Door een zonderlingen loop van omstandigheden werd des ochtends na

den nacht, toen deze gedaante Legree voor het eerst verscheen, de

huisdeur open gevonden en hadden eenige negers twee witte schimmen

de laan zien langs zweven, die naar de groote weg leidde.

De zon zou haast opgaan, toen Cassy en Emmeline voor een oogenblik

bleven stilstaan onder een groepje boomen, dicht bij de stad.

Cassy was op de wijze der Creoolsche Spaansche dames gekleed,

geheel in het zwart. Eene zwarte voile, zeer dicht geborduurd, die

aan haar zwarten hoed was vastgemaakt, verborg haar gezicht. Het

was afgesproken, dat zij op de vlucht de rol eener Creoolsche dame,

en Emmeline die van haar kamenier zou spelen.

Van hare kindsheid af aan den omgang in de hoogste kringen gewoon,

was Cassy door hare spraak en manieren volkomen geschikt voor deze

rol en zij had nog genoeg van hare eens prachtige garderobe en hare

juweelen over, om zich behoorlijk daarvoor te kleeden.

In eene buitenwijk der stad, waar zij opgemerkt had dat koffers te

koop stonden, kocht zij een fraaien koffer. Zij verzocht den winkelier

om dien koffer met haar mede te zenden. En aldus vergezeld door een

jongen, die hare zware bagage kruide, en Emmeline, die eenige kleine

pakjes droeg, kwam zij als eene voorname dame in de kleine herberg aan.

De eerste, die haar daar in het oog viel was George Shelby, daar

gekomen om op de stoomboot te wachten.

Cassy had den jonkman van de vliering bespied, hem het lijk van Tom

zien medenemen en zich heimelijk verheugd over de manier waarop hij

Legree zijne verontwaardiging had doen gevoelen. Vervolgens had zij

uit de gesprekken onder de negers, die zij beluisterd had, wanneer

zij na het vallen van den nacht als spook rondzwierf, opgemaakt wie

hij was en in welke betrekking hij tot Tom stond. Zij voelde dus

terstond hare gerustheid sterker worden, toen zij bevond, dat hij

evenals zij op de volgende boot wachtte.

Cassy's voorkomen en manieren, met hare blijkbare ruimte van geld

vereenigd, voorkwamen alle neiging tot achterdocht in de herberg. Men

is nooit zeer achterdochtig ten opzichte van menschen, die in de

hoofdzaak van goed betalen den toets kunnen doorstaan--iets waarop

Cassy had gerekend, toen zij zich van geld voorzag.

Tegen den avond kwam de boot aan, en George bood haar met die

beleefdheid, welke een Kentuckiër eigen is, de hand om haar aan boord

te helpen, waarna hij nog verder moeite deed om haar eene goede hut

te bezorgen.

Cassy bleef, onder voorwendsel van ongesteldheid, in hare hut en te

bed, zoolang men op de Roode Rivier was, en werd door hare gezellin

met gedienstige zorgvuldigheid opgepast.

Toen zij aan de Mississippi kwamen, deed George, die vernomen had dat

de vreemde dame, evenals hij, hoogerop moest, het voorstel om eene

plaats voor haar op dezelfde boot te nemen waarop hij gaan wilde,

daar hij uit goedhartigheid en medelijden met hare ongesteldheid,

haar gaarne zooveel mogelijk van dienst wilde zijn.

Ziedaar dan het geheele gezelschap veilig overgebracht op de goede

stoomboot te Cincinnatie, die met al de kracht harer raderen de

rivier opvaart.

Cassy's gezondheid was veel beter. Zij zat op het dek, kwam aan tafel

en trok op de boot de aandacht als eene dame die eens zeer schoon

moest geweest zijn.

Van het oogenblik af dat George haar gezicht voor de eerste maal

zag, werd hij gekweld door eene dier onbepaalde herinneringen van

gelijkenis, waardoor bijna ieder nu en dan verbijsterd wordt. Hij kon

het niet nalaten haar gedurig aan te zien. Aan de tafel, of als zij

in de deur van hare hut zat, vond zij steeds de oogen des jonkmans

op haar gevestigd, hoewel zij beleefd werden afgewend wanneer het

bleek dat zij daarop lette.

