vernedering en schande in een zinnebeeld van heerlijkheid, eer en
onsterfelijk leven veranderde; en waar Zijn geest is, daar kunnen
slagen, bloed en smaadwoorden den laatsten worstelstrijd eens christens
niet minder dan heerlijk maken.
Was hij alleen in dien langen nacht, hij, wiens krachtige, liefderijke
geest in die oude schuur tegen barbaarsche vuist- en geeselslagen
standhield?
Neen, er stond Een bij hem, alleen door hem gezien, "gelijk aan den
Zoon van God!"
Ook de verzoeker stond bij hem, verblind door woedende drift, en drong
hem ieder oogenblik om die marteling te ontgaan, door de onschuldigen
te verraden. Maar het dappere, trouwe hart bleef standvastig. Gelijk
zijn meester, was het hem bekend, dat hij, als hij anderen wilde
redden, zich zelven niet redden kon; en de uiterste mate van pijn kon
hem geen andere woorden afpersen, dan van gebed en heilig vertrouwen.
"Hij is al haast weg, meester," zeide Sambo, zijns ondanks getroffen
door het geduld van het slachtoffer.
"Sla maar toe, tot hij het opgeeft! Sla maar toe!" schreeuwde
Legree. "Ik zal hem zijn laatsten droppel bloed uitknijpen, als hij
niet bekent!"
Tom opende zijne oogen en zag zijn meester aan.
"Gij, arm, ellendig schepsel," zeide hij, "gij kunt niet meer
doen. Ik vergeef u met geheel mijne ziel!" en met deze woorden viel
hij in zwijm.
"Ik geloof waarachtig dat hij al geheel zijn bekomst heeft," zeide
Legree, nader komende om naar hem te zien. "Ja, zoo is het. Nu,
dan is zijn mond toch eindelijk gesloten--dat is één goed ding!"
Ja Legree, maar wie zal die stem in uwe ziel smoren--die ziel, waarvoor
het gedaan is met berouw, gebed en hoop, waarin het vuur reeds brandt,
dat nooit zal worden uitgebluscht?
Het was echter nog niet geheel voorbij met Tom. Zijne verbazende
woorden en vrome gebeden hadden het hart getroffen der verdierlijkte
zwarten, die zwarten, die zich tot werktuigen der aan hem gepleegde
wreedheid hadden geleend; en toen Legree zich verwijderd had, namen
zij hem dadelijk af, en poogden hem in hunne onkunde tot het leven
terug te brengen--alsof dat eene weldaad voor hem was.
"Zeker, wij hebben eene geduchte goddeloosheid gedaan," zeide
Sambo. "Ik hoop dat meester het zal te verantwoorden hebben en
wij niet."
Zij wieschen zijne wonden, legden hem op een ruw bed van afgekeurd
katoen; en toen ging een van hen naar huis, en vroeg Legree om wat
brandewijn, onder voorwendsel dat hij moede was en er zelf behoefte
aan had. Hij bracht den brandewijn mede en goot dien Tom in de keel.
"O, Tom," zeide Quimbo. "Wij zijn geducht goddeloos geweest, dat wij
zoo met u gehandeld hebben."
"Ik vergeef het u met geheel mijn hart," zeide Tom flauw.
"O Tom, zeg ons, wie is die Jezus toch?" zeide Sambo. "Jezus, die u
dezen ganschen nacht zoo heeft bijgestaan? Wie is hij?"
Deze woorden wekten den bezwijmenden geest op. Hij ontboezemde een
kort maar krachtig getuigenis van dien wonderbaren Helper--van Zijn
leven, Zijnen dood, Zijne eeuwige alomtegenwoordigheid en Zijne macht
om te redden.
Zij schreiden, die twee barbaarsche negers.
"Waarom heb ik dat nooit vroeger gehoord!" zeide Sambo. "Maar ik
geloof het! Ik kan het niet laten! Heere Jezus, wees ons genadig!"
