Bij 't vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Vierde Orde.

De Roofdieren (Carnivora).

Grooter rijkdom van vormen dan die, welke de orde der Roofdieren

aanbiedt, komt misschien in geen andere Zoogdieren-orde voor. Bijna

alle lichaamsgrootten, die gelegen zijn tusschen de middelmatige,

en een, die de kleinste maar weinig overtreft, zijn in deze

orde vertegenwoordigd, de meest verschillende gedaanten in haar

vereenigd. Van den geweldigen Leeuw tot den kleinen Wezel--welk een

aantal tusschenvormen, welk een verscheidenheid van ontwikkeling! Hier

de evenredig gebouwde, lieftallige Kat, daar de logge Hyena; hier

de slanke, sierlijke Civetkat met haar fijne, gladde huid, daar de

krachtige, grove Hond; hier de logge, langzame, zwaarwichtige Beer,

daar de behendige, vlugge en lichte Marter: hoe kunnen zij alle

tot één groep behooren?--En hoe kunnen zij alle in één beschrijving

samengevoegd worden, zij, die deels op den bodem, deels op de boomen,

deels in het water wonen en leven? En toch moeten wij ze in verband

met elkander behandelen.

Bij alle Roofdieren merkt men zoowel in den lichaamsbouw als in

de geestesgaven bij alle verscheidenheid een in 't oog loopende

gelijkvormigheid op. Omgekeerd kan men uit de gewoonten, die al

deze dieren in meerdere of mindere mate gemeen hebben, uit de

overeenkomstige levenswijze en uit de gelijkheid van 't voedsel

afleiden, dat bij hen de vermogens van het lichaam--voortvloeiend

uit het maaksel der ledematen, van het gebit en van de

spijsverteringsorganen--zoowel als die van den geest in hoofdzaak

gelijkaardig moeten zijn. Van misvormingen en vreemdsoortigheden,

van caricatuurachtige wezens en afkeerwekkende gestalten worden in

de orde der Roofdieren bijna geen voorbeelden aangetroffen.

Hunne ledematen staan met het lichaam en onderling in evenredige

verhouding; zij hebben ieder 4 of 5 teenen, die steeds met meer of

minder krachtige, scherpe of stompe, in scheeden terugtrekbare of vrij

liggende klauwen gewapend zijn. De groote volkomenheid der zintuigen

is in 't oog vallend, hoe verschillend hun ontwikkeling ook moge

schijnen. Het gebit, dat uit alle drie soorten van tanden bestaat,

bevat krachtige, scherpe--deels meer of minder slanke en éénspitsige,

deels scherp getakte--in en tusschen elkander grijpende tanden, die

met lange wortels stevig bevestigd zijn in forsch gebouwde kaken,

waarvan de onderste door krachtige spieren bewogen wordt.

De maag is altijd enkelvoudig, niet in afdeelingen verdeeld, de

darm gewoonlijk kort of middelmatig lang, de blinde darm altijd

kort. Eigenaardig zijn bij sommige Roofdieren de aarsklieren, welke

een sterk riekend vocht afscheiden, dat evenzeer een middel is om

zich te verdedigen tegen sterkere als tot het aanlokken van zwakkere

dieren; deze klieren leveren soms een vettige stof tot het inwrijven

van het vel.

Bij het nauwkeuriger ontleden van de Roofdieren merkt men de volgende,

meer of minder voorkomende eigenaardigheden van lichaamsbouw op. Het

skelet, is in weerwil van de lichtheid en sierlijkheid van vele

leden dezer orde, betrekkelijk stevig. Het geraamte van den kop is

langwerpig; het schedelgedeelte is ongeveer even sterk ontwikkeld

als het aangezichtsgedeelte. De krachtige kammen en lijsten als ook

de gewelfde en tamelijk ver van den schedel afwijkende jukbogen

verschaffen aan de krachtige kauwspieren de voor hun bevestiging

vereischte oppervlakte. De oogholten zijn groot, de gehoorblazen

gezwollen, de beenderen en kraakbeenderen van den neus zeer uitgebreid:

aan de drie hierbij behoorende zintuigen wordt dus de noodige

ruimte aangeboden voor hun volledige ontwikkeling. Aan de wervels

merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op;

de lendewervels vergroeien dikwijls bijna volkomen met elkander; het

aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen

vertoonen, in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een

groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle

vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging.

