebrom; schrik wordt te kennen gegeven door een kort gekuch, dat als
"Hoef" of "Wau" klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden;
menigeen, die zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden,
heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier. Men
zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn
soort en wordt, wat volheid van klank betreft, door de stem van geen
ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals Pechuel-Loesche opmerkt,
door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren duiden
het zeer eigenaardig aan door het woord, "raäd", d. i. donderen. Diep
uit de borst schijnt het te voorschijn te komen; het is, alsof deze
zal barsten.
Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem van den koning der
dieren op zijne onderdanen. Het gehuil van den Hyena verstomt, zij
het dan ook voor korten tijd; het gegrom van den Luipaard houdt op;
de Apen laten hunne keelgeluiden hooren en klimmen vol angst tot in de
hoogste takken; de Antilopen ijlen in razende vlucht door de struiken;
de blatende kudde houdt zich doodstil; de beladen Kameel siddert,
gehoorzaamt niet meer aan het bevel van zijn drijver, werpt zijn last
en zijn berijder af en tracht zich door een snelle vlucht te redden;
het Paard steigert, snuift, blaast de neusgaten op en wil terug;
de niet aan de jacht gewende Hond zoekt huilend bescherming bij
zijn meester.
De Noord-Afrikaansche Leeuw vestigt zich in de nabijheid van dorpen,
zoo hij hiervoor een goede gelegenheid vindt, en richt dan zijne
rooftochten uitsluitend daarheen. Hij is een onaangename buurman
en laat zich niet zoo licht verdrijven, vooral omdat hij bij zijne
plotselinge aanvallen met buitengewone sluwheid handelt. "Als de Leeuw
te oud wordt, om op het wild jacht te maken," bericht ook Livingstone,
"begeeft hij zich naar de dorpen om Geiten te rooven, en, wanneer
hij hierbij een vrouw of een kind ontmoet, zullen deze hem ten prooi
vallen. De Leeuwen, die menschen aanvallen zijn steeds oude dieren;
als een van deze gevaarlijke Roofdieren in een dorp is doorgedrongen
en Geiten weggehaald heeft, zeggen de inboorlingen: zijne tanden zijn
afgesleten; hij zal nu spoedig een mensch dooden."
Geheel anders dan bij den aanval op tamme dieren gedraagt zich de
Leeuw, als hij met wild te doen heeft. Hij weet, dat dit hem op
tamelijk grooten afstand ruikt en snelvoetig genoeg is om hem te
ontkomen. Daarom beloert hij de in 't wild levende dieren, of besluipt
hen uiterst voorzichtig onder den wind, dikwijls in gezelschap
van andere dieren zijner soort; hij wacht hiervoor volstrekt niet
altijd den nacht af, maar doet dit ook wel, als de zon schijnt. Toch
zijn zulke jachten gedurende den dag altijd uitzonderingen op den
regel. Gewoonlijk stelt de Leeuw zijn jacht minstens tot aan de
schemering uit. De wilde kudden volgt hij op hare reizen, evenals
de tamme. Gelijk andere Katten legt hij zich in hinderlaag in de
nabijheid van de meest betreden wildpaden. In de steppen b.v. zoekt
hij met de bedoeling om buit te maken de plaatsen op, waar de dieren
van de wildernis hun dorst lesschen.
Volgens Livingstone pakt hij zijn prooi gewoonlijk bij den hals, ook
wel echter in de liesstreek, waar hij bij voorkeur het dier begint
te verslinden. Selous bevestigt het bericht, dat de Leeuw zijn buit
steeds aan 't achterste gedeelte van het lichaam begint op te eten,
en het eerst de ingewanden en andere edele deelen gebruikt; ook heeft
hij opgemerkt, dat het Roofdier deze deelen soms op een hoop rolt en
met aarde bedekt; ongetwijfeld geschiedt dit met het doel, om ze voor
den volgenden nacht te bewaren, en ze te beveiligen tegen de Gieren,
die er over dag bij zouden komen. Over de wijze waarop de Leeuw jaagt,
zegt hij: "Volgens mijn ervaring overvalt de Leeuw zijn prooi op zeer
verschillende wijzen. Ik heb een Paard, een jongen Olifant en twee
Paard-antilopen gezien, die door een beet in de keel gedood waren;
daarentegen zag ik een ander Paard en verscheidene Zebra's, bij welke
de doodelijke wonden in den nek werden toegebracht. Buffels worden,
naar ik veronderstel, dikwijls gedood door de ontwrichting van een
halswervel, die teweeggebracht wordt, doordat de Leeuw het dier op den
schouder springt, het met een poot bij den neus pakt, en nu den nek
plotseling omdraait. Ik heb een menigte Buffels gezien en geschoten,
die zich nog te rechter tijd hadden weten te bevrijden, maar aan den
nek on de schoften vreeselijk gebeten waren."
