Legree. "Maar let nu goed op, Sambo, als de neger iets van dien aard
voornemens is, laat hem dan in de val loopen."
"Laat mij maar begaan, meester," antwoordde Sambo, "ik zal hem wel
beetnemen, ho, ho, ho!"
Dit werd gezegd toen Legree te paard stapte, om naar eene naburige
stad te rijden. Toen hij dien avond terugkwam, viel het hem in om
eens naar het kwartier te rijden en te zien of alles veilig was.
Het was helder maneschijn, de schaduwen van het geboomte teekenden zich
met scherpe omtrekken op het gras, en er was eene stilte in de lucht,
waarvan het storen bijna heiligschennis scheen te zijn. Legree was
nog op eenigen afstand van het kwartier, toen hij eene stem hoorde
zingen. Dit was daar iets zeer ongewoons, en hij bleef staan om te
luisteren. Eene welluidende tenorstem zong:
"Ben ik van mijn plaats maar zeker,
In de woning van mijn Heer,
'k Vrees dan voor geen lijdensbeker,
'k Ween dan geene tranen meer.
"Mag de wereld mij bestrijden,
Helsche boosheid wonden slaan,
Ik kan kampen, dulden, lijden,
Satans woede wederstaan.
"Laten rampen me overstroomen,
'k Sta voor storm en golven pal,
Als ik veilig maar mag komen
Bij mijn God, mijn heil, mijn al."
"Zoo, zoo, denkt hij zoo?" zeide Legree bij zichzelven. "Die vervloekte
methodisten-zangen! Hier, gij neger!" riep hij, plotseling op Tom
toeschietende en met zijne karwats dreigende, "Hoe durft gij zoo'n
geweld hier maken, als gij in bed moest wezen. Houd je zwarten smoel,
en maak dat je wegkomt!"
"Ja, meester," antwoordde Tom, met vlugge bereidwilligheid opstaande
om heen te gaan.
Legree werd woedend over Toms onverstoorbare kalmte, en op hem
toerijdende, sloeg hij zoo hard hij kon op zijn hoofd en schouders los.
"Daar gij hond!" zeide hij. "Zie of ge nu nog zoo weltevreden zijt."
Maar de slagen vielen slechts op den uitwendigen mensch, en niet
gelijk te voren op het hart. Tom bleef onderdanig staan, en toch
kon Legree het niet voor zich zelven verbergen, dat hij zijne macht
over zijnen gekochten slaaf, hoe dan ook, verloren had; en toen Tom
in zijne hut verdween, en hij zijn paard wendde om heen te rijden,
schoot er eensklaps eene van die flikkeringen door zijne ziel, die
dikwijls den bliksem des gewetens in een donkeren, goddeloozen geest
zenden. Hij begreep ten volle dat het God was die tusschen hem en zijn
slachtoffer stond, en hij lasterde Hem. Die zwijgende, onderdanige
man, die geene smaadwoorden, dreigementen of slagen konden ontrusten,
welke eene stem in zijn binnenste, gelijk in vroegeren tijd zijn
meester in de door den duivel bezeten ziel had gewekt, zeggende:
"Wij, Jezus van Nazareth, wat hebben wij met U te doen? Zijt gij
gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?"