De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan

dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor

hij geschikt wordt voor 't wroeten in den grond. Tevens zijn dan

de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven: de

bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere

soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren in staat

om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen

voor 't zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige terugtrekbaar,

gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken

zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen vormen. Andere soorten

hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de

beschutting van den voet of voor het woelen en graven in den grond

kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter

vast kan houden. Het gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan

de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen;

het kan hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede

bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige spieren en

pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning

in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze uitgebreide en

behendige bewegingen toelaat.

Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij

uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar; dit

gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige

zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen, dat bij alle

Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk,

bij andere het gezicht, bij enkele het gehoor op bewonderenswaardige

wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke

rol. Twee zinnen zijn in den regel zeer scherp: in de meeste gevallen

zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht.

De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke

begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig verstandige

wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich

weldra de list en de kunst van veinzen eigen maken, die voor hun

roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat

het bewustzijn van hun kracht hun moed en zelfvertrouwen verschaft,

welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen

worden. Maar juist uit deze eigenschappen vloeien weer andere voort,

die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels.

Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij

hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht, weldra wreedheid

en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst

in den vollen zin van 't woord; deze hartstochten bezielen hen in die

mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is.

Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest

stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De Roofdieren wonen

en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de

kronen der boomen, op de gebergten zoowel als in de vlakten, in het

woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer

als in zuidelijke. Men treft onder hen even volkomene nachtdieren als

dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht

der zon, nog andere in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken.

Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer

openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het, overvallen

het onverwachts--hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo

lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling, om door hun verschijnen

niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het

bewustzijn van hun zwakheid gedreven om zoo schielijk mogelijk een

schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts

bespeuren. Hoe meer zij van het daglicht houden, des te vroolijker,

levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij

aan den nacht de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger,

schuwer en ongezelliger zijn zij.

Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering

gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige

voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men

"alleseters" en "vleescheters"; deze namen zijn echter niet volkomen

steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan

een flink stuk vleesch als de grootste en wildste Roofdieren. Alle

leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers

en moordenaars, onverschillig of zij kleine dan wel groote dieren

dooden; zelfs zij, die van plantaardig voedsel houden, toonen, als

de gelegenheid schoon is, dat zij geen uitzondering willen maken op

den regel der orde, wat roof en moord betreft. Het ligt in den aard

der zaak, dat er tusschen de Roofdieren, wat betreft de keuze van het

voedsel, of beter gezegd van den buit, even belangrijke verschillen

bestaan als ten aanzien van den lichaamsbouw, het vaderland, de

verblijfplaats en de levenswijze. Slechts weinige klassen van het

dierenrijk blijven voor de aanvallen en belastingheffingen dezer

roofridders beveiligd. De grootste en sterkste leden van de orde

bepalen zich meestal tot Zoogdieren, zonder evenwel andere dieren te

versmaden. Niet eens de Leeuw voedt zich uitsluitend met Zoogdieren;

de overige Katten betoonen zich nog minder kieskeurig dan hij. De

Honden, die eigenlijk echte "vleescheters" zijn, breiden hun jacht

nog verder uit dan de Katten; onder de Civetkatten en Marters vinden

wij reeds eenige soorten, die zich uitsluitend voeden met Visschen

en Amphibiën; de Beren eindelijk zijn echte "alleseters"; zij eten

werkelijk met evenveel smaak plantaardig als dierlijk voedsel. De

Gewervelde Dieren evenzeer als de Ongewervelde vinden dus onder de

Roofdieren hunne liefhebbers of liever hunne vijanden. Onverschillig

waar deze dieren zich ophouden, op den vasten grond of in het water of

tusschen de takken der boomen, in het noorden of in het zuiden, hoog

boven of beneden de oppervlakte der aarde: de Roofdieren verbreiden

overal den dood om zich heen, hun rooven en moorden wordt door niets

gestuit. Zij moeten leven en de zwakke moet voor den sterke onderdoen.

