gekluisterd, waren, met eenige bagage achterin gestopt. De geheele
troep was op weg naar de tamelijk verwijderde plantage van Legree.
Het was een wilde, eenzame weg: nu eens door zandige pijnbosschen
slingerende, dan over paden van boomstammen door uitgestrekte
cypressenmoerassen, waar die sombere boomen, met kransen van zwart
mos behangen, uit den modderigen, sponsachtigen grond opstaken, en
men nu en dan eene afzichtelijke slang door de afgebroken stompen
zag glijden, die in het water lagen te rotten.
Het is akelig genoeg, dit gewest, voor den vreemdeling die het met
eene welgevulde beurs en een goed paard moet doortrekken, als zijne
zaken hem daarheen voeren; maar nog woester en akeliger is het voor
den armen slaaf, wien elke slepende stap verder verwijdert van alles
wat de mensch liefheeft en waarom hij bidt.
Zoo had ieder moeten denken, die de neerslachtige uitdrukking dier
donkere gezichten zag; de geduldige verveling, waarmede die treurige
oogen het eene voorwerp na het andere aanstaarden, dat zij op die
treurige reis voorbijkwamen.
Legree reed echter naar het scheen zeer welgemoed voort, en nam nu
en dan een slok uit de brandewijnflesch, die hij in zijnen zak had.
"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige
gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens--komaan!"
Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en
tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een
methodistisch lied:
"Jeruzalem, mijn vaderland,
Hoe dierbaar zijt ge mij!"
"Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree. "Denkt gij dat ik dit
vervloekt methodistisch gegalm wil hooren? Zing wat vroolijks,
zeg ik--gauw!"
Een der anderen hief een van die zinlooze liedjes aan, die onder de
slaven in zwang zijn.
"Mas'r reed me cotch a coon,
High, boys, high!
He laughed to split--d'ye see the moon?
Ho! ho! ho! boys, ho!
Ho! yo! hi!--e! oh!" [9]
De zanger scheen zijn lied voor de vuist te maken, doorgaans het
rijm treffende, zonder veel moeite te doen om er zin aan te geven;
en de geheele troep stemde nu en dan in met het refrein:
"Ho! ho! ho! boys, ho!
Ho! yo! hi--hi! oh!"
Het gezang was luidruchtig genoeg en toonde een geweldige poging
om vroolijk te zijn; maar geen wanhopige jammerkreten, geen vurig
smeekgebed had zulk eene diepte van zieleleed kunnen bevatten, als
de woeste klanken van dat koor. Het was alsof het arme, bedreigde,
tot stomheid veroordeelde hart de toevlucht nam tot die woordelooze
vrijplaats der muziek, en daar eene taal vond om zijn gebed tot God
uit te zuchten. Het was een gebed in eene taal, die Legree niet kon
verstaan. Hij hoorde zijne slaven slechts luidruchtig zingen en was
wel in zijnen schik; hij "hield hen vroolijk."
"Wel, mijn liefje," zeide hij, zich naar Emmeline omkeerende en zijne
hand op haren schouder leggende, "nu zijn wij haast tehuis."
Wanneer Legree vloekte en schold, was Emmeline verschrikt; maar
wanneer hij haar aanraakte en sprak gelijk nu, dacht zij, dat zij
liever wilde, dat hij haar geslagen had. De uitdrukking zijner oogen
deed haar walgen en huiveren tegelijk. Onwillekeurig drong zij dichter
bij de mulattin naast haar, alsof deze hare moeder was.
"Hebt gij nooit oorringen gedragen?" zeide hij, haar fijn oortje
tusschen zijne grove vingers pakkende.
"Neen, meester," antwoordde Emmeline bevend voor zich ziende.
"Wel, ik zal u een paar geven als wij tehuis komen, als ge een goed
meisje zijt. Ge behoeft zoo bang niet te zijn; ik heb plan u niet
heel hard te laten werken. Gij zult een pleizierigen tijd bij mij
hebben en als eene dame leven--alleen, wees maar een goed meisje."
