"Misschien is dat de weg," prevelde zij bij zich zelve; "maar voor

hen die het _hebben_ opgegeven, voor hen is toch geene hoop! Wij

leven in de onreinheid, en worden walgelijk tot wij van ons zelven

walgen. Wij verlangen om te sterven en durven toch niet sterven. Geene

hoop--geene hoop--geene hoop! Dit meisje nu, juist zoo oud als ik

was! Gij ziet mij nu," zeide zij, zich tot Tom richtende en zeer snel

sprekende. "Zie wat ik ben. Welnu, ik werd in weelde opgebracht. Het

eerste dat ik mij herinner is, dat ik, toen ik een kind was, in een

prachtig salon speelde. Toen werd ik opgekleed als eene pop, en het

gezelschap placht mij te prijzen. Er was een tuin, waarop de vensters

van het salon uitkwamen, en daar placht ik schuilhoekje te spelen

onder de oranjeboomen, met mijne broertjes en zusjes. Ik ging naar een

klooster, en daar leerde ik Fransch, muziek, borduren en wat al meer;

en toen ik veertien jaar oud was, kwam ik er uit voor de begrafenis

van mijnen vader. Hij stierf zeer onverwacht, en toen de nalatenschap

werd geregeld, bevond men dat er nauwelijks genoeg was om de schulden

te dekken; en toen de crediteuren een inventaris van de eigendommen

maakten, werd ik daarbij opgeschreven. Mijne moeder was eene slavin,

en mijn vader had altijd plan gehad mij vrij te verklaren; maar hij

had het niet gedaan, en zoo werd ik op de lijst gezet. Ik had altijd

geweten wie ik was, maar er nooit veel om gedacht. Niemand denkt,

dat een sterk, gezond man spoedig zal sterven. Mijn vader was nog

gezond vier uur voordat hij stierf; hij was een van de eersten, die

te New-Orleans aan de cholera stierven. Daags na de begrafenis nam

mijn vaders vrouw hare kinderen en ging naar de plantage van haren

vader. Ik vond wel dat zij mij vreemd behandelden, maar ik begreep

het niet. Er was een jong rechtsgeleerde, dien zij de zaken lieten

in orde brengen; hij kwam elken dag, deed alsof hij tehuis was en

sprak zeer beleefd met mij. Hij bracht eens een jongmensch mede,

dien ik voor den schoonsten man hield, welken ik ooit gezien had. Ik

zal dien avond nooit vergeten; ik wandelde met hem in den tuin. Ik

gevoelde mij zoo eenzaam en bedroefd, en hij was zoo vriendelijk;

en hij zeide mij dat hij mij voorheen gezien had, eer ik naar het

klooster ging, en dat hij mij al lang had liefgehad, en mijn vriend

en beschermer wilde zijn. Kortom, hoewel hij niet zeide dat hij

twee duizend dollars voor mij betaald had en ik zijn eigendom was,

werd ik gewillig de zijne; want ik beminde hem. O, hoe heb ik dien

man bemind! Hoe bemin ik hem nog en zal hem altijd beminnen, zoolang

ik ademhaal! Hij was zoo schoon, zoo goed, zoo edel! Hij bracht mij

in een fraai huis, met bedienden, paarden, rijtuigen en meubelen,

alles even kostbaar. Al wat maar voor geld te koop was gaf hij mij;

maar ik hechtte geene waarde daaraan; ik gaf om niets anders dan om

hem. Ik had hem meer lief dan mijn God

en mijne eigene ziel, en al wilde ik, ik kon toch niets anders doen

dan hij van mij verlangde.

