tegelijk met hem gekocht was. Blijkbaar was zij zeer zwak en vol pijn;
dikwijls hoorde Tom haar bidden, en scheen zij, wankelende en bevende,
op het punt om neer te vallen. Toen Tom bij haar kwam, stak hij
stilzwijgend eenige handen vol katoen uit zijn eigen zak in de hare.
"O, doe dat niet, doe dat niet," zeide de vrouw, verwonderd
opziende. "Gij zult u zelven maar in moeite brengen."
Juist toen kwam Sambo aan. Hij scheen een bijzonderen wrok tegen deze
vrouw te hebben, en eene zweep zwaaiende, zeide hij met zijne grove,
schorre stem: "Wat is dat, Lucy--gekheid maken?" en zonder een woord
verder gaf hij de vrouw een schop met zijnen zwaren schoen, en Tom
een slag met de zweep dwars over het gezicht.
Tom hervatte stilzwijgend zijne taak; maar de vrouw, reeds geheel
uitgeput, viel in een flauwte.
"Ik zal haar wel bijhelpen," zeide de drijver met een woesten,
grijnzenden lach. "Ik zal haar wat beters geven dan kamfer." En eene
speld van zijne mouw nemende, stak hij die tot aan den kop in haar
vleesch. De vrouw kermde en richtte zich eenigszins op.
"Sta op, gij beest en werk, of ik zal je nog een kunstje leeren."
De vrouw scheen voor een korte poos tot bovennatuurlijke kracht
aangeprikkeld en werkte met wanhopigen ijver voort.
"Pas op dat gij er aan blijft," zeide Sambo, "of gij zult van avond
wenschen dat gij maar dood waart, zou ik denken."
"Dat doe ik nu al," hoorde Tom haar zeggen. En kort daarop zeide zij
weder: "O Heere, hoelang? O Heere, waarom helpt Gij ons niet?"
Alles tartende waaraan hij zich kon blootstellen, kwam Tom nog eens
naar haar toe, en stak al het katoen uit zijnen zak in de hare.
"O, dat moet gij niet doen. Gij weet niet wat zij u doen zullen,"
zeide de vrouw.
"Ik kan het dragen, beter dan gij," zeide Tom en was terstond weder
op zijne plaats.
Plotseling sloeg de vreemde vrouw, die onder het werk dicht bij genoeg
gekomen was om Toms laatste woorden te hooren, hare zwarte oogen op
en zag hem strak aan. Daarop nam zij een hoop katoen uit haren mand
en stak dien in zijnen zak.
"Gij weet niets van deze plaats," zeide zij, "of gij zoudt dat niet
gedaan hebben. Als gij een maand hier geweest zijt, zult gij het wel
laten om iemand te helpen; gij zult het moeilijk genoeg vinden op uw
eigen huid te passen."
"Dat verhoede de Heere, _Missis_," zeide Tom, onwillekeurig zijne
medearbeidster op het veld met dezelfde benaming aansprekende, welke de
beschaafde vrouwen, met wie hij vroeger gewoon was te spreken, toekwam.
"De Heere komt nooit hier," zeide de vrouw met bitterheid, en ging
vlug weder voort met haar werk, terwijl een hoonende glimlach hare
lippen deed krullen.
Het bedrijf der vrouw was echter door den drijver in de verte gezien,
en zijne zweep zwaaiende, kwam hij naar haar toe.
"Wat, wat?" zeide hij op een zegepralenden toon: "_gij_ aan het
gekheid maken? Ge zijt nu onder mij. Pas op, of ge zult krijgen."
Een bliksemstraal scheen uit die donkere oogen te schieten, en zich
met bevende lippen en opgetrokken neusgaten omkeerende, richtte zij
zich rechtop, en vestigde een blik, waaruit een gloed van woede en
verachting straalde op den drijver.