Cassy werd ongerust. Zij begon te denken dat hij iets vermoedde en

besloot eindelijk zich geheel op zijne edelmoedigheid te verlaten en

hem hare geschiedenis toe te vertrouwen.

George was hartelijk genegen om zijne belangstelling te toonen voor

iedereen, die van de plantage van Legree was ontkomen, eene plaats

waarvan hij niet met bedaardheid kon spreken; en met die dappere

onverschilligheid voor alle gevolgen, welke eene eigenschap van zijne

jaren en zijn karakter was, verzekerde hij haar dat hij alles zou doen

wat in zijn vermogen was, om de twee vluchtelingen te beschermen en

voort te helpen.

De hut naast die van Cassy was door eene Fransche dame bezet, welke

den naam van De Thoux droeg, en haar dochtertje, een bevallig meisje

van twaalf jaren, bij zich had.

Toen deze dame uit eenige gezegden van George had opgemaakt dat hij

van Kentucky was, scheen zij bijzonder genegen om kennis met hem

te maken, in welk oogmerk zij werd bijgestaan door de aanvalligheid

van haar dochtertje, dat zulk een aardig speelpopje was, als ooit de

verveling eener veertiendaagsche reis met eene stoomboot verminderde.

Dikwijls stond George's stoel bij de deur harer hut, en dan kon Cassy,

als zij hare deur openliet, het gesprek hooren.

Madame De Thoux deed zeer omstandig navraag naar Kentucky, waar zij

zeide dat zij vroeger had gewoond. Tot zijne verwondering ontdekte

George dat hare vroegere woonplaats in zijne nabijheid moest geweest

zijn, en hare vragen legden eene gemeenzaamheid met de menschen en

dingen in die streek aan den dag, welke hem zeer verraste.

"Kent gij ook in uwe buurt iemand, die Harris heet?" vroeg Madame De

Thoux eens.

"Er is een oude kerel van dien naam, die niet ver van mijns vaders

goed woont," antwoordde George, "maar wij hebben nooit veel omgang

met hem gehad."

"Hij is een groot slavenhouder, geloof ik," zeide Madame De Thoux op

eene manier die meer belangstelling scheen te verraden dan zij wel

wilde laten blijken.

"Dat is hij," zeide George eenigszins verwonderd over haren toon.

"Hebt gij er nooit van gehoord--misschien hebt gij er wel van gehoord,

dat hij een mulat had die George heette?"

"O zeker--George Harris--ik ken hem wel; hij is met eene meid van

mijne moeder getrouwd; maar hij is nu naar Canada ontsnapt."

"Is hij dat?" zeide Madame De Thoux snel. "Goddank!"

George zag haar bevreemd aan, maar zeide niets.

Madame De Thoux liet haar hoofd in hare handen zinken en barstte in

tranen uit.

"Hij is mijn broeder!" zeide zij.

"Madame!" zeide George, op den toon der hoogste verbazing.

"Ja," zeide Madame De Thoux, trotsch het hoofd opheffende en hare

tranen afwisschende. "Ja, Mijnheer Shelby, George Harris is mijn

broeder."

"Ik ben geheel verbaasd," zeide George, zijn stoel een eind

terugschuivende en Madame De Thoux aanziende.

"Ik werd naar het Zuiden verkocht, toen hij nog een kind was,"

zeide zij. "Ik werd gekocht door een braaf, edelmoedig man. Hij nam

mij mede naar de West-Indiën, liet mij vrij en trouwde mij. Het is

nog maar kort geleden dat hij stierf, en ik kwam nu naar Kentucky,

om te zien of ik mijn broeder kon vinden en vrijkoopen."

"Ik heb hem van eene zuster Emily hooren spreken, die naar het Zuiden

verkocht was," zeide George.