"Slechts één ding wenschte ik nog--ik wenschte dat hij mij trouwde. Ik

dacht: als hij mij zoo liefhad als hij mij zeide, en ik was waarvoor

hij mij scheen te houden, dat hij dan gewillig moest zijn om mij

vrij te verklaren en te trouwen. Maar hij overtuigde mij dat dit

onmogelijk zou zijn, en hij zeide mij dat het, als wij elkander

maar getrouw bleven, een huwelijk voor God was. Als dat waar is,

was ik dan niet de vrouw van dien man? Was ik hem niet getrouw? Heb

ik niet zeven jaren lang op al zijne blikken en bewegingen gelet, en

alleen geleefd en geademd om hem te behagen? Hij kreeg de gele koorts

en twintig dagen en nachten waakte ik bij hem--ik alleen, en gaf hem

zijne medicijnen en deed alles voor hem; en toen noemde hij mij zijn

beschermengel en zeide dat ik zijn leven had gered. Wij hadden twee

schoone kinderen. Het eerste was een jongen en wij noemden hem Henry;

hij was het beeld van zijnen vader--hij had even zulke fraaie oogen,

zulk een voorhoofd, en zijn haar hing in krullen daaromheen--en hij had

ook geheel den geest en de talenten van zijnen vader. Kleine Eliza,

zeide hij, geleek naar mij. Hij placht mij dikwijls te zeggen dat ik

de schoonste vrouw in Louisiana was, zoo trotsch was hij op mij en de

kinderen. Hij had gaarne dat ik ze fraai kleedde, en nam hen en mij

dikwijls mede in een open rijtuig, om te hooren wat de menschen van

ons zeiden, en dan vulde hij mij de ooren gedurig met al het moois dat

tot lof van mij en de kinderen gezegd werd. O, dat waren gelukkige

dagen! Ik dacht dat ik zoo gelukkig was als iemand wezen kon; maar

toen kwamen er booze tijden. Hij had een neef, die naar New-Orleans

kwam en zijn bijzondere vriend was. Hij maakte heel veel werk van hem;

maar van de eerste maal dat ik hem zag, ik kon niet zeggen waarom,

was ik bang voor hem; want ik voelde mij er zeker van dat hij ellende

over mij zou brengen. Hij bracht Henry er toe om met hem uit te gaan,

en dikwijls kwam hij des nachts niet vóór twee of drie uur tehuis. Ik

durfde er geen woord van zeggen; want Henry was zoo opvliegend, dat

ik daarvoor schrikte. Hij bracht hem naar speelhuizen, en hij was een

van die soort, die als zij eens daaraan zijn, niet meer zijn terug

te houden. En toen bracht hij hem in kennis met een dame, en ik zag

spoedig dat zijn hart van mij vervreemd werd. Hij zeide het mij nooit;

maar ik zag en voelde het dag aan dag. En toen bood die ellendeling

aan om mij en mijne kinderen van hem te koopen, om zijne schulden te

voldoen, die hem verhinderden om naar zijnen zin te trouwen--en hij

verkocht ons. Hij zeide mij eens dat hij om zaken uit moest en twee

of drie weken zou uitblijven. Hij sprak vriendelijker dan gewoonlijk;

en zeide dat hij zou terugkomen, maar dat bedroog mij niet; ik wist

dat de tijd gekomen was. Ik was als in steen veranderd; ik kon niet

spreken en ook niet schreien. Hij kuste mij, en hij kuste de kinderen

verscheidene malen en ging. Ik zag hem te paard stijgen, en keek hem

na tot hij uit mijn oogen was, en toen viel ik flauw.

"Toen kwam hij, die vervloekte ellendeling! toen kwam hij bezit van

ons nemen. Hij zeide dat hij mij en de kinderen had gekocht en liet

mij de papieren zien. Ik vloekte hem voor God, en zeide dat ik liever

wilde sterven dan met hem leven.