Toms hart vloeide over van liefderijk medelijden met de rampzaligen die
hem omringden. Het was alsof voor hem nu alle leed des levens voorbij
was, en hij uit de schatkamer van vrede en vreugde, waarmede hij boven
hen begiftigd was, iets verlangde mede te deelen tot verzachting hunner
ellende. Het is waar, de gelegenheden daartoe waren zeldzaam; maar op
weg naar het veld en terug en gedurende de werkuren, had hij toch nu en
dan eene kans om vermoeiden, neerslachtigen en moedeloozen een helpende
hand te reiken. De arme, afgetobde, verdierlijkte schepselen konden
dit in het eerst nauwelijks begrijpen; maar toen dit week op week, en
maand op maand aanhield, begon het eindelijk een lang verstorven gevoel
in hunne verdoofde harten op te wekken. Langzamerhand en onbemerkt
begon die vreemde, geduldige, stille man, die zoo gereed was om ieders
last te dragen en zelf bij niemand hulp zocht--die voor allen week,
het laatste kwam en het geringste nam, en toch de eerste was, om
het weinige dat hij had te deelen met hen die gebrek leden--de man,
die in koude nachten zijne gescheurde dekens afstond, om een vrouw
te verwarmen die van koorts rilde,--en die in het veld de manden der
zwakken vulde, op het schrikkelijke gevaar af om zelf in gewicht te
kort te komen--en die, hoewel hij door den algemeenen dwingeland met
onverbiddelijke wreedheid werd vervolgd, nooit mededeed om een woord
van smaad of vloek tegen hen uit te spreken--eindelijk begon die
man eene vreemde macht over hen te bekomen; en toen het drukste van
het seizoen voorbij was, en zij de Zondagen weder tot eigen gebruik
kregen, verzamelden zich velen, om door hem van Jezus te hooren. Gaarne
zouden zij geregeld bijeengekomen zijn om te hooren, te bidden en te
zingen; maar Legree wilde dit niet toelaten, en meer dan eens stoorde
hij zulke vergaderingen met vloeken en verwenschingen, zoodat het
gezegende nieuws bij enkelen van mond tot mond moest gaan. Wie kan
echter de eenvoudige blijdschap beschrijven, waarmede sommigen van die
arme verworpelingen, voor wie het leven eene vreugdelooze reis naar
eene onbekende duisternis was, van een medelijdenden Verlosser en
een hemelsch vaderland hoorden? De zendelingen verklaren dat, onder
al de geslachten der aarde geen het Evangelie met zulk eene gretige
leerzaamheid ontvangen heeft als het Afrikaansche. Het beginsel van
vertrouwen en onvoorwaardelijk geloof, dat den grondslag daarvan
uitmaakt, is meer een natuurlijk element voor dit geslacht, dan
voor eenig ander; en dikwijls heeft men onder negers bevonden dat
een verdwaald zaadje waarheid, door den wind van het toeval in de
onkundige harten gevoerd, opgegroeid is en vruchten heeft gedragen,
welker overvloed die van meer zorgvuldige kweeking beschaamde.
De arme mulattin, wier eenvoudig geloof bijna verpletterd en begraven
was door den berg van wreedheid en onrecht, die haar overstelpt had,
voelde hare ziel opgebeurd door de gezangen en Bijbelplaatsen, die
deze nederige zendeling haar nu en dan in het oor fluisterde, wanneer
zij naar het werk ging of terugkwam; en zelfs het half krankzinnige,
ongeregeld zwervende gemoed van Cassy werd door zijnen stillen zich
nooit opdringenden invloed verzacht en bedaard.
Tot razernij en wanhoop gedreven door de opeengehoopte zielesmarten
van haar leven, had Cassy dikwijls bij zich zelve besloten, dat er eens
een uur van vergelding zou komen, wanneer hare hand op haren verdrukker
wraak zou oefenen over al de wreedheid en onrechtvaardigheid, waarvan
zij getuige was geweest of die zelve geleden had.
In een nacht, toen allen in Toms hut lagen te slapen, werd hij
eensklaps gewekt, en zag hij haar gezicht voor het gat dat tot venster
diende; zij wenkte hem stilzwijgend om buiten te komen.
Tom kwam voor de deur. Het was tusschen één en twee uren in den nacht,
en de maan scheen helder. Tom zag, toen het maanlicht Cassy in de
oogen scheen, dat die groote zwarte oogen een wilden, eigenaardigen
glans hadden, geheel verschillend van hare gewone strakke blik.
"Kom hier, vader Tom," zeide zij, hare hand op zijnen arm leggende,
en hem voorttrekkende met eene kracht alsof dat smalle handje van
staal was. "Kom hier--ik heb nieuws voor u."
"Wat is het, Miss Cassy?" zeide Tom, met vurige oplettendheid.
"Tom, zoudt ge niet gaarne uwe vrijheid willen hebben?"
"Die zal ik hebben, _missis_, als het Gods tijd is," antwoordde Tom.
