schepsels worden er aan gewoon, en het is de eenige manier waarop er
orde onder kan worden gehouden. Als zij eens denken dat zij airs van
kieschheid en dat alles kunnen geven, nemen zij een loopje met u,
gelijk mijne bedienden altijd gedaan hebben. Ik ben nu begonnen met
hun anders te leeren, en ik zal hun spoedig allen doen begrijpen, dat
ik den een evengoed zal zenden om gegeeseld te worden als den ander,
als zij niet oppassen," zeide Marie, gebiedend om zich heenziende.
Jane liet haar hoofd hangen en kromp ineen toen zij dit hoorde, want
zij voelde dat het bijzonder op haar gemunt was. Miss Ophelia bleef
een oogenblik zitten, alsof zij een of ander ontploffend mengsel had
ingenomen en op het punt was om te bersten. Toen bedenkende hoe geheel
nutteloos een woordenstrijd met iemand van zulk een karakter was,
kneep zij hare lippen vaster dicht, stond op en ging de kamer uit.
Het was hard, weder naar Rosa te moeten gaan om haar te zeggen, dat zij
toch niets voor haar doen kon. Kort daarop kwam een der slaven zeggen
dat zijne meesteres hem gelast had, Rosa naar het geeselhuis te brengen
en in weerwil van haar smeeken en schreien, werd zij daarheen gesleept.
Eenige dagen later stond Tom peinzend onder eene der galerijen,
toen Adolf bij hem kwam, die sedert den dood van zijnen meester zeer
mismoedig en bedrukt geweest was. Adolf wist wel dat zijne meesteres
altijd een hekel aan hem had gehad, maar zoolang zijn meester leefde,
had hij zich daar weinig om bekommerd. Nu deze gestorven was, was
hij geen dag zonder angst geweest, daar hij niet wist wat hem den
volgenden kon overkomen. Marie had reeds verscheidene malen haar
procureur geraadpleegd, en na overleg met St. Clare's broeder had men
besloten om het huis en al de bedienden te verkoopen, behalve die
haar persoonlijk eigendom waren. Deze laatsten wilde zij medenemen
en zich weder naar de plantage van haren vader begeven.
"Weet gij wel, Tom, dat wij allen verkocht zullen worden?" zeide Adolf.
"Hoe hebt gij dat gehoord?" zeide Tom.
"Ik had mij achter de gordijnen verscholen, toen mevrouw met den
procureur sprak. Over eenige dagen zullen wij allen naar de publieke
verkooping gezonden worden."
"De wil des Heeren geschiede!" zeide Tom met een zwaren zucht, zijne
armen over elkander heenslaande.
"Wij zullen nooit weder zulk een meester krijgen," zeide Adolf
benauwd. "Maar ik wil liever verkocht worden, dan afwachten hoe het
onder mevrouw met mij gaan zal."
Tom keerde zich om. Zijn hart was vol. De hoop op vrijheid, de
gedachte aan zijne vrouw en kinderen rezen op voor zijn geduldige
ziel, gelijk voor den zeeman, die bijna in de haven schipbreuk lijdt,
eene verschijning oprijst van den kerktoren en de bekende daken van
het dorp zijner geboorte, die hij over de toppen der donkere golven
slechts even ontwaart, om ze een laatst vaarwel toe te roepen. Hij
klemde zijne armen vast over zijne borst, bedwong zijne tranen en
poogde te bidden. De arme, onnoozele man had zulk een zonderling
onverklaarbaar vooroordeel ten gunste der vrijheid, dat het bidden
hem zeer moeilijk viel; en hoe meer hij zeide: "Uw wil geschiede!" des
te oproeriger werd het in zijn gemoed.
Hij zocht Miss Ophelia op, die hem sedert Eva's dood altijd met
bijzondere achting en vriendelijkheid had behandeld.
"Miss Phelia," zeide hij, "Mijnheer St. Clare had mij mijne vrijheid
beloofd. Hij zeide mij dat hij begonnen was met de papieren gereed
te maken; en als nu Miss Phelia zoo goed wilde zijn om er met mevrouw
over te spreken, zou zij er misschien wel mede willen laten voortgaan,
daar het toch Mijnheer St. Clare's verlangen was."
