tooverkunst, die de liefelijkste en heiligste dingen in
schrikaanjagende spooksels doet veranderen. Die bleeke, liefderijke
moeder--hare stervende gebeden en vergevende liefde--waren voor dat
zondige hart slechts een vonnis van verdoemenis, dat eene vreeselijke
verwachting van het oordeel medebracht. Legree verbrandde zoowel
den brief als het haar, en toen hij beide in de vlam zag sissen en
knetteren, deed de gedachte aan het eeuwige vuur hem sidderen. Hij
beproefde die herinnering met drinken en woeste buitensporigheden
te verdrijven; maar dikwijls in den nacht, welks plechtige stilte de
schuldige ziel tot een gedwongen omgang met zichzelven veroordeelt,
had hij die bleeke moeder voor zijn bed zien oprijzen, en het zachte
klemmen van dat haar om zijne vingers gevoeld, tot het koude zweet
hem van het gezicht droop en hij van angst uit zijn bed sprong. Gij,
die u verwonderd hebt in hetzelfde Evangelie te hooren, dat God liefde
is en dat God een verterend vuur is; ziet gij niet hoe, voor de aan
het kwaad overgegeven ziel, de volmaakste liefde de verschrikkelijkste
pijniging is, het vonnis en zegel der akeligste wanhoop?
"Voor den duivel!" zeide Legree bij zich zelven, terwijl hij zijn
punch slurpte. "Waar heeft hij dat gekregen? Als het niet volmaakt
geleek naar--ba! Ik dacht het vergeten te hebben. Het is verdoemd,
alsof men nooit iets vergeten kan. Ik ben hier te eenzaam. Ik zal Em
roepen. Zij haat mij--die meerkat. Maar dat kan mij niet schelen--ik
zal haar toch laten komen."
Legree ging naar een ruim voorhuis, waarin de trap uitkwam, die eens
een prachtige wenteltrap was geweest; maar thans was alles vervallen
van vuil en overal stonden oude kisten en andere afzichtelijke dingen
in den weg. De trap scheen in de duisternis op te stijgen--men kon niet
weten waarheen. Het bleeke maanlicht scheen door de gebroken ruiten
boven de deur; de lucht was hier kil en ongezond, als in een gewelf.
Legree bleef onder aan de trap staan en hoorde eene stem zingen. Dat
gezang kwam hem in het akelige huis vreemd en spookachtig voor,
misschien omdat zijn zenuwgestel reeds geschokt was. Luister, wat
is het?
Een roerende stem zingt een lied, gewoon onder de slaven:
"Jammer, jammer zal er wezen
Voor den rechterstoel van Christus,
Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."
"Die verwenschte meid!" zeide Legree; "ik zou haar wel willen
worgen. Em! Em!" riep hij met zijne grove stem; maar alleen de
spotachtige weergalm der muren gaf hem antwoord.
De aandoenlijke stem zong voort:
"Ouders en kinderen zullen daar scheiden!
Ouders en kinderen zullen daar scheiden.
Scheiden, scheiden voor d'eeuwigheid."
En luid en helder klonk door het ledige huis het refrein:
"Jammer, jammer zal er wezen
Voor den rechterstoel van Christus,
Jammer, jammer voor d'eeuwigheid."
Legree bleef staan. Hij zou zich geschaamd hebben om het iemand te
zeggen; maar groote droppels zweet parelden op zijn voorhoofd en
zijn hart klopte hoorbaar van angst. Hij dacht zelfs dat hij in eene
kamer voor zich iets schemerend wits zag oprijzen, en sidderde bij
de gedachte wat het zijn zou, als de gedaante zijner doode moeder
eensklaps voor hem verscheen.
"Dat weet ik wel," zeide hij bij zich zelven, terwijl hij strompelend
weder naar de huiskamer ging, "ik zal dien kerel voortaan met
vrede laten. Wat had ik met zijn vervloekt papier noodig? Ik geloof
waarachtig dat ik betooverd ben. Ik huiver en zweet tegelijk sedert
dien tijd. Waar heeft hij dat haar vandaan gekregen? Het kan _dat_
toch niet geweest zijn. _Dat_ heb ik verbrand, dat weet ik. 't Zou
wel grappig zijn, als haar uit den dood kon opstaan."
