op elken tijd van den dag rond, zij het dan ook, dat hij aan de uren
kort vóór en kort na zonsondergang de voorkeur geeft. Op plaatsen
waar de wilde dieren komen drinken of zoutlekken, op landwegen,
woudpaden en dergelijke legt hij zich bij voorkeur in hinderlaag. In
het zuidoosten van Siberië bezoekt hij gedurende den zomer iederen
nacht de plaatsen waar het zout aan de oppervlakte van den bodem
uitweert, omdat hij, even goed als de daar woonachtige jagers,
weet, dat de Herten hier gewoon zijn te komen om zout te likken; daar
ontmoet hij dan ook dikwijls jagers, die hetzelfde voornemen hebben als
hij. Met uitzondering van de sterkste Zoogdieren, zooals Olifanten,
Neushoorndieren, Wilde Buffels en misschien andere Roofdieren, is
geen lid zijner klasse veilig voor hem: hij overvalt de grootste,
en is ook tevreden met de kleinste. Soms beproeft hij evenwel zijne
krachten aan den buitengewoon sterken Wilden Buffel; in den strijd met
dit dier, vooral met het mannetje, delft hij echter niet zelden het
onderspit; ook door een ouden, goed gewapenden mannetjes-Ever wordt
hij, volgens sommige berichtgevers, nu en dan leelijk toegetakeld. Ook
vergrijpt hij zich wel eens aan een Beer; bij voorkeur maakt hij
echter jacht op Wilde Zwijnen, Herten en Antilopen. In tijd van nood
eet hij al wat kruipt en vliegt: bij overstroomingen in Bengalen
voedt hij zich met Visschen, Schildpadden, Hagedissen en Krokodillen;
Simson vond de maag van een door hem gedooden Tijger met Sprinkhanen
volgepropt. Zelfs Kikvorschen worden, naar men zegt, niet door hem
versmaad; wanneer gedurende den winter in de noordelijkste gedeelten
van zijn verbreidingsgebied het wild schaarsch wordt, gaat hij om
zijn honger te stillen op de muizenjacht. Alle dieren hebben dus
deugdelijke redenen om wegens hem op hun hoede te zijn.
Gelijk bij ons de Kraaien en allerlei kleine Vogels, de gevederde
roovers van de lucht luid schreeuwend vervolgen, zoo laten ook vele
dieren in de tropische gewesten zich hooren, als zij den Tijger
opmerken. Zij kennen hem, en weten bij ervaring, wat hij op 't oog
heeft, als hij begint rond te sluipen. Forsyth en anderen brengen
voorbeelden bij van de wijze waarop hun jacht door de hulp van de
Apen begunstigd werd. "Eens," zoo verhaalt Forsyth, "werd ik bij het
vervolgen van een Tijger, die in een uitgedroogde regengeul liep,
uitstekend geholpen door de talrijke Hoelmans, die in het struikgewas
langs den oever vruchten plukten. Zoodra zij den Tijger onder zich
zagen, snelden zij de eene na den anderen op de naastbijgelegene
boomen toe, klommen tot in de hoogste takken, schudden deze hevig,
en schimpten en tierden zoo sterk tegen den rustverstoorder in de
diepte, dat men ze op grooten afstand hooren kon. Iedere bende bleef
leven maken, totdat zij den Tijger uit het gezicht verloren had,
en de naastbij wonende hem op dezelfde wijze van uit hare boomkruin
begroette, daarna keerde zij bedaard naar den grond terug en ging weer
aan het bessen plukken, alsof er niets gebeurd was. Op deze wijze
nauwkeurig op de hoogte gehouden van den weg dien de Tijger volgde,
kon ik daar, waar de geul een bocht maakte, dwars oversteken, het
Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam
hij voor den dag met lange schreden, den staart tusschen de pooten, en
zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar;
zijn geweten was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het
gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof
hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging."--Een
kogel maakte een einde aan zijn loopbaan.
De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij
die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt,
klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald
wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden "A-o-oeng" voort,
die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt,
voorts een luid "Ha-oeb" of "Wau," als hij verrast en verschrikt wordt,
verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten
gelijkenden, korten schreeuw, die woede te kennen geeft, en dien hij
bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot.
De Tijger is over 't algemeen geen moedig dier. Meestal is hij
niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig,
hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die
voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op de vlucht,
andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen;
voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk geen enkele
Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen
als een zeer gemakkelijk te overmeesteren schepsel, en kan dan zeer
gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze
personen beloert en deze onverwachts overvalt. Zoo wordt hij in sommige
gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal.
Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de
bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet
zelden wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad
Singapoer, die in 1824 door Sir Stamford Raffles gesticht werd op
een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een
klein visschersdorp tot een stad van meer dan één millioen inwoners
heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar
geen Tijgers gevonden. In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was
zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal,
dat het eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er
zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren
worden verslonden.
Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers
gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote vrees, die zelfs
deze van menschenvrees over 't algemeen vrije dieren voor het vuur
en voor een troepje vastberaden mannen koesteren, een geregelde
gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk
door Tijgers geteisterd worden, nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de
nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op
klaarlichten dag menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo
beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar
loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven
leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren, zooals herders,
houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg
over hunne kudden. Ook de postboden zijn er slecht aan toe.
Tegen het einde van het tijdperk 1860-1870 huisde in Maisoer een
menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger een
treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer
grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed gemikte kogel
hem trof. Forsyth bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental
jaren de Centrale-Provinciën van eenige menscheneters, welker daden
hij verhaalt. De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners
van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen
met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van
50 à 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen geroofd hebben,
vóór het Forsyth gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied
roofde, volgens Fayrer, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869
resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand
geweer hem doodde. Een Tijgerin verdreef de bewoners van 13 plaatsen,
stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante
KM. en wist op de listigste wijze aan alle vervolgingen te ontkomen,
totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten.
Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen,
niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn.
De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden
buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest verschillende
omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft
over den aard en de handelingen van de Tijgers in Indië. Nu het
aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden--er zijn zelfs
dames onder--, zeer groot geworden is, hebben de oude jachtverhalen
en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van
hun waarde verloren, en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van
ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden.
Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een
vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men deze
Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone
levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders, de
veeroovers en de menscheneters.
De _wilddooder_ vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt
zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van
den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood
gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere Tijgers; hij
trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden
andere verblijfplaatsen opzoekt, van de eene landstreek naar de andere,
naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij
aan de jachtliefhebbers een dikwijls zeer onaangename concurrentie
aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer,
daar hij hem in zekeren zin voor "veldkat" dient, en meer bepaaldelijk
de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen
de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in
den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere Tijgers, ofschoon
ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen
verreweg de talrijkste afdeeling, en verzamelen zich gedurende den
heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen.
De _veeroover_ zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn
buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven
worden of des nachts toevallig los in 't dorp rondloopen. Daar de
boeren gewoon zijn hun vee vóór het invallen van de duisternis naar
een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op
klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van den namiddag,
te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt
zijn jachtgebied zich in den regel slechts over eenige dorpen uit;
in 't tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een
landschap van Maisoer, dat ongeveer 40 KM. lang en 20 KM. breed was,
leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het
spreekt van zelf, dat zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen,
en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze
toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig
geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven bepalen; hij kiest
zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed
verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier. Met de dorpelingen leeft hij
op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden
of vijfden dag ontneemt hij hun een Rund.
Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de
schade bepalen. Daar de Hindoes in 't geheel geen Runderen dooden, zijn
er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren,
die niemand voordeel aanbrengen, maar veeleer schade opleveren, omdat
zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden
zij nog het best besteed, wanneer zij als voedsel voor de Tijgers
dienen.--Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de
Herten en Zwijnen voeren, zou het in vele districten in 't geheel niet
mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom
zijn de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als
van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers, die
hun als 't ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen,
al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende, buitengewoon
sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van
Sanderson neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om
het lijk stonden: "Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig
kwaad gedaan."
_De menscheneter_ is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die
ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door
ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms
is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje (vermoedelijk omdat
dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een
of andere wijze verminkt is en daarom niet meer op de gewone wijze
aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en
overmeesterd worden dan een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer
hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi
neemt, zoodra hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding
gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder
ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is,
evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak en mager zijn.
De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een
menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden
heen gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achtergeblevene
veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen
te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed
dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal, is hij
even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en
valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij zeer goed te
onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze
beter dan de andere Tijgers de gebaren van den mensch begrijpt, is hij
moeielijker te jagen. "Deze vreeselijke geesel", schrijft Sanderson,
"voor de vreesachtige en ongewapende Indiërs wordt thans gelukkig
zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort men bijna
niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester.
"Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem
op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier, verdelgt. Men
meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij
het volk verbreide meening bestaat echter geen voldoende grond. Wel
is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste
veeroovers met alle mogelijke middelen op te sporen en te dooden;
gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; zij hebben
zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk
geen Tijgers meer bestaan!"--Als ambtenaar belast met de vangst van
Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman
wegens zijn beroep in de wildernis te midden van de wilde dieren leven;
hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten
van Indië en is hierdoor beter dan de meeste menschen bevoegd om
in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen
te meer overwogen te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is,
die tot deze slotsom geraakt. Sherwill zegt ronduit: "De Bengaalsche
Tijger is over 't algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat
alleen boosaardig en gevaarlijk wordt, wanneer het gewond is. Zelden
valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters
komen in Bengalen nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken
der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta." Ook Fayrer,
die voor 't overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent,
verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de tijgerjacht niet
vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland.
Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger
anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk was. Hij is
een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indië) meer voordeel
doet dan schade, en dat slechts in zeldzame gevallen het "toonbeeld
van verschrikkelijkheid" wordt, waarvoor tot dusver alle leden van
deze soort zonder onderscheid aangezien werden.
Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk
op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld, n.l. door op
een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met
een verraderlijken sprong op het slachtoffer neer te storten. De
goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij
onverwachts plaats heeft. Een dier, dat door den Tijger beloerd of
bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer
verwijderde prooi tracht hij met snelle sprongen te bereiken, een
vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote
dieren, de spieren en peezen van de achterpooten door woedende slagen
met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht
geslagen en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit
te komen, om het nogmaals te overvallen.
De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt,
in een schuilhoek te midden van de struiken of van het riet te sleepen;
soms _draagt_ hij haar zelfs over een korten afstand. Sanderson staat
er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger
een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei struiken heen meer
dan 300 schreden ver _gedragen_ heeft. Als hij niet gestoord wordt,
vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan,--volgens betrouwbare berichten
ongeveer 30 KG. vleesch in één maal. Gewoonlijk begint hij aan een
achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl
hij zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige
stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft hij
zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan 't waden is, den
kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en gorgelend, alsof
hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in
slaap; hij wijdt zich met een zekeren wellust aan de spijsverteering
en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of
althans tusschen 4 en 9 uur 's namiddags, keert hij naar zijn buit
terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over
is; want ook aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt
een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering
nemen zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon
lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die
in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer
honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op den vijfden
dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp van
Olifanten gedood worden. Ofschoon zij bij zeer warm weder, aan alle
zijden door wachtvuren omringd, zoomin voedsel als water hadden,
en ook aan hunne wonden leden, gaven zij toch tot in hun laatste
levensuur bewijzen van hun kracht.
Behalve door de gewone jacht tracht men deze Roofdieren ook op vele
andere, ten deele zeer eigenaardige wijzen te dooden. Allerlei soorten
van vallen zijn hiervoor in gebruik, vooral valkuilen kunnen goede
diensten bewijzen. Vroeger werd midden in zulk een kuil, die later met
takken en bladen zorgvuldig bedekt wordt, een van boven scherp gepunte
paal in den grond geslagen; maar nadat een ongelukkige wandelaar den
dood had gevonden door op zulk een staak te vallen, werd het gebruik
ervan in de nabijheid van Singapoer verboden. Op Java maakt men,
naar Haszkarl mij bericht, groote vallen van boomstammen en voorziet
deze met een vastgebonden, levend geitje als lokaas. De Tijger, door
het geschreeuw van dit diertje aangelokt, kruipt na eenige aarzeling
in de val en tracht den buit weg te nemen; zoodoende trekt hij aan
een touw en veroorzaakt hierdoor het dichtslaan van de valdeur. Op
Sumatra stellen de inboorlingen, volgens H. O. Forbes, een lans,
die met een veerende en sterk gespannen stang verbonden is, op zulk
een wijze, dat het wapen met groote kracht door het lichaam van het
dier gedreven wordt, wanneer het door een gat in de omheining van
het dorp wil kruipen en daarbij tegen een touw drukt. In Assam legt
men, naar O. Flex verhaalt, met goed gevolg bij de plaats, waar het
dier gewoon is te drinken, een boog met vergiftigden pijl, die bij
aanraking van het toestel in 't lichaam doordringt, en zelfs bij
de geringste verwonding den dood teweegbrengt. Zoowel de Europeanen
als de inboorlingen die vuurwapens bezitten, brengen verder op veel
gebruikte wildpaden of op andere plaatsen waar een lokaas zich bevindt,
automatisch afgaande geweren aan, die zeer goed aan de verwachting
voldoen. In den laatsten tijd wordt dikwijls gebruik gemaakt van
strychnine om den Tijger zonder moeite en gevaar te verdelgen;
dit vergif werkt echter, naar men zegt, niet meer, als het hiermede
vergiftigde vleesch begint te verrotten.