"Ja, die ben ik," zeide Madame De Thoux. "Maar zeg mij wat voor

een...."

"Een zeer knap jonkman," zeide George, "in weerwil van den vloek der

slavernij, die op hem lag. Hij verdiende algemeene achting, zoowel

om zijne schranderheid als om zijne braafheid. Dat weet ik, ziet ge,"

vervolgde hij, "omdat hij in onze familie getrouwd was."

"Wat voor een meisje?" zeide Madame De Thoux snel.

"Een juweel," antwoordde George. "Een schoon, verstandig, beminnelijk

meisje en zeer godsdienstig. Mijne moeder had haar grootgebracht

en bijna zoo zorgvuldig opgevoed als eene dochter. Zij kon lezen en

schrijven, naaien en borduren, alles uitmuntend en was eene heerlijke

zangeres."

"Was zij in uw huis geboren?" vroeg Madame De Thoux.

"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te New-Orleans was, en

bracht haar mede als een presentje voor mijne moeder. Zij was toen

omtrent acht of negen jaar oud. Vader wilde moeder nooit zeggen wat

hij voor haar gaf; maar toen ik laatst zijne oude papieren nazag,

vond ik den koopbrief. Hij had inderdaad eene buitensporige som voor

haar betaald, waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid."

George zat met zijnen rug naar Cassy en lette niet op de vurige

belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij deze bijzonderheden

vermeldde.

Nu stiet zij hem aan den arm en zeide bleek van aandoening en angstige

spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?"

"Een man die Simmons heette, was geloof ik de principaal bij den

verkoop, tenminste dat was, als ik mij wel bedenk, de naam die onder

den koopbrief stond."

"O, mijn God!" zeide Cassy en zonk bewusteloos op het dek.

George sprong op en Madame De Thoux insgelijks. Hoewel zij geen van

beiden konden gissen wat de oorzaak van Cassy's flauwvallen was,

maakten zij toch al de opschudding, die bij zulke gelegenheden

behoort. George gooide in het vuur zijner menschlievendheid de

lampetkan om en brak twee glazen; en de dames in de kajuit, hoorende

dat er iemand flauw gevallen was, verdrongen elkander bij de deur

der hut en sloten de lucht zooveel mogelijk af, zoodat er over het

geheel alles gedaan werd, wat men kon verwachten.

Arme Cassy! Toen zij weder bijkwam, keerde zij haar gezicht naar den

wand en schreide en snikte als een kind. Misschien moeder, kunt gij

zeggen waaraan zij dacht. Misschien kunt gij het niet. Maar in dat

uur voelde zij zich zoo zeker dat God barmhartigheid met haar had

gehad, en dat zij hare dochter zou wederzien, als toen zij maanden

later--maar wij loopen te veel vooruit.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

DE AFLOOP

Het overige onzer geschiedenis is spoedig verhaald. George Shelby,

wiens belangstelling, (gelijk bij een jonkman niet anders wezen

kon) niet minder door het romaneske van het gebeurde, dan door

zijn menschlievend gevoel werd gewekt, moest de moeite doen van

Cassy den koopbrief van Eliza over te zenden, en daar naam en datum

overeenstemden met hetgeen zij zelve van de zaak wist, bleef er voor

haar geen twijfel over, of deze Eliza was haar eigen kind. Thans was

het haar eenige gedachte de vluchtelingen op te sporen.

Madame De Thoux en zij, door dezen zonderlingen samenloop van

omstandigheden aan elkander gehecht, begaven zich terstond naar Canada

en deden een reis, om navraag te doen op al de stations, waar de

talrijke vluchtelingen uit de slavernij zich ophouden, te Amhertsberg

vonden zij den zendeling bij wien George en Eliza bij hunne aankomst in

Canada het eerst een schuilplaats hadden gevonden, en door hem werden

zij in staat gesteld om het spoor der familie naar Montreal te volgen.