"Ja, maar gij kunt haar dezen nacht nog krijgen," zeide Cassy met
drift. "Kom maar mede."
Tom aarzelde.
"Kom," zeide zij fluisterend en hem strak aanziende. "Kom voort! Hij
slaapt--gerust! Ik heb genoeg in zijn brandewijn gedaan, om hem te
doen slapen. Ik wenschte dat ik meer had gehad; dan zou ik u niet
noodig gehad hebben. Maar kom, de achterdeur is open en daar ligt
eene bijl. Zijne kamer is ook open. Ik zal u den weg wijzen. Ik zou
het zelve wel gedaan hebben, maar mijne armen zijn zoo zwak. Kom!"
"Voor geen tien duizend werelden, _missis_," zeide Tom op vasten toon,
stilstaande en haar terughoudende, terwijl zij hem wilde voorttrekken.
"Maar denk eens aan al die arme schepsels," zeide Cassy. "Wij zouden
hen allen kunnen vrijlaten en ergens in de moerassen gaan en een
eilandje opzoeken en daar verborgen leven. Ik heb gehoord dat zoo
iets meer gedaan is. Alle ander leven is beter dan dit."
"Neen," antwoordde Tom, even vast. "Neen. Nooit komt er goed uit
goddeloosheid. Ik zou liever mijne rechterhand afhakken."
"Dan zal _ik_ het doen," zeide Cassy, zich omkeerende.
"O, miss Cassy," zeide Tom, zich voor haar neerwerpende, "om den
wil van den lieven Heer, die voor u gestorven is, verkoop toch uwe
kostbare ziel niet zoo aan den duivel! Niet dan kwaad zal er uit
voortkomen. De Heere heeft ons niet tot wraak geroepen. Wij moeten
lijden en Zijn tijd afwachten."
"Wachten!" zeide Cassy. "Heb ik niet gewacht? Gewacht tot mijn hoofd
duizelig en mijn hart flauw is? Wat heeft hij mij niet doen lijden? Wat
heeft hij honderden van arme schepsels doen lijden? Zuigt hij ook
u dan het hartebloed niet uit? Ik word er toe geroepen! Zij roepen
mij! Zijn tijd is nu gekomen en ik zal en moet zijn bloed hebben!"
"Neen, neen, neen!" zeide Tom, hare handen vasthoudende, die zij
met stuipachtige kracht dichtkneep. "Neen, gij arme verdwaalde ziel,
dat moet gij niet doen! De lieve, gezegende Heere heeft nooit bloed
gestort, dan zijn eigen, en dat heeft Hij voor ons vergoten, toen
wij Zijne vijanden waren. Heere, help ons uwe schreden te volgen en
vijanden lief te hebben."
"Liefhebben!" zeide Cassy met een woest flikkerenden blik. "_Zulke_
vijanden liefhebben! Daartoe zijn vleesch en bloed niet in staat!"
"Neen, die zijn het ook niet," antwoordde Tom omhoog ziende, "maar
Hij geeft dat aan ons, en dat is de overwinning. Wanneer wij kunnen
liefhebben en bidden voor allen en door alles, dan is de strijd
voorbij en de overwinning gekomen--eere zij God!"
En met oogen vol tranen, daar de stem hem begaf, zag de zwarte man
naar den hemel op.
En dit, o Afrika!--laatst geroepene van alle volken, geroepen tot
de doornenkroon, de geeselroede, het bloedig zweet en het kruis van
smarte--dit zal uwe overwinning zijn; hierdoor zult gij met Christus
regeeren, wanneer Zijn koninkrijk op de aarde zal gekomen zijn!
Het vurige van Toms gevoel, de zachtheid zijner stem en zijne tranen
bedaarden het woest opgewonden gemoed der ongelukkige vrouw. Er kwam
een nevel van zachtheid voor het flikkerende vuur van hare oogen;
zij zag voor zich neer, en Tom voelde hare hand hem omklemmen, toen
zij tot hem zeide:
"Heb ik u niet gezegd, dat booze geesten mij volgden? O, vader Tom,
ik kan niet bidden! Ik wenschte dat ik het kon. Ik heb nooit gebeden
sedert mijne kinderen verkocht werden! Wat gij zegt moet wel zoo
zijn--dat weet ik; maar als ik beproef te bidden, kan ik alleen haten
en vloeken. Ik kan niet bidden."
