"Waarom niet? Er zijn toch immers geene spoken. Kom!" En Cassy wipte

de wenteltrap op, lachend naar hem omziende. "Kom voort!"

"Ik geloof dat gij de duivel zijt!" zeide Legree. "Kom terug, gij

heks--kom terug, Cassy. Gij zult niet gaan!"

Maar met een wilden lach ijlde Cassy voort. Hij hoorde haar de deur

van de gang openen, die naar de vliering leidde. Eene windvlaag kwam de

trap af en woei de kaars uit die hij in de hand had, en tegelijk klonk

een allerakeligst, onnatuurlijk gegil, alsof het vlak aan zijn oor was.

Legree vlood als razend naar de kamer terug, waarheen Cassy hem eene

korte poos later volgde, bleek, koud en kalm als een engel der wraak,

en met denzelfden schrikkelijken glans in hare oogen.

"Ik hoop dat gij tevreden zijt," zeide zij.

"Wees verdoemd," antwoordde Legree.

"Waarom?" zeide Cassy. "Ik ben maar naar boven gegaan en heb de

deuren gesloten. Wat zou er toch op die vliering zitten, denkt gij

wel, Simon?"

"Dat raakt u niet," antwoordde Legree.

"Zoo, niet?" hervatte Cassy. "Welnu, ik ben in allen gevalle blij,

dat ik niet meer onder de vliering slaap."

Daar Cassy verwacht had dat de wind dien avond zou opsteken, had zij

het vlieringvenster opengezet. Natuurlijk was toen, zoodra de deur

ook geopend werd, de kaars door den tocht uitgewaaid.

Dit moge dienen tot een proefje van het spel, dat Cassy met Legree

speelde, totdat hij liever zijn hoofd in een leeuwenmuil zou hebben

gestoken, dan die vliering te gaan onderzoeken. Intusschen had Cassy

des nachts, wanneer al de anderen sliepen, daar langzamerhand een

voorraad van levensmiddelen bijeengebracht, voldoende om eenigen

tijd te strekken, en ook stuk voor stuk een groot gedeelte van haar

eigen kleedervoorraad en dien van Emmeline daar verborgen. Toen alles

beschikt was, wachtte zij slechts naar eene gunstige gelegenheid om

het plan ten uitvoer te brengen.

Door Legree eenige goede woorden te geven, toen hij eens in een

redelijke luim was, had Cassy hem overgehaald om haar naar eene

naburige stad mede te nemen, die vlak aan de Roode rivier lag. Met een

geheugen dat tot bijna bovennatuurlijke helderheid was verscherpt,

had zij op elke bocht van den weg gelet en den tijd berekend, dien

men noodig had om hem af te leggen.

Nu alles rijp was om te handelen, zouden onze lezers zeker wel gaarne

eens achter de schermen willen zien, en getuigen wezen van den laatsten

_coup d'état_.

Het was bijna avond. Legree was afwezig op een rijtoertje naar eene

naburige hoeve. Vele dagen lang was Cassy bijzonder vriendelijk

geluimd geweest, en alles scheen tusschen haar en Legree te zijn

bijgelegd. Thans zien wij haar en Emmeline in de kamer der laatste,

bezig met twee pakjes te maken.

"Daar, die zullen groot genoeg zijn," zeide Cassy. "Zet nu uw hoed op,

en laten wij gaan. Het is nu zoo wat de beste tijd."

"Maar zij kunnen ons zien," zeide Emmeline.

