Maar nu is het morgen en iedereen is in beweging; en de brave

Mr. Skeggs heeft het zeer druk, want eene partij goederen moet voor de

verkooping worden gereedgemaakt. Het toilet wordt oplettend nagezien;

er wordt algemeen bevel gegeven, dat iedereen zijn beste gezicht moet

voordoen en vlug en vroolijk zijn; en nu staan allen in een kring

voor de laatste inspectie, eer zij naar de "Bourse" afmarcheeren.

Mr. Skeggs met zijne hoed van palmbladeren op het hoofd en eene sigaar

in den mond, gaat rond, om de laatste hand aan zijne waren te leggen.

"Wat is dat," zeide hij, voor Suze en Emmeline staan blijvende. "Waar

zijn uwe krullen, meid?"

Het meisje zag beschroomd hare moeder aan, die met de gevatheid harer

klasse antwoordde:

"Ik zeide haar gisteren, dat zij heur haren netjes en glad moest

opmaken en ze niet zoo in krullen laten rondzwieren; dat staat

fatsoenlijk."

"Larie!" zeide de man kortaf, en zich naar het meisje keerende,

vervolgde hij: "Loop terstond heen, en maak uw haar in krullen--maar

mooi!" En daarmede zwaaide hij met zijn rotting. "En maak dat ge

gauw terug zijt ook. Ga gij haar maar helpen," voegde hij er bij,

zich weder naar de moeder keerende. "Die krullen kunnen wel honderd

dollars verschil in haren prijs uitmaken."

Onder een prachtigen koepel wandelden mannen van alle natiën heen en

weder over den marmeren vloer. In het rond van den ruimen kring waren

kleine tribunes, ten gebruike van sprekers en verkoopinghouders. Op

twee daarvan, tegenover elkander, stonden thans welsprekende heeren,

die in een mengeling van Engelsch en Fransch hunne verschillende

waren opvijzelden, om bieders uit te lokken. Een derde tribune, er

tusschen-in, was nog onbezet en omringd door eene groep, die stond

te wachten tot de verkooping begon. Hier kunnen wij Tom, Adolf

en andere bedienden van St. Clare herkennen; en hier wachten ook

Suze en Emmeline angstig op hare beurt. Verschillende toeschouwers,

met of zonder voornemen om te koopen, verzamelden zich om de groep,

bekeken, betastten en bepraatten de verschillende eigenschappen en

het voorkomen der tentoongestelden, met dezelfde vrijheid als een

troep jockeys over een paard spreekt.

"Holla daar, Alf, hoe komt gij hier," zeide een jong, pronkerig

gekleed heertje, een ander van dienzelfden stempel, die Adolf door

een lorgnet stond te bekijken, op den schouder kloppende.

"Wel, ik had een lijfknecht noodig. En daar ik hoorde dat de troep

van St. Clare verkocht zou worden, dacht ik..."

"Ik ben wel wijzer dan om iets van St. Clare te koopen. Allemaal

verwende negers. Zoo onbeschaamd als de duivel," zeide de ander.

"Daar ben ik niet bang voor," hernam de eerste. "Als ik ze maar heb,

zal ik ze hunne airs spoedig afleeren; ze zullen gauw ondervinden

dat zij met eene andere soort van meester te doen hebben, dan met

Monsieur St. Clare. Op mijn woord, ik zal dien kerel koopen. Ik heb

zin in zijn voorkomen."

"Gij zult ondervinden dat het u geld zal kosten, hem zoo te houden. Hij

is verduiveld extravagant."

"Ja, maar mylord zal ondervinden, dat hij bij mij niet extravagant

kan zijn. Laat hij maar eenige malen naar de _calabooze_ zijn geweest,

en goed van laken gehad hebben. Ik sta er u voor in, dat hij bij mij

wel tot andere gedachten zal komen. Ik zal hem bekeeren, geheel en al,

dat zult ge zien. Ik koop hem, daar blijf ik bij."