Ja, Legree, die goudblonde lok was betooverd; ieder haartje daarin
had de kracht om u schrik en wroeging aan te jagen en werd door een
hoogere macht gebruikt om u de wreede handen te binden en te beletten
den hulpelooze het uiterste van uwe boosheid te doen gevoelen.
"Hoort dan!" zeide Legree, met zijne voeten stampende en zijne
honden fluitende; "wordt wakker en houdt mij gezelschap!" Maar de
honden openden slechts even hunne slaperige oogen en lieten ze weder
dichtvallen.
"Ik zal Sambo en Quimbo hier laten komen om te zingen en hunne
helsche dansen te dansen, en die akelige gedachten weg te jagen,"
zeide Legree, zette zijn hoed op, ging naar de veranda en blies op
een hoorn, waarmede hij gewoon was zijne zwarte opzichters te roepen.
Als hij in een goed humeur was, liet Legree deze twee heeren dikwijls
in de huiskamer komen, en vermaakte zich, nadat hij hen met sterken
drank had opgewonden, met hen te laten zingen, dansen of vechten,
naarmate hij lust had.
Het was tusschen één en twee uren in den nacht, toen Cassy van haar
liefderijk bezoek bij Tom terugkwam, en uit de huiskamer klonk haar
een woest gezang, gegil en gejoel tegemoet, vermengd met het blaffen
van honden en andere teekenen eener groote opschudding.
Zij ging naar het venster onder de veranda, en keek naar binnen. Legree
en de twee drijvers, alle drie smoordronken, waren aan het zingen,
schreeuwen en dansen, smeten de stoelen omver en maakten allerlei
belachelijke en afschuwelijke grimassen tegen elkander.
Zij liet hare hand op de vensterbank rusten en beschouwde dit
tooneel met strakke blikken. Er sprak eene geheele wereld van
bittere zielesmart en verachting uit hare zwarte oogen, terwijl zij
zoo staarde.
"Zou het zonde zijn, de wereld van zulk een ellendeling te
bevrijden?" zeide zij bij zich zelve.
Zij keerde zich haastig om, ging eene achterdeur in, sloop naar boven
en klopte aan Emmeline's kamer.
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
EMMELINE EN CASSY
Cassy trad de kamer binnen en vond Emmeline, bleek van angst, in den
versten hoek zitten. Toen zij binnenkwam sprong het meisje met schrik
op; maar zoodra zij zag wie het was, snelde zij toe, en haar bij den
arm vattende, zeide zij:
"O, Cassy, zijt gij het? Ik ben zoo blij dat gij komt. Ik was bang
dat .... O, gij weet niet welk een schrikkelijk leven er den geheelen
avond beneden is geweest."
"Dat zal ik toch wel kunnen weten," zeide Cassy droogjes. "Ik heb
het dikwijls genoeg gehoord."
"O, Cassy, zeg mij toch! Zouden wij hier niet vandaan kunnen komen? Het
kan mij niet schelen waarheen--in het moeras bij de slangen, ergens
maar. _Kunnen_ wij niet _ergens_ hier vandaan komen?"
"Nergens dan in het graf," antwoordde Cassy.
"Hebt gij het ooit beproefd?"
"Ik heb het genoeg zien beproeven, en genoeg gezien wat daarvan komt,"
zeide Cassy.
"Ik zou wel in het moeras willen leven en bast van de boomen knagen. Ik
ben niet bang voor slangen. Ik zou liever eene slang bij mij willen
hebben dan hem," zeide Emmeline met drift.
"Er zijn al velen hier van uw gevoelen geweest," antwoordde
Cassy. "Maar gij zoudt niet in het moeras kunnen blijven. Gij
zoudt door de honden opgespoord en teruggebracht kunnen worden--en
dan--dan...."
"Wat zou hij dan doen?" zeide het meisje, haar strak aanziende.