"Arme schepselen!" zeide Tom. "Ik zou gewillig zijn om dat alles nog
eens te dragen, als het u maar tot Christus mocht brengen. O, Heere,
ik bid U, geef mij nog twee zielen!"
Dat gebed werd verhoord.
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
DE JONGE MEESTER
Twee dagen later kwam een jonkman in een lichten wagen de laan van
oranjeboomen oprijden, wierp de teugels haastig uit de hand, sprong
af en vroeg naar den eigenaar van het goed.
Het was George Shelby, en om te doen begrijpen hoe hij daar kwam,
moeten wij een eind in het verhaal teruggaan.
De brief van Miss Ophelia aan Mevrouw Shelby was door een ongelukkig
toeval een paar maanden aan een afgelegen postkantoor opgehouden,
eer hij zijne bestemming bereikte; en natuurlijk was Tom vóór dien
tijd reeds tusschen de afgelegen moerassen aan de Roode rivier uit
het oog verloren.
Mevrouw Shelby las dit bericht met het diepste leedwezen, maar
dientengevolge terstond iets te doen was eene onmogelijkheid. Zij
zat toen bij het ziekbed van haren echtgenoot, die ijlende in de
crisis eener koortsziekte lag. Jongeheer George Shelby, die in dien
tusschentijd van een knaap tot een rijzig jonkman was veranderd,
was haar getrouwe helper en haar eenige steun in het beheer der zaken
van zijnen vader. Miss Ophelia was bedachtzaam genoeg geweest om den
naam van den procureur te melden, die de zaken van de St. Clare's
behandelde; en het eenige, wat onder deze omstandigheden kon gedaan
worden, was hem een brief te schrijven om nadere inlichtingen te
verzoeken. Het overlijden van Mr. Shelby, eenige dagen later, deed
natuurlijk alle belangen, uitgezonderd die van den dringendsten aard
waren, vergeten.
Mr. Shelby had zijn vertrouwen op de bekwaamheden zijner vrouw getoond
door haar tot executrice in zijne nalatenschap te benoemen, daardoor
werd zij terstond met eene menigte van bezigheden overladen.
Met hare eigenaardige geestkracht aanvaardde Mevrouw Shelby de taak
om den ingewikkelden staat der zaken te ontwarren, en hield zich,
door George geholpen, eenigen tijd bezig met rekeningen na te zien,
bezittingen te verkoopen en schulden af te doen; want zij had zich
voorgenomen alle zaken thans op een effen voet te brengen, wat ook de
gevolgen daarvan mochten zijn. Intusschen ontvingen zij een brief van
den rechtsgeleerde, naar wien Ophelia hen verwezen had, waarin deze
meldde dat hij niets van de zaak wist; dat de man op eene publieke
verkooping verkocht was, en hij niets anders zeggen kon, dan dat hij
het geld had ontvangen.
Mevrouw Shelby en haar zoon konden zich echter hiermede niet
geruststellen, en toen George, ongeveer zes maanden later, voor de
zaken zijner moeder eene reis de rivier af moest doen, besloot hij
New-Orleans te bezoeken en in persoon navraag te doen, in de hoop
van aldus te ontdekken waar Tom gebleven was.
Na eenige maanden van vruchtelooze nasporingen, ontmoette George
door een bloot toeval, te New-Orleans iemand, die hem de gewenschte
inlichtingen kon geven; en daarna voer hij, van geld voorzien, met
de stoomboot de Roode rivier op, met het besluit om zijn ouden vriend
op te zoeken en terug te koopen.
Legree kwam buiten en ontving den vreemdeling met zekere barsche
gastvrijheid.
"Ik verneem," zeide de jonkman, "dat gij te New-Orleans een jongen
gekocht hebt, Tom geheeten. Hij placht op mijns vaders plaats te wezen,
en ik kwam zien of ik hem niet kon terugkoopen."