Tom had onder de menigte personen die hem omringden angstig uitgezien

naar een, wien hij zijn meester zou willen noemen; en als gij,

Mijnheer, ooit in de noodzakelijkheid mocht komen, om onder tweehonderd

mannen er een uit te zoeken, die uw eigenaar en willekeurig beschikker

van uw lot moest worden, zoudt gij u misschien kunnen verbeelden,

evenals Tom toen deed, hoe weinig er zouden zijn, aan wie gij u

maar eenigszins gerust zoudt overgeven. Tom zag een overvloed van

mannen:--groote, zwaarlijvige, grove mannen--kleine, pieperige,

uitgedroogde mannen; en allerlei soort van botte, alledaagsche mannen,

die hun medemensch oprapen, gelijk men papiersnippers opraapt, en

even onverschillig in het vuur of in eene mand werpen, naarmate het

hun gelegen komt; maar hij zag hier geen enkelen St. Clare.

Kort vóórdat de verkooping begon, zag hij een kort, breed, grof

gespierd man, met een geruit hemd, dat op de borst ver openhing,

en met eene beslijkte versleten broek, zich met de ellebogen door

het gedrang werken, gelijk iemand, die niemand ontziet die hem in

den weg is. Zoo kwam hij naar de groep en begon deze systematisch

te examineeren. Zoodra Tom dien man zag aankomen, voelde hij een

onwillekeurig angstig afgrijzen voor hem, dat nog toenam toen hij

dichterbij kwam. Hoewel kort, was hij blijkbaar van reusachtige

lichaamskracht. Zijn rond, kogelvormig hoofd, zijne groote, lichtgrijze

oogen met hunne ruige, vlaskleurige wenkbrauwen, en geheel zijn stroef,

gerimpeld, door de zon verbrand gezicht waren zeker niet innemend;

zijn groote, grove mond werd zichtbaar uitgerekt door eene groote

pruim tabak, waarvan hij het sap nu en dan met buitengemeene kracht

en ongegeneerdheid uitspoot; zijne handen waren onevenredig groot,

behaard, bruin gebrand door de zon, zeer morsig en met lange nagels,

in een zeer vuilen toestand, voorzien. Deze man examineerde den

troep met bijzondere vrijpostigheid. Hij greep Tom bij de kin en

trok zijn mond open, om zijne tanden te bezichtigen; liet hem zijne

mouw opstroopen, om zijne spieren te toonen; liet hem zich omkeeren,

stappen en springen, om te zien of er niets aan zijne beenen scheelde.

"Waar zijt ge opgebracht?" vroeg hij na dit onderzoek kortaf.

"In Kentucky, meester," antwoordde Tom, rondziende als ware het

naar verlossing.

"Wat hebt gij daar gedaan?"

"Ik had het opzicht over mijns meesters hoeve," antwoordde Tom.

"Nog al waarschijnlijk," zeide de andere kortaf en ging verder.

Voor Adolf bleef hij slechts een oogenblik staan, spuwde een klad

tabakssap over zijne glimmend gepoetste laarzen en keerde zich met

een verachtelijk "Hm!" van hem af. Voor Suze en Emmeline bleef hij

wederom staan. Hij stak zijne grove vuile hand uit en trok het meisje

naar zich toe; streek die hand over haren hals en borst, betastte hare

armen, bekeek hare tanden en stiet haar toen weder naar hare moeder,

wier geduldig gezicht echter toonde, wat zij bij elke beweging van

den afschuwelijken vreemdeling uitstond.

Het meisje was verschrikt en begon te schreien.

"Houd op daarmede, gij heks," zeide de verkooper; "geen gebalk hier;

de verkooping zal beginnen."

En de verkooping begon.

Adolf werd voor eene aanzienlijke som toegeslagen aan den jongen heer,

die te voren zijn voornemen had te kennen gegeven om hem te koopen. De

andere bedienden vielen verschillende bieders ten deel.

"Kom op nu, jongen, hoort ge niet?" zeide de verkooper tegen Tom.