George en Eliza waren nu vijf jaren vrij geweest. George had bestendige

bezigheden gevonden in de werkplaats van een braven machinist, waar

hij genoeg verdiende tot onderhoud van zijn gezin, dat intusschen

met eene dochter was vermeerderd.

Kleine Harry, thans een frisch opgegroeide, schrandere knaap, was

op een goede school besteld, waar hij snelle vorderingen in allerlei

kundigheden maakte.

De brave leeraar van het station te Amhertsberg, waar George het eerst

was aangekomen, stelde zooveel belang in het verhaal van Madame De

Thoux en Cassy, dat hij aan het verlangen der eerste gehoor gaf, om

haar naar Montreal te vergezellen en haar in hare nasporingen aldaar

behulpzaam te zijn, terwijl zij al de kosten der reis zou dragen.

Het tooneel wordt nu verplaatst naar eene kleine nette woning in

eene buitenwijk van Montreal, en de tijd is avond. Een vroolijk vuur

brandt aan den haard, eene theetafel met een sneeuwwit kleed bedekt,

staat gereed voor den avondmaaltijd. In een hoek van het vertrek staat

een tafel met een groen kleed, en daarop een schrijflessenaartje met

pennen en papier, en aan den wand is een plank met welgekozen boeken.

Die hoek was George's studeerkamer. Dezelfde zucht naar kennis,

die hem ter sluiks de veelgewenschte lees- en schrijfkunst had doen

leeren, onder al den arbeid en de tegenheden van zijn vroeger leven,

spoorde hem nu aan om al zijn ledigen tijd aan de vermeerdering zijner

kundigheden te wijden.

Op het oogenblik zit hij aan tafel en maakt aanteekeningen uit een

boek dat hij gelezen heeft.

"Kom, George," zegt Eliza, "ge zijt den geheelen dag uit geweest. Leg

nu dat boek toch neer, en laten wij wat praten terwijl ik thee zet,

kom!"

En de kleine Eliza helpt haar door naar haren vader te waggelen en

eene poging te doen om hem het boek uit de hand te trekken en zich

zelve in plaats daarvan op zijne knie te zetten.

"O, gij kleine heks," zegt George toegevende, gelijk een man in zulke

omstandigheden altijd doen moet.

"Goed zoo," roept Eliza, terwijl zij het brood begint te snijden.

Zij ziet er een weinigje ouder uit, hare gestalte is wat meer gezet,

heur haren zijn wat stemmiger opgemaakt dan voorheen, maar blijkbaar

is zij zoo gelukkig en tevreden als eene vrouw maar behoeft te zijn.

"Wel Harry, mijn jongen, hoe zijt ge vandaag met die som

klaargekomen?" zegt George, terwijl hij zijne hand op het hoofd van

zijn zoontje legt.

Harry heeft zijne lange krullen verloren; maar hij kan nooit die

oogen verliezen, en dat hooge edele voorhoofd, waarnaar een blos van

zegevierende blijdschap opstijgt, terwijl hij antwoordde: "Ik heb

haar gemaakt, heel en al zelf vader; _niemand_ heeft mij geholpen."

"Goed zoo!" zegt zijn vader. "Help u zelven maar, jongen. Gij hebt

beter kans dan uwe vader ooit gehad heeft."

Op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt en Eliza gaat

opendoen. Haar verheugd: "Wel heden--zijt gij daar?" roept haar man;

en de goede zendeling van Amhertsberg wordt verwelkomd. Hij heeft

twee vrouwen bij zich en Eliza verzoekt dezen om te gaan zitten.

Om nu de waarheid te zeggen, had de goede zendeling een klein

programma vastgesteld, volgens hetwelk de zaak zich moest ontwikkelen;

en onderweg had hij allen zeer ernstig en bedachtzaam vermaand,

om niets te laten blijken behalve volgens vroegere afspraak.