Bij eenige Roofdieren komt, naar men meent, een echte samenleving van

het mannetje met het wijfje voor; bij geen hunner duurt dit verbond

echter levenslang. Het bestaat bij eenige Katten en Marters niet

alleen gedurende, maar ook na den paartijd; in dit tijdperk zijn de

beide ouders enger verbonden dan gedurende den overigen tijd van het

jaar, gezamenlijk voeden, beschermen en verdedigen zij de jongen. Bij

andere, en wel bij de meeste Roofdieren, is de vader gewoon zijne

spruiten als een welkomen buit te beschouwen; hij moet door de moeder

teruggedreven worden, als hij de schuilplaats zijner nakomelingschap

toevallig ontdekt heeft; in dergelijke gevallen is de moeder natuurlijk

de eenige verzorgster van het kroost. Het aantal jongen van één worp

wisselt aanmerkelijk af; het bedraagt echter slechts bij uitzondering

niet meer dan één. Bij nagenoeg alle Roofdieren worden de jongen

blind geboren, en zijn gedurende geruimen tijd zeer hulpbehoevend;

zij ontwikkelen zich echter daarna betrekkelijk vlug. Hun moeder geeft

hun een vrij uitvoerig onderricht in haar bedrijf; zij begeleidt en

beschermt hen steeds zoo lang, als zij nog niet in staat zijn, om

voor zich zelf te zorgen. Bij dreigend gevaar dragen eenige, maar

zeer weinige moeders haar kroost in de armen of op den rug mede,

de overige sleepen het met den bek weg.

De mensch leeft met bijna alle soorten van Roofdieren in openlijken

strijd. Hoogst weinige van hen heeft hij door temming dienstbaar

trachten te maken; met één hunner is hem dit echter in zoo hooge

mate gelukt, dat er in het geheele dierenrijk geen tweede hiermede

overeenkomend geval te vinden is. Verreweg de meeste worden met meer

of minder recht als schadelijke dieren beschouwd, fel gehaat en daarom

zonder genade vervolgd; zeer weinige worden verschoond. Van sommige

wordt het vleesch of het vet gegeten, van andere wordt de prachtige

pels tot kostbare kleedingstukken gebruikt; in zulke gevallen kan men

tegen het dooden van deze dieren niets inbrengen; betreurenswaardig

is het echter, dat sommige Roofdieren, die niet slechts onschadelijk,

maar zelfs nuttig zijn, miskend worden; zij zijn de slachtoffers van

de blinde vernielzucht van den mensch. Reeds hierom verdient deze

orde door iedereen zorgvuldiger waargenomen te worden, dan tot dusver

geschiedde; het leeren onderscheiden van vrienden en vijanden moet

steeds van groot belang geacht worden.

Niemand zal een oogenblik in twijfel verkeeren, aan welke familie

van Roofdieren hij de eer zal gunnen aan de spits der geheele reeks

te staan. Ieder denkt hierbij aan een Kat, die reeds door de ouden de

"koning der dieren" werd genoemd, aan den Leeuw, en geeft hem gaarne

de voorkeur; daarom behandelen wij in de eerste plaats de familie

der _Katten_ (_Felidae_).

Van alle Roofdieren hebben de Katten de meest volkomene

roofdiergestalten. Een dergelijke evenredigheid tusschen de ledematen

en den stam, een even groote regelmatigheid en evenmatigheid van

lichaamsbouw, als bij haar, treft men bij de overige Roofdieren niet

aan. Bij haar is ieder lichaamsdeel lieftallig en sierlijk; juist

daarom bevredigt het geheele dier ons schoonheidsgevoel in zoo hooge

mate. Wij kunnen zonder gevaar voor vergissing onze Huiskat als type

van de geheele groep beschouwen.