Het voordeel dat een geoefende tijgerjager door zijn jacht
behaalt, is niet onaanzienlijk. Zonder nog melding te maken van
de belooning, die den gelukkigen schutter ten deel valt, kan hij
bijna alle lichaamsdeelen van den Tijger gebruiken, vooral het
vet, waarvan het dier gemiddeld 4 à 6 Liter bevat, en dat door de
inboorlingen van Indië beschouwd wordt, als dienstig tegen rheumatiek
en eenige ziekten van het vee. Hier en daar wordt voorts het vleesch
gegeten. Jagor verzekert, dat het volstrekt niet wansmakelijk is. In
eenige landen stelt men meer prijs op de tanden en klauwen, het vet
en de lever, dan op het vleesch en de beenderen. De tanden worden
door de Schikaris niet alleen als bijzonder kostbare zegeteekenen,
maar ook als middelen tot beschutting tegen aanvallen van Tijgers
beschouwd. De klauwen, in goud of zilver gevat, worden door Aziatische
en Europeesche dames als sieradiën gedragen. Het vel wordt, met de
een of andere looistof toebereid en met een middel tot wering van
de Insecten voorzien, gedroogd en komt zoo meestal in de handen van
Europeanen of Chineezen. De Kirgisen schatten het hoog en versieren
er hunne pijlkokers mede. In Europa vertegenwoordigt, volgens Lomer,
een tijgervel thans een waarde van 700 à 800 gulden, wanneer het zich
door grootte, fraaiheid en volledigheid onderscheidt.
De paartijd van den Tijger verschilt naar het klimaat van het door
hem bewoonde land, maar valt in noordelijke gewesten geregeld ongeveer
drie maanden vóór het begin van de lente in. In zuidelijke landen is
de paring aan geen bepaald jaargetijde gebonden, zooals blijkt uit
waarnemingen, die vooral in Indië verricht zijn. Omstreeks 100 à 105
dagen later brengt het wijfje 2 à 3, somtijds 4, ja zelfs, naar men
zegt, in enkele, zeldzaam voorkomende gevallen niet minder dan 5 of
6 jongen, op een ontoegankelijke, dicht met planten begroeide plaats
ter wereld. De diertjes zijn bij hun geboorte half zoo groot als een
Huiskat en, evenals alle jonge Katten, bekoorlijke schepseltjes. In
de eerste weken verlaat de moeder de geliefde kleintjes alleen dan,
als zij in hooge mate door den honger gekweld wordt; zoodra echter
het kroost wat grooter geworden is en ook naar vast voedsel verlangt,
strekt zij hare strooptochten verder uit.
"Jonge Tijgers," zegt Sanderson, "zien er allerliefst uit en zijn
buitengewoon goedaardig; men moet ze echter uit het nest nemen, voordat
zij een maand oud zijn en voordat zij met het leven in de wildernis
en met de vrees voor menschen bekend geworden zijn, anders kunnen zij
niet meer volkomen getemd worden. Zij toonen een groote gehechtheid
aan hun meester, volgen hem overal, liggen onder zijn stoel en geven
door een eigenaardig vroolijk gesnuif hun tevredenheid te kennen,
als hij ze liefkoost. Zoodra men hen met vleesch begint te voeden,
willen zij nooit meer iets anders gebruiken, en trekken, hoe jong zij
ook zijn mogen, voor den melkpot den neus op. Het is mij voldoende
gebleken, dat de meening, volgens welke zij door het gebruik van rauw
vleesch verwilderen, ongegrond is. Waar is het, dat zij alleen bij
gebruik van zulk voedsel uitstekend gedijen; als zij het in voldoende
hoeveelheid krijgen, kan men zeer goed met hen omgaan. Als zij vier
maanden oud zijn, hebben zij reeds een vrij aanzienlijke grootte en
kracht; men kan ze echter gerust nog veel langer laten rondloopen. Een
paartje hield ik op deze wijze, totdat het 8 maanden oud was; zij
speelden zeer lief met elkander, met de menschen en met een tammen
Beer. Volgens mijn ervaring zijn tamme Tijgers, die op deze wijze
opgevoed zijn, niet valsch en niet roofzuchtig; ook hebben zij geen
aanvallen van wildheid, als zij maar rijkelijk gevoederd worden. Ik
had er eens een van aanzienlijke grootte, die ik er aan gewend had in
mijn slaapkamer te slapen. Nadat ik ingeslapen was, sprong hij niet
zelden bij mij in 't bed, maar nam het mij nooit kwalijk als ik hem
hiervoor stompte en weer uit het bed wierp."