Legree had nu zooveel gedronken, dat hij genegen was om bijzonder
goedertieren te zijn; en thans kreeg men juist zijne plantage in
het gezicht. Het goed had voorheen aan een heer van vermogen en smaak
toebehoord, die zich op het verfraaien daarvan had toegelegd. Nadat hij
insolvent was gestorven, was het voor een prijsje door Legree gekocht,
die het gelijk alle andere dingen, alleen gebruikte als een werktuig
om geld te winnen. De plaats had nu dat woeste, havelooze voorkomen,
waaruit blijkt, dat de zorg van een vroegeren eigenaar later geheel
verwaarloosd is.
Wat eens voor het huis een effen grasperk was, hier en daar met fraaie
heesters beplant, was nu eene wildernis van slecht gras, hier en daar
met een paal om paarden aan vast te binden, waaromheen de zoden waren
weggetrapt, en de grond met gebroken emmers, maïsstengels en ander
ontuig was bestrooid. Hier en daar hing eene geknakte jasmijn of
kamperfoelie haveloos aan een sierlijk hek of paalwerk, dat op zijde
was getrokken, daar men het insgelijks had gebruikt om er paarden
aan vast te binden. De plek, die eens een tuin was geweest, was nu
geheel met onkruid begroeid, waartusschen hier en daar eene enkele
uitheemsche bloemplant eenzaam het hoofd ophief. Het gebouw, dat eens
de broeikas was geweest, had geene ramen meer, en op de vermolmde
planken stonden eenige verdroogde bloempotten, met stokjes er in,
waarvan de dorre bladeren toonden dat zij eens planten geweest waren.
De wagen reed een met onkruid begroeid kiezelpad op, onder eene
statige laan van oranjeboomen, welker sierlijke kronen en zich
steeds verjongend gebladerte het eenige scheen te zijn, dat door
geene verwaarloozing kon bedorven of onderdrukt worden--gelijk edele
geesten, zoo diep in het goede geworteld, dat zij onder tegenspoed
en minachting des te sterker groeien en bloeien.
Het huis was eens groot en fraai geweest. Het was in den gewonen
trant van het Zuiden gebouwd; om alle deelen van het huis heen liep
een breede veranda van twee verdiepingen, waarop al de buitendeuren
uitkwamen; de benedenste dezer galerijen hadden gemetselde steenen
pilaren.
Het gebouw zag er zeer vervallen en verlaten uit; sommige vensters
waren met planken dichtgespijkerd, andere hadden gebroken ruiten of
luiken, die slechts aan het hengsel hingen--alles kondigde de grootste
verwaarloozing aan.
Stukken van planken en hoopen stroo bedekten overal den grond, en
drie of vier groote honden, die er zeer kwaadaardig uitzagen, kwamen
op het gerucht van den aankomenden wagen uitschieten, en konden door
de met vodden bedekte slaven, die hen naliepen, slechts met moeite
weerhouden worden van Tom en zijne makkers aan te pakken.
"Gij ziet wat gij krijgen zoudt," zeide Legree, de honden met
barsche tevredenheid liefkoozende en zich daarop naar Tom en zijne
makkers keerende. "Gij ziet wat gij krijgen zoudt, als ge beproeven
mocht om weg te loopen. De honden zijn gedresseerd om negers op te
sporen, en zij zouden er even gaarne een opslokken als hun gewoon
avondmaal. Past dus op. Wel, Sambo," zeide hij tot een haveloozen
kerel, zonder rand aan zijnen hoed, die zich zeer gedienstig toonde:
"hoe zijn de zaken gegaan?"
"Opperbest, meester."
"Quimbo," zeide Legree tot een ander, die ijverige pogingen deed om
zijne aandacht te trekken, "gij hebt onthouden wat ik u gezegd had?"
"Dat zou ik nog al denken, meester."