"Ik zal voor u spreken, Tom, en mijn best doen," zeide Ophelia,
"maar als het van Mevrouw St. Clare afhangt, kan ik niet veel voor
u hopen. Evenwel, ik zal het beproeven."
Dit gebeurde eenige dagen na het voorgevallene met Rosa, terwijl Miss
Ophelia reeds bezig was met toebereidselen, om naar het Noorden terug
te keeren.
Ernstig bij zich zelven nadenkende, begreep zij dat zij misschien bij
haar vorig gesprek met Marie te haastig was geweest en met te veel
warmte gesproken had, en besloot zij thans haar ijver te matigen en zoo
geduldig te zijn als haar maar mogelijk was. Zoo nam dus de goede ziel
haar breiwerk mede en ging naar de kamer van Marie, met het voornemen
om zich zoo aangenaam te maken als zij maar kon, en tevens over de
zaak van Tom te onderhandelen met al de diplomatische behendigheid,
die haar ten dienste stond.
Zij vond Marie zoo lang als zij was op eene sofa liggen, met een
elleboog op de kussens leunende, terwijl Jane, die voor haar naar
eenige winkels was geweest, haar stalen van dunne zwarte stoffen
vertoonde.
"Dat zou goed zijn," zeide Marie, er een uitkiezende, "maar ik weet
niet zeker of het wel eigenlijk voor rouw kan dienen."
"O ja, Mevrouw," zeide Jane. "Mevrouw Derbennon heeft hetzelfde
gedragen, toen de generaal verleden zomer gestorven was, en het
kleedt overheerlijk."
"Wat denkt gij er van?" zeide Marie tot Ophelia.
"Dat zal van het gebruik afhangen, denk ik," antwoordde Ophelia,
"en daarover kunt gij zeker beter oordeelen dan ik."
"De zaak is," zeide Marie, "dat ik geene enkele japon in de wereld
heb die ik dragen kan; en daar ik aanstaande week het huishouden
opbreek en vertrek, moet ik tot het een of ander besluiten."
"Gaat gij spoedig?"
"Ja, St. Clare's broeder heeft geschreven, en hij en de procureur
denken dat het best zal zijn, de bedienden en de meubelen publiek
te laten verkoopen, en het huis en het landgoed in handen van onzen
procureur te laten."
"Dan is er nog iets, waarover ik u spreken wilde," zeide
Ophelia. "St. Clare had Tom zijne vrijheid beloofd, en was begonnen
met de vereischte wettige formaliteiten. Ik hoop dat gij uw invloed
zult aanwenden, om die zaak te doen in orde brengen."
"Dat ben ik volstrekt niet voornemens," antwoordde Marie scherp. "Tom
is een van de kostbaarste bedienden, en dat zou dus eene aanmerkelijke
schade voor de nalatenschap zijn. Bovendien, wat heeft hij met vrijheid
noodig? Hij heeft het veel beter zooals hij nu is."
"Maar hij verlangt er zeer naar, en zijn meester had ze hem beloofd,"
zeide Ophelia.
"Ik wil wel gelooven dat hij ze verlangt," zeide Marie. "Dat
doen zij allen, alleen omdat zij altijd onvergenoegd zijn en alles
verlangen wat zij niet hebben. Ik ben _par principe_ altijd tegen het
emancipeeren. Houd een neger onder het opzicht van een meester en hij
maakt het wel genoeg en gedraagt zich ordelijk; maar laat hen vrij, en
zij worden lui en willen niet werken, raken aan den drank, en worden
allen gemeene deugnieten. Ik heb dat honderden malen gezien. Het is
niet eens eene gunst voor hen, hen vrij te laten."
"Maar Tom is zoo bedaard, vlijtig en godsdienstig."
"O, daar behoeft gij mij niet van te spreken. Ik heb er honderden
gezien, evenals hij. Hij zal zich heel wel gedragen zoolang hij onder
opzicht is, dat is alles."
"Maar bedenk dan ook," zeide Ophelia, "als gij hem te koop laat zetten,
is er kans dat hij een slecht meester krijgt."
