gelijk ik van God vertrouw dat het worden zal--indien
de lijfeigenschap en alle onrechtvaardige en drukkende
maatschappelijke ongelijkheden afgeschaft worden, en
indien zij, gelijk Frankrijk en Engeland gedaan hebben, ons
volksbestaan erkennen--dan zullen wij ons op het groote congres
der volken beroepen en daarin de zaak van onzen verdrukten
stam vertegenwoordigen; en het kan niet anders of het vrije,
verlichte Amerika zal dan verlangen om de vlek van zijn
wapenschild uit te delgen, welke het voor de volken onteert
en zoowel voor de verdrukkers als de verdrukten een vloek is.
"Doch gij zult mij zeggen, dat onze stam evenveel recht heeft
om zich met de Amerikaansche republiek te vereenzelvigen als
de Ier, de Duitscher, de Zweed. Toegestemd, dat heeft hij. Wij
behoorden vrijheid te hebben om ons met anderen gelijk te
stellen en te vermengen--om ons door persoonlijke waarde
hooger te verheffen, zonder eenig aanzien van stam en kleur;
en zij, die ons dat recht ontzeggen, verzaken de beginselen
van menschelijke gelijkheid die zij belijden. Wij behoorden
in het bijzonder dit hier te mogen doen. Wij hebben meer
recht dan gewone menschen--wij hebben als verongelijkte stam
aanspraak op vergoeding. Maar ik verlang dit niet; ik verlang
een eigen vaderland en volk. Ik denk dat de Afrikaansche stam
eigenaardigheden bezit, die nog in het licht der beschaving
en des Christendoms ontwikkeld moeten worden, en welke, indien
zij niet naar de eigenaardigheden der Anglo-Saksers gelijken,
misschien kunnen blijken van nog hoogeren zedelijken rang
te zijn.
"Aan den Anglo-Saksischen stam is de bestemming der wereld
toevertrouwd gedurende haar aanvankelijk tijdperk van
worsteling en strijd. Voor die roeping waren de stugge,
onbuigzame, krachtige eigenschappen van dien stam uitmuntend
geschikt; maar als christen verwacht ik de komst van een ander
tijdperk. Ik vertrouw dat wij op de grens daarvan staan;
en de woelingen, die tegenwoordig de volken beroeren, zijn
naar ik hoop slechts de voorboden van een tijd van algemeenen
vrede en broederschap.
"Ik vertrouw dat de ontwikkeling van Afrika wezenlijk eene
christelijke zal zijn. Indien geen heerschende en gebiedende
stam, zijn de negers ten minste een liefderijke, grootmoedige,
vergevensgezinde stam. Zij worden geroepen, terwijl zij zich
in den vurigen oven van onrecht en onderdrukking bevinden,
zij moeten dus wel hunne harten te vaster hechten aan die
verheven leer van liefde en vergevensgezindheid, waardoor zij
alleen kunnen overwinnen, en welke het hunne roeping is over
het vasteland van Afrika te verbreiden.
"Op mij zelven, beken ik, ben ik zwak daartoe; de helft van
het bloed in mijne aderen is het heete en haastige Saksische;
maar ik heb eene welsprekende predikster van het Evangelie
altijd bij mij, in mijne beminnelijke vrouw. Wanneer ik
afdwaal, wijst haar zachtere geest mij terecht en houdt mij
de christelijke roeping en bestemming van onzen stam voor
oogen. Als een christelijk patriot, als een leeraar des
Christendoms, ga ik naar mijn vaderland--mijn uitverkoren,
mijn heerlijk Afrika--en daarop pas ik in mijn hart somtijds
de heilrijke woorden toe der profetie:
"In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat
niemand door u henenging, zoo zal ik u stellen tot eene eeuwige
heerlijkheid, tot eene vreugde van geslachte tot geslachte!"
