bedaardheid.
Daar wij hier van Tom Loker afscheid nemen, mogen wij nog wel vermelden
dat hij, na drie weken in het kwakerhuis te hebben ziek gelegen aan
eene rheumatische koorts, die hij zich met zijne andere onheilen op
den hals had gehaald, als een eenigszins stiller en wijzer mensch van
zijn bed opstond; en in plaats van weder aan het slaven-jagen te gaan,
zich naar de nieuwe volksplantingen begaf, waar hij zijne talenten
op eene betere wijs gebruikte tot het vangen van beren, wolven en
andere boschbewoners, waardoor hij zich zelfs een grooten naam in
het land maakte. Tom sprak altijd met veel achting van de kwakers.
"Aardige lui," placht hij te zeggen. "Zij wilden mij bekeeren, maar
dat konden zij toch niet recht gedaan krijgen. Maar ik zal u wat
zeggen, vreemdeling, om eene zieke op te lappen zijn ze knap. Zij
maken bouillon en liflafjes van de allerbeste soort."
Daar Tom gewaarschuwd had dat er te Sandusky op de vluchtelingen zou
gepast worden, achtte men het best hen te verdeelen. Jim en zijne
oude moeder werden afzonderlijk voortgeholpen; en een paar, nachten
later werden George en Eliza met hun kind naar Sandusky gereden en
onder een gastvrij dak geherbergd, waar zij zich gereed zouden maken
om hun laatsten tocht over het meer te doen.
Hun nacht was nu ver verloopen, en de morgenster der vrijheid rees
voor hen op. Vrijheid! Electriseerend woord! Wat is zij? Is zij iets
meer dan een naam, eene oratorische spreekwijs? Waarom, gij mannen en
vrouwen van Amerika, klopt het hart u hooger bij dat woord, waarvoor
uwe vaderen hun bloed hebben gestort, en uwe moeders, nog heldhaftiger,
gewillig waren, dat hunne besten en edelsten zouden sterven?
Is er iets in dat woord heerlijk en dierbaar voor een volk, dat ook
niet heerlijk en dierbaar voor een mensch zou zijn? Wat is de vrijheid
van een volk anders, dan de vrijheid der personen die het uitmaken? Wat
is de vrijheid voor den jonkman, die daar met zijne armen over zijne
breede borst gekruist zit, met die tint van Afrikaansch bloed op zijne
wangen, en dat donkere vuur in zijne oogen--wat is de vrijheid voor
George Harris? Voor uwe vaderen was de vrijheid het recht van een
volk om een volk te zijn. Voor hem is zij het recht van een man om
een mensch en geen beest te zijn; het recht om de vrouw van zijn hart
zijne vrouw te noemen en haar tegen losbandig geweld te beschermen;
het recht om zijn kind te beschermen en op te voeden, het recht om
een eigen huis, een eigen godsdienst, eene eigene ziel te hebben,
niet onderworpen aan den wil van een ander. Al deze gedachten woelden
in George's borst, terwijl hij peinzend zijn hoofd op zijne hand liet
rusten, en naar zijne vrouw zag, terwijl zij bezig was hare ranke
gestalte in de mannenkleederen te vermommen, waarin men had gemeend
dat zij het veiligste zou kunnen vluchten.
"Nu moeten zij er aan," zeide zij, terwijl zij zich voor den spiegel
plaatste en haren overvloed van zwarte, glanzige krullen losschudde.
"Zeg eens, het is haast jammer, George, niet waar?" vervolgde zij,
schertsend een gedeelte van die lokken ophoudende. "Is het niet jammer
dat alles er af moet?"
George glimlachte treurig en gaf geen antwoord.
Eliza keerde zich naar den spiegel en flikkerend knipte de schaar,
terwijl de eene lange lok na de andere van haar hoofd viel.
"Daar, nu zal het goed zijn," zeide zij, "een haarborstel
opnemende. "Nu nog maar eens wat opstrijken."
"Daar, ben ik nu geen lieve jongen?" zeide zij zich lachend en blozend
tegelijk naar haren man omkeerende.