Legree's gezicht betrok, en hij antwoordde, driftig uitvallende: "Ja,
ik heb zulk een kerel gekocht, en een duivels slechten koop heb ik
aan hem gedaan. Zulk een weerspannige, onbeschaamde kerel! Hij heeft
mijne negers opgestookt om weg te loopen en twee meiden voortgeholpen,
die achthonderd of duizend dollars het stuk waard waren. Dat bekende
hij, en toen ik hem beval te zeggen waar zij waren zeide hij dat hij
het wel wist, maar het niet zeggen wilde; en daar bleef hij bij,
hoewel ik hem de ergste geeseling gaf die ik nog ooit een neger
gegeven heb. Ik geloof dat hij zijn best doet om dood te gaan, maar
ik weet niet of het hem gelukken zal."
"Waar is hij?" zeide George ongeduldig. "Laat mij hem zien."
Het gezicht des jonkmans was bloedrood geworden, en zijne oogen
schoten vonken; maar hij achtte het voorzichtig om nog niets te zeggen.
"Hij is daar in die schuur," zeide eene kleine jongen, die het paard
van George vasthield.
Legree gaf den jongen vloekende een schop; maar George ging, zonder
een woord te spreken, naar de aangeduide plaats.
Tom had daar sedert dien noodlottigen nacht twee dagen gelegen,
niet lijdende, want alle gevoel en vatbaarheid voor lijden was
verdoofd. Hij lag meestal stil, in een halve bezwijming; want zijn
gezond en sterk gestel wilde niet zoo terstond bezwijken en den
gekerkerden geest vrijlaten. Tersluiks was hij daar in de duisternis
van den nacht bezocht door eenige arme schepselen, die hunne karige
uren van rust verkortten, om hem eenige dier liefdediensten terug te
geven, waarin hij altijd zoo overvloedig was geweest. Het is waar,
die arme discipelen hadden weinig te geven, alleen een beker koud
water; maar die werd met volle harten gegeven.
Tranen waren op dat goedige, gevoellooze gezicht gedroppeld--tranen van
berouw, door die arme onwetende heidenen geschreid, die zijn geduld
en zijne stervende liefde tot berouw hadden opgewekt, en bittere
gebeden waren over hem uitgezucht tot een laat gevonden Verlosser,
van wien zij nauwelijks meer wisten dan den naam, maar wien het
smachtende hart van den onwetenden mensch nooit tevergeefs aanroept.
Cassy, die uit hare schuilplaats was geslopen en door luisteren
vernomen had welk een offer er voor haar en Emmeline was gebracht, was
daar den vorigen nacht geweest, alle gevaar van ontdekking tartende;
en bewogen door eenige laatste woorden, die de liefderijke ziel nog
met inspanning van alle krachten kon fluisteren, was het hart der
ongelukkige verzacht, en had de wanhopige vrouw geweend en gebeden.
Toen George de schuur binnentrad, voelde hij zich duizelig en flauw
worden.
"Is het mogelijk? Is het mogelijk?" zeide hij, bij hem
nederknielende. "Oom Tom! Mijn arme, arme vriend!"
De stem had iets, dat in het oor van den stervende doordrong. Hij
bewoog even het hoofd, glimlachte en zeide met de woorden van een
methodistisch lied:
"Jezus kan door Zijn gena
't Sterfbed tot een donzen peluw maken."
Tranen, die zijn mannelijk hart eer aandeden, rolden den jongeling
over de wangen, terwijl hij zich over zijnen armen vriend heenboog.
"O, beste Oom Tom! Ontwaak toch--spreek toch nog eens! Zie op! Hier
is George--uw kleine meester George.--Kent ge mij niet?"
"Jongeheer George!" zeide Tom, zijn oogen openende, met eene uiterst
flauwe stem. "Jongeheer George!" en zag hem verbijsterd aan.
Langzaam scheen het denkbeeld zijne ziel te vervullen; de zwervende
blik werd vast en helder, het geheele gezicht verlevendigde zich;
de handen werden saamgevouwen en de tranen rolden over zijne wangen.
"Gezegend zij de Heere! Dat is--dat is al wat ik verlangde! Zij hebben
mij niet vergeten! Dat verwarmt mijne ziel, dat doet mijn oud hart
goed! Nu zal ik tevreden sterven! Loof den Heere; o mijne ziel!"