"Hond," zeide zij, "raak mij eens aan, als ge durft! Ik heb nog
macht genoeg, om u door de honden te laten verscheuren of levend te
verbranden, of duim voor duim te laten klein snijden. Ik heb het maar
te zeggen!"
"Waar duivel zijt gij dan voor hier?" zeide Sambo blijkbaar uit
het veld geslagen, en deed met een norsch gezicht een paar stappen
achteruit. "Ik meende geen kwaad, Miss Cassy!"
"Blijf dan van mij vandaan," zeide de vrouw. En Sambo scheen het
raadzaam te vinden om naar iets aan de andere zijde van het veld te
gaan zien, en liep op een draf heen.
De vrouw keerde zich weder om en werkte voort met een spoed, die Tom
geheel en al verbaasde. Het scheen wel tooverij te zijn. Vóór het einde
van den dag was hare mand gevuld, neergedrukt en opgehoopt, en had
zij verscheidene malen nog ruimschoots in den zak van Tom gedaan. Lang
na het vallen der duisternis trok de geheele vermoeide trein, met de
manden en zakken op het hoofd, naar het gebouw waar de katoen gewogen
en opgepakt werd. Legree stond daar en sprak met de twee drijvers.
"Die Tom zal wel een boel moeite geven," zeide Sambo. "Hij bleef maar
aldoor in Lucy's mand stoppen. Hij is een van die kerels, die al de
negers zal doen denken, dat zij het te kwaad hebben, als meester niet
op hem past."
"Zoo, zoo! Die vervloekte zwartkop!" zeide Legree. "Hij zal gedrild
moeten worden, he, jongens?"
Beide negers antwoordden met een afschuwelijke grijns.
"Ja, ja," zeide Quimbo, "meester Legree kan wel drillen. Daarin zou
de duivel zelf hem niet kunnen verbeteren."
"Wel, jongens, de beste manier is hem het geeselen te laten verrichten,
tot die grillen uit zijnen kop zijn. Dat zal hem drillen."
"Meester zal veel moeite hebben om ze uit zijnen kop te brengen."
"Zij zullen er toch uit moeten," zeide Legree, en kauwde op zijne
pruim.
"En daar is dan die Lucy, die leelijkste, onwilligste meid van de
plaats," zeide Sambo.
"Pas op, Sam, ik zal haast gaan denken wat de reden is, dat gij zulk
een pik op Lucy hebt."
"Wel, meester weet zelf dat ze zich tegen meester heeft verzet,
en mij niet hebben wilde, toen hij haar dat zeide."
"Ik zou haar wel zoolang gegeeseld hebben tot zij wilde," zeide Legree
spuwende; "maar het werk dringt zoo, dat ik haar nu niet gaarne van
de hand wilde brengen; zij is teer, maar die teere meiden laten zich
halfdood slaan om haar zin te hebben."
"Wel, Lucy was zoo lui en onwillig als zij maar kon; zij wilde niets
doen--Tom, die nam het voor haar op."
"Zoo, deed hij dat? Wel, dan zal Tom het pleizier hebben van haar te
geeselen. Dat zal eene goede oefening voor hem zijn, en hij zal de
meid ook zoo hard niet slaan, als gij, duivels."
"Ho, ho, ho! ha, ha, ha!" lachten de twee ellendelingen; en die
helsche klanken schenen inderdaad geene ongepaste uitdrukking te zijn
van den duivelachtigen aard, dien Legree hun toeschreef.
"Maar, meester, Tom en Miss Cassy hebben met hun beiden Lucy's mand
gevuld. Ik geloof wel dat het gewicht er haast zijn zal."
"_Ik weeg_," zeide Legree met nadruk.
Beide drijvers lieten wederom hun duivelachtig gelach hooren.
"En dus heeft Miss Cassy haar dagwerk gedaan?" zeide Legree.
"Zij plukt als de duivel en al zijne engelen."
"Zij heeft ze allen in het lijf geloof ik," zeide Legree; en een
woesten vloek uitbrakende, ging hij naar de weegkamer.