Deze twee kleurlingen waren de voornaamste arbeiders op de
plantage. Legree had hen even stelselachtig op woestheid en
kwaardaardigheid afgericht als zijne bulhonden, en door lange oefening
in gevoelloosheid en wreedheid had hij hunne geheele natuur omtrent
aan die dezer dieren gelijk gemaakt. Het is eene gewone opmerking
en eene die men voor een groot bezwaar tegen den stam houdt, dat
de negeropzichter altijd veel heerschzuchtiger en wreeder is dan de
blanke. Het is echter in dit opzicht met zijn geslacht niet anders
gesteld, dan met ieder verdrukt geslacht op de wereld. De slaaf is
altijd een tiran, wanneer hij gelegenheid heeft om dit te zijn.
Sambo en Quimbo haatten elkander hartelijk, al de arbeiders op de
plantage haatten hen; en door den een tegen den ander te gebruiken,
was Legree tamelijk zeker van eene dezer drie partijen alles te
vernemen wat er op zijne plantage omging.
Niemand kan geheel zonder gezelligen omgang leven; en Legree had
dus zijne twee zwarte satellieten zekere ruwe gemeenschap met hem
veroorloofd--eene gemeenschap evenwel, die telkens dreigde den een
of ander in ongelegenheid te brengen; want op den minsten wenk was
een van beiden altijd gereed om het werktuig des meesters wraak op
den ander te zijn.
Gelijk zij daar bij Legree stonden, schenen zij het bewijs te kunnen
leveren van de bewering, dat verdierlijkte menschen lager kunnen
zinken dan de dieren zelven. Hunne grove, donkere, logge trekken; hunne
groote oogen, die elkander wangunstig begluurden; hunne barbaarsche,
gorgelende, half naar dierlijke geluiden zweemende spraak; hunne
gescheurde, in den wind fladderende kleeren--alles strookte met het
bedorven, ongezonde voorkomen van alles, over de geheele plaats.
"Hier gij, Sambo," zeide Legree, "breng die jongens naar het
kwartier. En hier is eene meid, die ik voor u heb gekocht," vervolgde
hij, terwijl hij de mulattin van Emmeline afscheidde en naar hem
toeduwde, "gij weet wel, ik heb u beloofd u er eene mee te brengen."
De vrouw deinsde van schrik terug, en zeide snel: "O meester, ik heb
mijn man te New-Orleans gelaten."
"Wat raakt dat--zult gij er hier geen noodig hebben?--nu geene woorden
meer--maakt dat gij voortkomt!" zeide Legree en lichtte zijn zweep op.
"Kom, Juffertje," zeide hij tegen Emmeline, "gij gaat met mij hier
binnen."
Een donker, wild gezicht vertoonde zich voor een oogenblik voor een
der vensters van het huis; en toen Legree de deur opende, zeide eene
vrouwenstem iets op een driftigen, gebiedenden toon. Tom, die met
angstige belangstelling Emmeline nazag, toen zij binnenging, lette
hierop, en hoorde Legree toornig antwoorden: "Gij moogt uw mond
houden. Ik zal doen wat ik verkies of het u aanstaat of niet."
Tom hoorde niets meer, want hij moest Sambo naar het kwartier
volgen. Dit kwartier was een soort van straatje van ruwe hutten,
op een rij geplaatst, in een gedeelte der plantage, dat ver van het
huis verwijderd was. Zij zagen er zeer vervallen en verwaarloosd
uit. Tom voelde zich het hart beklemd, toen hij ze zag. Hij had zich
getroost met de gedachte aan een hutje, wel ruw, maar dat hij knap
en net kon maken, waar hij eene plank voor zijnen Bijbel kon hebben,
en eene plaats, waar hij buiten zijne werkuren alleen kon zijn. Hij
keek in verscheidene binnen; het waren slechts donkere holen, zonder
eenig huisraad, behalve een hoop stroo vol vuiligheid, ordeloos op den
vloer gesmeten die uit de bloote aarde bestond, welke door ontelbare
voetstappen was vastgetrapt.