Tom stapte op het blok en zag angstig om zich heen. Alles scheen

ondereengemengd tot een verward, onduidelijk rumoer; het gekakel van

den verkooper, die in het Engelsch en Fransch zijne hoedanigheden

opvijzelde, en het snelle kruisvuur der bieders, insgelijks in het

Fransch en Engelsch, en bijna in een oogenblik, naar het hem voorkwam,

viel de hamerslag bij de laatste lettergreep van het woord dollars,

toen de verkooper zijn prijs noemde. Tom was toegeslagen. Hij had

een meester.

Hij werd van het blok geduwd. De korte man met het ronde hoofd greep

hem ruw bij den schouder, duwde hem aan een kant en zeide met een

grove, gebiedende stem: "Blijf daar staan."

Tom hoorde en zag bijna niets meer; doch het bieden ging maar

voort--ratelende en klaterende, nu in het Fransch dan in het

Engelsch. Wederom valt de hamer. Suze is verkocht. Zij stapt van

het blok, blijft staan, ziet angstig verlangend om; hare dochter

strekt de handen naar haar uit. Zij ziet vol zielsangst den man aan

die haar gekocht heeft--een fatsoenlijk man van middelbare jaren,

met een goedaardig gezicht.

"O meester, wees toch zoo goed en koop mijne dochter ook."

"Ik zou wel willen, maar ik vrees dat zij te hoog zal gaan,"

antwoordde hij met een blik van smartelijke belangstelling naar het

jeugdige meisje, dat nu op het blok staat en verschrikt en angstig

om zich heenziet.

Het bloed stijgt gloeiend in hare anders bleeke wangen, hare oogen

hebben een koortsigen glans, en hare moeder slaakt een kermenden

zucht, daar zij ziet dat zij schooner is, dan zij haar nog ooit gezien

heeft. De verkooper neemt zijn voordeel waar, houdt eene woordenrijke

lofrede in het Fransch en Engelsch, en het bieden begint nu met

buitengemeene drift.

"Ik wil alles doen wat maar redelijk is," zegt de heer met het

goedaardige gezicht en biedt mede; maar weldra loopt de prijs te hoog

voor zijne beurs. Hij zwijgt; de verkooper wordt warmer; maar het

bieden verflauwt toch langzamerhand. Het blijft nu nog maar aan den

gang tusschen een oud aristocratisch burger en onzen kennis met het

ronde hoofd. De burger biedt nog eenige malen en ziet zijn mededinger

daarbij verachtelijk aan; maar de man met het ronde hoofd wint het

van hem in hardnekkigheid en geheime zwaarte van beurs; en de strijd

duurt nog maar een oogenblik; de hamer valt--hij heeft het meisje

met lichaam en ziel, als God haar niet bijstaat.

Haar meester is Mr. Legree, eigenaar eener katoenplantage aan de

Roode rivier. Zij wordt naar de plek geduwd, waar Tom en nog twee

andere mannen staan, en wordt schreiende weggebracht.

De goedaardige heer vindt het erg, maar het is iets dat alle dagen

gebeurt. Men ziet meisjes en moeders bij die verkoopingen altijd

schreien. Er is niets aan te doen, enz., en hij gaat met zijn

nieuw-koopje naar een anderen kant heen.

Twee dagen later zond de procureur der christelijke firma B. en

Comp. te New-York deze het geld over. Op den rug van den wissel,

dien deze heeren ontvingen, mochten zij wel deze woorden schrijven

van den grooten Betaalmeester, met wien zij eens hunne rekening zullen

moeten sluiten: "_Hij vergeet het geroep der ellendigen niet._"

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

DE OVERTOCHT

Gij zijt te rein van oogen dan dat Gij het kwaad

zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet

aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die

trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen

als de goddelooze dien verslindt, die

rechtvaardiger is dan hij?