"Gij zult mij een enthousiast noemen; gij zult mij zeggen
dat ik niet wel overwogen heb wat ik onderneem. Maar ik heb
het overwogen en de kosten berekend. Ik ga naar Liberia, niet
als naar een romantisch Elysium, maar als naar een veld van
arbeid. Ik ben van plan met geest en lichaam te werken--zwaar
te werken; te werken tegen allerlei moeielijkheden en
ontmoedigende bezwaren in; en te werken tot ik sterf. Dat
is het waarom ik er heenga, en daarin ben ik volkomen zeker,
dat ik niet teleurgesteld zal worden. "Wat gij ook van mijn
besluit denken moogt, verban mij niet uit uw vertrouwen,
en denk dat ik in al wat ik doe, handel met een hart, dat
geheel aan mijn volk is toegewijd.
"George Harris."
Eenige weken later scheepte George zich met zijne vrouw en kinderen,
zuster en moeder naar Afrika in. Indien wij ons niet bedriegen,
zal de wereld nog daar van hem hooren.
Van de andere personen in ons verhaal hebben wij niets bijzonders te
melden, behalve een enkel woord, aangaande Miss Ophelia en Topsy en
een afscheids-hoofdstuk dat wij aan George Shelby zullen wijden.
Miss Ophelia nam Topsy mede naar Vermont, tot groote verwondering van
die deftige beraadslagende macht, die een Nieuw-Engelschman onder den
naam van "our folks" erkent. Our folks meenden in het eerst, dat dit
eene zeer zonderlinge en onnoodige vermeerdering van het stille en
geregelde huishouden was; maar Ophelia was zoo standvastig in hare
gemoedelijke pogingen om haar plicht jegens hare élève te vervullen,
dat het kind spoedig bij de familie en de buurt in de gunst kwam. Toen
zij bijna volwassen was, werd Topsy op haar eigen verzoek gedoopt en
lid der christelijke kerk in hare woonplaats; en zij toonde zooveel
verstand, werkzaamheid, ijver en verlangen om in de wereld goed te
doen, dat zij eindelijk werd aanbevolen en aangenomen als zendelinge
naar een der stations in Afrika, en wij hebben gehoord dat dezelfde
rusteloosheid en schranderheid, die haar als kind zoo onuitputtelijk
in kuren maakten, thans heilzaam worden aangewend tot het onderwijs
van kinderen in haar eigen land.
P.S.--Het zal sommige moeders genoegen doen nog te vernemen, dat de
nasporingen door Madame De Thoux bewerkstelligd, onlangs zijn bekroond
met de ontdekking van Cassy's zoon. Reeds als jongeling krachtig van
karakter en ondernemend van aard, was hij eenige jaren vóór zijne
moeder ontsnapt en door de vrienden der onderdrukten in het Noorden
opgenomen en opgevoed. Hij zal spoedig zijn familie naar Afrika volgen.
VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
DE BEVRIJDER
George Shelby had zijne moeder slechts met een enkelen regel den dag
gemeld, waarop zij hem tehuis kon verwachten. Hij had het hart niet
om over het sterven van zijnen ouden vriend te schrijven. Hij had dit
verscheidene malen beproefd, en telkens had hij, bijna stikkende van
aandoening, het papier verscheurd, zijne oogen afgeveegd en de vrije
lucht gezocht om tot bedaren te komen.
Er heerschte eene vroolijke drukte in de woning der Shelby's op den
dag, dat men de aankomst van den jongen meester verwachtte.
Mevrouw Shelby zat in de nette voorkamer, waaruit een vroolijk houtvuur
de kilheid van den herfstavond verdreef. Er stond eene tafel met
zilverwerk en geslepen glas bedekt, hetwelk onze oude vriendin Chloe
nog bezig was te schikken.
In nieuw glanzig sits gekleed, met een schoon wit voorschoot, en een
hoogen, welgesteven tulband, terwijl haar blinkend zwart gezicht van
genoegen gloeide, bleef zij, met noodelooze oplettendheid, nog het
een en ander op de tafel verschikken, alleen om een voorwendsel te
hebben om nog wat met hare meesteres te praten.