"Welke van die zal de mijne zijn?" zeide hij onderworpen tot Sambo.
"Weet niet! Kunt hier wel ingaan, denk ik," zeide Sambo. "Daar zal
nog wel plaats voor één wezen. Er is al een goede hoop negers in
ieder. Ik weet niet wat ik met nog meer moet doen."
Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners der hutten bij
troepen naar huis kwamen--mannen en vrouwen, in vuile gescheurde
kleeren, knorrig en wrevelig en in geene stemming om nieuwe
medebewoners vriendelijk aan te zien. Het dorpje weergalmde van geene
streelende klanken; schorre stemmen twistten bij de handmolens, waar
allen hunne portie hard koren nog tot meel moesten malen, eer de koek
er van gebakken kon worden, die hun eenig avondmaal uitmaakte. Van den
dageraad af waren zij in het veld geweest, gedwongen tot werken door
de drijvende zweep der opzichters; want het was nu in het heetste
en drukste van het seizoen en geene middelen werden er gespaard om
ieder voort te jagen, zooveel hij maar kon uithouden. "Wel zeker,"
zegt de zorgelooze leeglooper, "het katoenplukken is geen zwaar
werk, niet waar?" En het is ook zulk een groot ongemak niet, dat
u een droppel water op het hoofd valt, en toch wordt de ergste
pijniging der inquisitie voortgebracht, door droppel op droppel,
oogenblik op oogenblik, op dezelfde plek te laten vallen; een werk,
dat op zich zelf niet zwaar is, wordt dit, wanneer men uren achtereen
wordt voortgejaagd, altijd met dezelfde onverbiddelijke gestrengheid
en eentonigheid, zonder dat zelfs de bewustheid van vrijwilligheid,
het vervelende er van vermindert. Tom zocht onder dezen troep die hem
voorbijstroomde, vruchteloos naar een gezicht dat hem tot gezelligheid
uitlokte. Hij zag alleen norsche, woeste, verdierlijkte mannen, en
zwakke, moedelooze vrouwen, of vrouwen die geene vrouwen meer konden
heeten--de sterken de zwakken verdringende--de grove, onbedwongen,
dierlijke zelfzucht van menschelijke wezens, van welke niets goeds
verwacht of verlangd kon worden, en die in alle opzichten als beesten
behandeld, ook zoo nabij den rang van beesten waren gedaald als
voor menschelijke wezens slechts mogelijk was. Tot laat in den nacht
duurde het geluid van het malen, want de molens waren weinig in getal,
met de malers vergeleken, en de vermoeiden en zwakken werden door de
sterkeren weggejaagd en kwamen het laatste aan de beurt.
"Ho, gij," zeide Sambo, naar de mulattin komende, en een zak met
koren voor haar neersmijtende. "Hoe duivel is uw naam?"
"Lucy," antwoordde de vrouw.
"Wel, Lucy, gij mijne vrouw nu. Gij maalt dit koren en bakt mijn
avondeten, hoort ge?"
"Ik ben uwe vrouw niet en wil het niet wezen,"--zeide Lucy, met den
plotseling ontvlammenden moed der wanhoop. "Loop heen!"
"Dan zal ik je schoppen," zeide Sambo dreigend zijnen voet oplichtende.
"Gij moogt mij doodslaan als gij wilt--hoe eer hoe beter. Ik wenschte
dat ik dood was," zeide zij.
"Zeg eens, Sambo, als gij iemand van het volk voor het werk bederft,
zal ik het meester zeggen," zeide Quimbo, die aan den molen bezig
was, vanwaar hij uit kwaardaardigheid eenige vrouwen had weggejaagd,
die nu stonden te wachten.
"En ik zal hem zeggen dat gij de vrouwen niet bij de molens wilt laten
komen, gij oude neger," antwoordde Sambo. "Pas maar voor u zelven op."
Tom was vermoeid van den tocht en bijna flauw van gebrek aan voedsel.