"Ik wil ook dat wij gezien worden," antwoordde Cassy koelbloedig. "Weet

gij niet dat zij ons toch zullen nazetten? Wij zullen het juist op

deze manier aanleggen. Wij zullen de achterdeur uitgaan en bij het

kwartier langs loopen. Sambo en Quimbo zullen ons zeker zien. Zij

zullen ons najagen en wij loopen het moeras in. Dan kunnen zij ons

niet verder volgen vóórdat zij alarm gemaakt hebben, en de honden op

het spoor gebracht en al zoo meer, en terwijl zij aan het haspelen

zijn en elkaar in den weg loopen, zooals zij altijd doen, sluipen wij

naar de kreek die achter het huis omloopt, en waden door het water,

tot wij vlak over de achterdeur komen. Dat zal de honden geheel van het

spoor afbrengen; want op het water blijft de reuk niet liggen. Iedereen

zal het huis ontloopen, om naar ons te zoeken, en dan wippen wij de

achterdeur weder in en naar de vliering, waar ik een goed bed heb

opgemaakt in eene van de groote kisten. Wij moeten eene goede poos

op de vliering blijven, want ik zeg u, hij zal hemel en aarde in

beweging brengen om ons terug te krijgen. Hij zal een aantal van die

oude opzichters bijeenhalen en eene groote jacht houden; zij zullen

geen voet gronds van het moeras ondoorzocht laten. Hij snoeft er op,

dat er nog nooit iemand van hem is weggekomen. Laat hij dus nu eens

jagen naar hartelust."

"O, Cassy, hoe goed hebt gij dat overlegd!" zeide Emmeline. "Wie

anders dan gij zou ooit daaraan gedacht hebben?"

Er sprak noch blijdschap, noch eigenwaan uit Cassy's oogen--niets

anders dan wanhopige vastberadenheid.

"Kom!" zeide zij en gaf Emmeline de hand.

De twee vluchtelingen slopen stil het huis uit en in de snel vallende

avondschemering het kwartier voorbij. De maan, welker smalle sikkel

in het Westen onderging, vertraagde de duisternis van den nacht nog

een poos. Gelijk Cassy verwacht had, werden zij, toen zij den zoom

der moerasbosschen naderden, die de plantage omringden, aangeroepen om

stil te staan. Het was echter Sambo niet, maar Legree, die met toornig

vloeken achter haar aankwam. Dit hoorende bezweek de zwakkere geest

van Emmeline bijna, en hare gezellin bij den arm grijpende, zeide zij:

"O, Cassy, ik zal flauw vallen."

"Als gij dat doet, steek ik u dood!" zeide Cassy, een kleine,

glinsterende ponjaard uithalende, die zij voor de oogen van het meisje

liet flikkeren.

Deze afleiding bereikte haar doel. Emmeline viel niet flauw; maar

stortte zich met Cassy in een gedeelte van het moeras, zoo donker en

dicht begroeid, dat Legree er niet aan denken kon om haar zonder hulp

te volgen.

"Welnu," zeide hij met een ruwen lach, "zij zijn nu toch in de val

geloopen--die karonjes. Zij zitten daar goed vooreerst en zij zullen

er voor zweeten."

"Hallo, daar! Sambo! Quimbo! Allemaal!" riep Legree, toen hij het

kwartier bereikte, waar de mannen en vrouwen juist van het werk

terugkwamen. "Er zitten twee wegloopsters in het moeras. Ik geef vijf

dollars aan den neger die ze vangt! Laat de honden los!"

De indruk, die dit bericht maakte, was niet gering. Velen der mannen

kwamen driftig aan, om hunne diensten aan te bieden, hetzij uit hoop

op belooning, of alleen door die kruipende onderdanigheid, die een van

de noodlottigste gevolgen der slavernij is. Sommigen liepen naar den

eenen, sommigen naar den anderen kant heen. Eenigen gingen flambouwen

van dennentakken halen, anderen maakten de honden los, wier schor,

kwaadaardig geblaf het rumoer niet weinig vergrootte.

"Meester, moeten wij ze doodschieten, als wij ze niet kunnen

vangen?" zeide Sambo, aan wien Legree een jachtroer had gegeven.

"Op Cassy moogt ge schieten, als ge lust hebt; het is tijd dat zij naar

den duivel komt, waar zij behoort; maar op de meid niet," antwoordde

Legree. "En nu, jongens, weest vlug en ijverig. Vijf dollars voor

wie ze krijgt, en altijd een glas brandewijn voor iedereen."