Langzaam kwamen de afgematte slaven en slavinnen de kamer in, en
kruipende, maar met blijkbaren tegenzin, brachten zij hunne manden
om gewogen te worden.
Legree teekende het gewicht aan op eene lei, waarop aan den kant eene
lijst der namen was geplakt.
De mand van Tom werd gewogen en goedgekeurd, en hij bleef angstig
staan kijken, hoe het zou gaan met de vrouw die hij geholpen had.
Waggelende van zwakheid kwam zij aan en zette haar mand neer. Deze
had het volle gewicht, gelijk Legree nu wel zag; maar zich vergramd
veinzende, zeide hij:
"Wat, gij lui beest, alweer te kort? Ga daar op zijde, gij zult
spoedig wat krijgen."
De vrouw zette zich kermende van wanhoop op den grond neer.
Zij, die Miss Cassy genoemd was, kwam nu voorwaarts en gaf met trotsche
achteloosheid haar mand over. Toen zij dit deed, zag Legree haar met
een hoonenden, maar toch onrustig uitvorschenden blik in de oogen.
Zij zag hem met hare zwarte oogen strak aan, bewoog even hare lippen
en zeide iets in het Fransch. Wat het was verstond niemand; maar
Legree's gezicht nam terstond eene duivelachtige uitdrukking aan, en
hij hief de hand half op, als om haar een slag te geven--een gebaar
dat zij met een blik van fiere minachting beantwoordde, waarna zij
zich omkeerde en heenging.
"En nu, gij Tom, kom hier," zeide Legree. "Ik heb u al gezegd, dat ik
een kerel als gij niet voor het gewone werk had gekocht. Ik heb plan
u te bevorderen en een drijver van u te maken, en van avond moogt gij
wel eens beginnen om er den slag van te krijgen. Neem die meid mede
en geesel haar, gij hebt het dikwijls genoeg gezien, om te weten hoe."
"Ik verzoek meester verschooning," antwoordde Tom, "Ik hoop dat
meester mij daar niet aan zal zetten. Dat is iets waaraan ik niet
gewoon ben--ik heb het nog nooit gedaan--en ik kan het ook niet doen,
het is mij onmogelijk."
"Gij hebt kans om nog een aantal dingen te moeten leeren, waarvan gij
nog nooit geweten hebt, eer ik met u gedaan heb," zei Legree, en een
lederen zweep opnemende, gaf hij Tom een fellen striem over de wang,
gevolgd door een hagelbui van slagen, waar hij maar kon raken.
"Daar," zeide hij, ophoudende om te rusten, "zult ge mij nu nog zeggen
dat gij het niet doen kunt?"
"Ja, meester," antwoordde Tom, het bloed afvegende, dat langs zijn
gezicht droop. "Ik ben gewillig om te werken, nacht en dag en zoolang
er leven en adem in mij is; maar dit kan ik niet denken dat goed is
om te doen; en, meester, ik zal het nooit doen--_nooit_."
Tom had eene bijzonder zachte stem en eerbiedige manieren, waardoor
Legree het denkbeeld had opgevat, dat hij lafhartig en gemakkelijk te
dwingen zou zijn. Toen hij deze woorden sprak, liep er een schok van
verbazing in het rond; de arme vrouw sloeg hare handen samen en zeide:
"O Heere!" en allen zagen onwillekeurig elkander aan en hielden den
adem in, als om zich schrap te zetten tegen den storm die nu moest
uitbarsten.
Legree keek eerst verbijsterd en versuft, maar daarop barstte hij los.
"Wat, gij vervloekt zwart beest, zegt gij mij dat gij het niet _goed_
acht, te doen wat ik zeg? Wat behoeft gij, vervloekt vee, er over
te denken wat goed is? Daar zal ik een eind aan maken. Wat denkt ge
wel dat gij zijt? Misschien houdt gij u zelven voor een _gentleman_,
meester Tom, om uwen meester te zeggen wat goed is en wat niet. Gij
wilt dus zeggen dat het verkeerd is die meid te geeselen?"