"O, dat is alles maar gekheid!" zeide Marie. "Het gebeurt niet eens
in de honderd maal dat een goed kerel een slecht meester krijgt. De
meeste meesters zijn goed, hoeveel er ook mag gepraat worden. Ik
ben hier in het Zuiden groot geworden, en heb nog nooit een meester
gekend, die zijne bedienden niet goed behandelde, zoo goed als het
maar behoeft. In dat opzicht ben ik volstrekt niet bang."
"Welnu," zeide Ophelia met nadruk, "ik weet dat het een der laatste
wenschen van uwen man was, dat Tom zijne vrijheid zou hebben; het
was eene van de beloften, die hij de kleine Eva op haar sterfbed gaf,
en ik zou niet denken dat gij over zoo iets zoudt willen heenstappen."
Onder deze toespraak bedekte Marie haar gezicht met hare zakdoek en
begon zij met heftigheid te snikken en haar flacon te gebruiken.
"Iedereen maakt het mij moeilijk," zeide zij nu. "Iedereen is even
ongevoelig! Ik zou niet verwacht hebben, dat gij mij mijne rampen
weder in het geheugen zoudt brengen. Maar niemand denkt ooit om mijn
gevoel--en dat bij mijne buitengemeene bezoekingen! Het valt mij zoo
hard, nu ik maar eene eenige dochter had, dat zij mij moest ontnomen
worden--en daar ik een man had die mij juist beviel--en het is zoo
zelden dat mij iets bevalt--dat hij mij ook moest ontnomen worden! Gij
schijnt zoo weinig gevoel voor mij te hebben, en brengt het mij zoo
onbedacht voor den geest--terwijl gij weet hoe het mij overstelpt. Ik
wil gelooven dat gij het wèl meent; maar het is zoo onbedacht!"
En Marie snikte en hijgde naar adem, en riep Mammy om het venster
open te zetten en haar het kamferfleschje te geven, om haar hoofd
daarmede te bevochtigen, en haar kleed los te maken, en in de algemeene
opschudding die daarop volgde, nam Ophelia de wijk naar hare kamer.
Zij begreep terstond dat het niet baten kon iets meer te zeggen, want
Marie had altijd zenuwtoevallen bij de hand; en wanneer vervolgens
iemand een woord over de laatste wenschen van haren echtgenoot of van
Eva ten opzichte der bedienden begon te spreken, achtte zij het beste
er terstond een te laten aanrukken. Ophelia deed derhalve het beste,
dat zij in deze omstandigheden voor Tom doen kon; zij schreef voor
hem een brief aan Mevrouw Shelby, waarin zij zijn ongeval vermeldde
en aandrong om hem te hulp te komen.
Den volgenden dag werden Tom en Adolf, met nog een half dozijn anderen,
naar het slavenmagazijn gebracht, om daar te wachten tot de handelaar,
die eene publieke verkooping zoude houden, een troep bijeen had.
DERTIGSTE HOOFDSTUK
HET SLAVENMAGAZIJN
Een slavenmagazijn! Misschien maken sommigen mijner lezers zich eene
allerakeligste voorstelling van zulk eene plaats. Zij verbeelden zich
een vuil donker hol, een schrikkelijken Tartarus, "_informis ingens,
cui lumen adeptus_." Maar neen, onnoozele vriend, in deze dagen heeft
men de kunst geleerd om met overleg en fatsoen te zondigen, zoodat men
de oogen en het gevoel eener beschaafde maatschappij niet beleedigt. De
menschelijke koopwaar is hoog in prijs aan de markt, en wordt daarom
wel gevoed en wel schoongehouden, opgepast en verzorgd, opdat zij vet,
krachtig en in goeden staat ten verkoop kome. Een slavenmagazijn te
Nieuw-Orleans is een huis, voor het uiterlijke niet veel verschillende
van andere huizen, dat net onderhouden wordt, en waar gij dagelijks
buiten de deur onder een soort van afdak, eene rij mannen en vrouwen
kunt zien staan, als stalen van de waar die binnen te koop is.