"Gij zult altijd lief zijn, wat gij ook doen moogt," antwoordde George.
"Wat maakt u zoo ernstig?" zeide zij, voor hem op eene knie zinkende
en hare hand op de zijne leggende. "Wij zijn nog maar vier en twintig
uren van Canada, zegt men. Maar één dag en nacht op het meer, en
dan--o dan!"
"O, Eliza!" zeide George, haar dichter bij zich trekkende; "dat is
het! Nu moet mijn lot bijna in een oogenblik beslist wezen. Zoo
dichtbij gekomen, bijna in het gezicht, en dan nog alles te
verliezen! Dat zou ik niet overleven, Eliza!"
"Vrees niet," zeide zijne vrouw met hopend vertrouwen. "De goede God
zou ons niet zoover gebracht hebben, als Hij ons er niet doorheen
wilde brengen. Het is alsof ik Hem bij ons voel, George."
"Gij zijt eene gezegende vrouw, Eliza," zeide George, met zekere
woestheid zijn arm om haar heenslaande. "Maar o, zeg mij! kan die
groote genade voor ons bestemd zijn? Zullen die jaren van ellende
ten einde komen? Zullen wij vrij worden?"
"Ik ben er zeker van, George," antwoordde Eliza, met tranen van hoop en
geestvervoering in hare donkere oogen naar boven ziende. "Ik gevoel het
in mij, dat God ons nog dezen dag uit de dienstbaarheid zal brengen."
"Ik wil u gelooven, Eliza," zeide George driftig opstaande. "Ik
wil u gelooven. Kom, laten wij gaan. Wel waarlijk," vervolgde hij,
haar op armslengte van zich afhoudende en met bewondering aanziende,
"gij zijt een lieve, aardige, kleine jongen. Die korte krullen staan u
zeer goed. Zet uwe muts op. Zoo--wat op zijde. Ik heb er u nog nooit
zóó aardig zien uitzien. Maar het is haast tijd voor de koets. Ik
ben benieuwd of Juffrouw Smith Harry al gekleed heeft."
De deur werd geopend en eene fatsoenlijke vrouw van middelbare jaren
trad binnen, met kleine Harry in meisjeskleeren aan de hand.
"Welk een lief meisje is hij!" zeide Eliza, hem om- en
omdraaiende. "Wij willen hem Harriet noemen. Komt die naam niet juist
van pas?"
Het kind stond zijne moeder in hare vreemde kleeding ernstig aan
te zien, zweeg bot stil, maar slaakte nu en dan een zwaren zucht,
en wierp dan tegelijk een schuinen blik naar haar.
"Kent Harry mama niet?" zeide Eliza, de handen naar hem uitstrekkende.
Het kind hield zich schichtig aan zijne geleidster vast.
"Kom nu, Eliza, wat wilt gij hem lokken, terwijl gij weet dat hij
van u vandaan gehouden moet worden?"
"Ik weet dat het dwaas van mij is," antwoordde Eliza, "en toch kan
ik het niet uitstaan, dat hij zich van mij afkeert. Maar kom--waar
is mijn mantel? Hoe doet een man zijn mantel om, George?"
"Gij moet hem zóó dragen," antwoordde George, den mantel over zijne
eigene schouders werpende.
"Zoo dan," zeide Eliza, zijne bewegingen nabootsende, "en ik moet
stampen, en groote stappen nemen, en mijn best doen om brutaal
te kijken."
"Geef u maar geen moeite," zeide George. "Er is nu en dan wel eens
een bedeesd jonkman, en ik geloof dat het gemakkelijker voor u zal
zijn die rol te spelen."
"En die handschoenen! Kijk eens," zeide Eliza, "ik verlies mijne
handen er in."
"Ik raad u toch om ze zorgvuldig aan te houden," zeide George; "uw
fijn smal pootje zou ons allen in gevaar kunnen brengen. Nu, Juffrouw
Smith, reist gij in ons geleide en zijt onze tante--onthoud dat wel."