De Leeuw geeft aan groote dieren de voorkeur boven kleine, ofschoon
hij deze, als hij ze krijgen kan, ook niet versmaadt. Uitdrukkelijk
wordt verzekerd, dat hij zich somtijds zelfs met Sprinkhanen
tevreden stelt. Hij streeft er echter steeds naar, een groote prooi
te bemachtigen, hetgeen nog het duidelijkst blijkt uit het feit, dat
hij juist daar het veelvuldigst voorkomt, waar veel wild of vee van de
grootste soort is te vinden. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit vee,
uit Zebras, Antilopen en Wilde Zwijnen. In sommige gevallen versmaadt
hij echter ook krengen niet. Selous zegt: "De Zuid-Afrikaansche Leeuw
is dikwijls volstrekt niet keurig op zijn voedsel. Als de jagers
Olifanten gedood hebben, verzadigen de Leeuwen zich zeer dikwijls aan
de stinkende lijken dezer reusachtige dieren, die, door de tropische
zon beschenen spoedig tot verrotting overgaan en vol maden geraken;
verscheidene nachten achtereen keeren zij naar dit feestmaal terug,
tot er geen vleesch meer overig is." Zij worden hierbij vaak genoeg
geholpen door talrijke tafelschuimers, die van de gunstige gelegenheid
gebruik maken om met hun "koning" te dineeren. De luie en lafhartige
Hyena en alle soorten van Echte Honden vinden het zeer gemakkelijk,
een ander voor zich te laten rooven; zij eten, zoodra de Leeuw zijn
maal verlaat, zich vol daaraan. De "koning" duldt hen echter niet
altijd aan zijn disch; soms komen, zooals duidelijk gebleken is,
om deze reden ernstige vechtpartijen voor.
De Leeuw valt uiterst zelden menschen aan. De hooge gestalte van
den man boezemt hem, naar 't schijnt, ontzag in. In Soedan althans,
waar de "oproerverwekker" in sommige gewesten veelvuldig voorkomt,
zijn nagenoeg geen gevallen bekend, dat menschen door Leeuwen opgegeten
zijn. Daar verliezen meer menschen het leven door Krokodillen en Hyenas
dan door Leeuwen. Uit Zuid-Afrika daarentegen zijn genoeg voorbeelden
bij te brengen van aanvallen van Leeuwen op menschen. Zonder zich
om de wachtvuren te bekommeren dringen deze Roofdieren tot binnen de
omheining van het kamp door, om vee te rooven of zelfs om menschen van
bij het vuur weg te halen. Waarschijnlijk worden zij hiertoe alleen
door den uitersten honger gedreven, zooals de sterke, van zessen
klare Leeuwin, van welke Selous bericht, dat zij, ondanks de vuren,
de wachtposten en de schoten, driemaal in één nacht het kamp overviel,
eerst een Paard en daarna twee bij het vuur zittende inboorlingen
greep, maar telkens tot den aftocht gedwongen en ten slotte gedood
werd. "Een hongerige Leeuw is een duivel," zegt men in Zuid-Afrika. In
zulke omstandigheden zullen zoowel volkomen krachtige als oude en
zwakke Leeuwen, bij dag of bij nacht, ook wel menschen overvallen,
en als de ervaring hen eens geleerd heeft, hoe gemakkelijk deze
prooi beslopen en overmeesterd kan worden, zal hij dikwijls op zulk
een gemakkelijke wijze een maal trachten te verkrijgen. Werkelijke
"menscheneters," zooals onder de Tijgers in Indië voorkomen, worden de
Zuid-Afrikaansche Leeuwen echter niet, omdat de inboorlingen, waarmede
zij te maken hebben, zich niet door de Leeuwen laten verdrukken.
Niemand heeft de Zuid-Afrikaansche Leeuwen op een natuurlijker
en nauwkeuriger wijze beschreven dan Selous: "Mij is het steeds
voorgekomen, dat het woord 'majestueus' bijzonder slecht toepasselijk
is op een wilden Leeuw; over dag heeft deze steeds iets onzekers en
schuws over zich, dat onvereenigbaar is met het begrip 'majesteit'. Om
zoo genoemd te kunnen worden, zou hij den kop hoog moeten dragen,
en dit doet hij zelden. Bij het loopen houdt hij den kop omlaag, nog
beneden den ruglijn, en eerst als hij menschen in zijn nabijheid
bemerkt, heft hij menigmaal den kop omhoog, maar laat hem dan
gewoonlijk ook weer zakken en draaft met een kort gebrom verder. Als
hij, in het nauw gebracht, den kop met den geopenden muil en de
fonkelende oogen diep tusschen de schouders houdt, voortdurend een
dof gebrom laat hooren en met den staart de zijden van het lichaam
zweept, kan geen dier er dreigender uitzien, maar zelfs dan is er in
zijn voorkomen niets, wat den naam majesteit verdient. Wanneer de Leeuw
den staart twee- of driemaal achtereen snel loodrecht omhoog slingert,
pas dan op! want dit is bijna geregeld het teeken van een onmiddellijk
volgenden aanval. Leeuwen, die men over dag ontmoet, ontwijken den
mensch bijna altijd, zelfs wanneer zij bij een pas geroofd dier zich
bevinden en dus waarschijnlijk hongerig zijn. Als men ze echter
boos maakt of wondt, kan men een aanval verwachten. Volgens mijn
ervaring zijn Leeuwen meer geneigd om aan te vallen dan eenig ander
Zuid-Afrikaansch wild dier, dat ik ontmoet heb. Daar zij geschikter
zijn om zich te verbergen, vlugger en behendiger in 't aanvallen dan
de Olifant, de Buffel en het Neushoorndier, houdt ik ze voor veel
gevaarlijker dan deze. Evenals de menschen en de andere dieren, zijn
echter ook de Leeuwen zoo ongelijk van aard, dat het niet aangaat,
al wat de eene doet, zonder nader onderzoek ook van den anderen te
verwachten. Mijns inziens heeft niemand het recht de Leeuwen lafhartig
te noemen, omdat de 2 of 3 exemplaren, die hij geschoten heeft zich
niet moedig in den strijd betoonden. Dat er meer ongelukken voorgekomen
zijn bij ontmoetingen met Buffels dan met Leeuwen, kan niet aangehaald
worden als een bewijs, dat gene gevaarlijker zijn dan deze; daar,
althans in de jaren van zeventig, bij de jachten niet meer dan één
Leeuw werd ontmoet tegen 50 Buffels."