"Juist zooals het u belieft," zeide hij, "maar als gij u niet

verstandig gedraagt, zal ik de kinderen verkoopen en gij zult ze

nooit wederzien." Hij zeide mij dat hij mij terstond had willen

hebben, zoodra hij mij gezien had; en dat hij Henry had gelokt en

in schulden geholpen, met opzet om hem te bewegen mij te verkoopen;

en dat hij hem op eene andere vrouw verliefd had doen worden, en dat

ik maar weten moest dat hij niet van mij zou afzien om wat kuurtjes

en tranen, en zulke dingen.

"Ik gaf mij over, want mijne handen waren gebonden. Hij had mijne

kinderen. Wanneer ik hem in iets wilde tegen zijn, sprak hij er telkens

van om die te verkoopen en zoo maakte hij mij zoo onderdanig als hij

begeerde. O, welk een leven was dat! Te blijven leven, hoewel ik mijn

hart voelde breken, te blijven liefhebben, hoewel dit niets anders

dan ellende was, en met lichaam en ziel gebonden te zijn aan iemand

dien ik haatte! Ik placht gaarne voor Henry te lezen, te spelen en

te zingen; maar alles wat ik voor deze deed was eene kwelling voor

mij, en toch was ik bang om hem iets te weigeren. Hij was zeer hard

en streng voor de kinderen. Eliza was een vreesachtig dingetje; maar

Henry was even stoutmoedig en opvliegend als zijn vader, en had nooit

door iemand bedwongen kunnen worden. Hij had dagelijks aanmerkingen

op hem en ongenoegen met hem, en zoo had ik altijd ongenoegen, vrees

en angst. Ik poogde het kind onderdaniger te maken--ik poogde hen van

elkander af te houden, want ik was aan die kinderen gehecht als aan

mijn leven; maar het baatte niet. Hij verkocht beide kinderen. Hij

nam mij eens met zich uit rijden, en toen ik tehuis kwam, waren zij

nergens te vinden. Hij zeide mij, dat hij hen verkocht had. Hij liet

mij het geld zien, den prijs van hun bloed. Toen was het alsof alles

mij begaf. Ik raasde en vloekte--ik vloekte God en de menschen; en voor

een tijd geloof ik dat hij werkelijk bevreesd voor mij was. Maar hij

gaf het zoo niet op. Hij zeide mij dat mijne kinderen wel verkocht

waren, maar dat het van mij zou afhangen of ik hen ooit wederzag,

en dat, als ik niet stil en onderdanig was, zij er voor lijden

zouden. Nu, gij kunt alles met eene vrouw doen als gij hare kinderen

hebt. Hij bracht mij tot onderwerping; hij deed mij vreedzaam zijn;

hij vleide mij met de hoop, dat hij ze misschien zou terugkoopen,

en zoo ging het een paar weken. Eens was ik uit wandelen en kwam de

_calaboose_ voorbij. Ik zag een troep volk bij de deur en hoorde eene

kinderstem--en eensklaps rukte mijn Henry zich los van een paar mannen,

die hem vasthielden en kwam gillende naar mij toeloopen en vatte mij

bij mijn kleed. Zij kwamen naar hem toe, schrikkelijk vloekende, en

een man, wiens gezicht ik nooit vergeten zal, zeide hem dat hij er

zoo niet zou afkomen; dat hij naar de _calaboose_ moest en eene les

zou krijgen, die hij nooit vergeten zou. Ik wilde bidden en smeeken,

maar zij lachten mij uit. De arme jongen gilde en zag mij aan en

hield mij vast, totdat zij, om hem mede te krijgen, de helft van mijn

kleed afscheurden; en zoo sleepten zij hem voort, terwijl hij gilde:

"Moeder, moeder!" Een man, die daar stond, scheen medelijden met mij te

hebben. Ik bood hem al het geld aan dat ik had, als hij tusschen beide

wilde komen. Maar hij schudde zijn hoofd en zeide, de man had gezegd

dat de jongen gedurig brutaal en ongehoorzaam was geweest, zoolang

hij hem gehad had, en dat hij hem nu eens voorgoed zou afstraffen. Ik

keerde mij om, liep heen, en met elken stap langs den geheelen weg

dacht ik dat ik hem hoorde gillen. Ik kwam in huis en liep buiten

adem naar de woonkamer, waar ik Butler vond. Ik zeide het hem en bad

hem om er heen te gaan en tusschenbeide te komen. Hij lachte maar, en

zeide dat de jongen kreeg wat hij verdiende. Hij moest gedrild worden,

zeide hij, hoe eer hoe beter. En toen vroeg hij "wat ik verwachtte?"