"Gij zult niet sterven, gij moet niet sterven! Denk er niet aan! Ik
ben gekomen om u te koopen en weder naar huis te brengen," zeide
George met hartstochtelijke aandoening.
"O, meester George, gij komt te laat. De Heere heeft mij gekocht
en zal mij naar huis brengen--en ik verlang om te gaan. De hemel is
beter dan Kentucky."
"O, sterf toch niet. Dat zou mij den dood doen. Het zal mij het hart
breken te denken wat gij geleden hebt, en dat gij hier zoo in die
oude schuur ligt! Arme, ongelukkige man!"
"Noem mij geen arm, ongelukkig man," zeide Tom met plechtigen
ernst. "Ik ben arm en ongelukkig geweest; maar dat is alles nu
voorbij. Ik ben nu vlak aan de deur, ingaande tot de heerlijkheid! O,
meester George, de hemel is gekomen! Ik heb de overwinning behaald! De
Heere Jezus heeft mij die gegeven. Geprezen zij Zijn naam!"
George was ontzet over de kracht en de levendigheid, waarmede deze
afgebroken gezegden werden geuit. Hij bleef stil zitten staren.
Tom vatte zijne hand en vervolgde: "Gij moet niet aan Chloe zeggen,
die arme ziel, hoe gij mij gevonden hebt, dat zou zoo schrikkelijk
voor haar wezen. Zeg haar maar, dat gij mij vondt, ingaande in de
heerlijkheid en dat ik naar niemand wachten kon. En zeg dat de Heere
mij altijd en overal heeft bijgestaan en mij alles licht en gemakkelijk
heeft gemaakt. En o, de arme kinderen--mijn oud hart is bijna om
hen gebroken, al zoolang. Zeg hun allen dat zij mij volgen--mij
volgen. Geef mijn liefdegroet aan meester en de lieve meesteres,
en iedereen op de plaats. O, gij weet het niet! Het is alsof ik hen
allen even lief heb! Ik heb alle schepselen lief, overal--het is niets
dan liefde! O, meester George, wat is het toch een christen te zijn!"
Op dit oogenblik kwam Legree naar de deur kuieren, keek met een norsch
gezicht en geveinsde onverschilligheid binnen en keerde zich weder om.
"Die oude satan!" zeide George in zijne verontwaardiging. "Het is
een troost, te denken dat de duivel hem eens hiervoor betalen zal."
"O neen--zoo niet!" zeide Tom, zijne hand drukkende. "Hij is een
arm, ellendig schepsel. Het is ontzettend om er aan te denken. O,
als hij maar berouw wilde hebben, zou de Heere hem nog vergeven;
maar ik vrees dat hij het nooit zal doen."
"Ik hoop van neen," zeide George. "Ik zou hem nooit in den hemel
willen zien."
"Stil, meester George. Dat kwelt mij. Denk zoo niet. Hij heeft mij
geen wezenlijk kwaad gedaan--hij heeft maar de poort van het koninkrijk
voor mij geopend, anders niet."
Op dit oogenblik was de kracht uitgeput, waarmede de blijdschap over
het wederzien van zijn jongen meester den stervende plotseling had
begaafd. Eensklaps begaf hem die opgewektheid weder; hij sloot de
oogen, en die geheimzinnige verandering vertoonde zich op zijn gelaat,
welke de nadering der andere wereld aankondigt.
Hij begon dieper en zwaarder adem te halen; zijn breede borst zwoegde
heftig op en neer. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een
overwinnaar.
"Wie--wie--wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" zeide
hij met eene stem, die met zijne doodelijke zwakheid streed; en met
een glimlach viel hij in slaap.
George bleef met eerbiedig ontzag stilzitten; het was hem alsof die
plaats heilig was; en toen hij eindelijk de gebroken oogen sloot en
van den doode opstond, vervulde hem slechts eene gedachte--die welke
zijn eenvoudige vriend had uitgedrukt met de woorden: "Wat is het
toch een christen te zijn!"