Hoe stond de goede man dus versteld, toen, juist nadat hij de dames

gewenkt had om plaats te nemen, en terwijl hij zijn zakdoek uithaalde

om zijn mond af te vegen, opdat hij naar behooren zijne inleidingsrede

zou kunnen voordragen, Madame De Thoux het geheele plan in duigen

wierp, door hare armen om George's hals te slaan en alles in eens

uit te brengen, met den uitroep: "O, George, kent ge mij niet? Ik

ben uwe zuster Emily!"

Cassy was met meer bedaardheid gaan zitten, en zou hare rol zeer goed

gespeeld hebben, zoo niet de kleine Eliza eensklaps voor haar was

verschenen in dezelfde gedaante, zelfs met de volmaakste gelijkenis

in elke krul, die hare dochter had, toen zij deze voor het laatst

had gezien. Het kleine ding keek naar haar op; en Cassy sloot haar

in hare armen, drukte haar aan hare borst, en zeide wat zij op het

oogenblik inderdaad geloofde: "Lieveling, ik ben uwe moeder!"

Het was inderdaad eene moeilijke zaak om in behoorlijke orde af

te doen; maar eindelijk gelukte het den goeden zendeling toch om

iedereen stil te krijgen en de redevoering uit te spreken, waarmede

hij voornemens was te beginnen en waarmede hij nu toch zooveel indruk

maakte, dat geheel zijn gehoor zat te snikken op eene manier, die

elken redenaar, uit ouden of nieuwen tijd, moest tevreden stellen.

Zij knielden te zamen, en de goede man bad--want er zijn sommige

aandoeningen, zoo woelig en onstuimig, dat zij alleen rust kunnen

vinden door in den boezem van de Almachtige Liefde te worden

uitgestort; en toen opstaande, omhelsden de pas gevonden betrekkingen

elkander met een heilig vertrouwen op Hem, die hen door zulke angsten

en gevaren, langs zulke zonderlinge wegen, bij elkander had gebracht.

Het aanteekenboekje van een zendeling onder de vluchtelingen in

Canada bevat waarheid, veel vreemder dan verdichting. Hoe kan het

anders wezen, waar een stelsel heerscht; dat familiën rondslingert en

hare leden verstrooit, gelijk de wind de herfstbladeren rondslingert

en verstrooit? Die kusten van toevlucht vereenigen dikwijls weder,

gelijk de kusten van de eeuwigheid, in blijde gemeenschap, harten,

die elkander jarenlang als verloren betreurd hebben en aandoenlijk

boven alle beschrijving is het ernstige verlangen, waarmede elk nieuw

aankomende onder hen ontvangen wordt, of hij misschien ook tijding

medebrengt van moeder, zuster, vrouw of kind, nog in den nacht der

slavernij voor het gezicht verborgen.

Heldendaden worden hier verricht, stouter dan in romans voorkomen,

wanneer de vluchteling, gevaar en dood tartende, zich weder tusschen

de verschrikkingen en gevaren van dat donkere land begeeft, om eene

zuster, moeder of vrouw daaruit te verlossen.

Een jonkman, van wien een zendeling ons verhaald heeft,

tweemaal opgevangen en tweemaal met schandelijke slagen voor zijne

heldhaftigheid gestraft, was wederom ontsnapt; en in eenen brief, dien

wij hoorden voorlezen, zegt hij zijnen vrienden dat hij voor de derde

maal teruggaat, om eindelijk als het mogelijk is zijne zuster mede te

brengen. Mijn goede heer, is deze man een held of een misdadiger? Zoudt

gij niet evenveel voor uwe zuster doen? En gij kunt hem laken?

Doch om weder tot onze vrienden terug te keeren, die toen wij

hen verlieten bezig waren met zich de oogen af te vegen en zich te

herstellen van eene al te groote en plotselinge blijdschap--zij zijn

nu om de gezellige tafel gezeten, en schijnen reeds lang met elkander

eigen te zijn; behalve dat Cassy, die de kleine Eliza op haren schoot

heeft, haar nu en dan vastklemt op eene manier welke het kind verbaast,

en hardnekkig weigert zich den mond zoo vol koek te laten stoppen als

de kleine verlangt, zeggende hetgeen het meisje tamelijk bevreemdt,

dat zij wat beters heeft dan koek en geen eten noodig heeft.