Daarop trok de geheele troep, onder een geweldig geschreeuw en

geblaf naar het moeras, op eenigen afstand door al de huisbedienden

gevolgd. Het huis was dus geheel verlaten, toen Emmeline en Cassy de

achterdeur binnenslopen. Het schreeuwen en roepen harer vervolgers

klonk nog door de lucht; door de vensters der huiskamer uitkijkende

konden Cassy en Emmeline den troep zien, die zich met flambouwen

langs den zoom van het moeras verspreidde.

"Ziedaar!" zeide Emmeline, Cassy daarheen wijzende. "De jacht is

begonnen. Zie die lichten eens ronddansen! En door die honden! Hoort

ge niet? Als wij daar nog waren, zou onze kans geen cent waard zijn. O,

om 's hemels wil, laten wij ons verschuilen. Schielijk!"

"Wij hebben geen haast," antwoordde Cassy koel. "Zij zijn allen op de

jacht uit--dat is het vermaak van den avond. Wij zullen straks naar

boven gaan. Ondertusschen," zeide zij, bedaard een sleutel halende

uit een zak van de jas, die Legree in zijne haast had neergesmeten,

"ondertusschen zal ik wat reisgeld voor ons nemen."

Zij opende den lessenaar en nam een rolletje bankbriefjes er uit,

die zij natelde.

"O, laten wij dat niet doen!" zeide Emmeline.

"Waarom niet?" zeide Cassy. "Zoudt gij liever hebben dat wij in de

moerassen dood hongerden, of dat wij geen geld hadden om de reis naar

de vrije Staten te betalen? Geld doet alles, meisje." En daarmede

stak zij de bankbriefjes in hare borst.

"Maar dat zou stelen zijn," zeide Emmeline, treurig en angstig

fluisterende.

"Stelen!" herhaalde Cassy met een smadelijken glimlach. "Zij die

zielen en lichamen stelen behoeven niets daarvan te zeggen. Ieder

van die briefjes is gestolen--gestolen van arme, uitgehongerde,

afgewerkte schepsels, die eindelijk voor zijn voordeel naar den duivel

moeten. Laat _hij_ maar van stelen praten! Maar kom, wij moesten nu

maar naar de vliering gaan. Ik heb daar een voorraad van kaarsen en

eenige boeken om den tijd te korten. Gij kunt tamelijk zeker zijn,

dat zij daar niet zullen komen zoeken. En als zij het doen, zal ik

wel spookje voor hen spelen."

Toen Emmeline op de vliering kwam, vond zij een groote kist,

waarin eens eenige zware stukken huisraad waren verzonden, zoodanig

omgewenteld, dat de opening naar den muur of eigenlijk naar het schuin

opgaande dak Was gekeerd; Cassy stak een lampje aan, en langs den

muur kruipende, kwamen zij in de kist. Op den grond waren twee kleine

matrassen en eenige kussens gelegd, een koffer dichtbij bevatte een

voorraad van kaarsen en eetwaren, benevens al de kleederen die zij

op reis konden noodig hebben, welke Cassy tot pakjes van verbazend

kleinen omvang had weten te maken.

"Daar," zeide Cassy, terwijl zij een lampje aan een haak hing, die

zij daartoe in een wand der kist had geslagen, "dat moet vooreerst

onze woning zijn. Hoe bevalt zij u?"

"Zijt ge wel zeker, dat zij niet hier zullen komen zoeken?" zeide

Emmeline.

"Ik zou Simon Legree dat wel eens willen zien doen," antwoordde

Cassy. "Neen waarlijk niet; hij is maar al te blij dat hij hier

vandaan kan blijven. En wat de bedienden betreft, zij zouden zich

liever allen dood schieten dan hier komen."

Eenigszins gerustgesteld, zette Emmeline zich op hare kussens.

"Wat hebt gij toch gemeend, Cassy, met te zeggen dat ge mij zoudt

doodsteken?" vroeg zij met alle eenvoudigheid.

"Ik wilde u maar beletten om flauw te vallen," antwoordde Cassy,

"anders niet. En ik zeg u nu, Emmeline, gij moet u vast voornemen

om niet flauw te vallen, wat er ook gebeuren mag. Dit dient nergens

toe. Als ik u niet had doen schrikken, zou die ellendeling u nu

misschien in zijne macht hebben."