Hij keerde zich om. Legree stond met een norsch gezicht achter hem.
Het gezicht van zulk een stervende had het natuurlijk vuur van jeugdige
hartstochtelijkheid gedempt. De tegenwoordigheid van dien man was
voor George enkel walgelijk, en hij verlangde niets anders, dan zich
maar met zoo weinig woorden als mogelijk was van hem te verwijderen.
Zijne donkere sprekende oogen op Legree vestigende, zeide hij slechts:
"Gij hebt alles gekregen wat gij ooit van hem hebben kunt. Wat zal ik u
voor het lijk betalen? Ik wil het wegnemen en het behoorlijk begraven."
"Ik verkoop geen doode negers," antwoordde Legree
stuursch. "Mijnentwege moogt gij hem begraven waar en wanneer gij
wilt."
"Jongens," zeide George op een toon van gezag tot eenige negers, die
er bij stonden, "helpt mij hem opnemen en naar mijnen wagen dragen,
en haalt mij eene spa."
Een van hen liep heen om eene spa; twee anderen hielpen George om
het lijk naar den wagen te dragen.
George zag niet eens om naar Legree, die zijne bevelen niet tegensprak,
maar met gedwongen onverschilligheid stond te fluiten. Hij volgde
hen met een strak gezicht naar de plaats, waar de wagen stond.
George spreidde zijn mantel in den wagen, en liet het lijk behoedzaam
daarin leggen, de bank opschuivende om ruimte daarvoor te maken. Toen
keerde hij zich om, keek Legree strak aan en zeide met gedwongen
bedaardheid:
"Ik heb u nog niet gezegd wat ik over dit gruwelijk geval denk;
dit is noch de tijd, noch de plaats. Maar, Mijnheer, dit onschuldig
bloed zal recht hebben. Ik zal dezen moord bekend maken. Ik zal naar
den eersten rechter gaan dien ik vind, en u aangeven."
"Doe dat," antwoordde Legree, hoonend met zijne vingers knippende. "Ik
zal het u zelfs gaarne zien doen. Waar zult gij getuigen krijgen? Hoe
zult gij het bewijzen? Kom maar op."
George begreep terstond hoe veilig Legree hem kon uitdagen. Er was
geen blanke op de plantage, en in alle Zuidelijke gerechtshoven wordt
de getuigenis van het gekleurde bloed voor niets geacht. Het was hem
op dit oogenblik alsof de kreet om recht, dien zijn hart opzond,
den hemel zelven moest binnendringen; maar het was vruchteloos,
gerechtigheid op aarde te zoeken.
"Wat een gedoe, zou ik zeggen, om een dooden neger!" zeide Legree.
Dit woord was als de vonk in een kruitmagazijn. Voorzichtigheid is
nooit de eerste deugd van een Kentuckisch jonkman geweest. George
keerde zich om en gaf in zijne verontwaardiging Legree een vuistslag,
die hem plat op zijn gezicht deed vallen; en terwijl hij daar bij
hem stond gloeiende van gramschap en edelen trots, had hij geene
slechte voorstelling kunnen geven van zijnen grooten naamgenoot,
op het oogenblik zijner zegepraal over den draak.
Voor sommige menschen is het echter werkelijk nuttig als zij eens
door een vuistslag op den grond gesmakt worden. Wanneer men hen maar
eens plat in het stof legt, schijnen zij terstond eerbied voor iemand
te krijgen, en Legree behoorde tot deze soort. Toen hij opstond en
zich het stof van de kleeren sloeg, keek hij den wegrijdenden wagen
met zekere onderdanigheid na en opende zijn mond niet vóórdat George
geheel uit het gezicht was.
Buiten de grenzen der plantage had George een zandige hoogte opgemerkt,
door eenige boomen beschaduwd. Daar maakten zij het graf.
"Zullen wij den mantel afdoen, meester?" zeide een van de negers,
toen het graf gereed was.
"Neen, neen, begraaft hem daarmede. Het is alles wat ik u nu geven kan,
arme Tom, en gij zult het hebben."