"Zoo denk ik, meester," antwoordde Tom. "Het arme schepsel is ziek
en zwak; het zou ronduit wreedheid zijn; en dat is iets dat ik nooit
doen zal of aan beginnen wil. Meester, als gij mij wilt doodslaan,
doe het; maar mijne hand op te heffen tegen iemand hier, dat zal ik
nooit; ik wil liever sterven."
Tom sprak met eene zachte stem; maar met eene vastberadenheid,
waarin men zich niet vergissen kon. Legree beefde van woede; zijne
groenachtige oogen fonkelden, en zelfs zijne bakkebaarden schenen
van woede te krullen; maar gelijk een tijger, die een poos met zijn
slachtoffer speelt eer hij het verscheurt, bedwong hij zijne neiging
tot dadelijk geweld, en overlaadde hij zijn weerspannigen slaaf met
bitteren spot.
"Wel zoo, hier is een vrome hond onder ons zondaren afgedaald! een
heilige, een _gentleman_ en niets minder, om ons zondaren over onze
zonden te onderhouden! Een machtig heilig schepsel moet hij zijn! Hier,
gij schavuit, die u zoo vroom wilt houden--hebt gij dan nooit uit uwen
Bijbel gehoord: "Dienstknechten, zijt uwen heeren gehoorzaam"? Ben
ik uw meester niet? Heb ik niet twaalfhonderd dollars klinkende munt
betaald voor alles wat er in uw oud vervloekt zwart vel steekt? Zijt
gij de mijne niet met lichaam en ziel? Zeg mij dat!" zoo besloot hij,
Tom een geweldigen schop met zijne zware laars gevende.
Zelfs in de diepte van zijn lichamelijk lijden, door woest dierlijk
geweld onderdrukt, wekte deze vraag een gevoel van zegevierende
blijdschap in het gemoed van Tom. Hij richtte zich eensklaps op, en
ernstig naar den hemel ziende, terwijl tranen en bloed ondereengemengd
over zijn gezicht vloeiden, riep hij uit:
"Neen, neen, mijne ziel is uw eigendom niet, meester. Die hebt gij
niet gekocht--die kunt gij niet koopen. Die is gekocht en ook betaald,
door Eenen--Eenen--die in staat is om haar te bewaren. Doe dus wat
gij wilt, gij kunt mij niet schaden."
"Niet?" zeide Legree smalende. "Dat zullen wij eens zien. Hier, gij
Sambo en Quimbo, geef dien hond zulk een pak, dat hij in geene maand
te boven is."
De twee reusachtige negers grepen, met eene valsche duivelachtige
blijdschap in hun gezicht, den armen Tom aan. De arme vrouw gilde
van angst, en allen stonden onwillekeurig op, toen hij, zonder zelfs
eenigen tegenstand te bieden, werd weggesleept.
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
GESCHIEDENIS DER QUADRONE
En ziet, er waren de tranen der verdrukten,
en dergenen, die geenen trooster hadden; en
aan de zijde hunner verdrukkers was macht.
Dies prees ik de dooden die alreeds gestorven
waren, boven de levenden die tot nog toe
levend zijn.
Pred. 4:1 en 2
Het was laat in den nacht, en Tom lag kermende en bloedende alleen in
eene verlaten kamer van het machinehuis, tusschen gebroken stukken
machinerie, hoopen bedorven katoen en andere onbruikbare dingen die
daar verzameld waren.
De nacht was koel en vochtig, en de dompige lucht wemelde van
muskieten, die de rustelooze marteling zijner wonden nog vergrootten,
terwijl een brandende dorst--eene kwelling boven al het andere--de
maat van zijn lichaamslijden ten uiterste toe vulde.