"Arme ziel," zeide Tom medelijdend. "De satan begeert u te hebben,
om u te ziften als de tarwe. Ik bid den Heere voor u. O, Miss Cassy,
keer u naar den lieven Heere Jezus. Hij kwam om te genezen die gebroken
van harte zijn, en om alle treurenden te troosten."
Cassy bleef stilstaan terwijl groote tranen uit hare neergeslagene
oogen rolden.
"Miss Cassy," zeide Tom met zekere aarzeling in zijnen toon, nadat
hij haar een poos had aangezien; "als gij maar hier vandaan kondt
komen--als dat maar mogelijk was--dan zou ik u en Emmeline raden om
het te doen, dat is, als gij het zonder bloedschuld doen kunt--anders
niet."
"Zoudt gij het met ons beproeven, vader Tom?"
"Neen," antwoordde Tom. "Er is een tijd geweest dat ik het zou gedaan
hebben, maar de Heere heeft mij een werk onder deze arme menschenzielen
hier gegeven, en ik zal bij hen blijven en mijn kruis met hen dragen
tot aan het einde. Met u is het anders--het is een valstrik voor
u--het is meer dan gij wederstaan kunt, en het is beter dat gij gaat,
als gij kunt."
"Ik weet geen weg dan door het graf," zeide Cassy. "Er is geen beest
of vogel, of hij kan ergens schuilplaats vinden, zelfs de slangen
en alligators hebben hunne plaatsen om te liggen en stil te zijn;
maar voor ons is er geene plaats. In de diepste moerassen zullen
hunne honden ons opjagen en vinden. Iedereen en alles is tegen ons,
zelfs de beesten zijn tegen ons, waar willen wij dan henengaan?"
Tom zweeg een poos, eindelijk zeide hij:
"Hij, die Daniël in den leeuwenkuil bewaarde--die de jongelingen in den
vurigen oven behield--Hij, die op de zee wandelde en de winden beval
stil te zijn,--Hij leeft nog; en ik heb geloof om te hopen dat Hij u
verlossen kan. Beproef het en ik zal met al mijne macht voor u bidden."
Door welke eene vreemde werking van den geest is het, dat een
denkbeeld lang voorbijgezien en als een nutteloozen steen onder den
voet getreden, eensklaps in een nieuw licht schittert, als een dan
eerst ontdekte diamant?
Cassy had dikwijls uren lang over alle mogelijke plannen ter
ontsnapping nagedacht en alle als hopeloos en onuitvoerbaar verworpen;
maar op dat oogenblik kwam haar een plan voor den geest, zoo eenvoudig
en uitvoerbaar in alle bijzonderheden, dat het haar terstond met hoop
en moed vervulde.
"Vader Tom, ik zal het beproeven," zeide zij eensklaps.
"Amen!" zeide Tom. "De Heere helpe u!"
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
KRIJGSLISTEN
"De weg der goddeloozen is als een donker,
zij weten niet waarover zij struikelen zullen."