Zij legden het lijk in het graf, vulden het zwijgend weder met aarde,
hoopten die tot een heuveltje op, en bedekten dat met groene zoden.
"Gij kunt gaan, jongens," zeide George en stopte ieder een halven
dollar in de hand. Zij bleven echter dralen.
"Als meester zoo goed wou zijn om ons te koopen," zeide er een.
"Wij zouden hem zoo trouw dienen," zeide de ander.
"Het is hier heel erg, meester," hernam de eerste. "Och koop ons toch!"
"Ik kan niet--ik kan niet," antwoordde George met innig leedwezen,
en wenkte hen om heen te gaan. "Het is onmogelijk."
De arme lieden gingen stil en treurig heen.
"Getuig, o eeuwig God," zeide George, op het graf van zijn armen
vriend knielende, "getuig, dat ik van dit uur af doen zal wat één
man kan doen, om dezen vloek der slavernij uit mijn land te drijven."
Geen gedenkteeken kenmerkt de laatste rustplaats van onzen vriend. Hij
behoeft er geen. Zijn Heere weet waar hij ligt en zal hem opwekken
tot onsterfelijkheid, om met Hem te verschijnen wanneer Hij in Zijnen
heerlijkheid verschijnen zal.
Beklaag hem niet! Zulk een leven en zulk een dood vereischen geen
beklag. Niet in den rijkdom der almacht is de grootste heerlijkheid
Gods gelegen, maar in zelfverloochenende, lijdende liefde. En gezegend
zijn de menschen, die Hij tot gemeenschap met Hem roept, om Hem het
kruis met geduld na te dragen. Van dezulken staat het geschreven:
"Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden."
TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK
EENE AUTHENTIEKE SPOOKHISTORIE
Er bestond eene merkwaardige reden, waarom juist in dien tijd onder
de bedienden op het goed van Legree buitengemeen veel spookhistoriën
omliepen.
Men vertelde elkander fluisterend, dat men in het holste van den
nacht voetstappen de vlieringtrap had hooren afkomen en door het huis
ronddwalen. Vruchteloos had men de deuren van de bovengang gesloten;
het spook had òf een tweeden sleutel in den zak, òf bediende zich
van het onheugelijke privilege der spoken, om door het sleutelgat
te kruipen, en wandelde evenals anderen rond, met eene vrijheid,
die inderdaad onrustbarend was.
De stemmen waren eenigszins verdeeld, wanneer het op de beschrijving
der uitwendige gedaante van den geest aankwam, hetgeen te
wijten was aan een onder de negers--en zoover wij weten onder de
blanken--heerschend gebruik, om bij zulke gelegenheden de oogen te
sluiten, en het hoofd onder de dekens, of waaronder men anders kan,
weg te stoppen. Natuurlijk worden, gelijk ieder bekend is, wanneer de
lichamelijke oogen buiten werking zijn gesteld, de geestelijke oogen
bijzonder scherpziend; en zoo had men toch een aantal portretten
van het spook, die alle konden beëedigd worden; maar, gelijk met
portretten meermalen het geval is, in geen enkel opzicht naar elkander
geleken, behalve in dezen eigenaardigen familietrek van het geslacht
der spoken--dat het een _wit laken_ droeg. De arme negers waren niet
in de oude geschiedenis bedreven, en wisten niet dat Shakespeare dit
kostuum voor het echte had verklaard, door te zeggen dat "de dooden
in hunne _lijklakens_ gillend en mommelend door de straten van Rome
rondwaarden." Het is dus een zeer opmerkelijk spookkundig verschijnsel,
dat zij in dit opzicht allen overeenstemden.
Hoe het hiermede mag gelegen zijn, wij hebben bijzondere redenen om te
weten, dat in de voor vast aangenomen spookuren eene rijzige gedaante
in een wit laken door het huis van Legree ronddwaalde--de deuren
uit en om het huis heenzweefde--nu verdween, dan weder verscheen, en
eindelijk de steile trap weder opging naar die noodlottige vliering;
en dat men des morgens alle deuren even vast gesloten vond als ooit.