De lichaamsbouw van de Kat mogen wij bekend veronderstellen; want het

krachtige en toch sierlijke lichaam, de bolronde kop met den sterken

hals; de matig hooge pooten met de dikke teenen, de lange staart

en het zachte vel met zijn steeds aangename, met de omgeving innig

harmonieerende kleur zijn kenmerken, die waarschijnlijk iedereen

duidelijk voor den geest staan. Het lichaam van de Kat is met de

meest volkomene wapens uitgerust. Haar gebit is vreeselijk. De

hoek- of grijptanden hebben den vorm van groote, sterke, bijna niet

gekromde kegels, die ver voorbij alle andere tanden uitsteken en een

waarlijk vernietigende uitwerking kunnen hebben. Naast hen treden

de opmerkelijk kleine snijtanden geheel op den achtergrond en komen

zelfs de flinke scheurkiezen, die zich door scherpe, wederzijds

in elkander grijpende takken en spitsen onderscheiden, ons zwak en

onbeduidend voor. De dikke en vleezige tong, die door hare fijne,

hoornachtige, op geplooide wratjes geplaatste, naar achteren gerichte

stekels bijzonder de aandacht trekt, is met dit gebied in volkomen

overeenstemming. De tanden zijn echter niet de eenige aanvalswapens

van de Katten; in hare klauwen bezitten zij niet minder vreeselijke

werktuigen voor het grijpen en doodelijk verwonden van haar prooi of

om zich te verdedigen in den strijd. Hare breede en afgeronde voeten

onderscheiden zich vooral, doordat zij naar verhouding zulk een geringe

lengte hebben, en deze is een gevolg van het bovenwaarts gericht zijn

der laatste teenleden, die bij het gaan in 't geheel niet met den bodem

in aanraking komen. Hierdoor wordt de afslijting voorkomen van de zeer

krachtige en uiterst puntige, sikkelvormig gekromde klauwen, die zeer

stevig aan deze teenleden bevestigd zijn. In den toestand van rust

en bij den gewonen gang wordt het klauwlid door twee rekbare banden,

waarvan de eene aan den bovenkant, de andere zijdelings bevestigd is,

in opgerichten stand gehouden; bij toorn en op 't oogenblik dat de

klauw dienst moet doen, trekt de krachtige, diep gelegene buigspier,

welker pees zich aan het onderste deel van het klauwkootje aanhecht,

dit deel met geweld naar beneden; de voet wordt hierdoor gestrekt

en in het vreeselijkste grijpwerktuig veranderd, dat er bestaat. Dit

maaksel van den voet heeft tengevolge, dat de Katten bij het loopen

nimmer een spoor achterlaten waarin de afdruksels van de klauwen

waarneembaar zijn; de onhoorbare gang daarentegen wordt veroorzaakt

door de zachte, dikwijls dicht behaarde ballen op de gedeelten van

den teen, die met den grond in aanraking komen.

De Katten zijn sterke en uiterst behendige dieren. Elke beweging van

haar getuigt zoowel van kracht als van lieftallige behendigheid. Bijna

alle soorten van deze familie gelijken op elkander zoowel door de

eigenschappen van het lichaam als door die van den geest, al is

het dan ook, dat de eene soort in het een of ander opzicht boven de

andere bevoorrecht schijnt te zijn, of bij de andere schijnt achter

te staan. Alle Katten gaan goed, maar langzaam, voorzichtig en zonder

gedruisch te maken; zij loopen snel en zijn in staat tot het maken

van horizontale sprongen over afstanden, die vele malen grooter zijn

dan haar lichaamslengte. Slechts weinige soorten, en wel de grootste,

zijn niet in staat om boomen te beklimmen, hoewel deze kunst door de

meeste met veel behendigheid wordt uitgeoefend. Ofschoon zij voor

't meerendeel een tegenzin hebben in 't water, zwemmen zij ingeval

van nood toch zeer goed; geen enkele soort althans verliest in 't

water licht haar leven. Bovendien hebben zij er slag van haar fraai

gevormd lichaam ineen te drukken of samen te rollen, maken met groote

vaardigheid gebruik van hare klauwen en verstaan de kunst om hiermede

met onfeilbare zekerheid een dier te grijpen, zelfs wanneer het

loopt of vliegt. Hierbij komt nu nog de naar verhouding zeer groote

spierkracht van de ledematen dezer dieren en haar volharding. De

grootste soorten kunnen met één slag van hare vreeselijke klauwen

en door de zwaarte van den schok die het besprongen dier treft, dit

ter aarde doen storten, al is het ook grooter, dan zij zelf zijn;

ook kunnen zij groote lasten voortsleepen.