"Ik heb gehoord," zeide Juffrouw Smith, "dat er menschen zijn gekomen,
die alle stoombootkapiteins hebben gewaarschuwd tegen een man en
vrouw met eenen kleinen jongen."
"Zoo?" zeide George. "Welnu, als wij zulke lieden zien, kunnen wij
het hun zeggen."
Een huurkoets kwam nu voor de deur, en de vriendelijke familie drong
om hen heen om afscheid te nemen.
De vermommingen welke het gezelschap had aangenomen, waren volgens
de wenken van Tom Loker gekozen; Juffrouw Smith, eene fatsoenlijke
vrouw uit het etablissement in Canada, waarheen zij vloden, die
gelukkig het meer wilde oversteken om daarheen terug te keeren,
had bewilligd om zich als tante van den kleinen Harry voor te doen;
en om deze aan haar te hechten, was hij de laatste twee dagen geheel
bij haar gelaten, in welken tijd een overvloed van liefkoozingen,
bij een onbeperkte toelaag van kruidkoekjes en kandijklontjes gevoegd,
reeds eene zeer nauwe gehechtheid bij den jongeheer had doen ontstaan.
De koets reed naar de werf. De twee jongelieden--gelijk zij
schenen--stapten de plank over en de boot op. Daar gaf Eliza galant
den arm aan Juffrouw Smith, terwijl George nu voor de bagage zorgde.
George stond bij het kantoortje van een kapitein, om daar voor zijn
gezelschap te betalen, toen hij twee mannen, die naast hem stonden,
met elkander hoorde spreken.
"Ik heb op iedereen gelet, die aan boord kwam," zeide de een, "en ik
weet wel dat zij niet op deze boot zijn."
Het was de stem van den klerk der boot. De andere, wien hij aansprak,
was onze vroegere vriend Marks, die in zijn lofwaardigen ijver naar
Sandusky was gekomen, zoekende wien hij zou mogen verslinden.
"Men zou de vrouw haast niet van eene blanke onderscheiden," zeide
Marks. "De man is een lichte mulat. Hij heeft een brandmerk in eene
van zijne handen."
De hand, waarmede George de plaatsbriefjes aannam, beefde eenigszins;
maar hij keerde zich koelbloedig om, zag den spreker onverschillig
in het gezicht, en ging op zijn gemak naar den anderen kant der boot,
waar Eliza naar hem stond te wachten.
Juffrouw Smith had met kleine Harry de afzondering der dameskajuit
opgezocht, waar de donkere schoonheid van het vermeende meisje vele
vleiende aanmerkingen uitlokte.
Toen de klok geluid werd om van de Amerikaansche kust afscheid te
nemen, had George het genoegen van Marks over de plank naar den wal
te zien stappen, en hij verlichtte zijn hart met een langen zucht,
toen de afstand tusschen hen het terugkeeren onmogelijk had gemaakt.
Het was een heerlijke dag. De blauwe golven van het meer Erie dansten
flikkerend en vroolijk in het zonnelicht. Wie dacht er, toen George met
zijnen schuwen makker aan de zijde, zoo kalm het dek der stoomboot op
en neer wandelde, aan alles wat in zijnen boezem gloeide? Het geluk,
dat hem scheen te naderen, kwam hem al te groot en schoon voor, om
ooit werkelijkheid te worden, en ieder oogenblik van dien dag kwelde
hem een heimelijke angst, dat er zich nog iets zou opdoen om het hem
te ontrukken.