Emmeline huiverde.

Beiden zwegen een poos. Cassy hield zich met een Fransch boek bezig;

Emmeline door vermoeienis overstelpt, viel in slaap. Zij werd gewekt

door een luid geschreeuw, met paardengetrappel en hondengeblaf

gemengd. Met een flauwen gil sprong zij op.

"Het is maar de jacht die terugkomt," zeide Cassy koeltjes. "Wees maar

niet bang. Kijk eens uit door die reet. Ziet gij hen daar niet allen

beneden? Simon moet het voor van nacht opgeven. Zie hoe bemodderd

zijn paard is van het rondtrappelen in het moeras; en de honden zien

er ook tamelijk druilig uit. O, goede man, gij zult nog dikwijls op

de jacht moeten gaan--het wild zit daar niet."

"O, spreek toch niet!" zeide Emmeline. "Als zij u eens hoorden!"

"Als zij iets hooren, zal het hen nog zorgvuldiger hier vandaan doen

blijven!" antwoordde Cassy. "Geen gevaar! Wij mogen zooveel leven

maken als wij willen, dat zal den schrik onderhouden."

Eindelijk werd het stil in en om het huis, en tegen middernacht

begaf Legree zich naar bed, vloekende over zijnen tegenspoed en wraak

zwerende tegen den volgenden ochtend.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK

DE MARTELAAR

"Denk niet dat de rechtvaardige door den hemel

vergeten is! Schoon het leven hem zijne meest

gewone gaven onthoude, en hoewel hij met een

verscheurd en bloedend hart, door de menschen

versmaad, ter dood ga! Want God heeft elken

droevigen dag aangeteekend, en elken bitteren

traan geteld, en des hemels lange jaren van

zaligheid zullen alles vergoeden wat zijne

kinderen hier lijden."

Bryran.

De langste weg moet een einde hebben--op den donkersten nacht moet

een morgen volgen. Een onverbiddelijk verloop van oogenblikken doet

den dag der boozen voortsnellen naar den eeuwigen nacht, en den

nacht der rechtvaardigen naar den eeuwigen dag. Wij hebben met onzen

nederigen vriend tot dusverre door het dal der slavernij gewandeld;

eerst door de bebloemde velden van lichamelijk welzijn en gemak; toen

door de hartverscheurende scheiding van alles wat de mensch dierbaar

acht. Daarna hebben wij hem vergezeld op een zonnig eiland, waar

edelmoedige handen zijne ketenen met bloemen omwonden; en eindelijk

hebben wij hem gevolgd, waar de laatste straal van aardsche hoop in

den nacht verdween, en gezien hoe in de zwarte aardsche duisternis

het firmament van het bovenzinnelijke met sterren van nieuwen en nog

meer heerlijkheid voorspellenden luister schitterde.

De morgenster staat nu boven de toppen der bergen, en ruischende

koeltjes, die niet van deze aarde zijn, verkondigen dat de poorten

van den dag zich openen.

De vlucht van Cassy en Emmeline had Legree ten uiterste vergramd

en verbitterd, en zijne woede trof, gelijk men wel verwachten kon,

het weerlooze hoofd van Tom. Toen hij het nieuws aan zijne slaven

bekend maakte, had zich in Toms oogen eene plotselinge flikkering

vertoond, die Legree evenmin ontsnapte, als het onwillekeurig vouwen

en opheffen zijner handen. Hij zag ook dat hij zich niet bij den troep

der vervolgers voegde. Hij dacht er wel aan om hem daartoe te dwingen,

maar daar hij reeds proef had gehad van zijne onverzettelijkheid,

wanneer hem iets onmenschelijks werd bevolen, wilde hij zich in zijne

haast niet met hem ophouden.

Tom bleef dus achter met de weinigen, die van hem hadden leeren bidden,

en bad met hen voor de redding der vluchtelingen.