"O, of hem dat ook bevallen zal!" zeide zij. "Daar--ik zet zijn bord
net waar hij het zoo graag heeft--naast het vuur. Meester George houdt
altijd van een warm plaatsje. Och, loop heen! Waarom heeft Sally den
besten trekpot niet uitgezet--den kleinen nieuwen, dien meester George
met Kerstmis voor mevrouw heeft gekocht? Ik zal hem nog krijgen. En
mevrouw heeft van meester George gehoord?" voegde zij er vragend bij.
"Ja, Chloe; maar een enkelen regel alleen om te zeggen, dat hij van
avond tehuis zou zijn als hij kon--anders niet."
"Hij heeft niets van mijnen goeden man gezegd, zou ik denken?" zeide
Chloe, nog met theegoed futselende.
"Neen, dat heeft hij niet. Hij heeft van niets geschreven, Chloe,
dan alleen dat hij alles verhalen zou als hij tehuis kwam."
"Geheel en al meester George! Hij is er altijd zoo op gesteld om
alles zelf te vertellen. Daar heb ik bij meester George altijd op
gelet. Ik voor mij begrijp het ook niet, hoe blanke menschen zooveel
kunnen schrijven als zij gewoonlijk doen; het schrijven is zulk een
langzaam ongemakkelijk werk."
Mevrouw Shelby glimlachte.
"Ik denk haast dat mijn goede man de jongens en de kleine meid niet
meer zal kennen. Och, zij is nu al een groote meid, en goed is zij ook
en schrander, dat is Polly. Zij is nu naar huis en past op den koek. Ik
heb hetzelfde fatsoen gemaakt, waar mijn goede man zooveel van hield,
en dat ik hem nog gaf op den ochtend toen hij weg moest. Och, och,
wat was ik dien ochtend van streek!"
Mevrouw Shelby zuchtte op dit gezegde en voelde zich het hart
beklemd. Sedert het ontvangen van George's brief was zij aanhoudend
ongerust geweest dat er achter den sluier van stilzwijgen, dien hij
niet had willen oplichten, iets verborgen mocht zijn.
"Mevrouw heeft immers die briefjes wel?" zeide Chloe met zekere
bezorgdheid.
"Ja, Chloe."
"Omdat ik mijn goeden man zoo graag de eigenste briefjes wilde laten
zien, die de banketbakker mij gegeven heeft.--"En Chloe," zeide hij,
"ik wou dat ge nog langer kondt blijven."--"Dank je, meester," zeide
ik: "dat zou ik wel, maar mijn goede man komt naar huis, en mevrouw
kan het niet langer zonder mij stellen." Dat is net wat ik hem gezegd
heb. Een heel aardig man was die Mijnheer Jones."
Chloe had er stijfhoofdig op aangedrongen, dat dezelfde banknoten,
waarmede haar loon betaald was, bewaard zouden worden, om ze haren
man als bewijzen van knapheid te laten zien, en Mevrouw Shelby had
zich gewillig naar den inval geschikt.
"Hij zal Polly niet kennen--dat zal mijn goede man niet. Och, het is
vijf jaren geleden, dat zij hem weggehaald hebben. Zij was toen nog
zoo klein--zij kon pas even staan. Ik weet nog wel hoe hij placht te
lachen, als zij zoo omrolde als zij wilde loopen. Och, och!"
Nu hoorde men het geratel van wielen.
"Meester George!" zeide Tante Chloe, zich naar het venster haastende.
Mevrouw Shelby ging naar de voordeur en werd door haren zoon in de
armen gesloten; Chloe stond met angstig verlangen in de duisternis
te turen.