Doch de boot voer voort, de uren vlogen om, en eindelijk kwam de
gezegende Engelsche kust duidelijk in het gezicht--de kust, welke
door eene machtige tooverspreuk gewijd, met eene enkele aanraking
elke helsche bezwering van slavernij vernietigt, onverschillig in
welke taal zij is uitgesproken, of door welke nationale macht zij
is bekrachtigd. George en zijne vrouw stonden gearmd naast elkander,
toen de boot het stadje Amhertsberg in Canada naderde. Zijne ademhaling
werd kort en zwaar, er kwam een nevel voor zijne oogen, stilzwijgend
drukte hij het handje, dat bevend op zijnen arm lag. De klok luidde--de
boot werd gestopt. Nauwelijks ziende wat hij deed, zocht George zijne
bagage uit en verzamelde hij zijn klein gezelschap. Hij werd met de
zijnen aan land gezet. Zij bleven stilstaan, tot de boot weder was
afgevaren; en toen knielden man en vrouw met hun verwonderd kind in
de armen, op den oever neder, en verhieven het hart tot God.
"Het was," gelijk een dichter zegt: "iets, dat geleek naar den overstap
uit den dood in het leven, uit de windselen des grafs in het gewaad des
hemels, uit de heerschappij der zonden en den strijd der hartstochten
in de reine vrijheid eener gezaligde ziel, waar alle banden van dood en
hel verbroken worden, en het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoet,
wanneer de genade de gouden poort heeft geopend en hare stem heeft
gesproken: "Juich, uwe ziel is vrij!"
Het gezelschap werd door Juffrouw Smith naar de gastvrije woning van
een braven zendeling gebracht, die door de christelijke liefde aldaar
geplaatst was geworden tot een herder voor de zwervende ballingen,
die gedurig op deze kust een vrijplaats komen zoeken.
Wie kan de zaligheid van dien eersten dag van vrijheid beschrijven? Is
het _gevoel der vrijheid_ edeler en fijner, dan eenig ander dat de
zinnen kan aandoen? Onbespied en zonder gevaar te spreken en te ademen,
uit en in te gaan! Wie kan het gezegende beschrijven van die rust,
welke op de peluw van den vrijen man nederdaalt, onder de wetten,
die hem de rechten verzekeren, welke God den mensch gegeven heeft? Hoe
schoon en lief was voor die moeder dat slapende kindergezichtje, haar
nog dierbaarder gemaakt door de herinnering aan duizend gevaren! Hoe
onmogelijk was het te slapen in het bezit van zulk een overmatig
geluk! En toch bezaten deze twee geen voet gronds, geen dak dat zij het
hunne konden noemen, en hadden zij alles verteerd tot hunnen laatsten
dollar. Zij hadden niets meer dan de vogelen der lucht of de bloemen
des velds--en toch konden zij niet slapen van blijdschap. O gij,
die den mensch de vrijheid ontneemt, met welke woorden zult gij dat
voor God verantwoorden?
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
DE OVERWINNING.
"Gode zij dank, die ons de overwinning geeft."
Hebben niet velen van ons wel eens op den vermoeienden levensweg
gevoeld, hoeveel lichter het zijn zou te sterven dan te leven?
De martelaar, wanneer hij een dood van lichamelijke folteringen voor
oogen ziet, vindt juist in het schrikkelijke van zijn lot een krachtig
middel tot opwekking en versterking. Hij gevoelt eene opgewondenheid,
een ijver, eene hoop, die hem het lijdensuur helpen doorstaan, dat
het geboorte-uur der eeuwige rust en heerlijkheid zal wezen.
Maar voort te leven, dag aan dag te slijten in een lage, verachte,
bittere, kwellende dienstbaarheid, waaronder elke zenuw verslapt en
ontstemt, elk gevoelsvermogen langzamerhand verdoofd wordt--dat lange,
verterende martelaarschap van het hart, dat langzame, dagelijksche
wegbloeden van het innerlijke leven, droppel voor droppel en uur op
uur--dit is de ware, doorzoekende proef van wat een mensch, hetzij
man of vrouw, in zijn binnenste bezit.
Toen Tom tegenover zijnen woedenden meester stond en zijne dreigementen
hoorde, en bij zich zelven dacht dat zijn uur gekomen was, klopte
zijn hart hooger en moediger, en dacht hij dat hij martelingen,
brandstapel, dat hij alles zou kunnen doorstaan, met het uitzicht op
den hemel, die nog maar ééne schrede van hem verwijderd was; maar
toen die woedende meester was heengegaan, en zijne opgewondenheid
daalde, kwam de pijn in zijne gekneusde leden terug, kwam het gevoel
van zijnen vernederden, verlaten, hopeloozen toestand terug; en hij
sleet den dag treurig genoeg.