De voortreffelijkste zintuigen van de Katten zijn ongetwijfeld die

van het gehoor en van het gezicht. Het gehoor wijst haar gedurende

hare rooftochten den weg. Op groote afstanden kunnen zij een gedruisch

waarnemen en op de juiste wijze beoordeelen; zij vernemen den zachtsten

stap, het zwakste kraken van het zand; hoewel de oorschelpen bij

nagenoeg geen van deze dieren bijzonder groot zijn, kunnen zij door

het gehoor zelfs een buit, dien zij niet gezien hebben, opsporen. Het

gezicht is minder goed ontwikkeld, hoewel het volstrekt niet zwak

genoemd mag worden. Waarschijnlijk kunnen zij niet op groote afstanden

zien, nabijgelegene voorwerpen echter zeer goed. De pupil, die bij de

grootste soorten rond is en bij toorn zich kringvormig verwijdt, neemt

bij vele kleinere soorten den vorm van een ellips aan en is dan voor

groote verwijding vatbaar. Over dag trekt zij zich onder den invloed

van het te felle licht tot een fijne spleet samen; bij opgewondenheid

of in de duisternis rondt zij zich tot een nagenoeg volledigen kring

af.--Op het gezicht mogen wij wel het gevoel laten volgen, welks

fijnheid zoowel uit het zeer goed ontwikkeld zijn der tastorganen als

uit de groote geschiktheid tot het waarnemen van allerlei op de huid

werkende prikkels blijkt. Als tastwerktuigen dienen voornamelijk

de baardharen aan weerszijden van de mondspleet en de tastharen

boven de oogen, bij de Lossen misschien ook het haarkwastje aan het

oor. Als men de baardharen van een Kat afknipt, brengt men dit dier

in een hoogst onaangenamen toestand; het wordt letterlijk radeloos

en ongeschikt om iets te doen; het toont althans merkbare onrust en

onzekerheid, die later, hoewel eerst na het aangroeien dezer borstels,

weder ophouden. Maar ook de pooten schijnen voor het tasten zeer

geschikt. De gevoeligheid is over het geheele lichaam verbreid. Alle

Katten zijn hoogst ontvankelijk voor uitwendige invloeden; zij toonen

een duidelijk merkbare ontstemming bij onaangename, daarentegen een

groot behagen in aangename prikkels. Als men haar vacht gladstrijkt,

zullen zij steeds in een bijna vroolijke stemming komen, terwijl zij,

groote ontevredenheid aan den dag leggen, als zij met vocht besprenkeld

of aan andere onaangename invloeden blootgesteld worden. De reuk en

de smaak staan waarschijnlijk ongeveer op gelijke hoogte; misschien

is de smaak nog beter ontwikkeld dan de reuk. De meeste Katten zijn

in weerwil van haar ruwe tong voor smaakprikkels zeer gevoelig. Uit de

merkwaardige voorliefde van sommige Katten voor sterk riekende planten,

zooals Valeriaan en Kattenkruid, leidt men af, dat de reuk bij haar

slechts een zeer ondergeschikte rol vervult; de Katten wentelen zich,

alsof zij gek zijn, over deze planten heen, geraken hierdoor als

't ware in een roes; terwijl dieren met meer verfijnde reukorganen

hun afschuw voor dergelijke voorwerpen niet verhelen.

De Katten nemen, wat de ontwikkeling harer geestvermogens betreft,

een lageren rang in dan de Honden, echter niet zooveel lager,

als gewoonlijk aangenomen wordt. Men moet hierbij niet uit het oog

verliezen, dat wij bij het beoordeelen van de geestesbekwaamheden

der beide familiën voortdurend twee typen voor oogen hebben, die

geen juisten maatstaf voor deze beoordeeling opleveren; men kan den

Huishond, die sedert duizenden van jaren door zijn verkeer met den

mensch ontwikkeld is, niet op één lijn stellen met de verwaarloosde

en niet zelden mishandelde Huiskat. Bij de meeste soorten van Katten

treden wel is waar de hoogere of edelere begaafdheden van den geest

minder op den voorgrond dan de lagere, maar toch levert onze Huiskat,

als hij goed behandeld wordt, ons het bewijs, dat ook Katten voor

opvoeding en veredeling van den geest vatbaar zijn. De Huiskat levert

vaak genoeg voorbeelden van trouwe gehechtheid aan den mensch en van

een goed ontwikkeld verstand. Gewoonlijk geeft de mensch zich niet de

moeite hare bekwaamheden nader te onderzoeken, maar laat zich tegen

haar innemen door het algemeen heerschend vooroordeel en wordt hierdoor

van een zelfstandig onderzoek teruggehouden. Het karakter van de meeste

soorten is een vereeniging van bedaarde omzichtigheid, volhardende

sluwheid, bloedgierigheid en vermetelheid. In de gevangenschap

vertoonen zij zich weldra geheel anders dan in vrijen toestand; zij

erkennen de oppermacht van den mensch, gevoelen dankbaarheid jegens

haar meester, verlangen, dat hij haar zal vleien en liefkoozen,

kortom zij worden dikwijls volkomen tam, zij het dan ook, dat soms

hare diep ingewortelde, natuurlijke neigingen plotseling weder op den

voorgrond treden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom men de Katten

valsch en arglistig noemt, want zelfs niet eens de mensch die gewoon

is dieren te kwellen en te mishandelen, wil hun het recht toekennen,

een enkele maal voor eenige oogenblikken het hun opgelegde juk der

slavernij af te schudden.