Toen Legree teleurgesteld terugkwam, begon de wrok, dien hij reeds

lang tegen zijnen slaaf had gekoesterd, den aard van een blinden,

doodelijken haat aan te nemen. Had die man hem niet uitgetart, gedurig,

onverzettelijk uitgetart--zoolang hij zijn eigendom was geweest? Was

er geen geest in hem, die, hoewel zwijgende, hem eene innerlijke

hitte deed gevoelen, alsof het eeuwig vuur hem reeds brandde?

"Ik haat hem," zeide Legree, toen hij dien nacht overeind in zijn bed

zat. "Ik haat hem! En is hij mijn eigendom niet? Kan ik niet met hem

doen wat ik wil? Wie zal het mij beletten?"

En Legree kneep zijne vuisten dicht en schudde ze, alsof hij iets in

de handen had dat hij in stukken kon scheuren.

Doch Tom was een trouwe, kostbare dienaar, en hoewel Legree hem

daarom des te meer haatte, hield deze bedenking hem toch eenigszins

in bedwang.

Den volgenden morgen besloot hij om vooralsnog niets te zeggen,

maar een troep helpers van de naburige plantage te verzamelen, met

honden. Bereikte hij dan zijn oogmerk, dan was het wel; zoo niet, dan

zou hij Tom vóór zich laten komen--daarbij klemde hij zijne tanden op

elkander en begon zijn bloed te koken--_dan_ zou hij dien kerel klein

krijgen, of--er werd in zijn binnenste iets gruwelijks gefluisterd,

waarin zijne ziel toestemde.

Gij zegt dat het eigenbelang van den meester een genoegzame waarborg

voor de veiligheid van den slaaf is. In de woede zijner dolle drift

zal de mensch, met volle wetenschap en open oogen, zijne eigene ziel

aan den duivel verkoopen; zal hij dan meer bezorgd zijn voor het

lichaam van zijnen naaste?

"Zoo," zeide Cassy den volgenden dag op de vliering, toen zij door

de reet uitkeek, "de jacht zal vandaag weder beginnen."

Drie of vier ruiters lieten hunne paarden voor het huis rondtrappelen

en eenige koppels vreemde honden worstelden met de negers die hen

vasthielden, en blaften en bromden tegen elkander.

Van deze mannen waren twee opzichters van naburige plantages, de

anderen waren eenige lieden, met wie Legree in de herberg eener

naburige stad kennis had gemaakt, en die uit liefhebberij voor de

jacht gekomen waren. Moeielijk zou men zich een troep kerels van

ongunstiger uitzicht kunnen voorstellen. Legree deelde brandewijn in

overvloed onder hen uit, alsmede onder de negers, die van verschillende

plantages waren afgezonden om hem te helpen, want het was doelmatig,

een dienst van dezen aard zooveel mogelijk voor de negers tot een

feestdag te maken.

Cassy hield haar oor voor de reet, en daar de wind vlak naar het

huis woei, kon zij veel van het gesprek verstaan. Een zweem van

toornigen spot vloog over den strakken ernst harer trekken, terwijl zij

luisterde, en hoorde hoe zij den grond verdeelden, over de wedijverende

verdiensten hunner honden spraken, en orders gaven aangaande het

vuren en de behandeling der vluchtelingen wanneer zij gevat werden.

Cassy trad terug en met gevouwen handen omhoog ziende, zeide zij:

"O, groote almachtige God, wij allen zijn zondaren; maar wat hebben

wij meer dan alle anderen gedaan, dat wij zoo behandeld zouden worden?"

Vreeselijk was de ernst in haren blik en hare stem, toen zij zoo sprak.

"Als het niet om u was, kind," zeide zij, Emmeline aanziende, "zou ik

onder hen uitgaan, en dien man onder hen dankbaar zijn, die mij in eens

doodschoot; want waartoe zal de vrijheid mij baten? Kan zij mij mijne

kinderen teruggeven, of mij weder maken tot hetgeen ik geweest ben?"

Emmeline was in hare kinderlijke eenvoudigheid eenigszins bevreesd

voor Cassy's sombere vlagen. Zij zag haar verbijsterd aan, maar

gaf geen antwoord. Zij vatte slechts hare hand, met een streelend

liefkoozende beweging.