"Het scheen dat er op dat oogenblik iets in mijn hoofd aan stukken

sprong. Ik werd duizelig en woedend. Ik herinner mij dat ik een groot

scherp mes op de tafel zag, ik herinner er mij iets van dat ik het

greep en op hem aanvloog; en toen werd alles donker en wist ik niets

meer--vele dagen lang.

"Toen ik tot mij zelve kwam, was ik in een knappe kamer, maar niet

in de mijne. Een oude zwarte vrouw paste mij op; een dokter kwam naar

mij zien en er werd goed voor mij gezorgd. Na eenigen tijd hoorde ik

dat hij weggegaan was, en mij in dat huis had gelaten om verkocht te

worden; en daarom zorgde men zoo voor mij.

"Ik dacht niet weer beter te worden en hoopte het ook niet; maar tot

mijne spijt liep de koorts af en werd ik weder gezond. Toen dwongen zij

mij alle dagen om mij aan te kleeden; en heeren plachten mij te komen

zien, en hunne sigaar bij mij te staan rooken, en mij te bekijken en

vragen te doen en over mijnen prijs te spreken. Ik was zoo somber en

stil, dat geen van allen mij wilde hebben. Zij dreigden mij dat ik zou

gegeeseld worden, als ik niet vroolijker was en mij aangenaam poogde te

maken. Eindelijk kwam er eens een heer die Stuart heette. Hij scheen

eenig gevoel voor mij te hebben. Hij zag dat ik iets schrikkelijks

op het hart had, en kwam mij verscheidene malen alleen zien, en

overreedde mij eindelijk om het hem te zeggen. Hij kocht mij ten

laatste, en beloofde mij alles te doen wat hij kon om mijne kinderen

terug te brengen. Hij ging naar het hotel, waar mijn Henry was; men

zeide hem dat hij aan een planter aan de Paarl-rivier was verkocht;

en dat was het laatste dat ik ooit van hem hoorde. Toen vroeg hij waar

mijne dochter was; eene oude vrouw had haar bij zich. Hij bood eene

ontzaglijke som voor haar, maar men wilde haar niet verkoopen. Butler

ontdekte dat het voor mij was, dat hij haar hebben wilde, en zond

mij eene boodschap dat ik haar nooit krijgen zou. Kapitein Stuart

was zeer goed voor mij. Hij had een heerlijke plantage en bracht mij

daarheen. In den loop van dat jaar kreeg ik een zoon. O, dat kind--hoe

lief had ik het! Hoe volmaakt geleek dat wichtje naar mijnen armen

Henry! Maar ik had mijn besluit genomen, ja,--dat had ik. Ik wilde

nooit weder een kind laten opgroeien. Ik nam het wichtje in mijne

armen, toen het twee weken oud was, en kuste het en schreide er over;

en toen gaf ik het opium, en hield het vast aan mijne borst, terwijl

het den doodsslaap insliep. Hoe treurde en jammerde ik er over! En

wie dacht ooit anders of het was eene vergissing, dat ik het opium had

gegeven? Maar dat is een van die weinige dingen, waarover ik nu blijde

ben. Het spijt mij niet tot op dezen dag; hij is ten minste buiten

leed. Wat beters dan de dood kon ik hem geven, het arme kind? Na eene

poos kwam de cholera en kapitein Stuart stierf, en iedereen stierf

die wenschte te blijven leven, en ik--hoewel ik op den rand van het

graf kwam--ik bleef leven! Toen werd ik verkocht en ging van hand tot

hand, tot ik verouderd en gerimpeld was en eene koortsziekte kreeg;

en toen kocht mij die ellendeling en bracht mij hier--en hier ben ik!"