Katten vindt men tegenwoordig in alle deelen der Oude Wereld (met

uitzondering van het Australische faunistische rijk, waar hoogstens

verwilderde Huiskatten voorkomen) en in Amerika. Zij bewonen de

vlakten zoowel als de bergen, dorre zandgronden zoowel als vochtige

laagvlakten, het bosch zoowel als het veld.

Haar voedsel ontleenen de Katten aan alle klassen van de Gewervelde

Dieren, hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Zoogdieren het meest

aan hare vervolgingen zijn blootgesteld. Eenige soorten maken bij

voorkeur jacht op Vogels, andere, die echter een kleine minderheid

uitmaken, eten bovendien het vleesch van sommige Kruipende Dieren,

vooral van Schildpadden, nog andere gaan zelfs op de vischvangst uit.

Bij 't vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer

op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden sluipen zij

door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles,

in alle richtingen loerend en scherp luisterend. Zelfs van het

zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep

gebogen houding gaan zij er op af, den buik bijna op den grond,

zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder

den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen van de nabijheid van het

roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen

worden. Eindelijk acht de Kat den afstand gering genoeg, om tot den

aanval over te gaan. Met één of twee sprongen heeft zij haar prooi

bereikt. De vreeselijke klauwen doorklieven den nek of de zijden van

het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige

malen achtereen hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren,

die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel

zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in 't oog, en bijt opnieuw,

zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven opmerkt. Vele

Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat

evenzeer welgevallen als begeerigheid of toorn te kennen geeft; ook

bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de

afschuwelijke gewoonte, haar slachtoffer lang te martelen: schijnbaar

gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een

eind ver loopen, om het echter steeds op 't rechte oogenblik weer

te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit

wreede spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne

wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht met

dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen

hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, dat zij,

ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn

in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. Zelfs de Leeuw,

de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch,

en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; zoodra zij evenwel gezien

hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze

Roofdieren zijne vreeselijkste vijanden. Ofschoon bijna alle Katten

goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een

prooi na, wanneer haar de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij

die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve,

waar de strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier,

dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, verborgen

plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken,

dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.

In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij

uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen

van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld

brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich slechts

bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer

aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid en liefde

openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder

geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan een teederheid en

zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou

hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig en opmerkzaam op de

jongen, dat men in 't geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van

haar liefde. Een zeer aangenamen indruk maakt zulk een kattenfamilie

ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in

hun prille jeugd opwekt. Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken,

aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil

in de nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt

zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten worden,

wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele

kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms ook tegen hun eigen

vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn,

eenvoudig opvreet, wanneer hij het nest onbewaakt vindt. Dit is

vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede

alle Katten hare jongen zoo goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen

wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen,

wordt de zaak anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En

nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen

gezinde dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke

aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen,

waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd

oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf der

volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar

aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers spitsen de

ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In 't eerst is de

staart van hun moeder een bron van groot vermaak. Elke beweging van

dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige

bende haar best te doen om door pogingen om den staart te grijpen diens

bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter

door deze plagerijen in 't minst niet storen en gaat voort met haar

gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij

laat zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed

gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin reeds met

allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin

zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als een kind. Dikwijls is

het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht

den staart van het andere te grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt,

worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien,

dat de staart eenvoudig een deel van hun eigen lichaam is, en willen

liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude

hun kleine, soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat

zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere

geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het

later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude de jongen mede

op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen,

in het toonen van zelfbeheersching, in het onverhoeds aanvallen,

kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig

zijn geworden, verlaten zij hun moeder of hunne beide ouders en leiden

van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.