"Gij moest liever vragen wat hij dan _niet_ zoude doen," antwoordde
Cassy. "Hij is lang genoeg bij de zeeroovers in de West-Indiën in de
leer geweest. Gij zoudt niet veel meer slapen, als ik u de dingen
vertelde, die ik gezien heb--dingen, die hij somtijds als grappen
vertelt. Ik heb gillen gehoord, die ik weken lang niet uit mijne
ooren kon krijgen. Er is eene plek, daar bij het kwartier, waar gij
een zwart geblakerden boom kunt zien, en de grond nog geheel met
asch bedekt; vraag maar wat daar gedaan is en zie of iemand het u
zal willen zeggen."
"O, wat meent ge toch?"
"Ik wil het u niet zeggen. Ik heb een hekel om er aan te denken. En
ik zeg u, de Heere alleen weet wat wij morgen zullen zien, als die
arme man volhoudt zooals hij begonnen is."
"IJselijk!" zeide Emmeline, terwijl alle spoor van kleur hare wangen
ontvlood. "O, Cassy, zeg mij toch wat ik doen zal."
"Wat ik gedaan heb. Doe het beste wat gij kunt, doe wat gij moet en
haal dan uw hart op met haten en vloeken."
"Hij wilde mij brandewijn doen drinken," zeide Emmeline, "en ik heb
daar zulk een afkeer van..."
"Drink maar liever," zeide Cassy. "Ik had er ook een afkeer van; en
nu kan ik er niet buiten. Iemand moet iets hebben; men vindt alles
zoo akelig niet meer, als men dat neemt."
"Moeder zeide mij altijd dat ik nooit zoo iets mocht proeven,"
zeide Emmeline.
"Moeder zeide u!" herhaalde Cassy, met bitteren nadruk op het woord
moeder. "Waartoe dient het, dat moeders iets zeggen? Gij moet toch
allen gekocht en betaald worden, en uwe ziel behoort aan wie u
krijgt. Zoo gaat het. Ik zeg: drink brandewijn, en drink zooveel gij
kunt; dat maakt de dingen lichter."
"O, Cassy, heb toch medelijden met mij!"
"Medelijden met u? Heb ik dat niet? Heb ik geene dochter? De hemel
weet waar zij nu is, en van wien zij is. Zij zal den weg opgaan,
denk ik, dien hare moeder voor haar gegaan is, en dien hare kinderen
na haar op moeten. Er is geen einde aan den vloek, in eeuwigheid niet!"
"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zeide Emmeline, hare handen
wringende.
"Dat is al een oude wensch bij mij," zeide Cassy. "Ik ben er aan gewoon
om dat te wenschen. Ik zou sterven, als ik maar durfde," voegde zij
er bij, in de duisternis uitziende met die stille, strakke wanhoop,
welke de gewone uitdrukking van haar gelaat was, wanneer hare trekken
door geene hartstochten in beweging werden gebracht.
"Het zou goddeloos zijn zich zelve om het leven te brengen," zeide
Emmeline.
"Ik weet niet waarom. Niet goddeloozer dan de dingen, die wij dag
aan dag doen, terwijl wij leven. Maar de zusters hebben mij dingen
verteld, terwijl ik in het klooster was, die mij bang maken om te
sterven. Als het dan maar ten einde met ons was, dan...."
Emmeline keerde zich om en verborg haar gezicht in hare handen.
Terwijl dit gesprek boven plaats had, was Legree beneden door den
drank geheel bedwelmd, in slaap gevallen. Legree was niet gewoon zich
dronken te drinken. Zijn grof en sterk gestel kon wel eene gedurige
prikkeling verdragen, waaronder een zwakker spoedig zou zijn bezweken,
en zijn trek daartoe was groot genoeg; maar voorzichtigheid weerhield
hem meestal van zich in zulke mate aan dien trek over te geven,
dat hij zijne bezinning geheel verloor.
Dezen avond echter had hij, zich koortsachtig inspannende om de
beginselen van angst en wroeging, die bij hem waren ontwaakt, te
verdooven, meer dan gewoonlijk gedronken; zoodat hij, toen hij zijne
zwarte makkers had laten gaan, log op eene rustbank neerviel en weldra
in slaap viel.