Lang voordat zijne wonden genezen waren, zette Legree hem weder aan
het gewone veldwerk; en toen kwamen dag aan dag pijn en vermoeienis,
verergerd door alle verongelijkingen en kwellingen, die de hatelijkheid
van een laaghartig, boosaardig mensch kon uitdenken. Wie in _onze_
omstandigheden eene proef van pijn heeft gehad, zelfs met die
verlichtingen, welke ons meestal ten deel vallen, moet wel weten, welk
een wrevelig ongeduld daaruit gewoonlijk ontstaat. Tom verwonderde
zich nu niet meer over de doorgaande norschheid zijner makkers; ja,
hij vond zelfs de vreedzame, blijmoedige gemoedsgesteldheid, welke de
gewoonte van zijn leven geweest was, zeer bemoeielijkt en gestoord
door dezelfde kwellingen, die hen zoo onverdragelijk voor anderen
maakten. Hij had zich met vrijen tijd gevleid om zijn Bijbel te lezen,
maar hier was niets dat naar vrijen tijd geleek. In de drukte van het
seizoen aarzelde Legree niet, om zijne arbeiders op Zondag eveneens
te laten werken als door de week. Waarom zou hij niet? Hij kreeg dan
meer katoen en won zijne weddenschap, en als hij er eenige arbeiders
meer door versleet, kon hij andere koopen. In het eerst placht Tom bij
het flikkeren van het vuur, een paar verzen in zijnen Bijbel te lezen,
als hij van zijn dagwerk terug kwam; maar na de wreede behandeling,
die hij ondergaan had, kwam hij doorgaans zoo afgemat naar huis toe,
dat zijn hoofd duizelde en zijne oogen schemerden wanneer hij beproefde
te lezen, en hij blijde was, als hij gelijk de anderen zijne pijnlijke
leden op den grond kon uitstrekken.
Het is niet vreemd, dat het godsdienstige vertrouwen en de gemoedsrust,
die hem tot nog toe hadden ondersteund, voor het slingeren zijner
ziel bezweken. Het donkerste raadsel van dit raadselachtig leven
stond gedurig voor zijnen geest: zielen met geweld verdorven, het
kwaad zegepralende, en God zwijgende. Het duurde weken en maanden
dat Tom in zijne ziel zoo in smart en duisternis worstelde. Hij dacht
aan Miss Ophelia's brief, aan zijne vrienden in Kentucky, en bad God
ernstig om hem redding te zenden; en dan zag hij dag aan dag uit,
in de flauwe hoop dat hij iemand zien zou die gezonden was om hem los
te koopen; en als er niemand kwam, deed hij weder moeite om in zijne
ziel de bittere gedachte te smoren--dat het ijdel was God te dienen,
en dat God hem vergeten had. Somtijds sprak hij Cassy; en somtijds,
wanneer hij naar het huis werd geroepen, kon hij even de neerslachtige
Emmeline zien, maar hij had weinig omgang met eene van beiden, en
hij had ook eigenlijk geen tijd om met iemand om te gaan.
Op een avond zat hij geheel uitgeput en ternedergeslagen bij eenige
half verbrande houten, waarop zijn onsmakelijk avondmaal braadde. Hij
legde eenige droge rijsjes op het vuur, om zoo vast wat licht te
krijgen, en haalde zijn Bijbel uit zijn zak. Daar waren al de gemerkte
plaatsen, die zijne ziel zoo dikwijls verrukt hadden--woorden van
aartsvaders en zieners, van dichters en wijzen, die van den vroegsten
tijd af den mensch moed hadden ingesproken--stemmen uit die groote wolk
van getuigen, welke ons op de levensbaan altijd omringt. Had het woord
zijne kracht verloren, of waren het schemerende oog en het vermoeide
gevoel niet meer vatbaar voor den troost der heilige bladen? Met een
zwaren zucht stak hij het boek weder in zijnen zak. Een woeste lach
wekte hem uit zijne dofheid. Hij zag op, Legree stond voor hem.