En inderdaad, in twee of drie dagen had er zulk een verandering

met Cassy plaats gehad, dat onze lezers haar nauwelijks zouden

herkennen. De wanhopige, akelige uitdrukking harer trekken had voor

eene geheel andere plaats gemaakt, die niets dan zoet vertrouwen

aanduidde. Zij scheen op eens geheel eigen in de familie te worden,

en de kleinen in haar hart op te nemen, als iets waarnaar zij lang

had gewacht. Haar liefde scheen zelfs rijkelijker en natuurlijker

voor de kleine Eliza op te wellen, dan voor hare eigene dochter,

want het meisje was het volmaakte beeld van het kind dat zij eens

verloren had. De kleine was een bloemenband tusschen moeder en dochter,

waardoor kennismaking en genegenheid werden aangeknoopt. Eliza's kalme,

onwankelbare godsvrucht, door de gedurige lezing van het heilige

woord bestuurd, maakte haar tot eene geschikte leidsvrouw voor den

geslingerden en vermoeiden geest harer moeder. Cassy zwichtte terstond

en met geheel hare ziel voor allen goeden invloed, en werd eene vrome

en liefderijke christinne.

Na een paar dagen sprak Madame De Thoux met haren broeder meer in

het bijzonder over hare aangelegenheden. De dood van haren echtgenoot

had haar in het bezit van een aanzienlijk vermogen gelaten, dat zij

grootmoedig aanbood met haren broeder te deelen. Toen zij George

vroeg op welke wijze zij haar geld het best voor hem besteden kon,

antwoordde hij:

"Geef mij eene opvoeding Emily. Dat is altijd het verlangen van mijn

hart geweest. Dan kan ik al het overige doen."

Na rijp beraad werd er besloten, dat de geheele familie zich voor

eenige jaren naar Frankrijk zou begeven, en daarheen vertrokken zij

dan ook, Emmeline met zich nemende.

De bevalligheid van dit meisje wekte de genegenheid van den eersten

stuurman op het schip, waarmede zij de reis deden, en kort nadat zij

in de haven kwamen werd zij zijne vrouw.

George bleef vier jaren aan eene Fransche universiteit, en daar hij

met onvermoeiden ijver arbeidde, was hij na verloop van dien tijd

meester van even grondige als uitgebreide kundigheden.

De staatkundige onlusten in Frankrijk bewogen de familie om wederom

eene schuilplaats in Amerika te zoeken.

George's begrippen en inzichten, na het volbrengen zijner studiën,

zullen het best kunnen worden opgemaakt uit een brief aan een zijner

vrienden.

"Ik ben eenigszins besluiteloos wat mijne toekomstige

loopbaan betreft. Het is waar, gelijk gij mij gezegd hebt,

ik zou in de kringen der blanken in dit land kunnen verkeeren;

mijne tint van kleur is zoo gering, en die van mijne vrouw en

kinderen nauwelijks merkbaar. Nu ja, ik zou misschien geduld

worden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik verlang dit niet.

"Ik gevoel mij niet aan het geslacht van mijnen vader, maar

aan dat mijner moeder gehecht. Voor hem was ik niet meer dan

een geliefkoosde hond of een fraai paard; voor mijne arme,

ongelukkige moeder was ik een kind, en hoewel ik haar na de

wreede verkooping die ons scheidde nooit heb wedergezien tot

zij stierf, weet ik toch dat zij mij altijd teeder liefhad. Ik

weet dat aan mijn eigen hart. Wanneer ik aan haar lijden denk,

aan wat ik zelf vroeger geleden heb, aan wat mijne heldhaftige

vrouw heeft doorstaan en doorworsteld, aan mijne zuster die

te New-Orleans op de slavenmarkt werd verkocht--hoewel ik

geen onchristelijk gevoel hoop te koesteren, zal het wel bij

mij te verschoonen zijn, als ik zeg dat ik niet verlang voor

een Amerikaan door te gaan, of mij met hen gelijk te stellen.