De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de

dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon

groot. Men moet hierbij echter in 't oog houden, dat de groote soorten

van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk rijk aan

dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten

aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging van sommige

Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect

ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten wordt de schade,

die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij

ons bewijzen. Zij maken alleen jacht op kleine Zoogdieren en Vogels;

vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon

veel last en schade kunnen aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden

en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel

onmisbaar geworden, maar ook de in 't wild levende soorten van

kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door

belangrijke diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel

en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China,

en ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van

Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken schatten het

genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont,

dan wegens de innerlijke waarde, want deze is niet bijzonder groot.

De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met

grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, juist

wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer

wereld rekenen.

De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten

biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter het recht te

hebben om de _Lossen_ (_Lynx_), de _Geparden_ of _Jachtluipaarden_

(_Cynailurus_) en de _Fretkat_ of _Fossa_ van Madagaskar

(_Cryptoprocta_) van de overige vormen--van de _eigenlijke Katten_

(_Felis_)--te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type

van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat

dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker

hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan den anderen

de Tijger zijn, onderscheiden de _Lossen_ zich door de kortheid van den

staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de

_Geparden_ door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid

der klauwen; de _Fossa_ is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar

onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig

dier doen kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een

"oerkat", zoo men wil.

In de eerste plaats beschouwen wij de _Eigenlijke_ Katten; de soorten

van de _Oude Wereld_ zullen wij gescheiden van die der _Nieuwe Wereld_

behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben,

op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van het dier aanbiedt, en

wel zoo, dat de _dwars gestreepte_, de _gevlekte_ en de _eenkleurige_

Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.

In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de

_Tijger_, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de

geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder

manen, met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk

zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van

alle Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos

is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel

waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude

fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een schoon

en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de

gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid van de Zoogdieren

moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe

te kennen; want hij heeft zich tegenover den beheerscher der aarde

verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In

plaats van verdreven en teruggedrongen te zijn door de bebouwing

van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij

gedeeltelijk juist hierdoor meer aangetrokken; zelfs heeft hij den

mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de

Leeuw, uit bevolkte gewesten zich terug te trekken, en het gevaar, dat

hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig

of listig te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover

den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden

en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en

zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven, of

althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter

geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen konden,

was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid.

De _Koningstijger_, de _Bagh_, _Scher_ of _Nahar_ der Hindoes, de

_Harimau_ der Maleiers (_Felis tigris_), is een prachtige, wonderschoon

geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de

Leeuw, staat de Tijger toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale

lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die

van het volwassene wijfje is steeds 30 à 40 cM. geringer. De staart is

80 à 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 à 106 cM. Het

gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij

de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers was resp. 163.3

en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder

dan bij den Leeuw, de staart eindigt niet in een haarkwast, de beharing

is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het

wijfje is kleiner en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers,

die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende

het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die,

welker vaderland de heete laagvlakten van Indië zijn. De teekening van

het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er

is een scherpe tegenstelling tusschen de lichte, roestgele grondkleur,

en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten,

is de grondkleur op den rug donkerder, aan de zijden lichter;

de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel

van den romp, de lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn

wit. Bij den "Boschtijger" schijnt de grondkleur meer verzadigd te

zijn dan bij den "Dsjungeltijger". Van den rug naar de borst en den

buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen,

die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge

afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van deze strepen

splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De

staart is lichter van kleur dan de bovenzijde van het lichaam, maar

eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren

zijn meestal wit. Het groote oog, dat een ronde pupil heeft, ziet

er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de

ouden; bij hen heeft de grondkleur echter een iets lichtere tint.

Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur

aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in zeldzaam

voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige

zijdestrepen.

Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een

afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die het vervolgt. Dit

is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen,

dat de kleur bij de dieren in 't algemeen in nauw verband staat

met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in

't bijzonder het geval; ik kan hier dus volstaan met te herinneren

aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den

Tijger als woonplaats worden gekozen, om de meening te weerleggen,

dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk

zouden kunnen zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden,

dat zij een Tijger, die op korten afstand vóór hen ligt, even goed

als andere dieren, volkomen over 't hoofd zien.

Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het

blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azië, en meer

bepaaldelijk tot Oost-Indië, beperkt, maar neemt van het grootste aller

werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa in uitgestrektheid

verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8° ZB. en 53° NB.,

en wel tot in het zuidoosten van Siberië. De noordelijke grens van

zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam:

bovendien houde men hierbij in 't oog, dat Siberië een geheel ander

en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten,

die op gelijke breedte gelegen zijn. Indië kan echter als het

eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit

verbreidt hij zich naar 't noorden en oosten door geheel China tot in

het stroomgebied van den Amoer, naar 't noorden en westen door het

noordelijke deel van Afghanistan en Perzië naar de gewesten aan den

zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige

oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden

wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien wel nu

en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen

komen zij echter niet tot aan den Kaukasus of tot aan de Zwarte Zee. Op

de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van

Sumatra en Java, komt de Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op

het eiland Ceylon.

Over den Tijger op Java schrijft Dr. W. R. van Hoëvell o. a. het

volgende: "Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten,

op de bergen, overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn

prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal

bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen

het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden acht weduwen,

wier mannen door Tijgers waren geveld.

"Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in 't wild. Daar is

een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de zon aan den

hemel schijnt--maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek,

dan verbergt hij zich voor de zonnestralen, dan slaapt hij.

"De volle middag is in Indië het beeld van den dood--de nacht van

kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu eens

oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan

weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid, op schelle

tonen een avondzang--dan belasten honderden Padden en Kikvorschen

zich met de baspartij--nu en dan mengt zich het eentonig geschreeuw

van de Gekko's er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen.

"Maar ziet--daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd

door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender en

harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het

geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken afstand, diep

in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden,

ontvouwden ons de reden. 't Was het angstgeschreeuw der Apen, die

deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls

honderd voet hooge kruinen der boomen zich gerust aan den slaap heeft

overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich

aan den voet neer.

"Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt,

of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle ontwaken--alle

zien den Koning der verschrikking beneden--alle schreeuwen en alleen

de tegenwoordigheid van dat vreeselijke dier jaagt hun zulk een

doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van

tak tot tak springen en, onder huilen en jammeren, den een den ander

verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen--maar

onbewegelijk fonkelen zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk

een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen

en verslonden wordt.

"De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java's

wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet

tegen in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht

hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar ligt de

moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn

prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft den Stier reeds

menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche,

fraai geteekende, met sierlijke hoornen gekroonde dier. Rustig, van

geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van

zijne spieren en kop en hoornen kent, geniet het de geurige kruiden,

door den dauw van den nacht besproeid.

"De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn

adem in, hij wacht--de Stier komt al grazende dichter bij--nog een

kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn--en nu--slechts één

enkele sprong--en de Tijger zit zijn prooi op den rug--hij heeft hem

zijne klauwen in de breede borst geslagen--hij heeft hem de slagtanden

in den korten, rimpeligen nek gezet--een vreeselijk gebrul weergalmt in

den nacht en weerkaatst door het gebergte--de Stier ijlt, woedend van

pijn, in 't dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde

houding--de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der

boomen, de Tijger verroert zich niet--de smarten doen den Stier al

harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden en klauwen

al dieper en dieper in het vleesch--de Stier werpt zich op den grond,

wentelt zich om, de Tijger laat los, doet een enkelen sprong, zet

de tanden in den strot van zijn slachtoffer--en weldra blaast het

rochelend den laatsten adem uit."

Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige

bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel. Tot in

de hooglanden en hooge gebergten van Azië dringt hij niet door, en

zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja wordt hij slechts

nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij

voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden aan de rivieroevers,

in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide

plaatsen; ook vindt men hem dikwijls te midden van bouwvallen; niet

zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in

liggende houding gezien, soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder

merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere

dieren is zijn voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen;

met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde

plaatsen terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke

nabijheid te vinden. "Het eerste het beste, met lang gras of riet

begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand," schrijft Blanford,

"de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeniën in

een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk

volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken,

de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde heuvelhelling,

herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de

vaste bewoner van dit plekje door een jager gedood wordt, zal weldra

een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen."

De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de

overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de verschillende

grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die

der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone snelheid,

behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt

op zijne rooftochten schielijk afstanden van uren gaans, beweegt zich

zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in 't springen

heeft men dikwijls overdreven voorgesteld. Uit metingen aan de sporen

van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere

sprongwijdte dan van 5 M. gebleken. _Boomen beklimt hij niet_ of alleen

bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is;

gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet beklimmen. Wel springt

hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van

een boom met zachte schors op, en krabt deze spelenderwijs stuk.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren · 第 1 / 37 段