"Och, arme Tante Chloe!" zeide George medelijdend naar haar toekomende,
en hare zwarte hand tusschen beide de zijne vattende. "Ik had geheel
mijn vermogen willen geven om hem mede te brengen; maar hij is naar
een beter land gegaan."
Mevrouw Shelby liet eene hartstochtelijke uitroep hooren, maar Chloe
zeide niets.
Men ging naar de kamer. Het geld waarop Chloe zoo trotsch was geweest,
lag nog op tafel.
"Daar," zeide zij, het opnemende en met eene bevende hand aan
hare meesteres toereikende; "ik wil het nooit weer zien of er van
hooren. Het is net zooals ik dacht dat het wezen zou: verkocht en
vermoord op die oude plantages."
Chloe keerde zich om en ging trotsch de kamer uit. Mevrouw Shelby
volgde haar stil, nam haar bij de hand, trok haar zacht weder terug
en zette haar naast zich op een stoel.
"Mijn arme, goede Chloe!" zeide zij.
Chloe liet haar hoofd op den schouder harer meesteres zinken en snikte:
"O, Mevrouw, verschoon mij. Mijn hart is gebroken--dat is het al."
"Dat weet ik," zeide Mevrouw Shelby met tranen op de wangen, "en
ik kan het niet genezen; maar dat kan Jezus doen. Hij geneest de
gebrokenen van hart en verbindt hunne wonden."
Een tijdlang heerschte er stilte en schreiden allen met
elkander. Eindelijk zette George zich naast de treurende vrouw,
nam haar bij de hand en verhaalde met aandoenlijke eenvoudigheid
het zegevierende sterven van haren man en de laatste boodschappen,
die zijne liefde hem had opgedragen.
Omtrent een maand later werden al de bedienden en arbeiders op het goed
bijeengeroepen in de groote voorzaal, die het geheele huis doorliep,
om iets aan te hooren, dat hun jonge meester hun te zeggen had.
Tot aller verwondering kwam hij met een bundel papieren in de
hand--vrijbrieven voor allen die op het goed waren, welke hij een voor
een voorlas, en onder het schreien, het snikken en de vreugdekreten
der aanwezigen overgaf.
Velen echter drongen zich om hem heen en baden hem ernstig om hen niet
weg te zenden, terwijl zij met angstige gezichten hunne vrijbrieven
wilden teruggeven.
"Wij willen niet vrijer wezen dan wij zijn. Wij hebben al wat wij
verlangen, wij willen de oude plaats niet verlaten; wij willen niet
van meester en mevrouw en de anderen af."
"Goede vrienden," zeide George, zoodra hij stilte kon bekomen, "het
is niet noodig dat ge mij verlaat. Het goed heeft evenveel handen
noodig om het te bewerken, als te voren. In huis hebben wij evenveel
bedienden noodig als vroeger. Maar nu zijt gij vrije mannen en vrije
vrouwen. _Ik_ zal u loon voor uw werk betalen, gelijk wij zullen
overeenkomen. Het goede hiervan is, dat gij, als ik mocht sterven,
of in schulden geraken--dat gebeurlijke dingen zijn--nu niet kunt
aangeslagen en verkocht worden. Ik denk het goed aan te houden en u
te leeren--waartoe gij misschien eenigen tijd zult noodig hebben--hoe
gij de rechten, die ik u als vrije mannen en vrouwen gegeven heb,
moet gebruiken. Ik verwacht dat gij braaf zult zijn en gewillig om te
leeren, en ik hoop in God, dat ik getrouw zal zijn en gewillig om u
te onderrichten. En nu, mijne vrienden, ziet omhoog en dank God voor
den zegen der vrijheid!"
Een hoogbejaard negerpatriarch, die op het goed grijs en blind
geworden was, hief nu zijne bevende hand op en zeide: "Laten wij den
Heere onzen dank brengen!" Allen knielden, en een treffender Te Deum
steeg nooit ten hemel, schoon het niet door orgelklank, klokgelui en
geschutgebulder werd vergezeld, dan thans uit dat oude oprechte hart
werd opgezonden.