"Wel, oude jongen," zeide hij, "gij vindt dat uw godsdienst niet
meer werkt, naar het schijnt. Ik dacht wel dat ik dat eindelijk in
uw wolligen kroeskop zou krijgen."
Die wreede spot was erger dan honger, koude en naaktheid; Tom zweeg.
"Ge zijt een zot geweest," hernam Legree, "want ik had het goed met u
voor, toen ik u kocht. Ge hadt het beter kunnen hebben dan Sambo of
Quimbo, en een gemakkelijk leven; en in plaats van elke paar dagen
geranseld te worden, hadt ge vrijheid kunnen hebben om den heer te
spelen en de andere negers te ranselen; en ge hadt nu en dan eene goede
verwarming van punch kunnen krijgen. Kom aan, denkt gij nu niet dat
het beter is verstandig te worden? Smijt dat pak gewawel in het vuur,
en kom tot mijne kerk over."
"Dat verhoede de Heere!" zeide Tom met vurigen ernst.
"Gij ziet wel dat de Heere u niet helpen zal. Als Hij dat gewild had,
zou Hij wel gemaakt hebben dat ik u niet kreeg. Die godsdienst van u
is alles een hoop leugenachtige bombast, Tom. Gij deedt beter u aan
mij te houden. Ik ben iemand en kan iets doen."
"Neen, meester," antwoordde Tom, "ik blijf er bij. De Heere mag mij
helpen of niet helpen; maar ik houd mij aan Hem vast en geloof Hem
tot het laatste."
Wanneer een zware last de ziel zoo diep neerdrukt, als zij met
mogelijkheid kan verduren, volgt er eene plotselinge, wanhopige
inspanning van alle lichamelijke en zedelijke krachten om dien
last af te werpen, en daarom is de zwaarste zielsangst dikwijls de
voorbode van een terugkeer van moed en blijdschap. Zoo was het nu
met Tom. De goddelooze smaad- en spotwoorden van zijnen meester
drukten zijne reeds moedelooze ziel in de laagste diepte neder;
en hoewel de hand des geloofs de eeuwige rots nog vasthield, was
het alleen met de kracht der verstijfde wanhoop. Tom zat daar als
geheel bedwelmd en versuft bij het vuur. Eensklaps scheen alles om
hem heen te verdwijnen; eene verschijning rees voor hem op van Eenen
met doornen gekroond en met bloedige geeselstriemen. Tom staarde met
verbazing en ontzag op het verheven geduld van het gelaat; de oogen
vol lijden en hemelsch medelijden straalden tot in zijn hart; zijne
ziel ontwaakte, terwijl hij overstelpt van aandoening, de handen
uitstrekte en op de knieën zonk; toen veranderde langzamerhand de
verschijning: de scherpe doornen werden tot stralen eener glorie;
met onuitsprekelijken luister zag hij datzelfde gelaat medelijdend
naar hem nederbuigen, en hoorde hij eene stem zeggen: "Die overwint,
Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik
overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon."
Hoelang Tom daar lag, wist hij niet. Toen hij tot zich zelven kwam,
was het vuur uitgegaan en waren zijne kleederen doornat van den kouden
dauw; maar de schrikkelijke benauwdheid zijner ziel was voorbij, en in
de vreugde, die hem vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude,
geen vernedering, teleurstelling of ellende meer. Uit het diepste
zijner ziel verzaakte hij in dat uur alle hoop in het tegenwoordige
leven, en offerde hij zijn eigen wil als een onherroepelijk offer aan
den Oneindige op. Tom zag op naar de stille, altijd levende sterren,
zinnebeelden dier engelenscharen, die altijd op den mensch neerzien,
en in de eenzaamheid van den nacht klonken de zegepralende woorden
van een lied, dat hij in gelukkiger dagen dikwijls had gezongen,
maar nooit met zulk een gevoel als thans:
"Deze aarde zal als sneeuw vergaan,
De zon geen licht meer geven;
Maar bij den God, die mij hier riep,
Zal ik dan eeuwig leven.