O, hoe durft de schuldige ziel de schimmenwereld van den slaap
binnentreden?--dat land, welks schemerende grenzen zoo vreeselijk
dicht bij het geheimzinnige tooneel der vergelding liggen! Legree
droomde. In zijnen zwaren, koortsigen slaap stond er eene gesluierde
gedaante naast hem, en lag een koude en zachte hand op hem. Hij dacht
dat hij wel wist wie dat was; en eene huivering van ontzetting kroop
door zijn gebeente, hoewel het gelaat gesluierd bleef. Toen dacht hij
dat hij _dat haar_ om zijne vingers voelde kronkelen; en toen, dat
dat om zijnen hals werd geslingerd, en al dichter en dichter klemde,
tot hij geen adem meer kon halen--en toen dacht hij dat stemmen hem
toefluisterden--een gefluister dat hem van angst deed verstijven. Toen
verbeeldde hij zich, dat hij op den kant van een donkeren afgrond
stond, zich vasthoudende en in doodsangst worstelende, terwijl donkere
handen zich uitstrekten en hem over den rand trokken en Cassy kwam
lachende achter hem en duwde hem voort. En toen rees die plechtige
gesluierde gedaante weder op en schoof den sluier weg. Het was zijne
moeder, en zij keerde zich van hem af, en hij viel al dieper en dieper,
onder een verward gerucht van gillen en weeklachten en uitbarstingen
van een duivelachtig gelach--en Legree ontwaakte.
De roode schemering van den dageraad vervulde het vertrek. De
morgenster zag uit de heldere lucht, met haar plechtig, heilig oog
van licht, op den man der zonde neder. O, welk een frischheid, welk
eene statigheid en schoonheid heeft elke nieuwgeboren dag, alsof hij
de gevoellooze en verstandlooze menschen toeriep: "Ziet, gij hebt
nog weder een kans! Streeft naar de eeuwige heerlijkheid!" Er is geen
spraak of taal, waarin die stem niet gehoord wordt; maar de verharde
booswicht hoorde haar niet. Hij ontwaakte met een vloek en eene
verwensching. Wat was voor hem het goud en purper, het dagelijksche
wonderwerk van den morgen! Wat was voor hem de plechtige schoonheid
van die ster, welke de Zoon Gods als zijn eigen zinnebeeld heeft
geheiligd! Gelijk een redeloos dier zag hij haar, zonder haar op te
merken; en strompelend opstaande, schonk hij zich een glas brandewijn
in en dronk het half ledig.
"Ik heb een helschen nacht gehad," zeide hij tegen Cassy, die juist
de deur inkwam.
"Gij zult er nog wel in overvloed krijgen van dezelfde soort,"
antwoordde zij droogjes.
"Wat meent ge daarmee, karonje?"
"Dat zult ge wel eens ondervinden," antwoordde Cassy even droog. "En
nu, Simon heb ik u een raad te geven."
"Wat duivel zal die zijn?"
"Mijn raad is," zeide Cassy, terwijl zij bedaard begon het een en
ander in de kamer in orde te zetten, "dat gij Tom met vrede laat."
"Wat gaat u dat aan?"
"Wat het mij aangaat? Ja, dat weet ik zeker niet. Als gij twaalfhonderd
dollars voor een man wilt geven en hem onbruikbaar maken in het
drukste van den tijd, alleen om uwe kwaadaardigheid te voldoen, is
het zeker iets dat mij niet raakt. Ik heb voor hem gedaan wat ik kon."
"Zoo hebt gij dat? Wat hebt gij u met mijne zaken te bemoeien?"
"O geheel niet, dat is zeker. Ik heb u nu en dan eenige duizenden
dollars bespaard, door op uwe arbeiders te passen--en dat is al de
dank dien ik krijg. Als uw oogst lichter aan de markt komt dan een van
anderen, zult gij uwe weddenschap niet verliezen, denk ik? Tompkins
zal u niet uitlachen, denk ik, en gij zult maar zoetsappig uw geld
betalen, niet waar? Mij dunkt ik zie het u al doen."
Legree had, gelijk vele andere planters, slechts eene eerzucht, om
namelijk den zwaarsten oogst van het seizoen te hebben; en hij had
juist op dit seizoen verscheidene weddenschappen gedaan, die in de
naaste stad beslist moesten worden. Cassy had dus, met vrouwelijken
tact, de eenige snaar geraakt die nog trillen kon.