Hab. 1:13

Op het benedendek van eene kleine, slechte stoomboot op de Roode

rivier zat Tom--met ketenen aan de handen, ketenen aan de voeten,

en eene grootere zwaarte dan van ketenen op het hart. Alles was uit

den hemel verdwenen, de maan en de sterren; alles was hem voorbij

gevlogen, gelijk de oevers en het geboomte hem nu voorbijvlogen,

om nooit weder terug te komen. Zijn tehuis in Kentucky, met vrouw en

kinderen, en de menschlievende eigenaars; zijn tehuis bij St. Clare,

met al de weelde en pracht daarvan; Eva met haar gouden lokken en

haar oogen als die eener heilige; de trotsche vroolijke, innemende,

schijnbaar onverschillige en toch altijd goede en vriendelijke

St. Clare; zijne uren van gemak en vrijen tijd--alles weg!--en wat

schoot hem in plaats daarvan over?

Het is eene der grootste bitterheden van het slavenlot, dat de

neger, zoo vatbaar voor streelende indrukken, wanneer hij in eene

beschaafde familie den smaak en het gevoel heeft aangenomen, die

als ware het de atmosfeer van zulk een verblijf uitmaken, er niet te

minder aan blootstaat om de slaaf van den gemeensten, ruwsten meester

te worden--evenals eene stoel of tafel, die eens een prachtig salon

versierde, eindelijk geschonden en geschaafd in de gelagkamer eener

gemeene herberg of in een schuilhoek van schandelijke ontucht komt. Het

groote verschil is hierin gelegen, dat de tafel of stoel niet voelen

kan, en de _mensch_ wel; want zelfs de wettelijke bepaling--dat hij

"als persoonlijk eigendom en roerend goed zal geacht, geoordeeld en

toegewezen worden," kan zijne ziel niet uitdelgen, met hare eigen

kleine wereld van herinneringen en verlangens, van hoop, vrees

en liefde.

Mr. Simon Legree, Toms meester, had op verschillende plaatsen te

New-Orleans slaven gekocht, te zamen acht in getal, en hen paar aan

paar geboeid naar de stoomboot de Zeeroover gedreven, die aan het

hoofd lag, gereed om de rivier op te varen.

"Sta op!"

Tom stond op.

"Doe die das af!" en toen Tom door zijne kluisters belemmerd, dit

begon te doen, hielp hij hem, door hem de das met geene zachte hand

van den hals te trekken, en stak die vervolgens in zijnen zak.

Nu keerde Legree zich naar Toms kist, die hij te voren reeds had

doorzocht, haalde een oude broek en een versleten rok, die Tom gewoon

was voor het stalwerk aan te doen, voor den dag en zeide, nadat hij

Toms handen van de boeien had ontdaan, naar een hoek tusschen de

kisten wijzende:

"Ga daar, en trek die aan."

Tom gehoorzaamde en kwam weldra terug.

"Trek uwe laarzen uit," zeide Legree.

Tom deed dit.

"Daar," vervolgde Legree, hem een paar lompe, sterke schoenen

toewerpende, gelijk door slaven gedragen werden, "trek die aan."

Tom had bij zijne verwisseling van kleederen niet vergeten zijn

beminden Bijbel in zijnen zak te steken; en het was gelukkig voor

hem dat hij dat gedaan had, want toen Legree hem de handboeien

weder had aangedaan, begon hij op zijn gemak de zakken der afgelegde

kleederen te doorzoeken. Hij haalde er een zijden zakdoek uit en stak

dien in zijnen zak. Verscheidene kleinigheden, die Tom had bewaard,

voornamelijk omdat hij er Eva eens mede vermaakt had, bekeek hij met

een verachtelijk gebrom en smeet ze over zijnen schouder in de rivier.

Daarna vond hij Toms methodistisch gezangboek, dat deze in zijne

haast had vergeten, en bladerde het door.

"Hm, vroom, nog al! Dus gij--hoe heet gij ook weer--gij behoort tot

de kerk, he?"

"Ja, meester," antwoordde Tom op vasten toon.

