dikwijls wagen dierentemmers het, bij hen in het hok te gaan, en met
hen allerlei spelen of zoogenaamde kunstverrichtingen te doen. Dit
blijft echter altijd een gevaarlijke zaak. Als een echte Kat, toont de
Tijger zich tegenover hen die hem vleien, aanhankelijk en onderworpen;
ook beantwoordt hij wel liefkoozingen, of ontvangt ze althans zonder
ontevredenheid te toonen; toch valt op zijn vriendschap niet veel
staat te maken; waarschijnlijk laat hij zich slechts zoolang hij
de heerschappij van den mensch erkent, van dezen een behandeling
welgevallen, die met zijn eigenlijken aard in strijd is. Een
volledig vertrouwen, verdient hij nooit; men heeft niet zoozeer zijn
kwaadaardigheid, dan wel het ontwaken van het bewustzijn zijner kracht
te vreezen. Kwaadaardig, arglistig en valsch is hij evenmin als onze
Huiskat; hij laat zich echter evenmin als deze mishandelen, en stelt
zich te weer wanneer de behandeling die de mensch hem aandoen wil,
hem niet bevalt. Men mag van een Roofdier van zijn soort niet het
onmogelijke vergen.
Nog in den tegenwoordigen tijd laten de Indische vorsten gevangene
Tijgers met andere sterke dieren vechten, n.l. met Olifanten en
Buffels. Tachard zag zulk een strijd in Siam. In een door paalwerk
omsloten perk leidde men drie Olifanten, welker kop met een soort van
pantser bedekt was. De Tijger was reeds daar, werd echter nog door
twee touwen in zijne bewegingen belemmerd. Hij behoorde niet tot de
grootste, en trachtte, toen hij de Olifanten zag, zich te verschuilen,
kreeg echter van hen dadelijk eenige slagen met de slurf op den rug,
zoodat hij omviel en een tijd lang als dood bleef liggen. Toen men hem
losgemaakt had, sprong hij op, brulde en wilde zich op de slurf van
den Olifant werpen. Deze werd echter opgeheven door het reusachtige
dier, dat gelijktijdig den Tijger een stoot gaf met de slagtanden,
waardoor hij in de hoogte geslingerd werd. Nu durfde het Roofdier geen
aanval meer wagen, maar liep weg langs de palen en sprong hierbij op,
alsof het zich tusschen de toeschouwers wilde verschuilen. Ten slotte
dreef men alle drie Olifanten op den Tijger aan, en deze brachten hem
zulke slagen toe, dat hij nogmaals voor dood bleef liggen en zijne
aanvallers vermeed. Indien men geen einde gemaakt had aan den strijd,
zouden de woedende Dikhuidigen hem zeker gedood hebben.
De ouden leerden den Tijger eerst zeer laat kennen. In den Bijbel
wordt hij niet genoemd, en ook de Grieken wisten slechts weinig van
hem. Nearchos, een veldheer van Alexander _den Grooten_ had wel
is waar het vel van een Tijger gezien, maar niet het dier zelf;
de Indiërs wisten hem echter te verhalen, dat het zoo groot was
als het grootste Paard, en alle overige schepsels door vlugheid en
kracht overtrof. Eerst Strabo maakt eenigszins uitvoeriger melding
van den Tijger. Den Romeinen was hij tot aan Varro's tijd (111-26
v. C.) volkomen onbekend; toen zij echter hun heerschappij tot aan
het rijk der Parthen uitbreidden, leverden deze hun ook Tijgers, die
naar Rome werden gebracht. Plinius schrijft, dat Scaurus (in het jaar
11 v. C.) voor 't eerst een getemden Tijger in een kooi heeft laten
zien. Claudius had er vier. Later kwamen deze dieren vaker naar Rome,
en Heliogabalus spande ze zelfs voor zijn wagen, toen hij als Bacchus
zich aan het volk vertoonde. Avitus eindelijk liet in een schouwspel
vijf van deze dieren dooden, wat vroeger nog niet vertoond was.
Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn
geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten--waarvan
een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde--zijn uitgestorven. Een
Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende Kat--de
_Nevelpanter_ (_Felis nebulosa_), de _Harimau dahan_ ("Boomtijger")
der Maleiers--komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine
pooten, den kleinen zeer stompen kop met de afgeronde ooren en de
lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den
Koningstijger herinnert, dezen het meest nabij. Hij is echter niet
alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de
in 't oog loopend korte pooten en den staart, die even lang is als 't
lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw
of bruinachtig grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is,
zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het
onderlijf zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken
en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken
zich drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug
loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden
zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den
romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken met hoekigen
zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een
zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart met grijze vlekken. De
lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92
cM. Het verbreidingsgebied van dit dier is vrij uitgestrekt; het
omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden.
Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de
verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet men
hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel
slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren,
dat hij in 't geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine
Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten buit vallen,
moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote
schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde Nevelpanter bevond zich
in de Londensche diergaarde--een prachtig, tam, lief dier, waarmede
de oppasser omging, alsof het een goedaardige Huiskat was. Ik ken,
behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.
Dat de _Wilde Kat_ of _Boschkat_ (_Felis catus_) de stammoeder van onze
Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht,
wegens het groote verschil, dat er tusschen deze dieren bestaat. Door
andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een
gevolg van de domesticatie, d. i. als een gevolg van de veranderde
omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van
jaren, die er verloopen zijn, sedert het een huisdier is geworden. Al
dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere
lichaamsbouw en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is
dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter,
de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en
krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart van de Wilde
Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel
tot de spits, en hier als 't ware afgehakt of afgeknot; bij de Huiskat
echter wordt hij van 't midden tot de spits allengs dunner. Bij de
Huiskat is hij vóór de zwarte spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen
geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een
overlangsche, donkere streep, van onderen alleen aan de achterste
helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij
elkander komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den
staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte spits
drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft
geteekend met vier smallere en minder duidelijke ringen, die zich niet
over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5
maal, bij de Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.
Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan
de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de onbehaarde
ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter
deze een groote, van voren tweelobbige, van achteren drielobbige bal,
waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de
onbehaarde of weinig behaarde deelen van het aangezicht (van oogleden,
neus en lippen) zijn voor 't meerendeel zwart; de binnenzijde van
het oor is echter rood- of geelachtig wit.
De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt,
bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 cM., waarbij
30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en
zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus 1/3 grooter dan de Huiskat.
De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs,
soms zwartachtig, bij 't wijfje heeft zij een meer geelachtige
tint; het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde
roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het
voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin;
de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat zij
in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen
begint de zwarte streep, die zich over het midden van den rug en de
bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de
beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen uit, die een
weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De
buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte vlekken gestippeld; de
pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend,
hun kleur wordt in de nabijheid van de teenen geler; de binnenzijde
van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies
(van het oog) is geel; over dag is de pupil spleetvormig.
De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering
van het hooge noorden van Skandinavië en Rusland. In Duitschland is
zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner
van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt zij,
van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot
diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen ten
naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt
men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen begroeide
Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan
in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig, in Frankrijk,
in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men
heeft haar niet eens in Groot-Britannië geheel kunnen uitroeien. Voor
zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar
verbreidingsgebied zich niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten
Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgië (Grusia)
waargenomen; haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet
gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral
in donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te
duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige woudstreken geeft
zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste
schuilplaatsen verschaffen. Bovendien bewoont zij holen van Dassen
en Vossen of groote holen in dikke boomen.
Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog
niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders altijd
alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen
levensonderhoud te jagen.
Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met
uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig, onhoorbaar
naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en
middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met de list, die aan alle
Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in
zijn leger en het Konijn vóór zijn hol, misschien ook het Eekhoorntje
op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de
halsslagaders door. Als zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het
dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in
dit opzicht is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers
bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine
Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan:
een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge Reeën en Edelherten
overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de
oevers van meren en beken loert zij ook op Visschen en watervogels,
en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk
wordt zij in wildparken, het schadelijkst nog in fazantentuinen.
In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over 't algemeen een
gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt, even bloeddorstig
is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan
ook door de jagers fel gehaat en zonder genade vervolgd; want geen
jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen
aanbrengt, van eenige beteekenis. Hoeveel van deze schadelijke dieren
zij vernielt, kan blijken uit een bericht van Tschudi, inhoudend,
dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen
gevonden heeft. De drek van zulk een dier, die door Zelebor onderzocht
werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren
van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel, Hamster, Kat, Water-,
Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van
lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en boschvogels. Kleine Zoogdieren
vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en,
daar onder deze de Muizen veelvuldiger zijn dan alle overige, is
het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt,
werkelijk grooter is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen,
mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende
wijze samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den
regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige; haar
werkzaamheid bevoordeelt _niet_ onze jacht, maar wel onze bosschen.