"Welnu, ik zal het laten bij wat hij gekregen heeft," zeide Legree;
"maar hij moet mij vergiffenis vragen en betere manieren beloven."
"Dat zal hij niet willen doen," zeide Cassy.
"Niet willen?"
"Neen."
"Ik zou wel eens willen weten waarom, Juffertje," zeide Legree met
diepe minachting.
"Omdat hij wèl gedaan heeft en dat weet, en dus niet zal zeggen dat
hij kwaad gedaan heeft."
"Wie duivel geeft er iets om wat hij weet? De neger zal zeggen wat
ik verkies, of...."
"Of gij zult uwe weddenschap op den katoenoogst verliezen door hem
juist in het dringendste van zijn werk uit het veld te houden."
"Maar hij zal het opgeven; hij moet wel. Weet ik niet wat negers
zijn? Hij zal van morgen kruipen als een hond."
"Dat zal hij niet, Simon. Gij kent deze soort nog niet. Gij kunt
hem doodmartelen; maar gij zult niet het eerste woord van eene
schuldbekentenis uit hem krijgen."
"Dat zullen wij zien. Waar is hij?" zeide Legree naar buiten gaande.
"In het berghol van het machinehuis," hernam Cassy.
Hoewel Legree zoo stout sprak, voelde hij toch, terwijl hij naar
de aangeduide plaats ging, zekeren schroom, die iets ongewoons bij
hem was. Zijne akelige droomen van den vorigen nacht, met Cassy's
voorzichtigen raad vereenigd, hadden een niet onbeduidenden indruk
op hem gemaakt. Hij wilde dat niemand getuige zou zijn van zijne
eerste ontmoeting met Tom, en nam zich voor, indien hij dezen niet
door dreigementen tot onderwerping kon brengen, zijne wraak tot een
meer gelegen tijd uit te stellen.
Het plechtige licht van den dageraad en de engelenglans der morgenster
hadden ook door het venster geschenen van de ruwe schuur, waar Tom nog
lag, en als op de stralen der ster nederdalende, waren hem de woorden
toegezonden: "Ik ben de wortel van het geslacht Davids, de blinkende
morgenster." De geheimzinnige waarschuwingen en welmeenende bedreiging
van Cassy, wel verre van zijne ziel te ontmoedigen, hadden haar als
met eene hemelsche roepstem opgewekt. Hij wist niet beter of het was
de dag van zijnen dood, die daar aan den hemel begon te gloren, en
zijn hart klopte van ernstige vreugde en verlangen, toen hij dacht dat
al het wonderbare, waarover hij zoo dikwijls had gepeinsd--de groote
witte troon met zijnen altijd schitterenden regenboog, de menigte met
witte kleederen, en stemmen als vele wateren, de kronen, de palmen,
de harpen--alles misschien voor zijne oogen geopenbaard zou worden,
eer die zon weder onderging; en daarom hoorde hij zonder vreezen of
beven de stem van zijnen vervolger, toen deze naderde.
"Wel, mijn jongen," zeide Legree met een verachtelijken schop,
"hoe gaat het nu? Heb ik niet gezegd dat ik je een paar dingen zou
leeren? Hoe bevalt je dat? Hoe is dat pak je bekomen, Tom? Niet geheel
zoo spraakzaam meer als gisteravond? Ge zoudt nu een armen zondaar
niet meer op een stukje preek kunnen onthalen, zoudt ge wel?"
Tom antwoordde niets.
"Sta op, gij beest!" zeide Legree, hem weder een schop gevende.
Dit was moeielijk voor iemand, die zoo gekneusd en flauw was,
en terwijl Tom pogingen deed om te gehoorzamen, hief Legree een
barbaarsch geschater aan.
"Wat maakt je zoo vlug van morgen, Tom? Misschien kou gevat verleden
avond?"
Tom was nu overeind gekomen en stond rechtop en zonder het hoofd te
buigen voor zijnen meester.