"Daar gij," zeide Quimbo, een zak met koren voor hem
neerwerpende. "Daar, neger, pak aan, en pas er op; want gij zult voor
deze week niets meer krijgen."
Tom wachtte tot zeer laat om eene plaats aan de molens te bekomen,
en toen medelijden hebbende met de afmatting van twee vrouwen, die
hij zag beproeven om hare portie te malen, maalde hij die voor haar,
legde de halfverbrande houten bij elkander van een vuur, waarbij
reeds velen hunne koeken hadden gebakken, en ging toen eerst zijn
eigen avondmaal bezorgen. Dit was eene geheel nieuwe manier van
handelen daar, en dit bewijs van beleefdheid, zoo gering als het
was, deed toch eene overeenstemmende snaar in de harten dier vrouwen
trillen--eene uitdrukking van vrouwelijke zachtheid kwam op hunne
strakke gezichten. Zij besloegen zijn koek voor hem en pasten voor hem
op het bakken; en Tom zette zich bij het vuur neer en haalde zijn
Bijbel uit--want hij had troost noodig.
"Wat is dat?" zeide een van de vrouwen.
"Een Bijbel," antwoordde Tom.
"O! ik heb er geen gezien, sedert ik in Kentucky was."
"Zijt ge dan in Kentucky opgebracht?" vroeg Tom met belangstelling.
"Ja, en wèl-opgebracht ook. Ik had nooit gedacht dat ik hiertoe komen
zou," antwoordde de vrouw met een zucht.
"Wat is toch dat boek daar," zeide de andere vrouw.
"Wel, de Bijbel."
"Wel, wat is dat?"
"Wat zegt ge--hebt gij daar nooit van gehoord?" zeide de eerste vrouw.
"Ik placht er somtijds mijne meesteres wel in te hooren lezen, daar
in Kentucky. Maar, och! hier hooren wij niets dan vloeken en het
klappen van de zweep."
"Lees toch eens wat," zeide de andere vrouw nieuwsgierig, daar zij
zag hoe aandachtig Tom in het boek tuurde.
Tom las: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt,
en Ik zal u rust geven."
"Die woorden zijn goed genoeg," zeide de vrouw. "Wie zegt ze?"
"De Heere," antwoordde Tom.
"Ik wenschte dat ik wist, waar ik Hem vinden kon," hervatte de vrouw;
"dan zou ik naar Hem toegaan, want het schijnt wel dat ik nooit meer
rust zal krijgen. Ik heb overal pijn en beef over al mijne leden,
elken dag, en Sambo slaat altijd naar mij, omdat ik niet gauwer pluk;
en het is meestal middernacht eer ik eten kan, en dan schijnt het dat
ik mijne oogen nog niet gesloten heb, of ik hoor den hoorn al weder
blazen om op te staan, en moet er des morgens weer aan. Als ik maar
wist waar de Heere was, zou ik Hem dat zeggen."
"Hij is hier, Hij is overal," zeide Tom.
"O, dat wilt ge me toch niet wijsmaken? Ik weet dat de Heere hier
niet is," zeide de vrouw. "Maar praten helpt ook al niet. Ik ga liever
slapen terwijl ik kan."
De vrouwen gingen heen naar hare hutten. Tom bleef alleen bij het
smeulende vuur zitten.
De heldere, zilveren maan steeg op in de donkere lucht, en zag kalm en
stil van omhoog; gelijk God op een tooneel van ellende en onderdrukking
nederziet--zoo bescheen zij den eenzamen zwarten man, terwijl hij
daar zat, met de armen over elkander en zijn Bijbel op zijn knie.
"Is God _hier_?" O, hoe is het mogelijk voor het onkundige hart,
zijn geloof vast te houden onder het aanzien van grove, tastbare,
ongestrafte onrechtvaardigheid! In dat eenvoudige hart werd een
zware strijd gevoerd tegen het kwellende gevoel van onrecht, het
vooruitzicht op een geheel leven van ellende, de verwoesting van
alle vroegere hoop. O, was het _hier_ gemakkelijk te gelooven en
vast te houden aan de groote kenspreuk van het christelijk geloof,
dat "God is een _belooner_ dergenen die Hem zoeken?"