"Als 't aardsche leven mij ontzinkt,
De zinnen mij begeven,
Dan wacht mij in het hemelhof
Het eeuwig, zalig leven.
"En als ons daar tienduizend jaar
Reeds tienmaal is gegeven,
Dan wacht ons nog geen dag te min
Van 't eeuwig, zalig leven."
Zij, die met de godsdienstige geschiedenis der slavenbevolking bekend
zijn, weten dat verhalen van zulke verschijningen en gezichten zeer
dikwijls voorkomen. Wij hebben eenige zulke verhalen van treffend
aandoenlijken aard uit den eigen mond van hen gehoord, die aldus
gesterkt en getroost waren. Zielkundigen spreken van een toestand,
waarin de aandoeningen en voorstellingen van het gemoed zulk eene
kracht en levendigheid bekomen, dat zij de uiterlijke zinnen aan zich
dienstbaar maken en deze eene tastbare gedaante aan die innerlijke
voorstellingen doen geven. Wie zal het bepalen, waartoe een alles
doordringende Geest deze vatbaarheid van ons stoffelijk hulsel zal
aanwenden, of door welke middelen Hij eene in wanhoop verzonkene
ziel zal bemoedigen? Indien de arme, vergeten slaaf gelooft dat
Jezus hem verschenen is en tot hem gesproken heeft, wie zal hem
tegenspreken? Heeft Hij niet gezegd dat Hij door alle eeuwen heen
gezonden was, om hen die gebroken zijn van harte te genezen en de
verslagenen heen te zenden in vrijheid?
Toen de grauwe schemering van den dageraad de sluimerenden wekte
om weder naar het veld te gaan, was er een onder die huiverende,
met lompen bedekte ellendelingen, die met fieren tred voortstapte;
want vaster dan de grond dien hij betrad was zijn krachtig geloof
in eene almachtige eeuwige liefde. Ha, Legree, beproef al uw
vermogen! Lichaamspijn en zieleleed, gebrek en mishandeling zullen
slechts den overstap verhaasten, waardoor hij een koning en priester
voor God zal worden.
Van dien tijd af omringde een onschendbaar gebied van vrede het
nederige hart van den verdrukte; een altijd tegenwoordige Zaligmaker
heiligde het tot een tempel. Voorbij was nu het bloeden van aardsche
wonden--voorbij was het sidderen van hoop, vrees en verlangen--de
menschelijke wil, lang bloedend worstelende, was nu geheel in
den Goddelijken versmolten. Zoo kort scheen nu de nog overige
levensreis--zoo nabij, zoo duidelijk zichtbaar scheen de eeuwige
zaligheid--dat het zwaarste leed des levens op hem afstuitte, zonder
hem te deren.
Iedereen merkte de verandering in zijn voorkomen op. Hij scheen zijne
opgeruimdheid en vlugheid terug te krijgen, en eene kalmte te bezitten,
die door geene beleediging of mishandeling kon gestoord worden.
"Wat duivel zit er in Tom?" zeide Legree tot Sambo. "Eene maand geleden
was hij geheel melancholiek, en nu is hij zoo vroolijk als een krekel."
"Weet niet, meester. Misschien wil hij wegloopen."
"Dat zou ik hem wel eens willen zien probeeren," zeide Legree met
een woesten grijnzenden lach. "Zouden we niet, Sambo?"
"Denk nog al, ha, ha!" antwoordde de zwarte pluimstrijker, gedienstig
lachende. "He, wat een pret! Hem in de modder te zien steken,
en door de struiken rennen, met de honden op het lijf. Ik dacht te
barsten van lachen, toen we Molly vingen. Ik dacht dat zij haar geheel
opengescheurd zouden hebben, eer we bij haar konden komen. Zij heeft
nog de teekens van die grap."