Dan zult gij beleefd verzocht worden, om binnen te komen en
te examineeren, en dit doende zult gij een overvloed vinden van
echtgenooten en vrouwen, broeders en zusters, vaders, moeders en kleine
kinderen, "te koop afzonderlijk of bij partijen, gelijk gegadigden
zullen verlangen," en die onsterfelijke zielen, eens door den Zoon
Gods met bloed en angst gekocht, toen de aarde beefde en de rotsen
scheurden en de graven geopend werden, kunnen verkocht, verpand en
voor specerijen of droge waren verruild worden, naarmate het zoo in
den handel te pas, of den kooper gelegen komt.
Het was een paar dagen na het gesprek tusschen Marie en Ophelia, dat
Tom, Adolf en nog een half dozijn anderen uit de nalatenschap van
St. Clare aan de zorgen van Mr. Skeggs, houder van het depôt in de
straat, werden overgegeven, om de verkooping van den volgenden dag
daar af te wachten.
Tom had een vrij grooten koffer vol kleeren bij zich, gelijk de meeste
anderen insgelijks hadden. Zij werden voor den nacht in een lang
vertrek gebracht, waar nog vele andere mannen van allerlei ouderdom,
grootte en tinten van kleur verzameld waren en waar men het schaterende
gelach eener gedachtenlooze vroolijkheid hoorde.
"Ha, ha, ha, dat is goed! Toe maar, jongens, toe maar," zeide
Mr. Skeggs, de magazijnhouder. "Mijn volk is altijd zoo vroolijk! Sambo
is aan den gang, zie ik," voegde hij er bij, goedkeurend het woord
richtende tot een zwaarlijvigen neger, die de ruwe potsen maakte,
welke het gelach veroorzaakten dat Tom gehoord had.
Tom was, gelijk men wel denken kan, niet gestemd om in het vermaak te
deelen. Hij zette dus zijn koffer zoover mogelijk van de luidruchtige
groep, ging er op zitten en liet zijn hoofd tegen den muur leunen. De
handelaren in menschelijke koopwaar maken er opzettelijk hun werk van
om eene luidruchtige vroolijkheid onder hunne negers te bevorderen,
als een middel om het nadenken te smoren en hen voor hunnen toestand
ongevoelig te maken. De geheele behandeling welke den neger ten deel
valt, van dat hij op de markt in het Noorden wordt verkocht totdat
hij in het Zuiden komt, wordt er stelselmatig op aangelegd om hem
te verharden, gedachteloos te doen worden en te verdierlijken. De
slavenhandelaar verzamelt zijn troep in Virginia of Kentucky, en
brengt dien dan naar eene geschikte, gezonde plaats, om zijne negers
te mesten. Hier worden zij dagelijks volop gevoed; en daar sommigen
wel tot kniezen geneigd zijn, wordt er gewoonlijk eene viool op na
gehouden, en laat men hen alle dagen dansen; en hij die niet vroolijk
wil zijn--in wiens ziel de gedachten aan vrouw of kinderen te sterk
zijn om hem te doen lachen en springen--wordt voor een kwaardaardigen
en gevaarlijken kerel gehouden, en is blootgesteld aan al het kwaad,
dat het ongenoegen van een gevoelloos mensch, die aan niemand
verantwoordelijk is, hem kan aandoen. Levendigheid, vlugheid en
vroolijkheid van uitzicht, vooral in het bijzijn van toeschouwers,
worden hun gedurig opgedrongen, zoowel door de hoop om daardoor een
goed meester te krijgen, als door de vrees voor alles wat de handelaar
hun kan aandoen, wanneer zij onverkoopbaar blijken te zijn.
"Wat voert die neger daar uit?" zeide Sambo, naar Tom toekomende, nadat
Mr. Skeggs was heengegaan. Sambo was een echte zwarte, van reusachtige
grootte, zeer levendig en vlug van tong, en vol streken en kuren.
"Wat doet gij daar?" zeide Sambo, Tom schertsend een stoot in de
zijde gevende. "Aan het mediteeren, he?"
"Ik moet morgen op de verkooping verkocht worden," gaf Tom zeer
bedaard ten antwoord.