Tom stond treurig op en strompelde naar de hut, die hem was
toegewezen. De grond was reeds met vermoeide slapers bedekt, en de
vuile lucht dreef hem bijna terug, maar de zware nachtdauw was kil,
zijn leden waren pijnlijk van vermoeienis, en de gescheurde deken
over zich heen halende, die al zijn beddegoed uitmaakte, strekte hij
zich op het stroo uit en viel in slaap.
In zijne droom klonk hem een zachte stem in de ooren. Hij zat op de
bemoste bank in den tuin bij het meer Pontchartrain, en Eva, met
hare ernstige oogen omlaaggeslagen, las hem uit den Bijbel voor,
en hij hoorde haar lezen:
"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door
de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door
het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u
niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, De Heilige Israels,
uw Heiland."
Langzamerhand schenen die woorden als weg te smelten in eene hemelsche
muziek; het kind sloeg hare oogen op en vestigde die liefdevol op
hem, en stralen van warmte en troost schenen daaruit in zijn hart
te dalen, en als werd zij door die muziek gedragen, scheen zij op
blinkende vleugelen op te stijgen, waarvan vlokken en spranken gouds
als sterren afvielen, en zoo verdween zij.
Tom ontwaakte. Was het een droom? Laat het voor een droom gehouden
worden. Maar wie zal zeggen dat het dien liefderijken jeugdigen geest,
die in het aardsche leven zoozeer verlangde om bedroefden te troosten,
niet door God werd veroorloofd om na den dood deze dienstbetooning
op zich te nemen? Het is een schoon en zeer streelend geloof, dat de
geesten der dooden op engelenvleugelen om ons henen zweven.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
CASSY
"En ziet, er waren de tranen der verdrukten,
en dergenen die geenen trooster hadden, en van
de zijde hunner verdrukkers was macht; zij
daarentegen hadden geenen trooster.
Pred. 4:1
Tom had slechts weinig tijd noodig om zich bekend te maken met alles
wat hij in zijn nieuwen toestand te hopen en te vreezen had. Hij
was een bekwaam arbeider, en zoowel uit gewoonte als beginselen
ijverig en getrouw in al wat hij deed. Stil en vreedzaam van aard,
hoopte hij dat hij door onvermoeide vlijt ten minste een gedeelte der
onaangenaamheden van zijn tegenwoordig lot zou kunnen afwenden. Hij
zag genoeg mishandeling en ellende, om zijn hart met verontwaardiging
en weedom te vervullen; maar hij besloot met godsdienstig geduld voort
te zwoegen, zich bevelende aan Hem die rechtvaardig oordeelt; en niet
zonder hoop, dat hem nog een weg tot uitkomst zou worden geopend.
Legree lette stilzwijgend op Toms bruikbare eigenschappen. Hij hield
hem voor een arbeider van den eersten rang, en toch voelde hij een
geheimen wrok tegen hem--de natuurlijke antipathie der boozen tegen
de goeden. Hij zag duidelijk dat wanneer, gelijk dikwijls gebeurde,
zijn geweld en dwingelandij weerlooze onschuldigen troffen, Tom daarop
lette; want zoo fijn is de werking der opinie, dat zij zich zonder
woorden doet gevoelen, en zelfs de opinie van een slaaf een meester kan
hinderen. Tom openbaarde op verschillende wijzen een teederheid van
gevoel, een medelijden met zijne lotgenooten, dat voor Legree nieuw
en vreemd was, en door dezen met wangunstige oogen werd bespied. Hij
had Tom gekocht met het oogmerk om hem tot eene soort van opzichter
te maken, wien hij zijne zaken kon toevertrouwen, wanneer hij zelf
nu en dan afwezig moest zijn; en naar zijn begrip was hardheid het
eerste, tweede en derde vereischte voor zulk een post. Daar Tom hem
niet hard genoeg was, nam Legree zich voor om hem spoedig te harden;
en eenige weken nadat Tom op de plantage was gekomen, besloot hij
daarmede een begin te maken.