De vliering van het huis dat Legree bewoonde was, gelijk de meeste
andere vlieringen, eene holle donkere ruimte, met spinnewebben
behangen en met afgekeurd huisraad bezet. De rijke familie, die het
huis in zijne dagen van glans had bewoond, had vele kostbare meubelen
aangeschaft, waarvan een gedeelte door haar weder was medegenomen,
terwijl het overige in onbewoonde kamers was blijven staan, of op
die vliering was weggezet. Aan een kant stonden eenige gevaarlijk
groote pakkisten, waarin die meubelen waren verzonden. Er was maar
een venstertje, dat door de bestofte, ondoorzichtige ruiten slechts
een flauw schemerend licht liet vallen op de hooge stoelen en oude
tafels, die eens betere dagen hadden gekend. Over het geheel zag het
er hier akelig en spookachtig uit; en zoo spookachtig als die vliering
op zich zelve was, ontbrak het niet aan overleveringen om haar voor de
bijgeloovige negers nog schrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden
was eene negerin, die zich Legree's ongenoegen had berokkend, daar
verscheidene weken opgesloten. Wat er voorviel, zeggen we niet; de
negers fluisterden er angstig over onder elkander; maar het was bekend
dat het lijk der ongelukkige eens van daar afgedragen en begraven was,
en sedert dien tijd zeide men dat men des nachts op die vliering een
akelig gerucht hoorde: vloeken en slagen, met een wanhopig gillen en
kermen gemengd. Eens toen Legree bij toeval iets van dien aard hoorde,
stoof hij geweldig op en zwoer dat de eerste, die weder sprookjes van
die vliering vertelde, eene gelegenheid zou hebben om te vernemen wat
daar was, want dat hij hem voor eene week daar zou vastketenen. Dit
was genoeg om het gebabbel te stuiten, hoewel het geloof aan het
vertelde daardoor natuurlijk niet in het minste werd geschokt.
Langzamerhand werd de trap, welke naar de vliering voerde en zelfs
het eind gang naar die trap, door iedereen vermeden, en daar ieder
bang was om er van te spreken, werd ook de legende half vergeten. Nu
was het Cassy ingevallen, om van den bijgeloovigen angst, die bij
Legree zoo licht werd opgewekt, tot bevrijding van zich zelve en hare
lotgenoote gebruik te maken.
De slaapkamer van Cassy was vlak onder die vliering. Eens liet zij,
zonder Legree te raadplegen, op eigen gezag en met tamelijk veel
ophef, al de meubelen uit die kamer naar eene andere ver daar vandaan
brengen. De huisbedienden, die zij daarmede belast had, liepen juist
met grooten ijver en drukte heen en weder, toen Legree eens van een
rijtoertje terugkwam.
"Hallo, Cassy," zeide hij, "wat is er nu gaande?"
"Niets. Ik heb maar eene andere kamer gekozen," antwoordde Cassy
stuursch.
"En waarom dat?"
"Omdat het mij zoo beviel."
"En voor den duivel, waarom?"
"Omdat ik gaarne nu en dan slaap."
"En wie belet u te slapen?"
"Dat zou ik wel kunnen zeggen, als gij het hooren woudt," antwoordde
Cassy droogjes.
"Spreek op maar," zeide Legree.
"Och, het is niets. Ik geloof dat het u niet verontrusten zou. Het
is maar een gekerm en een gestommel van menschen die vechten en op
den vliering over den grond rollen, den halven nacht lang, van twaalf
uur tot aan den ochtend."
"Menschen op de vliering," zeide Legree onrustig, maar toch met een
gedwongen lach. "En wie zijn dat dan?"
Cassy sloeg hare scherpe zwarte oogen op en zag Legree aan met een
blik, die hem door merg en been drong, en zeide:
"Ja, wie zijn dat, Simon? Ik zou dat wel eens van u willen hooren. Gij
weet het niet, zou ik denken?"
Met een toornigen vloek deed Legree een slag naar haar met zijne
karwats; maar zij schoof op zijde en de deur ingaande, zag zij nog
eens om en zeide:
"Als gij maar eens in de kamer wilt gaan slapen, zult gij er alles
van weten. Misschien is het best, dat gij het eens beproeft." En
daarmede sloot zij de deur en draaide die op het slot.
Legree raasde en vloekte en dreigde de deur open te breken; maar hij
bedacht zich naar het scheen, en ging zeer slecht op zijn gemak naar
de huiskamer. Cassy bemerkte dat hare pijl getroffen had, en van dat
oogenblik af verzuimde zij niets om den gemaakten indruk te versterken,
hetgeen haar met hare schranderheid uitmuntend gelukte.
In een gat in eene der planken van de vliering, waar een kwast uit
het hout was gevallen, stak zij den hals eener gebroken flesch,
zoodanig, dat bij den minsten luchtstroom een allerakeligst huilend
geluid daardoor werd voortgebracht, dat, wanneer het hard waaide,
tot een gillen steeg, hetwelk voor bijgeloovige ooren als het wanhopig
gejammer eener menschenstem moest klinken.