"Op de verkooping verkocht? Ha, ha! Jongens, is dat geen pret? Ik wou
dat ik ook dien weg op moest! Zegt, zou ik ze niet laten lachen? Maar
hoe is dat? Moet die heele troep morgen gaan?" zeide Sambo, en leide
zijne hand vrijpostig op Adolfs schouder.
"Wees zoo goed om van me af te blijven," zeide Adolf barsch en richtte
zich met groote minachting rechtop.
"Kijkt, jongens, dat is een van die blanke negers, eene soort van
roomkleurtje, en geparfumeerd!" zeide Sambo, nog dichter bij Adolf
komende en zijn neus ophalende. "Hij zou goed voor een tabakswinkel
zijn. Men kon hem gebruiken om de snuif te parfumeeren. Hij zou den
winkel aan eene goede klandizie helpen--zou hij niet?"
"Blijf van mij af, zeg ik!" riep Adolf woedend uit.
"Och, wat zijn wij kleinzeerig, wij blanke negers! Kijkt ons nu
eens aan." En Sambo bootste op eene koddige manier Adolfs houding en
manieren na. "Wat een air en gratie! Wij zijn in goede familie geweest,
zou ik denken."
"Ja," antwoordde Adolf, "ik had een meester, die u allen had kunnen
koopen voor oude lorren."
"Denk eens aan," zeide Sambo. "Zulke _gentlemen_ als wij zijn!"
"Ik behoorde aan de familie St. Clare," zeide Adolf trotsch.
"Wel, wel, deedt ge dat? Ik laat mij hangen, als zij niet gelukkig zijn
dat zij u eens te zien krijgen. Ik denk dat zij u met een partijtje
gebarsten trekpotten en zulke dingen zullen verkoopen," zeide Sambo,
met een tergende grijns.
Adolf, woedend over dien schimp, vloog als razend op zijnen vijand
aan, en sloeg vloekende naar alle kanten om zich heen, terwijl de
anderen lachten en joelden, en het rumoer deed daardoor den oppasser
binnenkomen.
"Wat nu, jongens! Orde, orde!" riep hij en zwaaide met een lange
zweep. Allen namen naar verschillende kanten de vlucht, behalve Sambo,
die op de gunst, welke Mr. Skeggs hem als bevoorrecht grappenmaker
bewees, vertrouwende, staan bleef, en slechts met een koddige grijns
dook, als de meester een slag naar hem deed.
"O, meester, wij zijn het niet.--Wij zijn altijd ordentelijk.--Het
zijn de nieuwelingen.--Zij maken het lastig; het is alsof zij gedurig
ruzie met ons zoeken."
Daarop keerde Mr. Skeggs zich naar Tom en Adolf, deelde, zonder veel
te vragen, eenige schoppen en trappen uit; gaf een algemeen bevel om
goede jongens te zijn en te gaan slapen, en ging weder heen.
Terwijl dit in de slaapzaal der mannen plaats had, is de lezer
misschien wel nieuwsgierig geweest, om eens in het aangrenzende
vertrek te kijken, dat voor de vrouwen was bestemd.
In allerlei houdingen op de vloer uitgestrekt, kon hij daar eene
menigte gedaanten zien, van alle tinten van kleur, van het zuiverste
zwart af tot geheel blank, en van alle jaren, van de kindsheid tot den
grijzen ouderdom, die nu liggen te slapen. Hier is een bevallig meisje
van tien jaren, wier moeder gisteren werd verkocht en dat zich nu in
slaap heeft geschreid, zonder dat iemand er op lette. Daar eene oude
afgewerkte negerin, wier magere armen en vereelte vingers van harden
arbeid spreken, wachtende om morgen, als afgekeurde waar, verkocht te
worden voor wat zij nog gelden kan. Veertig of vijftig anderen, met het
hoofd op allerlei manieren in dekens of kleederen gewikkeld, liggen
om deze heen. Maar in een hoek, van de anderen afgezonderd, zitten
twee vrouwen, wier voorkomen meer dan gewoonlijk de aandacht trekt.