Op een ochtend, toen het volk gemonsterd werd om naar het veld te gaan,
zag Tom met verwondering een nieuweling onder hen, wier voorkomen
zijne aandacht trok. Zij was eene vrouw, rijzig en rank van gestalte,
met bijzonder fijne handen en kleine voeten, net en fatsoenlijk
gekleed. Naar haar gezicht te oordeelen kon zij tusschen de vijf
en dertig en veertig jaren wezen; en zij had een gezicht, dat men,
als men het eens gezien had, nooit weder vergeten kon--een van die
gezichten, welke ons met eenen enkelen blik een denkbeeld van een
wilde, smartelijke en romaneske geschiedenis schijnen te geven. Haar
voorhoofd was hoog en hare wenkbrauwen waren met sierlijke scherpheid
geteekend. Haar rechte, welgevormde neus, haar fijn besneden mond,
de geheele sierlijke omtrek van hoofd en hals toonden dat zij eens
zeer schoon moest geweest zijn; maar haar gezicht was diep gegroefd
door trekken van bitter zielelijden en van trotsche verharding
daartegen. Hare kleur was vaal en ongezond, hare wangen waren hol,
hare trekken scherp en geheel hare gestalte was vermagerd. Hare oogen
kwamen echter het meest van alles uit--zoo groot, zoo gitzwart,
met lange even zwarte wimpers beschaduwd en vol woeste, treurige
wanhoop. Wilde, uitdagende trots sprak uit al hare trekken, uit al
hare bewegingen; maar in hare oogen zag men eene nachtelijke donkere
diepte van zielesmart, eene uitdrukking zoo hopeloos en onveranderlijk,
dat zij een akelig contrast vormden met den fieren trots, dien geheel
haar voorkomen aanduidde.
Waar zij vandaan kwam of wie zij was, wist Tom niet. Hij zag haar
nu voor het eerst, nu zij in de grauwe schemering van den dageraad,
trotsch opgericht, naast hem stapte. Aan den troep was zij echter
bekend; want er werd veel omgekeken, en eene gesmoorde, maar toch
duidelijk blijkbare boosaardige blijdschap heerschte onder de
havelooze, half verhongerde ellendelingen, die haar omringden.
"Eindelijk er toe gekomen--blij om," zeide er een.
"Hi, hi, hi!" zeide een ander; "gij zult ondervinden hoe pleizierig
het is, Juffrouw."
"Wij zullen haar nu eens zien werken."
"Benieuwd of zij van avond een pak zal krijgen evenals wij."
"Ik zou haar graag eens zien geeselen, dat weet ik," zeide nog
een ander.
De vrouw gaf geen acht op deze smaadredenen, maar stapte voort met
hetzelfde gezicht vol toornige minachting, alsof zij niets gehoord
had. Tom had altijd onder beschaafde, welopgevoede lieden verkeerd,
en voelde onwillekeurig dat zij tot die klasse behoorde; maar hoe zij
in dien vernederden toestand kon gekomen zijn begreep hij niet. De
vrouw sprak niet tegen hem en zag hem niet eens aan, hoewel zij op
den geheelen weg naar het veld dicht naast hem bleef.
Tom was spoedig aan zijn werk, maar daar de vrouw niet ver van hem
af was, keek hij dikwijls naar haar om, hoe zij het maakte. Hij zag
terstond dat eene aangeboren handigheid en vlugheid de taak voor haar
veel gemakkelijker maakte, dan zij voor velen bleek te zijn. Zij
plukte zeer snel en zeer zindelijk, met een zoo trotsch gezicht,
alsof zij zoowel het werk als de vernedering van haren tegenwoordigen
toestand verachtte.