De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als 't ware
hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk
op drijfjachten gedood. "De grootste moeite kost het," zegt Zelebor,
"een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de
sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke handschoenen
beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten
noodig, om de Kat er uit te trekken en in een zak te steken." Ik
moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig
voorkomt, daar alle andere berichten hierin overeenkomen, dat met
een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. Winckell geeft den
jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede
schot niet te sparen, indien het eerste niet onmiddellijk den dood
veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer
weg kan komen, en haar ook dan nog door eenige flinke tikken op den
neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich
verder met haar bemoeit. Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in
't nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. "Neem u wel in acht,
schutter," schrijft Tschudi, "en tracht het beest goed te raken! Als
de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak
dorstend op, nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en
opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt
op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch,
liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken kan, en
zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig
vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt, dikwijls vrijwillig
van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De
woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls scheuren in de huid,
heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich
met de hardnekkigste woede, zoolang er nog een vonkje van haar taai
leven over is."
Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig _verwilderde_
Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de
bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter nimmer de grootte
van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de
gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid, betreft, staan zij
niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij,
ingeval hare voorouders gedurende vele opeenvolgende geslachten in
't wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en
teekening op haar Afrikaanschen stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor
ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht
der verwilderde voorouders was. Alleen ontbreken haar de als 't ware
afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der
zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen
duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden te doen.
De stammoeder van onze Huiskat, de _Nubische Kat_ (_Felis maniculata_),
werd door Rüppell ontdekt in Nubië aan de westzijde van den Nijl, bij
Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen
met boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel
Soedan, in Abessinië, in het diepste binnenland van Afrika en ook
in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den
hieronder begrepen staart is een weinig meer dan 25 cM. Dit zijn wel is
waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar
toch komen zij die van "Poes" tamelijk nabij. Ook door de teekening
van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van
onze Huiskat.
De mummiën van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die
op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische bouwvallen
voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt
te blijken, dat zij het was, die door de oude Egyptenaars als huisdier
werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit
het zuiden van Nubië naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabië en
Syrië, later over Griekenland en Italië naar het westen en noorden
van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de
reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen.
Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de
Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens,
die Schweinfurth in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne
mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor
dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus
het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke
vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier
beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat in den
eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde
doel, als waarvoor deze dient, half of geheel getemde Nubische Katten,
die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten
tijd zoozeer getemd worden, dat zij zich aan de woning gewennen en in
de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen,
die hier buitengewoon talrijk zijn.
"De Kat," zegt Ebers in zijn "Egyptische Konings-dochter", "was
waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de
Egyptenaars vereerden. Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk
vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen
in den reuk van heiligheid. Herodotus verhaalt, dat de Egyptenaars,
als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten,
voordat hun Kat gered was, en dat zij als bewijs van rouw zich de
haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde,
werd, onverschillig of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk
gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. Diodorus bericht als
ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die
een Kat gedood had, van het leven beroofden, hoewel de gezaghebbenden,
om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan,
om het volk tot bedaren te brengen. De lijken der Katten werden op
kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde
dieren zijn er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de
zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten."
De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de
veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars,
en niet door de oude Indiërs of door de Noordsche volken, getemd
werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze temming
door afbeeldingen, opschriften en mummiën bepaalde berichten;
de geschiedenis van de andere volken levert in dezen niet eens
steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening
wordt mijns inziens ook nog ondersteund door het feit, dat men in de
begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummiën vindt, maar ook van
den Moeras-Los; wijl hierdoor het bewijs wordt geleverd, dat men ten
tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend
met de vangst en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde
Katten bezig hield. Vóór den tijd van Herodotus komt de naam van de Kat
bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit,
dat deze naam door latere Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld
wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam
verbreid heeft. De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de
eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet men
o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet Mohammed is
geweest. In het noorden van Europa was zij vóór de 10e eeuw bijna in
't geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten van Wales bevat
een verordening, waarin de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen,
waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd,
vastgesteld zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang,
omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer
kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de
Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt mag worden;
want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet
moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge dieren van deze soort,
als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen.
Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die
door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste
gedeelten der wereld en, naar Tschudi bericht, van den hoogsten gordel
der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de
geheele wereld rond, ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts;
overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch,
van zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van
beginnende beschaving.
Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar
zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan den
mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich
met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht aan het _gezin_,
hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter
wordt haar gehechtheid aan het _huis_, waarin zij groot gebracht
werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en
huiselijk wordt. Waar zij aan zich zelf overgelaten is, komt het niet
zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich
in de bosschen begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij
't begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere
woning terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende
haar verblijf in 't bosch ter wereld bracht. Het komt echter vooral
in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in 't geheel
niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer zij in zijn woning
is teruggekeerd. Zoo leiden, naar Rengger mededeelt, de Katten in
Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk
verwilderde Katten in de bosschen voor; zelfs zijn zij verdwenen uit
de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken
achtergelaten werden.