"O goede Heere, zie toch neder! Geef mij de overwinning--geef mij de
overwinning over alles!" bad de arme Tom in zijne ellende.
Een voetstap trad achter hem binnen en het licht eener lantaren scheen
hem in de oogen.
"Wie is daar! O, om 's Heeren wil en uit barmhartigheid, geef mij
toch wat water!"
Cassy--want zij was het--zette de lantaren neer, schonk water uit eene
flesch, beurde zijn hoofd op en gaf hem te drinken. Nog een beker en
nog een ledigde hij met koortsige gretigheid.
"Drink zooveel gij lust," zeide zij. "Ik wist wel hoe het wezen
zou. Het is de eerste maal niet, dat ik des nachts uit ben, om zulken
als gij water te brengen."
"Dank, _Missis_," zeide Tom, toen hij genoeg gedronken had.
"Noem mij niet _Missis_. Ik ben eene ellendige slavin, evenals gij--nog
lager dan gij ooit worden kunt," zeide zij met bitterheid. "Maar
nu," vervolgde zij, naar de deur gaande en eene kleine stroomatras
binnensleepende, waarover zij linnen doeken, met koud water bevochtigd,
had gelegd, "beproef nu om u hierop te rollen, arme man."
Stijf van wonden en kneuzingen, had Tom lang werk om deze beweging
ten uitvoer te brengen; maar toen hij dit gedaan had, voelde hij eene
groote verlichting, door het koele linnen tegen zijne wonden.
De vrouw, die door langen omgang met de slachtoffers van woeste
wreedheid met velerlei middelen tot verzachting en genezing bekend
was geworden, leide vervolgens op de wonden nog andere toebereidselen,
waardoor de pijn weldra nog meer werd verminderd.
"En dat is nu het beste wat ik voor u doen kan," zeide de vrouw,
toen zij zijn hoofd op eene rol bedorven katoen had gelegd, om hem
tot kussen te dienen.
Tom dankte haar nogmaals. En de vrouw zette zich vóór hem op den grond,
trok hare knieën op, sloeg hare armen daar om heen, en bleef hem zoo
met een gezicht vol bitter verdriet zitten aanzien. Haar hoed was
achterovergeschoven en hare lange, golvende lokken zwierden om haar
vreemd en treurig gelaat.
"Het baat niet, arme man!" barstte zij eindelijk uit, "het baat tot
niets, wat gij hebt willen doen. Gij zijt braaf en dapper geweest--gij
hadt het recht op uwe zijde, maar het is alles nutteloos; gij kunt
er niet tegen worstelen. Gij zijt in des duivels handen; hij is de
sterkste en gij moet het opgeven."
"Opgeven!" Hadden menschelijke zwakheid en lichaamspijn hem dit niet
reeds vroeger toegefluisterd? Tom maakte eene beweging van schrik;
want die verbitterde vrouw, met hare wilde oogen en treurige stem, kwam
hem voor als de vreeselijke verzoeking, waartegen hij geworsteld had.
"O Heere, Heere!" kermde hij. "Hoe kan ik het opgeven?"
"Het baat niet of gij den Heere aanroept--Hij hoort nooit," zeide de
vrouw koud en stroef. "Er is geen God, geloof ik, of als er een is,
is Hij tegen ons. Alles is tegen ons, hemel en aarde. Alles drijft
ons naar de hel. Waarom zouden wij niet gaan!"
Tom sloot zijne oogen en beefde van die verschrikkelijke woorden.