"Het is met den verdrukten Afrikaan, dat ik mij verbroederen

wil; en als ik iets wenschte, zou het zijn dat ik twee tinten

donkerder was, in plaats van eene tint lichter.

"Het smachtende verlangen mijner ziel is eene Afrikaansche

nationaliteit. Ik wensch een volk, dat een zichtbaar

afzonderlijk eigen bestaan heeft; en waar zal ik dat

zoeken? Niet op Haïti; want op Haïti had men niets om mede te

beginnen. Een stroom kan niet boven zijne bron rijzen. Het

geslacht, dat het karakter der Haïtianen vormde, was een

versleten en verwijfd geslacht, en natuurlijk zal het eeuwen

lang duren, eer het eens daaraan onderworpen geslacht zich

tot iets verheft.

"Waar zal ik dan zoeken? Op de kusten van Afrika zie ik eene

republiek, eene republiek gevormd uit uitgelezen mannen, die

zich veelal door geestkracht en eigen ontwikkeling persoonlijk

boven den staat van slavernij hebben verheven. Nadat zij een

voorbereidenden toestand van zwakheid heeft doorleefd, is

deze republiek eindelijk eene erkende natie op het aangezicht

des aardrijks geworden--door Engeland en Frankrijk beide

erkend. Daar verlang ik heen te gaan en een vaderland te

vinden.

"Ik weet wel dat ik u allen tegen mij zal hebben, maar eer

gij vonnis velt, hoor mij aan. Gedurende mijn verblijf in

Frankrijk heb ik met vurige belangstelling de geschiedenis

van mijn volk in Amerika nagegaan. Ik heb op de worsteling

tusschen abolitionisten en colonisationisten gelet, en als

verwijderd toeschouwer ben ik op gedachten gekomen die mij

als deelnemer aan dien kamp nooit hadden kunnen invallen.

"Ik geef toe dat dit Liberia tot allerlei oogmerken

gebruikt mag zijn en door de list onzer onderdrukkers

tegen ons is aangewend. Zonder twijfel kan het plan, op eene

onverschoonlijke manier, gebezigd zijn als een middel om onze

emancipatie te verdagen. Maar voor mij is de vraag: is er niet

een God boven alle menschelijke plannen en aanslagen? Kan

Hij hunne oogmerken niet hebben verijdeld en daardoor een

volk voor ons hebben gesticht?

"In dezen tijd wordt een volk in éénen dag geboren. Een volk,

dat thans ontstaat, heeft de oplossing van al de groote

vraagstukken, die met republikeinsche staatsinstelling

en beschaving in verband staan, uitgewerkt vóór zich; het

behoeft niet te ontdekken, maar alleen toe te passen. Laten

wij dan met al onze macht handen aan het werk slaan en zien

wat wij met deze nieuwe onderneming kunnen doen, en het

geheele, heerlijke vasteland van Afrika ligt voor ons en

onze kinderen open. Ons volk zal den stroom der beschaving

en des Christendoms langs zijne kusten voortstuwen en daar

machtige republieken vestigen, die met de snelheid van den

tropischen plantengroei vastwortelende, voor alle eeuwen

zullen blijven bestaan.

"Zegt gij dat ik mijne ongelukkige broederen, die nog in

slavernij verkeeren, verlaat? Ik geloof van neen. Als ik

hen een uur, een oogenblik van mijn leven vergeet, zoo moge

God mij vergeten! Maar wat kan ik hier voor hen doen? Kan ik

hunne ketenen verbreken? Neen, als individu kan ik dat niet;

maar laat ik heengaan en een deel worden van een volk, dat

eene stem zal hebben in den raad der volken, en dan kunnen wij

spreken. Een volk bezit het recht om zich te doen hooren en

de zaak van zijnen stam te vertegenwoordigen, dat een enkel

persoon niet bezit.

De Negerhut · 第 42 / 44 段