"Verduiveld, gij kunt het toch!" zeide Legree. "Ik geloof dat gij
nog niet genoeg gehad hebt. Komaan nu, Tom, op uwe knieën en vraag
mij vergiffenis voor uw brutaliteit van gisteravond."
Tom bewoog zich niet.
"Kniel, hond!" zeide Legree, hem een slag met zijne karwats gevende.
"Meester Legree," zeide Tom, "dat kan ik niet doen. Ik heb maar gedaan
wat ik voor recht hield. Ik zal juist hetzelfde doen, als dat ooit
weer wezen moet. Ik wil geen wreedheid doen, wat er ook gebeuren mag."
"Ja, maar gij weet niet wat er gebeuren kan, meester Tom. Gij denkt dat
gij al iets gehad hebt. Ik zeg u, het is nog niets--nog niemendal. Hoe
zou het u bevallen aan een boom te worden gebonden, met een langzaam
vuurtje om u heen? Zou dat niet pleizierig wezen, zeg Tom?"
"Meester," antwoordde Tom, "Ik weet dat gij schrikkelijke dingen doen
kunt; maar," en hierbij richtte hij zich nog meer op en vouwde zijne
handen, "maar nadat gij het lichaam gedood hebt, kunt gij niets meer
doen; o, er komt eene geheele _eeuwigheid_ naderhand!"
_Eeuwigheid_--dat woord deed de ziel van den zwarten man beven van
blijdschap, terwijl hij het uitsprak--het deed ook de ziel des zondaars
beven, alsof hem een schorpioen had gestoken. Legree knarste op zijne
tanden, maar zijne woede hield hem stom; en Tom sprak als een vrij man,
met een heldere en vroolijke stem:
"Meester Legree, daar gij mij gekocht heb, zal ik een trouw en
gehoorzaam dienaar voor u zijn. Ik zal u al het werk mijner handen,
al mijn tijd en al mijne kracht geven; maar mijne ziel wil ik aan geen
sterfelijk mensch overgeven. Ik wil mij aan de Heere vasthouden en
zijne geboden boven alles stellen, hetzij ik leve of sterve, daarvan
kunt gij zeker zijn. Meester Legree, ik ben geen zier bevreesd om te
sterven. Ik zou zelfs liever sterven. Gij moogt mij geeselen, mij
uithongeren, mij verbranden--dat zal mij maar te spoediger brengen
waar ik verlang te zijn."
"Ik zal u toch wel doen buigen, eer ik met u gedaan heb," zeide
Legree woedend.
"Dat zult gij nooit doen. Ik zal hulp krijgen," antwoordde Tom.
"Wie duivel zal u dan helpen?" zeide Legree met smalende minachting.
"De Heere, de Almachtige!" antwoordde Tom.
"Daar dan, verdoemde kerel!" schreeuwde Legree, met een vuistslag,
die Tom op den grond deed storten.
Een koude zachte hand werd op dit oogenblik op die
van Legree gelegd. Hij zag om--het was Cassy; maar die koude,
zachte aanraking herinnerde hem zijn droom van den vorigen nacht,
en deed tevens de tafereelen van vroegere, akelige nachtwaken voor
hem oprijzen, met een gedeelte van den angst dien hij toen had gevoeld.
"Wilt gij dan een zot wezen?" zeide Cassy in het Fransch. "Laat hem met
rust. Laat mij begaan om hem weer tot werken in staat te krijgen. Is
het niet juist zooals ik u gezegd heb?"
Men zegt dat de aligator en de rhinoceros, hoewel in een kogelvormig
harnas gekleed, zelfs ieder een plek hebben, waar zij kwetsbaar zijn;
en woeste, roekelooze ongeloovigen en booswichten hebben doorgaans
dit kwetsbare punt in eene bijgeloovige vrees.
Legree keerde zich om, en besloot de zaak vooreerst te laten rusten.
"Welnu, doe uw zin," zeide hij norsch tot Cassy.
"Hoor eens," vervolgde hij tot Tom, "ik zal het er nu bij laten,
omdat het werk dringt en ik al mijne handen noodig heb; maar ik
vergeet het nooit. Ik zal het u op rekening stellen, en mij op een
of anderen tijd betaling verschaffen uit uwe zwarte huid; onthoud dat."
