Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der

Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen kan. Zij

is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke

beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig; haar behendigheid is

waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat

zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes, welker klauwen zorgvuldig

teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar

is. Bij elken stap openbaart zich de haar eigen beweeglijkheid en deze

gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen

wanneer zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt

wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel

opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan

en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt, omdat zij

met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken

en elke hooggelegen plaats weet te bereiken. Zij klimt gemakkelijk en

behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen

zijn of uit een zachte specie bestaan), door er zich met hare klauwen

aan vast te haken. In 't vrije veld loopt zij niet bijzonder snel;

zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote

behendigheid openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of

gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten te

recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens

onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat die ik met den

rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een

stoel losliet, zoo te doen vallen, dat zij met den rug het voorwerp

bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en

staat dan geheel ongedeerd en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit

doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend

voorwerp bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij

van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te begrijpen,

omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt

en hierdoor de richting van den val regelt. Zij kan ook zwemmen,

maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de

onaangename noodzakelijkheid verkeert, zich uit het water te moeten

redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een

zeer zeldzame uitzondering op den regel; met ware angstvalligheid

vermijdt zij zelfs den regen. (Haacke kende evenwel een Kat, die in

een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)--Zij zit, evenals de

Hond, op haar achterdeel, en ondersteunt dan het voorste deel van

het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen

en gaat op de eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een

zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen,

dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi,

waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt. Van zulk

een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan.

Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor

uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat de reuk het minst

ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht

zoo voor te leggen, dat zij het slechts door den reuk kan vinden. Zij

nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den

kop zoo vele malen heen en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen

kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen,

gebruikt zij hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds

meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen

houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden,

vóór zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt het

duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook,

aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop terugtrekt. Het

tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte

kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig is uitmuntend. Zij ziet

evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken

voor het zien bij licht van verschillende sterkte, d. i. zij kan deze

opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer

vergrooten, dat het zintuig haar zoowel in 't eene als in 't andere

geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het

gehoor bovenaan; het is buitengewoon scherp. Lenz verhaalt, dat een in

de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong

naar een Muis, die, zonder dat zij door het katje gezien kon worden,

van den eenen struik naar den anderen liep over een gladden, steenen

vloer, waarop zij natuurlijk in 't geheel geen voor ons waarneembaar

gedruisch veroorzaakte. Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de

Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg.

Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel

geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch, arglistig dier,

en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een

onoverwinnelijken afschuw van haar. In den regel vergelijkt men

haar met den Hond, waarmede zij in 't geheel niet vergeleken mag

worden; omdat men bij haar niet dadelijk diens eigenschappen vindt,

bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van

te voren als een wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door

sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig

beoordeeld. Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid

gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met

de onderstaande, door Scheitlin gegeven karakterschets, die, hoe

men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient

wegens haar oorspronkelijkheid, en naar het mij voorkomt, zich door

een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van

den aard der Kat onderscheidt: "De Kat is een edel dier. Reeds uit

haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief

leeuwtje, een tijger in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn

evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan

haar reeds de geringste afwijking van den regel in het oog. Alles

is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit

de beschouwing van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een

fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en

verraadt een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige,

golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met scherpe

hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. 't Is alsof zij geen

beenderen heeft en uit niets anders dan een zachte stof bestaat. Groot

en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het

doen van zintuigelijke waarnemingen. Wij schatten de Katten gewoonlijk

veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen,

haar vijand, den Hond, hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen

houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden.

"Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste

eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als 't ware uit

één stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij,

met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte

slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht

bij 't loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer deze

krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam

als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid; zonder

ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot

aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste orde liggen; om

de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten

en strijkt zich vervolgens hiermede over den kop, zelfs de spits van

den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in

een door haar zelf in den grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam

hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en

is hiervoor geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke

zenuwen heeft.--Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden

van kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en

zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt. Zij

heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er

partij van. In de geheele buurt--in alle huizen, kamers, kelders,

onder alle daken, op alle hout- en hooizolders--is zij op bekend

terrein. Zij is een echt _huis_dier, meer gehecht aan het huis dan

aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert

weer naar 't oude huis terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar

huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd.

"Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en

kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond bespeurt,

krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen

glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden moed, gepaard aan

een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien

wil zij weg, den vijand ontvluchten, en springt daartoe, als zij in

de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien

zij echter jongen heeft, dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert,

vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem

erbarmelijk in de oogen, in 't aangezicht. Als in dezen tijd een Hond

haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen

op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in

dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam kan zij met

hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al

komen vijf of meer Honden haar insluiten, op haar aanspringen, toch

wijkt zij niet. Met één sprong zou zij gemakkelijk over hen heen

kunnen komen, maar weet, dat zij dan verloren zou zijn, want de Hond

kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben,

eindelijk weggaat, blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij

wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af

en weerstaat hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste,

gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte.

"Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging

om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid en

tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan

de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de Paarden,

maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed;

men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering brengen. Men

spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig

wacht zij doodstil voor het muizengat; listig kruipt zij ineen, wacht

lang,--het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van

de Kat fonkelen, toch bedwingt zij zich. Zij is zich zelf meester,

evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval.

"Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate;

zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid; zij

verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als

zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf. Als zij flink

uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en

komt weinig minuten later met onbezwaard gemoed terug. Toch gevoelt

zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na

voor de eerste maal haar bekwaamheid in het muizenvangen getoond te

hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en

aan de menschen te laten zien. Zij komt dan ook later met haar buit

in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid.

"Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook

wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk. Als iemand haar

uitmuntend bevalt--want zij kan innig liefhebben en ook innig haten--,

strijkt zij dikwijls haar wang en hare zijden langs de wang en de

zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen,

springt 's morgens vroeg op zijn bed, kruipt zoo dicht mogelijk

tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen

vertrouwen. Zij bijten en krabben dikwijls, wanneer men dit in 't

geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel

worden zij tot dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar

maar al te dikwijls in 't geniep plaagt, zonder dat zij den plager

weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond

is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet goedaardig is,

niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame

uitzonderingen, en zulke zijn er onder de Honden ook, ofschoon nog veel

zeldzamer. De uitdrukking 'valsche hond' is immers spreekwoordelijk

geworden, waar het een man geldt, evenals de benaming 'valsche kat'

voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt,

hebben dezen invloed ook op de meest volkomen dieren."

Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in 't

einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede maal in

't begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 à 6 jongen ter

wereld, die blind geboren worden en niet vóór den negenden dag leeren

zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het

begin van Mei plaats, de tweede in het begin van Augustus. Vooraf zoekt

de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of

niet gebruikte bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen,

vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt.

De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van

de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor de

nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen

oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra zij voor

hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen,

bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig, dat de poesjes er

nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost

alleen, om voedsel te halen. Vele Katten weten met hare eerste jongen

niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten

eerst aangegeven worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten

gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen,

is een uitgemaakt feit.

Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat

haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan, en zelfs

haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan

te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten opzichte van andere

dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden

van bekend, dat zoogende Katten jongen van Honden, Vossen, Konijnen,

Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten;

ik zelf heb als knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan

het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed

was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen,

een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde kind

onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed

mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne af met een echt

moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne

stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef, nadat deze reeds weggegeven

waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling

met verdubbelde liefde te beschouwen. Er ontstond tusschen de beide

dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind

begrepen elkander volkomen, de Kat riep op de haar eigen wijze, het

Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het

zijn pleegmoeder door het geheele huis en later ook in den tuin na.

Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men

doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer zij goed

en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan

den mensch. Er zijn Katten--ik zelf heb er eenige gekend--, die reeds

verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere

verhuisd zijn, zonder dat het haar in de gedachten kwam naar de oude

woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in

dit geval meer waarde heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra

zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe,

vleien en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op

allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij zeer

goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden,

en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk veel

welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige

Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters op een zeer aardige

wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb

twee Katers gekend, die zelfs de gasten van haar meesteres op hoogst

beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 à 15 minuten lang met hen

medegingen, dan echter na liefkoozingen en een welwillend gespin

afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met

menschen, maar ook met dieren vriendschap. Vele voorbeelden van de

innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak

met de welbekende spreekwijze.

Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk

dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het jaar 1859 had onze

Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht

en daar zorgvuldig voor aller oogen verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken

later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept

en loopt naar de deur, alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders

volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op

den hooizolder, komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het

eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop

hooi. De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek,

dat de Kat bijna in 't geheel geen zog meer had, en nadenkend over

een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest,

om hare meesters met de zorg voor haar kroost te belasten.

Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch

in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd wordt,

de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen

over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten en te

verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons

bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt. Wie nooit in een

bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust

rondspoken, weet in 't geheel niet, wat het zegt, een goede Kat te

hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder één dak gewoond en

gezien heeft, hoe volkomen machteloos de mensch tegenover hen is, als

men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze

afschuwelijke Knaagdieren geërgerd heeft, dan komt men langzamerhand

tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste

huisdieren is, en derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming,

maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. _Reeds de aanwezigheid

van een Kat is voldoende_, om de overmoedige Knaagdieren van streek te

brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat

hen van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel,

dat hen in den nek pakt, vóór zij nog iets van zijn komst gemerkt

hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom

liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis; doen zij het niet,

dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen.

Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen,

zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel niet

alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij,

althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze echter niet

op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters

verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden is, laat zij

ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers,

Sprinkhanen en andere Insekten eet zij tot afwisseling. Bij haar

jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals

alle leden van de Roofdieren-orde, maakt ook zij zich trouwens wel

eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog

jong en hulpbehoevend is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote

Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook

wel op de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met

de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden tot

ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan

een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast plundert,

zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de

waarde van de diensten die de Kat ons bewijst, echter veel grooter

dan de schade, die zij aanricht.

Van de _Kat_ (_Felis maniculata domestica_) bestaan weinig

verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest

voor: Effen zwart met een witte vlek midden op de borst; effen wit,

lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde

kleur getijgerd; effen blauwachtig grijs; lichtgrijs met donkere

strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig

bruine en koolzwarte (of grijze) vlekken. De blauwgrijze Katten

zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen;

de echte moeten echter zwarte teenkussens en aan de achterpooten

zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met

donkergrijze of zwartachtig bruine dwarsstrepen als een Tijger

geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die

op sommige plaatsen voor heksen aangezien en daarom gedood worden,

bijna zonder uitzondering wijfjes zijn.

De _Angora-kat_ (_Felis maniculata domestica angorensis_) wordt bijna

algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord;

zij is een der fraaiste Katten die er bestaan; zij onderscheidt zich

door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit,

geelachtig, grijsachtig of ook wel gemengd van kleur is; de lippen

en de zolen zijn vleeschkleurig.

Een enkele blik op het lichaam van den _Leeuw_, op de uitdrukking van

zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken,

die dit dier leerden kennen, van ganscher harte te doen deelen. De

_Leeuw_ is de "koning" van de viervoetige roofdieren, de heerscher

in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich met

het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet

beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw: de

geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in

de familie der Katten de eereplaats toe te kennen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 4 / 37 段