De vrouw zweeg. Zij had met woeste drift voortgesproken, somtijds alsof

zij tot Tom het woord richtte, somtijds alsof zij eene alleenspraak

hield. Zoo heftig en medesleepend was de kracht, waarmede zij sprak,

dat Tom zelfs de pijn zijner wonden vergat, en zich op zijnen elleboog

opbeurende, naar haar bleef staren, terwijl zij rusteloos op en neder

stapte, zoodat hare lange zwarte lokken haar nazwierden.

"Gij zegt mij," zeide zij na eene korte poos van stilte, "dat er een

God is--een God die alle dingen ziet. Misschien is het zoo. De zusters

in het klooster plachten mij van een dag des oordeels te spreken,

wanneer alles aan het licht zou komen. Of er dan ook wraak zou zijn?

"Zij denken dat het niets is wat wij lijden--niets wat onze kinderen

lijden! Het is alles eene beuzeling. Maar ik heb toch langs de straten

gegaan, terwijl het mij was, alsof ik jammer genoeg in het hart had

om de geheele stad te doen zinken. Ik heb gewenscht dat de huizen

op mij zouden vallen, en de grond zich onder mij zou openen. Ja, en

op den dag des oordeels, dan zal ik voor God opstaan als een getuige

tegen hen, die mij in het verderf gestort hebben met lichaam en ziel!

"Toen ik een kind was, dacht ik dat ik godsdienstig was; ik placht God

lief te hebben en te bidden. Nu ben ik eene verloren ziel, vervolgd

door duivelen die mij nacht en dag plagen. Zij drijven mij er gedurig

toe aan, en op een of anderen tijd zal ik het doen!" zeide zij,

hare vuist dichtknijpende, terwijl hare oogen flikkerden met een

glans die aan krankzinnigheid deed denken. "Ik zal hem heenzenden

waar hij behoort--en een korten weg ook--op een of anderen nacht,

al zouden zij mij er levend om verbranden!"

Een woest geschater klonk door het eenzame gebouw en eindigde in een

stuipachtig snikken. Zij wierp zich op den vloer en bleef daar liggen

in een toestand, alsof zij eene vlaag van vallende ziekte had.

Doch weldra scheen die razernij te bedaren; zij stond op en scheen

zich te bedenken.

"Kan ik nog iets voor u doen, arme man?" zeide zij, de plaats naderende

waar Tom lag. "Zal ik u nog wat water geven?"

Er was toen zij dit zeide eene innemende, medelijdende zachtheid in

hare stem en geheel haar voorkomen, die zonderling bij hare vroegere

woestheid afstak.

Tom dronk het water en zag haar ernstig en beklagelijk aan.

"O, _Missis_, ik wenschte dat gij naar Hem woudt gaan, die u levend

water kan geven."

"Naar Hem gaan! Waar is Hij? Wie is Hij?" zeide Cassy.

"Hij, van wien gij voor mij gelezen hebt--de Heere."

"Ik heb wel een schilderij van Hem gezien boven het altaar, toen ik

nog een meisje was," zeide Cassy, terwijl hare donkere oogen eene

treurig peinzende uitdrukking aannamen; "maar Hij is hier niet. Hier

is niets dan zonde en eindeloos lange wanhoop! O!"

Zij legde hare hand op hare borst en haalde diep adem, alsof een

zwaar gewicht daarop drukte.

Tom zag haar aan, alsof hij nog eens wilde spreken, maar zij sloot

hem den mond met een gebiedenden wenk.

"Spreek maar niet meer, arme man. Ga slapen als gij kunt."