"Gij ziet wel," hervatte de vrouw, "_gij_ weet er niets van--_ik_
weet het. Ik ben hier vijf jaren geweest, met lichaam en ziel onder
den voet van dien man, en ik haat hem, gelijk ik den duivel haat. Hier
zijt gij op eene eenzame plantage, tien mijlen van elke andere, in de
moerassen; geen blanke is hier die het zou kunnen getuigen, als gij
levend verbrand werd, of gevild, of bij duimen in stukken gekapt, of
voor de honden geworpen, of opgehangen of dood gegeeseld. Er is geene
wet hier van God of menschen, die u of iemand van ons het minste goed
kan doen; en die man, er is niets op de wereld, waartoe hij te goed
is. Ik zou iemand de haren te berge kunnen doen rijzen en de tanden
klapperen, als ik maar vertelde wat ik hier gezien en geweten heb;
en tegenstand baat niet. Was het mijn zin om met hem te leven? Was
ik geene beschaafd opgevoede vrouw? En hij--God in den hemel! wat
was hij en is hij? En toch heb ik deze vijf jaren met hem geleefd,
en elk oogenblik van mijn leven vervloekt--nacht en dag! En nu heeft
hij een nieuwe gekregen--een jong ding, nog maar vijftien jaren; en
zij is vroom opgebracht, zegt zij. Hare goede meesteres heeft haar in
den Bijbel leeren lezen, en zij heeft haar Bijbel meegebracht--hier
naar de hel!" En de vrouw lachte met een woesten, akeligen lach,
die vreemd en bovennatuurlijk door het vervallen gebouw klonk.
Tom vouwde zijne handen; alles was duisternis en afgrijzen.
"O, Jezus, Heere Jezus, hebt Gij ons arme schepselen geheel
vergeten?" barstte hij eindelijk uit. "Help Heere, ik verga!"
De vrouw vervolgde op stroeven toon:
"En wat zijn die ellendige, gemeene honden met wie gij werkt, dat
gij om hunnentwil lijden zoudt? Een voor een zullen zij zich tegen u
keeren, zoodra zij maar gelegenheid hebben. Zij zijn allen zoo slecht
en wreed voor elkander, als zij maar zijn kunnen; en het baat niet
dat gij nog meer lijdt, omdat gij hen niet wilt aanraken."
"Arme schepsels!" zeide Tom. "Wat heeft hen zoo wreed gemaakt? en
als ik toegeef, zal ik er aan gewend raken en langzamerhand eveneens
worden als zij. Neen, neen, _Missis_, ik heb alles verloren, vrouw en
kinderen en mijn tehuis en een goeden meester, die mij zou vrijgelaten
hebben, als hij nog maar eene week langer geleefd had. Ik heb alles
in deze wereld verloren, en het is weg voor altijd en nu kan ik den
hemel er niet nog bij verliezen. Neen, ik kan nu niet goddeloos gaan
worden boven dat alles."
"Maar het kan niet wezen, dat de Heere ons de zonde zal toerekenen,"
zeide de vrouw. "Hij zal er ons niet mede bezwaren, als wij er
toe gedwongen worden; Hij zal er hen mede bezwaren, die er ons toe
gedreven hebben."
"Ja," antwoordde Tom, "maar dat zal ons niet beletten goddeloos
te worden; als ik even hard van hart wordt als die Sambo en even
goddeloos, zal het niet veel verschil maken hoe ik zoo word. Het is
_zoo_ te _wezen_--dat is het--waar ik angstig voor ben."
De vrouw zag Tom aan met een woesten verschrikten blik, alsof eene
nieuwe gedachte haar getroffen had. En toen zeide zij met een zwaren,
kermenden zucht:
"O God van genade, gij spreekt de waarheid! O--o--o!" En zoo kermende,
viel zij op den grond, als verpletterd en krimpend onder eene overmaat
van zielesmart.
Er heerschte eene poos stilte, terwijl men de ademhaling van beiden
kon hooren. Toen zeide Tom met eene flauwe stem: "Och, _Missis_."
De vrouw rees schielijk op, haar gezicht was weder strak en had de
gewone uitdrukking van trotsche treurigheid hernomen.
"Och, _Missis_, ik heb hen mijn rok daar in den hoek zien gooien,
en in den zak is mijn Bijbel--als gij dien voor mij krijgen woudt."