Dit geluid werd nu en dan door de bedienden gehoord en deed de
herinnering der oude spookvertelling in volle kracht herleven. Eene
huiveringwekkende akeligheid scheen het geheele huis te vervullen en
hoewel niemand een woord daarvan tegen Legree durfde spreken, voelde
hij er zich toch door omringd als door de lucht die hij inademde.
Niemand is zoo door en door bijgeloovig als de goddelooze. Een christen
wordt gesterkt door het geloof aan een wijzen, allesbesturenden
Vader, wiens tegenwoordigheid de ijdele ruimte met licht en orde
vervult; maar voor den mensch die God onttroond heeft, wordt de
geestenwereld inderdaad gelijk de Hebreeuwsche dichter zegt: "een
land van duisternis en schaduwe des doods," zonder eenige orde,
waar het licht als donkerheid is. Het leven en de dood zijn beide
spookgewesten voor hem, met nevelachtige schrikgedaanten vervuld.
Het sluimerend zedelijk gevoel was bij Legree gewekt door zijne
woordenwisselingen met Tom--slechts gewekt om weder door de hardnekkige
kracht van het kwaad onderdrukt te worden; maar elk godsdienstig woord,
gebed of gezang bracht toch eene onrust in zijn binnenste teweeg,
die eene vermeerdering van bijgeloovige angstvalligheid naliet.
De invloed, dien Cassy op hem uitoefende, was van een zonderlingen
aard. Hij was haar eigenaar, haar tiran, haar beul. Zij was, en dit
wist hij, geheel en al, zonder mogelijkheid van redding of tegenstand,
in zijne macht; en toch bleek het ook bij hem, dat de ruwste man zich
niet bestendig onder den invloed van een krachtigen vrouwelijken geest
kan bevinden, zonder daardoor aanmerkelijk bedwongen te worden. Toen
hij haar pas kocht, was zij, gelijk zij zeide, een teeder opgebrachte
vrouw, en hij had haar zonder eenig bezwaar met voeten getreden. Maar
toen de tijd en de wanhoop het vrouwelijk gevoel bij haar verdoofden,
en het vuur van woestere hartstochten bij haar ontvlamde, was zij in
zekere mate zijne meesteres geworden, zoodat hij haar thans beurtelings
tiranniseerde en vreesde.
Die invloed was nog sterker en voor hem drukkender geworden, sedert
vlagen van halve krankzinnigheid al hare woorden en bedrijven iets
vreemds, geheimzinnigs en akeligs hadden gegeven.
Een paar avonden later nu zat Legree in de oude huiskamer bij een
flikkerend houtvuur, dat het vertrek met een afwisselend schijnsel
verlichtte; het was een stormachtige avond, zulk een avond, waarop men
in een vervallen oud huis allerlei onbeschrijfelijke geluiden hoort. De
vensters klapperden en de luiken bonsden, de wind bulderde en loeide in
den schoorsteen, en blies nu en dan den rook en de asch door de kamer,
alsof hij een legioen van geesten in zijn gevolg medebracht. Legree
had eenige uren lang rekeningen zitten nazien en couranten lezen,
terwijl Cassy in een hoek stroef in het vuur zat te staren. Eindelijk
verveelde hem dit, en toen hij een oud boek op de tafel zag liggen,
waarin Cassy in het begin van den avond had zitten lezen, nam hij het
op en begon het door te bladeren. Het was een dier verzamelingen van
moord- en spookhistoriën, welke iemand, als hij er eens aan begint,
met eene vreemde tooverkracht boeien.
Legree bromde nu en dan verachtelijk bij zich zelven, maar sloeg toch
het eene blad na het andere om, tot hij eindelijk het boek met een
vloek neersmeet.
"Gij gelooft toch niet aan spoken, niet waar, Cassy?" zeide hij,
de tang opnemende om het vuur bij te leggen. "Ik dacht wel dat gij
te veel verstand hadt om u door geluiden te laten bang maken."