En nadat zij het water binnen zijn bereik had geplaatst en nog eenige

beschikkingen voor zijn gemak gemaakt had, ging Cassy heen.

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

DE GEDACHTENISSEN

"Gering kunnen somtijds de dingen zijn die het

hart het gewicht weder opladen, dat het voor

altijd zou willen afwerpen, het kan een geluid

zijn of eene bloem, de wind of de oceaan, die

de wonde vernieuwt--de electrieke keten

aanrakende, waarmede wij geheimzinnig

gebonden zijn."

Childe Harolds Pilgrimage. Canto 4

De huiskamer in de woning van Legree was een groot, hol vertrek,

met een wijden en hoogen schoorsteen. Eens was het met fraai

en kostbaar papier behangen, dat nu verschoten, verscheurd en

half vergaan aan den muur hing. De plaats had dien eigenaardigen,

walgelijken en ongezonden reuk, door eene vereeniging van vochtigheid

en vervuiling voortgebracht, dien men dikwijls in verwaarloosde oude

huizen opmerkt. Het behangselpapier was hier en daar met bier- en

wijnvlekken bespat en op andere plaatsen bedekt met lange opgetelde

sommen, met krijt geschreven, alsof iemand zich zoo in het rekenen had

willen oefenen. Onder den schoorsteen stond een komfoor vol brandende

houtskolen; want hoewel het weder niet koud was, waren de avonden in

die kille kamer altijd vochtig en huiverig, en bovendien had Legree

iets noodig om zijne sigaar aan te steken en water voor punch te

verhitten. De roode gloed van het kolenvuur maakte de afzichtelijke

verwarring zichtbaar, die hier heerschte; zadels, toomen en allerlei

wapentuig, karwatsen, overjassen en andere stukken kleeding lagen

ordeloos hier en daar verspreid, en de honden waarvan wij vroeger

gesproken hebben, hadden zich naar hun eigen zin en wil daartusschen

gelegerd.

Legree maakte juist een glas punch voor zich gereed, en terwijl hij

uit een gebarsten kan water opschonk, bromde hij bij zich zelven:

"Die duivelsche Sambo om zulk een haspelarij te maken tusschen mij

en het nieuwe volk! Die kerel zal nu in geene week in staat zijn om

te werken--en dat juist in het drukste van den tijd."

"Ja, dat is juist uwe manier," zeide eene stem achter zijnen stoel.

Het was Cassy, die onder zijne alleenspraak stil was aangekomen.

"Zoo, gij duivelin, zijt gij daar terug?"

"Ja, daar ben ik," zeide zij koel; "en ik kom ook om mijn eigen zin

te hebben!"

"Dat liegt gij, slet! Ik zal mijn woord houden. Doe wat ik wil,

of blijf in het kwartier en eet en werk met de anderen."

"Ik wil tienduizendmaal liever in het modderigste hol in het kwartier

wezen," antwoordde de vrouw, "dan onder uwen paardepoot."

"Maar gij zijt toch onder mijnen paardepoot," zeide hij, zich met een

woesten, grijnzenden lach naar haar omkeerende; "dat is een troost. Kom

dus maar hier op mijne knie zitten, liefje, en luister naar rede,"

zeide hij, en vatte haar bij den arm.

"Pas op, Simon Legree!" zeide de vrouw met eene flikkering in

haar oogen, zoo vol dreigende razernij, dat zij hem schrik moest

aanjagen. "Gij zijt bang voor mij, Simon," vervolgde zij bedaard,

"en gij hebt reden om dat te zijn. Maar pas op, want ik heb den duivel

in mij."

Deze laatste woorden fluisterde zij sissend, vlak aan zijn oor.

"Blijf van mij af! Ik geloof het waarachtig ook!" zeide Legree, haar

wegduwende en ongerust aanziende. "Maar toch, Cassy," vervolgde hij,

"waarom kunt gij geene goede vrienden met mij wezen zooals ge placht

te zijn?"