Daarmede ging Legree heen.
"Ga maar," zeide Cassy, hem dreigend aanziende. "Uwe rekening zal
ook wel komen. Hoe gaat het u, arme man?"
"De Heere heeft zijn engel gezonden en voor ditmaal den muil van den
leeuw gesloten," antwoordde Tom.
"Voor ditmaal zeker wel," zeide Cassy; "maar nu hebt gij zijn haat
op u, die u dag aan dag volgen zal, u als een hond aan de keel zal
hangen en uw bloed drop voor drop afzuigen. Ik ken den man!"
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
VRIJHEID
"Onverschillig met welke plechtigheden hij op het
altaar der slavernij mag gewijd zijn, op het
oogenblik dat hij den heiligen Britschen grond
aanraakt, zinken het altaar en de god te zamen
in het stof, en hij staat daar verlost, herboren,
ontslaafd, door den onweerstaanbaren geest der
algemeene emancipatie."
Curran.
Wij moeten Tom voor een tijd in de handen van zijnen barbaarschen
meester laten, terwijl wij de lotgevallen van George en zijne vrouw
nagaan, die wij in eene hoeve aan den weg in handen van vrienden
hebben gelaten.
Tom Loker lieten wij kermende en woelende in een voorbeeldig zindelijk
kwaker-bed, onder de moederlijke zorgen van Tante Dorcas, die in hem
zulk een handelbaar patiënt vond als een zieke bison zou wezen.
Verbeeld u eene rijzige, deftige vrouw, met een schrander uitzicht,
wier helderwitte neteldoeksche muts de lokken van zilvergrijs haar
beschaduwt, die glad langs een breed, effen voorhoofd zijn gestreken,
dat zich boven een paar peinzende oogen welft; een sneeuwwitte halsdoek
is met keurige netheid over hare borst geplooid; hare glanzige bruine
zijden japon ritselt vreedzaam, terwijl zij in de kamer op en neer
trippelt.
"De duivel!" zegt Tom Loker, en werpt met een grooten smak het dek
van zich af.
"Ik moet u verzoeken, Thomas, om niet zulke taal te gebruiken," zegt
Tante Dorcas, terwijl zij bedaard het dek weder terecht gaat leggen.
"Welnu, ik zal niet, grootje, als ik het laten kan," zegt Tom, "maar
het is wel genoeg om iemand te doen vloeken, zoo verwenscht heet!"
Dorcas nam eene deken van het bed, legde het overige dek weder glad
en stopte het in, tot Tom eenigszins naar een bakerkindje geleek. Dit
gedaan hebbende, zeide zij:
"Ik wenschte, vriend, dat gij dat vloeken en zweren woudt nalaten en
over uw levensgedrag eens denken."
"Voor wat duivel, zou ik daaraan denken," antwoordde Tom; "dat is wel
het laatste, waar ik ooit lust heb om aan te denken--ik geef er den
brui van!" En daarmede wentelde Tom zich om en bracht het dek weder
in eene wanorde, die schrikkelijk was om aan te zien.
"Die kerel en die meid zullen wel hier wezen, denk ik?" zeide hij,
na eene poos van stilte, op norschen toon.
"Dat zijn zij," zeide Dorcas.
"Zij mogen wel maken dat zij op het meer komen," zeide Tom. "Hoe
gauwer hoe beter."
"Waarschijnlijk zullen zij dat doen," antwoordde Tante Dorcas,
vreedzaam breiende.
"En hoor eens," zeide Tom, "wij hebben correspondenten te Sandusky,
die voor ons op de booten passen. Het kan mij nu niet schelen of ik
het zeg. Ik hoop dat zij zullen wegkomen, alleen tot spijt van Marks,
dien vervloekten lafbek, die verdoemd mag zijn."
"Thomas, Thomas!" zeide Dorcas.
"Ik zeg u, grootje, als ge iemand al te vast dichtkurkt, moet hij
barsten," zeide Tom. "Maar nu over die meid--zeg hun dat zij haar op
eene of andere wijs moeten verkleeden, zoodat zij niet meer te kennen
is. Haar signalement is naar Sandusky gezonden."