Cassy voldeed aan dit verlangen. Tom opende den Bijbel terstond
bij eene met zware strepen gemerkte, zeer versleten plaats, in het
levenseinde van Hem, door wiens striemen hij genezen was.
"Als _Missis_ nu eens zoo goed wilde zijn om dat daar te lezen,
dat is nog beter dan water."
Cassy nam het boek met eene koele, trotsche houding en zag de
plaats door. Daarop las zij overluid, met eene zachte stem en
eene eigenaardige schoonheid van toon, dat treffende verhaal van
lijden en heerlijkheid. Dikwijls haperde hare stem onder het lezen,
en somtijds bleef die geheel steken, maar dan hield zij, eene koude
bedaardheid veinzende, op, tot zij zich bedwongen had. Toen zij aan de
treffende woorden kwam: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet
wat zij doen," wierp zij het boek neder; en haar gezicht onder hare
zware krullende haarlokken verbergende, begon zij met stuipachtige
heftigheid te snikken.
Tom schreide insgelijks, maar sprak tusschenbeiden eenige woorden
met eene gesmoorde stem.
"Als wij daar maar bij konden blijven," zeide hij. "Het scheen van Hem
zoo natuurlijk te komen, en wij moeten er zoo hard voor strijden. O
Heere help ons! O gezegende Heer Jezus, kom ons toch te hulp!"
"_Missis_," zeide Tom na eene poos, "ik kan wel zien, dat gij in alles
boven mij zijt; maar er is toch een ding dat gij zelfs van den armen
Tom zoudt kunnen leeren. Gij hebt gezegd, dat de Heere tegen ons was,
omdat Hij ons liet mishandelen en kwaad doen; maar zie, wat Zijn
eigen Zoon overkomen is--den gezegenden Koning der Heerlijkheid. Was
Hij niet altijd arm? En zijn wij een van allen nog zoover gekomen? De
Heere heeft ons niet vergeten--daarvan ben ik zeker. Als wij met Hem
lijden, zullen wij ook met Hem heerschen, zegt de Schrift; maar als
wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen. Hebben zij niet
alles geleden--de Heere en al de zijnen? Daar staat hoe zij gesteenigd
en geslagen werden, en rondgingen in schapenvellen en geitenvellen,
en gebrek leden, bedroefd waren en gepijnigd werden. Het lijden is
geene reden om ons te doen denken dat de Heere tegen ons is; maar
juist het tegendeel, als wij ons maar aan Hem vasthouden en ons niet
aan de zonde overgeven."
"Maar waarom brengt Hij ons, waar wij niet kunnen nalaten te
zondigen?" zeide de vrouw.
"Ik denk dat wij het _wel_ kunnen laten," antwoordde Tom.
"Gij zult zien," zeide Cassy. "Wat zult gij doen? Morgen zullen zij
weer met u beginnen. Ik ken hen; ik heb al hun bedrijf gezien. Ik kan
er niet aan denken wat zij u zullen doen--en zij zullen u eindelijk
dwingen om toe te geven!"
"Heere Jezus," zeide Tom. "Gij kunt mijne ziel behoeden! O Heere,
laat mij toch niet toegeven!"
"Och," zeide Cassy, "ik heb al dat roepen en bidden wel meer gehoord,
en toch zijn zij ten onder gebracht en bezweken. Daar is Emmeline nu,
zij doet haar best om standvastig te blijven, en gij ook--maar wat baat
het? Gij moet het opgeven, of gij zult langzaam doodgemarteld worden."
"Welnu, ik _wil_ sterven," zeide Tom. "Laten zij het rekken, zoolang
zij kunnen, zij kunnen toch niet beletten dat ik eens sterf--en daarna
kunnen zij niets meer doen; ik ben nu gerust. Ik _weet_ dat de Heere
mij helpen zal en er doorbrengen."
De vrouw gaf geen antwoord, en staarde met hare zwarte oogen strak
voor zich.