"Placht te zijn?" herhaalde zij bitter en bleef steken. De verstikkende

aandoeningen, die in haar hart oprezen, deden haar zwijgen.

Cassy had altijd op Legree dien invloed bezeten, dien eene vrouw van

een hartstochtelijk en krachtig karakter steeds over den ruwsten man

kan uitoefenen; maar sedert eenigen tijd was zij onder het afschuwelijk

juk harer dienstbaarheid steeds wreveliger en onrustiger geworden,

en somtijds barstte hare opgepropte gramschap in eene vlaag van

razende krankzinnigheid uit, en deze kwaal maakte haar in zekere

mate geducht voor Legree, die voor krankzinnigen dat bijgeloovige

afgrijzen koesterde, dat ruwen onkundigen menschen eigen is. Toen

Legree Emmeline in huis bracht, waren al de vonken van Cassy's

verstorven hart weder in vlam geschoten, en had zij voor het meisje

partij getrokken. Daarop was een heftige twist tusschen haar en Legree

gevolgd. Legree had in woede gezworen dat zij aan het veldwerk zou

gezet worden, als zij zich niet stilhield. Cassy had daarop met

trotsche minachting verklaard dat zij naar het veld wilde gaan;

en nu had zij, gelijk wij beschreven hebben, een dag daar gewerkt,

om te toonen hoe volkomen zij die bedreiging verachtte.

Legree was dien geheelen dag heimelijk ongerust geweest, want Cassy

bezat een invloed op hem, waarvan hij zich niet kon bevrijden. Toen zij

met hare mand naar de schaal kwam, had hij op eene inwilliging gehoopt,

en haar op een halfverzoenenden, halfhoonenden toon aangesproken;

en zij had met de bitterste verachting geantwoord.

De gruwelijke behandeling van den armen Tom had haar nog meer

opgewonden, en zij was Legree naar het huis gevolgd, zonder eenig

ander bepaald voornemen dan om hem zijne barbaarschheid te verwijten.

"Ik wensch alleen maar, Cassy," zeide Legree, "dat gij u ordelijk

gedraagt."

"Gij moogt wel spreken van ordelijk gedragen. Wat hebt gij gedaan? Gij,

die geen verstand genoeg hebt om u te weerhouden van een der beste

arbeiders te bederven, midden in den druksten tijd, alleen om uw

duivelachtige humeur."

"Ik ben zot geweest, dat is zoo, om tot zulk eene haspelarij aanleiding

te geven," zeide Legree, "maar toen die kerel zijn wil tegen den

mijnen zette, moest ik hem toch klein krijgen."

"Ik denk niet dat gij hem zult klein krijgen."

"Niet?" zeide Legree driftig opstaande. "Dat zou ik wel eens willen

zien. Hij zou de eerste neger wezen die het ooit tegen mij uithield. Al

zou ik al de beenderen in zijn lijf aan stuk moeten slaan, hij zal

het opgeven!"

Juist op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Sambo binnen. Hij

naderde al buigende en met een papier in de hand.

"Wat is dat, gij rekel?" zeide Legree.

"Het is een tooverding, meester."

"Wat?"

"Zoo iets dat de negers van de tooverheksen krijgen. Dat maakt dat

zij niet voelen als zij gegeeseld worden. Hij had het om zijnen hals

gebonden met een zwart bandje."

Legree was, gelijk de meeste goddelooze en wreede menschen,

bijgeloovig. Hij nam het papier aan en opende het met ongerustheid.

Er viel een zilveren dollar uit, en eene lange glanzige krul blond

haar kronkelde zich, alsof zij een levend wezen was, om zijne vingers.

"Verdoemenis!" gilde hij, eensklaps opstuivende, stampte met zijne

voeten op den grond, en trok woedend aan het haar, alsof het hem

brandde. "Waar is dat vandaan gekomen? Neem het mij af! Verbrand

het!" Gillende en schreeuwende rukte hij het zich van de vingers en

wierp het in het komfoor.