Toen zij opgestaan waren, hief een ander een Methodistisch lied aan,
waarvan het refrein was:
"'t Jubeljaar is nu gekomen,--
Losgekochten, gaat naar huis."
"Nog iets," zeide George, toen dit lied gezongen was. "Gij allen
herinnert u onzen goeden Oom Tom wel?"
Daarop liet hij een kort verhaal van zijn sterven volgen, en nadat
hij zijn liefderijken afscheidsgroet aan allen had overgebracht,
besloot hij:
"Het was op zijn graf, mijne vrienden, dat ik mij voor God voornam,
dat ik nooit weder een slaaf in eigendom wilde houden, als het mogelijk
was hem vrij te maken; dat niemand door mij ooit gevaar zou loopen
om van huis en vrienden gescheiden te worden, en op eene eenzame
plantage te sterven, gelijk hij gestorven is. Denkt dus, als gij u
in uwe vrijheid verheugt, dat gij alles aan dien goeden, ouden man
te danken hebt, en vergeldt het met goedheid en vriendelijkheid voor
zijne vrouw en kinderen. Denkt aan uwe vrijheid, zoo dikwijls gij de
hut van Oom Tom ziet; en laat die Negerhut een gedenkteeken zijn,
dat u allen moet herinneren om zijne voetstappen te volgen, en zoo
eerlijk, zoo getrouw en zoo Christelijk te zijn als hij geweest is."
VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
NASCHRIFT
De schrijfster is dikwijls door correspondenten uit verschillende
gedeelten des lands gevraagd of dit verhaal waarheid bevatte; en op
deze vraag wil zij een algemeen antwoord geven.
De verschillende voorvallen, waaruit dit verhaal is samengesteld, zijn
grootendeels werkelijk zoo gebeurd, en vele daarvan zijn door haar
of hare vrienden persoonlijk bijgewoond. Zij en hare vrienden hebben
karakters waargenomen, welke het evenbeeld waren van bijna allen die
hier zijn ingevoerd; en vele der gezegden zijn woordelijk opgeteekend,
gelijk zij zelve die gehoord of voor waarheid vernomen had.
Het voorkomen van Eliza en het aan haar toegeschreven karakter zijn
naar het leven geteekende schetsen. Van de onwankelbare trouw,
godsvrucht en eerlijkheid van Oom Tom is meer dan één voorbeeld
persoonlijk tot hare kennis gekomen. Eenige der aandoenlijkste
en meest romaneske, alsmede eenige der schrikkelijkste tooneelen,
zijn insgelijks uit de werkelijkheid overgenomen. De anecdote dat
eene moeder de Ohio op het ijs overging, is een welbekend feit. De
geschiedenis der "oude Prue" was een voorval dat persoonlijk door
een broeder der schrijfster, toen commissie-reiziger voor een groot
koopmanskantoor te Nieuw-Orleans, werd bijgewoond. Uit dezelfde bron
is het karakter van den planter Legree ontleend. Van hem schreef haar
broeder, na het bezoeken zijner plantage op eene commissie-reis, aldus:
"Hij liet mij werkelijk zijne vuist voelen, die naar een smidshamer
of een klomp ijzer geleek, en zeide mij dat die vereelt was door
het neerbeuken van negers." Toen ik de plantage verliet, haalde ik
diep adem, met een gevoel alsof ik uit het hol van een menschen-eter
was ontkomen."