"Doe dat niet!" zeide Cassy, met eene poging om zich los te

trekken. "Gij zult nog maken dat ik u liefkrijg, en ik wil nooit

weder iets liefhebben."

"Arme Cassy, denk zoo niet!" zeide Emmeline. "Als de Heere ons de

vrijheid geeft, geeft Hij u misschien uwe dochter terug, en in allen

gevalle zal ik als eene dochter voor u zijn. Ik weet wel dat ik mijne

arme oude moeder nooit zal weerzien! Ik zal u liefhebben, Cassy,

hetzij gij mij lief hebt of niet!"

De zachte geest overwon. Cassy zette zich bij het meisje neer, sloeg

haar arm om haren hals, streelde hare zachte bruine lokken, en toen

verwonderde Emmeline zich over de schoonheid harer heerlijke oogen,

thans door tranen beneveld.

"O, Emmy!" zeide Cassy, "ik heb naar mijne kinderen gehongerd en naar

hen gedorst en mijne oogen schemeren van verlangen naar hen. Hier,

hier," vervolgde zij op hare borst slaande, "is alles woest, alles

ledig! Als God mij mijne kinderen teruggaf, dan zou ik kunnen bidden."

"Gij moet op Hem vertrouwen, Cassy," zeide Emmeline. "Hij is onze

Vader."

"Zijn toorn is op ons," antwoordde Cassy. "Hij heeft zich in gramschap

van ons afgekeerd."

"Neen, Cassy, Hij zal goed voor ons zijn! Laten wij op Hem hopen,"

zeide Emmeline. "Ik heb altijd hoop gehad."

De jacht duurde lang, en het geheele moeras werd nauwkeurig doorzocht,

maar zonder eenig gevolg; en met zekere ernstige, spottende blijdschap

zag Cassy op Legree neer, toen hij moede en verdrietig van zijn

paard stapte.

"En nu, Quimbo," zeide Legree, terwijl hij zich in de huiskamer op

zijn gemak zette, "ga nu dien Tom eens hier halen, dadelijk! Die oude

vervloekte rekel is dat aanlegger van het geheele geval, en ik zal

het uit zijne zwarte huid halen of ik zal het hem betaald zetten."

Hoewel Sambo en Quimbo elkander haatten, stemden zij toch overeen

in een niet minder levendigen haat tegen Tom. Legree had hen in het

begin gezegd, dat hij hem gekocht had om een algemeenen opzichter

van hem te maken; en dit had reeds een wrok tegen hem gezet, die bij

menschen van zulk een lage, slaafsche gezindheid nog was toegenomen,

toen zij het ongenoegen van hunnen meester over hem zagen komen. Quimbo

liep dus met blijdschap heen, om het bevel ten uitvoer te brengen.

Tom hoorde deze boodschap met een waarschuwend voorgevoel, want hij

was met het geheele plan der vluchtelingen en hare tegenwoordige

schuilplaats bekend. Hij kende ook het gevaarlijke karakter van den

man die hem liet roepen, en zijne despotische macht; maar met God

voelde hij zich sterk genoeg om den dood tegemoet te gaan, liever

dan de hulpeloozen te verraden.

Hij zette zijne mand neer, en de oogen opslaande, zeide hij: "In

Uwe handen beveel ik mijnen geest! Gij hebt mij verlost, o Heere,

God van waarheid!" en toen liet hij zich gewillig door de ruwe hand

van Quimbo aangrijpen en medesleepen.

"Ja, ja," zeide de reusachtige zwarte, Tom voorttrekkende. "Nu zult gij

er van lusten. Meester is dol van kwaadheid, dat kan ik je zeggen! Nu

is er geen afkomen meer aan! Nu zult gij er van hebben! Wacht nu maar

hoe het je bekomt, dat ge meesters slaven helpt wegloopen! Wacht nu

maar wat je daarvoor krijgt."