"Waarom hebt gij mij dat gebracht?"

Sambo stond met een wijd geopenden mond, stom van verbazing; en

Cassy, die het vertrek had willen verlaten, bleef staan en zag hem

met bevreemding aan.

"Breng mij nooit meer van die duivelsche dingen," zeide Legree,

Sambo, die haastig naar de deur week, met zijne vuist dreigende; en

vervolgens raapte hij den dollar op en wierp hem door eene vensterruit

naar buiten in de duisternis.

Sambo was blijde dat hij zoo weg kwam. Toen hij de deur uit was scheen

Legree zich eenigszins over zijne ontsteltenis te schamen. Hij zette

zich stuursch weder neer en begon met een barsch gezicht zijne punch

te slurpen.

Cassy maakte zich gereed om onopgemerkt heen te gaan, en sloop weldra

de deur uit, om den armen Tom te gaan bezoeken, gelijk wij reeds

verhaald hebben.

En wat scheelde Legree? Wat was er in die eenvoudige haarlok, om dien

barbaar, gemeenzaam met alles wat wreedheid kon heeten, zoodanig te

doen ontstellen? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij den lezer

iets van zijne vroegere geschiedenis verhalen. Hoe hard en verstokt

de goddelooze man thans wezen mocht--er was toch een tijd geweest,

toen hij aan de borst eener moeder werd gesust--met gebeden en vrome

gezangen in zijne wieg werd gelegd--toen zijn thans met het teeken der

zonde gebrandmerkt voorhoofd met het water van den heiligen doop werd

besproeid. In zijne vroegste kindsheid had eene vrouw met blonde haren

hem bij het gelui der sabbatklokken medegenomen, om God te loven en

te bidden. Ver in Nieuw-Engeland heeft die moeder haar eenigen zoon

opgevoed, met onvermoeide liefde en aanhoudende gebeden. Het kind van

een hardvochtigen vader, aan wien die zachtzinnige vrouw een schat

van onopgemerkte liefde had verkwist, had Legree de voetstappen van

dien vader gevolgd. Woest, onhandelbaar en eigenzinnig, had hij al

haar raad veracht en zich aan hare berispingen onttrokken; reeds vroeg

had hij zich van haar losgerukt, om op zee fortuin te gaan zoeken. Na

dien tijd was hij slechts een enkele maal tehuis gekomen, en toen had

zijne moeder met het smachtende verlangen van een hart, dat iets moest

liefhebben en niets anders had om lief te hebben, zich aan hem gehecht,

en met vurige gebeden en smeekingen gepoogd hem van een leven van

zonde af te trekken en om het eeuwige heil zijner ziel te doen denken.

Dat was voor Legree de dag der genade geweest. Toen hadden goede

engelen hem geroepen. Toen had hij zich bijna laten overreden. Zijn

hart werd innerlijk vermurwd--er ontstond een strijd in zijn

binnenste--maar de zonde behaalde de overwinning, en met al de kracht

van zijn ruw karakter smoorde hij de overtuiging van zijn geweten. Hij

dronk en vloekte weder, werd woester en losbandiger dan ooit, en op

een avond toen zijne moeder in den doodelijken angst harer wanhoop

voor zijne voeten knielde, stiet hij haar van zich af, liet haar

bewusteloos op den grond liggen, en vlood met woeste vloeken naar

zijn schip. Toen Legree weder iets van zijne moeder vernam, was het

op een avond terwijl hij met zijne woeste makkers zat te drinken. Een

brief werd hem overgegeven. Hij opende dien en eene lok lang krullend

haar viel er uit en kronkelde zich om zijne vingers. De brief zeide

hem dat zijne moeder dood was, en dat zij hem stervende had vergeven

en gezegend.

De Negerhut · 第 36 / 44 段