Eene van deze is een fatsoenlijk gekleede mulattin, van tusschen de
veertig en vijftig jaren, met zachte oogen en innemende trekken. Zij
heeft een hoogen tulband op het hoofd, van een rooden madrassen doek
van de eerste kwaliteit gemaakt en hare kleeding past haar zeer net
en is van goede stof, aanduidende dat zij door zorgvuldige handen
zoo is uitgerust. Naast haar, dicht tegen haar aangedrongen zit een
meisje van vijftien jaren, hare dochter. Zij is eene quadrone, gelijk
men aan hare blanke kleur kan zien, hoewel hare gelijkenis met hare
moeder toch zeer duidelijk is. Zij heeft dezelfde donkere oogen met
lange wimpers, en haar krullend haar is fraai bruin van kleur. Zij
is ook zeer net gekleed, en hare witte, fijne handjes verraden weinig
gemeenzaamheid met slaafschen arbeid. Deze twee moeten morgen verkocht
worden, tegelijk met de bedienden van St. Clare, en de heer, aan wien
zij toebehooren en aan wien het geld dat zij opbrengen, moet worden
overgezonden, is lid eener Christelijke kerk te New-York, die het
geld zal aannemen, en daarna het sacrament van zijnen en haren Heer
ontvangen, zonder er meer aan te denken.
Deze twee, die wij Suze en Emmeline zullen noemen, waren lijfbedienden
van een zachtaardige en godvruchtige dame te Nieuw-Orleans geweest,
door wie zij zorgvuldig onderwezen en godsdienstig opgeleid waren. Zij
hadden leeren lezen en schrijven, waren geoefend in de godsdienstige
waarheden van het Christendom, en haar lot was zoo gelukkig geweest,
als het in haren staat wezen kon. Doch de eenige zoon harer eigenares
had het beheer over het vermogen zijner moeder, en door zijne
zorgeloosheid en buitensporigheid had hij dit met schulden bezwaard
en daarna bankroet gemaakt. Een der voornaamste crediteuren was de
zeer geachte B. en Comp. te New-York, B. en Comp. schreven aan hunnen
procureur te New-Orleans, die den boedel had aangeslagen, (waarvan
deze twee slavinnen en een troepje plantage-arbeiders het kostbaarste
gedeelte uitmaakten) en die dit naar New-York had bericht. Daar broeder
B., gelijk wij zeiden, een Christelijk man en burger van een vrijen
staat was, voelde hij in deze omstandigheden eenige ongerustheid. Hij
dreef niet gaarne handel in slaven en menschelijke zielen--natuurlijk
niet; maar het was om dertig duizend dollars te doen, en dit was toch
wat te veel geld, om voor zijne beginselen op te offeren; na zich
dus wel bedacht te hebben, en raad te hebben gevraagd aan lieden,
die hij wist dat hem een raad naar zijnen zin zouden geven, schreef
broeder B. aan zijnen procureur, dat hij de zaak moest behandelen
gelijk hem het beste voorkwam, en hem het bedrag maar overmaken.
Daags nadat die brief te New-Orleans aankwam, werden Suze en Emmeline
in beslag genomen en naar het depôt gebracht, om daar de algemeene
verkooping af te wachten. Terwijl zij nu in het maanlicht, dat door
het getraliede venster sluipt, schemerachtig zichtbaar zijn, kunnen
wij naar haar gesprek luisteren. Beiden schreiden, maar stil, opdat
de eene het niet van de andere hooren zal.
"Moeder, leg uw hoofd nu in mijnen schoot en zie of gij niet wat
slapen kunt," zeide het meisje, haar best doende om kalm te schijnen.
"Ik heb geen lust om te slapen, Em. Ik zou niet kunnen. Het is
misschien de laatste nacht, dat wij bij elkander zijn."
"O, moeder, spreek zoo niet. Misschien zullen wij te zamen verkocht
worden, wie weet het?"
"Als het iemand anders zaak was, zou ik ook zoo spreken, Em,"
antwoordde de moeder; "maar ik ben zoo bang om u te verliezen, dat
ik niets anders zie dan het gevaar."