Dat het droevig lot van Tom ook dikwijls in werkelijkheid een
voorbeeld heeft gehad, kunnen levende getuigen door het geheele
land bevestigen. Men bedenke dat het in alle Zuidelijke staten een
rechtsbeginsel is, dat geen persoon van gekleurden stam in een proces
tegen een blanke kan getuigen, en men zal licht begrijpen dat er zulke
gevallen kunnen voorkomen, waar aan den eenen kant een man staat wiens
driften zijn eigenbelang te sterk zijn; en aan den anderen kant een
slaaf, manhaftig of rechtschapen genoeg om zijn wil te wederstaan. Er
is werkelijk niets dat het leven van een slaaf beveiligt, dan het
karakter van zijnen meester. Gebeurtenissen, te gruwelijk om er
bij stil te staan, komen nu en dan ter oore van het publiek; en de
aanmerking die men dikwijls daarover hoort maken, is nog gruwelijker
dan de zaak zelve. Men zegt: "Het is zeer waarschijnlijk dat zulke
dingen nu en dan gebeuren, maar zij zijn geene proeven van het algemeen
gebruik." Indien de wetten van Nieuw-Engeland zoo gesteld waren,
dat een meester nu en dan een leerknaap kon doodmartelen, zonder
dat het mogelijk was hem voor het gerecht te brengen, zou dit dan
met evenveel bedaardheid worden opgenomen? Zou men dan zeggen: "Die
gevallen zijn zeldzaam en geene proeven van het algemeen gebruik?" Deze
onrechtvaardigheid is onafscheidelijk van het stelsel der slavernij:
het eene kan niet zonder het andere bestaan.
Het openbare en schaamtelooze verkoopen van bruine en bijna blanke
meisjes (mulatten en quadronen) is door de voorvallen, die op het
aanhouden van "de Parel" gevolgd zijn, vooral ruchtbaar geworden. Wij
deelen het volgende uittreksel mede uit de rede van Mr. Horace Mann,
een der advocaten van de verweerders in dat proces. Hij zegt:
"In dat gezelschap van zes en zeventig personen, die in 1848
uit het district Columbia met den schoener "de Parel" poogden
te ontvluchten, welker officieren ik in hunne verdediging bijsta,
bevonden zich verscheidene jonge en gezonde meisjes, wier gestalte en
gelaatstrekken die bijzondere aantrekkelijkheden bezaten, die kenners
op zoo hoogen prijs stellen. Elizabeth Russell was eene van deze. Zij
viel terstond in de klauwen van den slavenhandelaar en werd tot de
markt van New-Orleans gedoemd. De harten van die haar zagen werden
door medelijden met haar lot getroffen. Zij boden achttienhonderd
dollars om haar los te koopen; en sommigen waren er die zooveel
aanboden, dat zij na die gift niet veel zouden hebben overgehouden;
maar de duivelachtige slavenhandelaar was onverbiddelijk. Zij werd
naar New-Orleans gezonden; maar toen zij halfweg daarheen was, had God
barmhartigheid met haar, en schonk haar een plotselingen dood. Er waren
twee meisjes, Edmundson geheeten, in hetzelfde gezelschap. Toen zij
naar dezelfde markt gezonden werden, ging een andere zuster naar de
"vleeschhal", om den ellendeling, wiens eigendom zij waren, om Gods
wil te bidden zijne slachtoffers te sparen. Hij kortswijlde met haar,
zeggende, welke fraaie kleederen en meubelen zij zouden hebben. "Ja,"
zeide zij, "dat mag goed zijn in dit leven, maar wat zal er in het
volgende van haar worden?" Zij werden ook naar New-Orleans gezonden;
maar zij werden naderhand voor een ontzaglijk rantsoen losgekocht
en teruggebracht." Is het hieruit niet duidelijk dat er van de
geschiedenis van Emmeline en Cassy vele voorbeelden bestaan?