Geen van die dreigende woorden bereikten zijn oor, hij hoorde eene

andere stem hem toeroepen: "Vrees niet voor degenen die het lichaam

dooden, en daarna niet meer kunnen doen." Het geheele lichaam

van dien armen man trilde bij deze woorden, alsof Gods vinger hem

had aangeraakt, en hij voelde in zijne ziel de kracht van duizend

zielen. Terwijl hij voortstapte schenen de boomen en struiken, de

hutten zijner dienstbaarheid, het geheele tooneel zijner vernedering

hem voorbij te vliegen, gelijk een landschap voorbij een voortrollende

wagen. Zijn hart klopte sneller, zijn vaderland was in het gezicht--en

het uur der verlossing scheen op handen.

"Wel, Tom," zeide Legree, die naar hem toekwam en hem ruw bij zijnen

schouder vatte, vol opgekropte woede door zijne tanden sissende,

"weet je wel dat ik mij heb voorgenomen om je te vermoorden?"

"Dat is wel waarschijnlijk, meester," antwoordde Tom met kalmte.

"Ja, dat heb ik," hervatte Legree met dreigende bedaardheid; "dat

heb ik, Tom, als ge mij niet alles zegt wat ge van die meiden weet."

Tom zweeg.

"Hoort ge niet?" bulderde Legree, nu uitbarstende. "Spreek!"

"Ik heb niets te zeggen meester," antwoordde Tom, langzaam en bedaard.

"Durft gij mij zeggen, gij oude en zwarte Christen, dat gij het niet

weet?" zeide Legree.

Tom zweeg weder.

"Spreek!" schreeuwde Legree, hem woedend een slag gevende. "Weet

gij iets?"

"Ik weet iets, meester! maar ik kan niets zeggen. _Ik kan sterven._"

Legree haalde diep adem, en zijne gramschap bedwingende, vatte hij

Tom bij den arm en zeide, met zijn gezicht bijna vlak voor dat van

zijn slachtoffer komende, met eene schrikkelijke stem:

"Luister eens, Tom, gij denkt, omdat ik je voorheen heb losgelaten, dat

ik nu niet meen wat ik zeg; maar deze maal heb ik mijn besluit genomen

en de kosten berekend. Gij hebt het altijd tegen mij uitgehouden--maar

nu zal ik je klein krijgen of vermoorden; het een of ander. Ik zal

elken droppel bloeds tellen, dien gij in het lijf hebt, en ze een

voor een aftappen, tot gij het opgeeft."

Tom zag naar zijn meester op en antwoordde:

"Meester, als gij ziek waart, of in ongeluk, of stervende, zou ik u

mijn hartebloed geven; en als het aftappen van elken droppel bloeds

uit dit ellendige lichaam uwe kostbare ziel kon behouden, zou ik het

alles zoo geduldig geven, als de Heere het Zijne voor mij gegeven

heeft. O, meester, breng die groote zonde niet op uwe ziel! Doe het

ergste wat gij kunt, mijn leed zal spoedig voorbij zijn, maar als

gij u niet bekeert, zal het uwe _nooit_ eindigen!"

Gelijk een galm van hemelmuziek onverwachts in de tusschenpoos van

een storm gehoord, veroorzaakte deze ontboezeming een oogenblik

van doffe verbazing. Legree stond versteld en zag Tom aan; het was

zoo stil, dat men duidelijk het tikken der klok kon hooren, die met

haren slinger de laatste oogenblikken van genade en beproeving voor

dat verstokte hart aftelde.

Het was slechts een oogenblik--een kort oogenblik van aarzelend dralen,

van besluiteloosheid, van opwellend berouw; en toen kwam de booze geest

met zevenvoudig geweld terug en gaf Legree, schuimbekkende van woede,

zijnen slaaf een vuistslag, die hem deed neerstorten.

Tooneelen van bloedige wreedheid zijn stuitend voor de ooren en het

hart. Wat de mensch in staat is te doen, is de mensch niet in staat

om te hooren. Wat de medemensch en medechristen moet lijden, kan ons

niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo verscheurt

het de ziel. En toch, o mijn vaderland, worden deze dingen onder

de schaduw uwer wetten gedaan! O, Christus, uwe kerk ziet ze aan,

bijna met stilzwijgen!

De Negerhut · 第 40 / 44 段