"Welnu, dat zal ik u spoedig afleeren; ik wil niet van die galmende,

zingende, biddende negers op mijne plaats hebben; onthoud dat. Pas op

nu," zeide hij, met zijnen voet stampende en Tom een dreigenden blik

toewerpende, "ik ben uwe kerk nu, verstaat ge; gij moet nu wezen wat

ik zeg."

Iets in het binnenste van den zwarten man antwoordde: "Neen!" en

alsof de stem van een onzichtbaar wezen sprak, hoorde hij de woorden

van een ouden profeet, welke Eva hem zoo dikwijls voorgelezen had:

"Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen,

gij zijt de _mijne_."

Doch Simon Legree hoorde geen stem. Die stem is eene, welke hij

nooit zal hooren. Hij gluurde Tom, die met neergeslagen oogen voor

hem stond, slechts even aan en ging heen. Hij bracht Tom's koffer,

die een overvloedigen en netten voorraad van kleederen bevatte, naar

voren, waar hij spoedig door het bootsvolk werd omringd. Met veel

gelach over de negers, die _gentlemen_ wilden zijn, werd het goed,

stuk voor stuk, aan den een en ander overgedaan, en eindelijk de

koffer bij opbod verkocht. Het was een aardige grap, dachten allen,

vooral, als men zag hoe Tom zijn goed nakeek, terwijl het hier en daar

heenging; en dan de auctie van den koffer, die was nog grappiger en

veroorzaakte een overvloed van geestigheden.

Toen dit gedaan was, kwam Simon Legree weder naar zijn eigendom

kuieren.

"Nu, Tom, zijt ge van alle bagage bevrijd, ziet ge. Pas goed op die

kleeren; het zal lang genoeg duren eer gij andere krijgt. Ik versta

de kunst om negers zorgvuldig te maken; een pak moet bij mij een

jaar duren."

Legree ging vervolgens naar de plaats waar Emmeline zat, aan eene

andere vrouw vastgekluisterd.

"Wel, liefje," zeide hij, haar onder de kin strijkende, "houd maar

courage."

De onwillekeurige blik van schrik en afgrijzen, waarmede het meisje

hem aanzag, ontsnapte hem niet. Hij fronste dreigend zijne wenkbrauwen.

"Geene kuren, meid. Gij zult een pleizierig gezicht zetten als ik

u aanspreek--hoort gij. En gij, oude gele maneschijn," zeide hij,

de mulattin aan wie Emmeline was vastgekluisterd een duw gevende,

"zet ook zulk een gezicht niet. Ik zal u wel vriendelijker leeren

kijken, dat zeg ik u."

"En ik zeg u allen," zeide hij, een paar schreden achterwaarts doende;

"ziet mij aan--ziet mij aan--ziet mij vlak in de oogen--vlak in de

oogen, zeg ik." En bij elke pauze stampte hij met zijnen voet.

Als door tooverij werden aller oogen op de groenachtige grijze oogen

van Legree gericht.

"Nu," zeide hij, zijne groote, zware vuist vertoonende, die aan een

smidshamer deed denken. "Ziet ge die vuist? voel eens!" vervolgde hij,

en liet haar op Toms hand vallen. "Ziet die knokkels! Welnu, ik zeg

u, die vuist is zoo hard als ijzer geworden _van het neerbeuken van

negers_. Ik heb nog nooit een neger gezien, dien ik niet met een krak

kon neerslaan," en daarmede duwde hij zijne vuist zoo dicht bij Toms

gezicht, dat deze met zijne oogen knipte en terugdeinsde. "Ik houd

geen van die vervloekte opzichters, ik ben mijn eigen opzichter en ik

zeg u dat er naar de dingen gezien wordt. Laat dus iedereen oppassen

en klaar staan; schielijk--zoodra ik maar spreek. Dat is de manier om

vrede met mij te houden. Gij zult geen zacht plekje aan mij vinden,

nergens. Past op dus; want ik bewijs geene genade."

De vrouwen hielden onwillekeurig den adem in, en de geheele troep

zette zich met benauwde gezichten neer. Ondertusschen draaide Legree

zich op zijn hiel om, en ging naar het buffet van de boot, om een

borrel te nemen.