Legree kon niet nalaten dit gefluister te bemerken; en het was des
te meer hinderlijk voor hem door de moeite, die men deed om het
voor hem te verbergen. Hij dronk meer brandewijn dan gewoonlijk;
hield over dag trotsch het hoofd op en vloekte nog harder dan anders;
maar des nachts had hij kwade droomen en gedachten die alles behalve
aangenaam waren. Des avonds nadat het lijk van Tom was weggevoerd,
reed hij naar de naaste stad om zich wat vroolijk te maken en dit
deed hij terdege. Hij kwam laat en vermoeid tehuis, sloot zijne deur,
nam den sleutel er uit en ging naar bed.
Doch laat iemand doen wat hij wil om haar te smoren, eene menschelijke
ziel is een akelige, spookachtige, onrustbarende bezitting voor een
slecht mensch. Wie kent hare grenzen en perken? Wie kent al hare
geduchte "misschiens"--die bevende en sidderende raadselvragen, die
zij zich evenmin kan afwennen als zij hare eigene eeuwigheid kan
overleven? Welk een dwaas is hij, die zijne deur sluit om geesten
buiten te houden, terwijl hij in zijne eigene borst een geest heeft,
dien hij niet _alleen_ durft ontmoeten--wiens stem gesmoord onder
bergen van aardschgezindheid, toch als de waarschuwende bazuin des
oordeels blijft klinken!
Doch Legree sloot zijne deur en zette een stoel daartegen; hij plaatste
een nachtlicht bij het hoofdeinde van zijn bed en legde zijne pistolen
daarbij. Hij bezichtigde de sluitingen der vensters, zwoer toen met
een vloek, "dat hij niet om den duivel en al zijne engelen gaf!" en
ging slapen.
Hij sliep, want hij was moede--hij sliep gerust. Maar eindelijk kwam
er over zijn slaap een schaduw van iets ontzettends, iets vreeselijks,
dat over hem heenging. Het was het lijklaken zijner moeder, dacht hij,
maar het was Cassy, die het ophield en hem vertoonde. Hij hoorde
een verward gerucht van gillen en kermen; en met dat al wist hij
dat hij sliep en worstelde hij om wakker te worden. Hij was half
wakker. Hij wist zeker dat er iets de kamer binnenkwam. Hij wist dat
de deur geopend werd, maar hij kon hand noch voet bewegen. Eindelijk
keerde hij zich met eene geweldige inspanning om. De deur was open,
hij zag eene hand die zijn licht uitdeed.
Het was eene bewolkte schemerachtige maneschijn en daar zag hij
het!--iets wits, dat zwevende naderde! Hij hoorde het zachte geritsel
van het spookgewaad. Het stond bij zijn bed stil; eene koude hand
raakte de zijne aan; eene stem zeide driemaal zacht, ijzingwekkend
fluisterende: "Kom! kom! kom!" En terwijl hij daar van angst lag te
zweeten, was het, hij wist niet hoe of wanneer, verdwenen. Hij sprong
uit zijn bed en trok aan de deur. Zij was vast gesloten, en hij viel
op den grond in zwijm.
Daarna werd Legree een sterker drinker dan te voren. Hij dronk niet
meer voorzichtig en met bedachtzaamheid, maar onvoorzichtig en met
woeste roekeloosheid.
Kort daarna verspreidde zich in den omtrek het gerucht, dat hij
ziek was en sterven zou. Door zijne uitspattingen had hij zich die
vreeselijke ziekte berokkend, welke de dreigende schaduwen eener
toekomstige vergelding over het tegenwoordige leven schijnt te
werpen. Niemand kon het in die akelige ziekenkamer uithouden, wanneer
hij raaskalde en gilde, en van verschijnselen sprak, welke hun,
die hem hoorden, bijna het bloed deden stollen. Bij zijn sterfbed
stond eene onverbiddelijk dreigende, witte gedaante en fluisterde:
"Kom, kom, kom!"