"Het komt er niet op aan wat ik geloof," antwoordde Cassy stuursch.
"Toen ik voorheen op zee was, wilden mijne kameraden mij met
vertelseltjes bang maken," hervatte Legree. "Maar zij konden mij
nooit zoo beetnemen. Ik ben veel te taai voor zulke oude wijvenpraat."
Cassy zat hem in de schaduw van den hoek strak aan te staren. Zij had
dien vreemden glans in hare oogen, die Legree altijd onrustig maakte.
"Die geluiden waren niets dan de ratten en de wind," zeide
Legree. "Ratten kunnen een duivelsch geweld maken. Ik heb ze dikwijls
in het hol van het schip gehoord; en de wind--och, van den wind kan
men zich alles verbeelden."
Cassy wist zeer wel dat Legree onder haren blik onrustig werd en
daarom gaf zij geen antwoord, maar bleef hem met dezelfde spookachtige
strakheid aanstaren.
"Kom aan, spreek op!" zeide Legree. "Denkt gij ook zoo niet?"
"Kunnen ratten de trap afkomen en de gang doorstappen en eene deur
opendoen, als gij die gesloten en een stoel er tegen gezet hebt,"
zeide Cassy, "en recht naar uw bed komen, en de hand uitsteken, zoo?"
Cassy hield onder het spreken hare glinsterende oogen op Legree
gevestigd, en hij staarde haar aan, alsof hij de nachtmerrie had,
en toen zij zweeg en hare hand, die ijskoud was, op de zijne legde,
sprong hij met een vloek achteruit.
"Wijf! Wat meent ge? Dat heeft niemand gedaan!'
"Wel neen--natuurlijk niet--heb ik dat dan gezegd?" zeide Cassy met
een kouden spottenden glimlach.
"Maar hebt gij inderdaad gezien dat--kom aan, Cassy, wat is er
dan? Spreek op."
"Gij kunt zelf daar gaan slapen, als gij het weten wilt," antwoordde
Cassy.
"Kwam het van de vliering, Cassy?"
"Het--wat?"
"Daar gij van spreekt."
"Ik heb u niets verteld," zeide Cassy met koppige stroefheid. Legree
stapte onrustig de kamer op en neer.
"Ik wil dat onderzocht hebben," zeide hij. "Ik zal er van avond nog
naar gaan zien. Ik zal mijne pistolen medenemen, en...."
"Doe dat," zeide Cassy. "Ga in de kamer slapen. Ik zou het wel eens
van u willen zien. Schiet uwe pistolen af--dat ook!"
Legree vloekte en stampvoette.
"Vloek niet," zeide Cassy. "Niemand weet wie u hooren kan! Wat
was dat?"
De klok, die in een hoek der kamer stond, sloeg twaalf.
Om eene of andere reden durfde Legree niet spreken of zich
bewegen. Eene ijzing voor hij wist niet wat beving hem, terwijl Cassy
hem met hare spottende, glinsterende oogen aanzag en de slagen telde.
"Twaalf uur! Wel! nu zullen wij zien," zeide zij, naar de deur
gaande die in de gang uitkwam. Zij opende die en bleef staan alsof
zij luisterde.
"Hoor? Wat is dat?" zeide zij, haar vinger opstekende.
"De wind, anders niet," zeide Legree. "Hoort gij niet hoe vervloekt
het waait?"
"Simon, kom hier," zeide Cassy fluisterend, legde hare hand op zijnen
arm en bracht hem onder aan de trap. "Weet gij wat dat is? Luister!"
Een akelige gil klonk. Het geluid kwam van de vliering en weergalmde
langs de geheele trap. Legree's knieën knikten en hij verbleekte
van schrik.
"Zoudt ge niet liever uwe pistolen krijgen?" zeide Cassy met een
smalenden lach, die Legree deed ijzen. "Het is tijd dat hier naar
gezien wordt, weet ge. Ik zou u gaarne eens naar boven hebben; _zij
zijn aan den gang_."
"Ik wil niet gaan," antwoordde Legree met een vloek.