"Dat is de manier, waarop ik met mijne negers begin," zeide hij tegen

een man van een fatsoenlijk voorkomen, die naar zijne aanspraak had

staan luisteren. "Ik maak er een regel van met kracht te beginnen en

hun te laten weten wat zij te wachten hebben."

"Inderdaad!" zeide de vreemdeling, hem aanziende met de

nieuwsgierigheid, waarmede een naturalist een zonderling dier

beschouwt.

"Ja, inderdaad. Ik ben geen van die heerenplanters met zachte, witte

vingers, om maar rond te kuieren en mij door een ouden schavuit van

een opzichter te laten bedriegen. Voel mijne knokkels maar eens;

zie mijne vuist. Ik zeg u, Mijnheer, het vleesch daarop is als een

steen geworden, van het beuken op negers. Voel maar."

De vreemdeling raakte het bedoelde gereedschap met zijnen vinger aan

en zeide eenvoudig:

"Het is hard genoeg en ik zou denken, dat uw hart daarmede even hard

geworden is."

"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordde Legree, met een hartelijken

lach. "Ik denk dat er nu zoo weinig zachts in mij is als in iemand die

op twee beenen loopt. Ik zeg u, niemand kan mij ooit bedotten. Negers

krijgen mij nooit gaar, noch met schreeuwen, noch met zoete broodjes

bakken--dat is de waarheid."

"Gij hebt een mooien troep daar."

"Ja," antwoordde Legree. "Daar is die Tom; zij zeiden mij dat hij

wat ongemeens was. Ik heb wel wat hoog voor hem betaald, daar ik een

drijver en opzichter van hem denk te maken: als ik die denkbeelden

maar uit hem krijg, die hij geleerd heeft door zoo behandeld te worden

als negers nooit moesten worden, zal hij kostelijk zijn. Met de gele

vrouw ben ik gefopt. Ik geloof haast dat zij ziekelijk is; maar ik

zal haar wel behandelen naar wat zij waard is; zij zal wel een paar

jaren duren. Ik ben niet voor het sparen van negers. Opgebruiken en

anderen koopen is mijne manier; dat geeft minder last, en ik ben

zeker dat het op het eind goedkooper uitkomt," en Legree nam een

teugje uit zijn glas.

"En hoe lang duren zij gewoonlijk?" vroeg de vreemdeling.

"Och, dat weet ik zoo niet; naardat zij een gestel hebben. Sterke

kerels duren zes of zeven jaar; lammelingen worden in twee of drie

afgewerkt. Ik placht, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven om

ze wat langer te doen uithouden--met hun medicijnen te geven als ze

ziek waren en kleeren en dekens, en wat niet al, om hen zooals men

zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden: maar, och het baatte niet;

ik legde er geld bij toe en had nog een boel moeite bovendien. Nu,

ziet ge, zet ik ze maar aan, ziek of gezond. Als de eene neger dood is,

koop ik een anderen; en ik vind dat dit in alle opzichten goedkooper

en gemakkelijker uitkomt."

De vreemdeling keerde zich om en zette zich naast een jong heer,

die met een gesmoord ongenoegen naar dit gesprek had geluisterd.

"Gij moet dien kerel niet voor een staaltje van de zuidelijke planters

houden," zeide hij.

"Ik zou hopen van neen," antwoordde de jongeheer met nadruk.

"Hij is een gemeene, laaghartige, verdierlijkte kerel!" zeide de

eerste.

"En toch veroorloven uwe wetten hem een aantal menschelijke wezens

in eigendom te hebben, onderworpen aan zijne volstrekte willekeur,

zonder zelfs een zweem van bescherming; en zoo gemeen als hij is,

kunt gij toch wel niet zeggen dat er velen zoo zijn."

"Maar," zeide de ander, "er zijn toch ook vele weldenkende,

menschlievende mannen onder de planters."