De rechtvaardigheid verplicht de schrijfster ook te zeggen dat de
rechtschapenheid en edelmoedigheid aan St. Clare toegeschreven niet
zonder voorbeeld zijn, gelijk de volgende anecdote zal bewijzen. Eenige
jaren geleden kwam te Cincinnati een jong heer uit het Zuiden met
een begunstigden slaaf, die van knaap af zijn lijfbediende geweest
was. De slaaf greep deze gelegenheid aan om zich zijne vrijheid te
verschaffen, en nam zijn toevlucht onder de bescherming van een kwaker,
die zich in zaken van dien aard zeer bekend had gemaakt. De eigenaar
was ten hoogste verontwaardigd. Hij had den slaaf altijd met zooveel
toegeeflijkheid behandeld, en zijn vertrouwen op diens gehechtheid was
zoo groot, dat hij geloofde dat deze door kunstgrepen verleid moest
zijn geworden om tegen hem op te staan. Hij ging in blakende gramschap
naar den kwaker, maar was zoo billijk en rechtschapen van denkwijs,
dat hij zich door de redenen van dezen man spoedig tot bedaren liet
brengen. Hij zag nu eene zijde van de zaak, waarvan hij nog nooit
gehoord, waaraan hij nog nooit gedacht had, en hij zeide den kwaker
terstond, dat hij, als zijn slaaf in zijn gezicht wilde zeggen dat
hij verlangde vrij te zijn, hem ook zou vrijlaten. De bijeenkomst had
dadelijk plaats, en Nathan werd door zijnen jongen meester gevraagd,
of hij ooit reden had gehad om in eenig opzicht over zijne behandeling
te klagen.
"Neen meester," zeide Nathan, "gij zijt altijd goed voor mij geweest."
"Welnu, waarom wilt ge mij dan verlaten?"
"Meester kan sterven, en wie zal mij dan krijgen? Ik wilde liever
een vrij man zijn."
Na eenig overleg antwoordde de jonge meester: "Nathan, in uwe plaats
geloof ik dat ik eveneens zoo zou denken. Gij zijt vrij."
Hij liet dadelijk een vrijbrief voor hem opmaken, stelde den kwaker
eene som gelds ter hand, ten einde met oordeel gebruikt te worden om
den jonkman aan een bestaan te helpen, en liet nog een verstandigen
en vriendelijken brief met raadgevingen voor hem achter. Dien brief
heeft de schrijfster een tijdlang in handen gehad.
De schrijfster hoopt recht gedaan te hebben aan die edelaardigheid,
grootmoedigheid en menschelijkheid, welke vele personen in het Zuiden
onderscheiden. Zulke voorbeelden hebben haar voor geheele wanhoop aan
het menschdom bewaard. Maar zij vraagt iedereen, die de wereld kent,
of zulke karakters ergens _gewoon_ zijn.
Gedurende vele jaren van haar leven heeft de schrijfster vermeden iets
over het onderwerp der slavernij te lezen of eenig gesprek daarover
te houden, daar zij het te pijnlijk achtte om het te behandelen, en
hoopte dat de uitbreiding van beschaving en verlichting het vanzelf
zou doen vervallen. Maar sedert de wet van 1850, toen zij met groote
verbazing en verslagenheid hoorde, hoe christelijk en menschelijk
denkende lieden het uitleveren van ontvluchte slaven aanbevolen als
een voor goede burgers verbindende plicht, toen zij aan alle kanten,
bij goedhartige, medelijdende en achtenswaardige menschen in de vrije
Staten van het Noorden redeneeringen en beraadslagingen hoorde, over
hetgeen in dit opzicht de plicht eens Christens wezen kon, toen kon
zij niet anders denken dan: deze menschen en christenen kunnen niet
weten wat de slavernij is; als zij dit deden, zou zulk een vraag nooit
een onderwerp van beraadslaging kunnen zijn. En daaruit ontstond een
verlangen om in eene _levende dramatische werkelijkheid_ te doen zien
wat de slavernij is. Zij heeft gepoogd om dit onpartijdig te doen zien,
van de beste en ergste zijde. Wat de beste zijde betreft, heeft zij
misschien alles doen zien wat mogelijk was; maar o, wie zal zeggen
wat er nog onvermeld is gebleven in die vallei der schaduw des doods,
die aan de andere zijde ligt?