"Waarom, moeder? De man zeide, dat wij er beide knap uitzagen." Suze
herinnerde zich nu de woorden en de blikken van dien man; en werd
bijna flauw van angst, toen zij bedacht hoe hij Emmeline's handen had
bekeken en hare krullende lokken opgelicht, en gezegd dat zij "puike
waar" was. Suze was christelijk opgebracht, gewoon om dagelijks in
den Bijbel te lezen, en gruwde er evenzeer van, dat haar kind tot een
leven van schande zou verkocht worden, als eenige andere christelijke
moeder had kunnen doen; maar zij had geene hoop, geene bescherming.
"Moeder, ik denk dat het wel goed zou voldoen, als gij eene plaats
als keukenmeid kondt krijgen en ik als kamermeid of naaister bij eene
familie. Ik geloof dat zeker. Laten wij er beiden maar zoo frisch en
vroolijk uitzien als wij kunnen, en alles zeggen wat wij kunnen doen,
dan zal dat misschien wel gaan," zeide Emmeline.
"Gij moet morgen al uw haar achterwaarts kammen, gladweg," zeide Suze.
"Waarom moeder? Ik zie er dan lang zoo goed niet uit."
"Ja, maar gij zult dan beter verkocht worden."
"Ik begrijp niet waarom," zeide het meisje.
"Fatsoenlijke familiën zullen u liever willen koopen, als gij eenvoudig
en stemmig zijt, dan als gij uw best doet om u mooi te maken. Ik ken
de manieren van die menschen beter dan gij," zeide Suze.
"Welnu, moeder, dan zal ik het zoo doen."
"En Emmeline, als wij elkander na den dag van morgen nooit mochten
wederzien--als ik ergens op eene plantage word verkocht, en gij dan
ergens anders--onthoud dan altijd hoe gij zijt opgebracht en alles
wat mevrouw u gezegd heeft. Neem uw Bijbel mede en uw gezangboek,
en als gij den Heere getrouw zijt, zal Hij u getrouw zijn."
Zoo spreekt de arme ziel, in angstige bekommering; want zij weet
dat morgen ieder man, hoe laag en verdierlijkt, hoe goddeloos en
onbarmhartig ook, als hij maar genoeg geld voor haar te betalen
heeft, de eigenaar harer dochter kan worden, met lichaam en ziel;
en hoe zal het kind dan getrouw blijven? Zij denkt aan dat alles,
terwijl zij hare dochter in hare armen sluit, en wenscht dat zij niet
zoo welgemaakt en bevallig was. Het schijnt bijna een verzwaring van
haar lot, als zij bedenkt hoe rein en godvruchtig, hoe ver boven den
gewonen staat zij is opgebracht. Zij heeft geene andere toevlucht
dan het gebed; en vele zulke gebeden aan God zijn uit die nette,
ordelijke en hoogst fatsoenlijke slavengevangenissen opgegaan--gebeden,
die God niet vergeten heeft, gelijk een dag der toekomst toonen zal,
want er staat geschreven: "Zoo wie een van deze kleinen ergert, het
waar hem beter, dat een molensteen om zijnen hals gehangen en hij in
de diepte der zee geworpen ware."
De zachte, ernstige, stille maneschijn ziet strak naar binnen
en teekent de bouten der getraliede vensters op de slapende
gedaanten. Moeder en dochter zingen te zamen een wild en droevig
treurlied, onder de slaven als lijkzang in gebruik:
"O, waar is schreiende Mary?
O, waar is schreiende Mary?
Gegaan naar 't schoone land,
Zij is dood en naar den hemel;
Zij is dood en naar den hemel;
Gegaan naar 't schoone land."
Deze woorden, door liefelijke en treurige stemmen gezongen, naar eene
melodie, welke het zuchten der aardsche wanhoop naar de hemelsche
hoop scheen uit te drukken, klonken met aandoenlijke galmen door de
gevangenis, terwijl het eene vers het andere volgde.
O, waar zijn Paul en Silas?
O, waar zijn Paul en Silas?
Gegaan naar 't schoone land.
Dood zijn ze en in den hemel;
Dood zijn ze en in den hemel;
Gegaan naar 't schoone land.
Zingt maar voort, arme zielen! De nacht is kort en de morgen zal u
voor altijd scheiden.