"Toegestemd," zeide de jonkman; "maar naar mijn gevoelen zijn het uwe

weldenkende, menschlievende mannen, die verantwoordelijk zijn voor

al de gruwelen, die deze ellendigen plegen; omdat zonder hun invloed

het geheele stelsel geen uur langer in stand kon blijven. Als er geene

andere planters waren dan zooals hij," vervolgde hij, met zijnen vinger

naar Legree wijzende, die met den rug naar hem toestond, "zou het

geheele ding zinken als een molensteen. Het zijn uwe fatsoenlijkheid

en menschlievendheid, die zijne brutaliteit beschermen."

"Gij hebt zeker hooge gedachten van mijn goed humeur," zeide de

planter glimlachende; "maar ik raad u om niet zoo hard te spreken,

daar er lieden op de boot zijn, die misschien niet zoo verdraagzaam

zouden wezen als ik ben. Wacht liever tot gij op mijn plantage zijt;

daar kunt gij dan ons allen op uw gemak over den hekel halen."

De jongeheer bloosde en glimlachte, en de twee zaten spoedig aan een

spel triktrak. Ondertusschen had er op het lagere gedeelte der boot

een ander gesprek plaats tusschen Emmeline en de mulattin, aan wie

zij was vastgekluisterd. Gelijk natuurlijk was, deelden zij elkander

eenige omstandigheden van hare geschiedenis mede.

"Aan wien hebt gij toebehoord?" zeide Emmeline.

"Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in de

Hoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien."

"Was hij goed voor u?"

"Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af

en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen, dat hij

niemand nacht noch dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk

dat niemand iets naar zijnen zin kon doen. Hij werd met elken dag

ongemakkelijker; hield mij 's nachts op, tot ik geheel af was en

ik niet langer wakker kon blijven; en omdat ik eens op een nacht in

slaap viel, o, toen sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide,

dat hij mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden

kon; en hij had mij toch mijne vrijheid beloofd als hij stierf."

"Hadt gij geene betrekkingen?" zeide Emmeline.

"Ja, mijn man--hij is hoefsmid. Meester huurde hem doorgaans uit. Zij

brachten mij zoo heel gauw weg, dat ik niet eens tijd had om hem

te zien, en ik had vier kinderen gekregen. Och!" zeide de vrouw en

bedekte haar gezicht met hare handen.

Het is eene natuurlijke neiging bij iedereen, die een verhaal van

jammer hoort, iets tot troost te willen zeggen. Emmeline wilde gaarne

iets zeggen, maar zij kon niets bedenken. Wat was hier te zeggen? Als

hadden zij het afgesproken, vermeden beiden, met vrees en angst,

alle melding van den afschuwelijken man, die nu haar meester was.

Het is waar, er is godsdienstige troost zelfs voor het donkerste

uur. De mulattin, die lid der methodistische kerk was, bezat,

hoewel haar verstand weinig ontwikkeld was, een echten geest van

godsvrucht. Emmeline was veel beter opgevoed--zij had leeren lezen en

schrijven, en was door eene vrome meesteres zorgvuldig in den Bijbel

onderwezen; maar zou het toch niet het geloof van den standvastigsten

christen beproeven, zich zoo, schijnbaar door God verlaten, in de

macht van het onmeedoogende geweld te bevinden? Hoeveel meer moest

dan het geloof geschokt worden dier arme kleinen van Christus, zwak

in kennis en teeder in jaren.

De boot voer voort--met hare lading van jammer bevracht--den modderigen

stroom op, door de kronkelende bochten der Roode rivier; en droevige

oogen staarden vermoeid op de steile oevers van roode klei, die met

akelige eentonigheid voorbijgleden. Eindelijk leide de boot aan bij

eene kleine stad, en hier ging Legree met zijn troep van boord.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

DUISTERE PLAATSEN

"De duistere plaatsen des lands

zijn vol woningen van geweld."

Vermoeid, achter een ruwen wagen over een ongebaanden weg aankomende,

stapten Tom en zijne makkers voort.

De Negerhut · 第 33 / 44 段