"Dit was iets dat zij dikwijls placht te zingen," zeide St. Clare. "Mij

dunkt, ik hoor haar nog."

Hij sloeg eenige statige accoorden aan, en begon toen het oude verheven

kerklied: de _Dies Irae_, te zingen.

Tom, die onder de veranda stond te luisteren, werd door deze muziek

naar de deur der kamer gelokt. De woorden van het Latijnsche lied

verstond hij natuurlijk niet, maar de muziek en de manier waarop die

gezongen werd, scheen hem zeer aan te doen, vooral wanneer St. Clare

de roerendste gedeelten zong. Nog veel dieper zou zijn gemoed zijn

bewogen, als hij de beteekenis had verstaan der treffende woorden:

"Recordare, Jesu pie,

Quod sum causa tuae viae,

Ne me perdas illa die;

Quaerens me sedisti lassus,

Redimisti crucem passus,

Tantus labor non sit cassus." [8]

St. Clare gaf eene diep roerende uitdrukking aan deze woorden; want

de nevelachtige sluier der jaren scheen te worden opgelicht, en het

was hem alsof hij de stem zijner moeder met de zijne hoorde medezingen.

Toen het lied uitgezongen was, bleef St. Clare nog eene poos met het

hoofd in de hand zitten; stond toen op en begon in de kamer op en

neer te wandelen.

"Welk eene verhevene voorstelling van het laatste oordeel!" zeide

hij. "Al het onrecht van eeuwen hersteld!--alle zedelijke raadselen

opgelost, door eene onbedriegelijke wijsheid. Het is waarlijk een

grootsch tafereel."

"Maar geducht voor ons," zeide Ophelia.

"Dat moest het voor mij wezen, zou ik denken," zeide St. Clare,

peinzend stilstaande. "Ik las van middag voor Tom dat hoofdstuk van

Mattheus, dat eene beschrijving daarvan geeft, en ik ben er waarlijk

door getroffen. Men zou verwacht hebben, dat aan diegenen die van

den hemel worden uitgesloten, gruwelijke euveldaden te last zouden

worden gelegd, als reden daarvoor, maar neen--zij worden uitgesloten

omdat zij geen positief goed hebben gedaan, alsof dat alle mogelijk

kwaad insloot."

"Misschien," zeide Ophelia, "is het onmogelijk, dat iemand die geen

goed doet, geen kwaad doet."

"En wat," zeide St. Clare redeneerende, maar toch met diep gevoel

sprekende, "wat zal er dan gezegd worden van iemand, die door

zijn eigen hart, zijne opvoeding en de behoeften der maatschappij

vruchteloos tot een edel doel geroepen werd; die als een droomerig,

onzijdig toeschouwer van den strijd den angst en het lijden der

menschheid heeft laten voortbestaan, terwijl hij werkzaam had kunnen

en moeten zijn?"

"Ik zou zeggen," antwoordde Ophelia, "dat hij berouw moest hebben en

nu beginnen."

"Altijd practisch en op den man af!" zeide St. Clare, terwijl zich

een glimlach op zijn gezicht begon te vertoonen. "Gij laat mij nooit

tijd tot algemeene bespiegelingen, Nicht; gij brengt mij altijd vlak

voor het werkelijk tegenwoordige; gij hebt eene soort van eeuwig nu,

dat u altijd voor den geest is."

"Nu is al de tijd, waarmede ik iets te doen heb," antwoordde Ophelia.

"Lieve, kleine Eva--arm kind!" zeide St. Clare, "zij had haar eenvoudig

hartje gezet op een goed werk voor mij."

Het was de eerste maal sedert Eva's dood, dat men hem zoovele woorden

over haar had hooren spreken, en hij had nu blijkbaar veel moeite om

zijn gevoel te bedwingen.

"Ik heb van het Christendom zulk een begrip," vervolgde hij, "dat

ik geloof, dat niemand het kan belijden, of hij moet om consequent

te blijven, zich met alle macht tegen het gedrochtelijk stelsel

van ongerechtigheid verzetten, dat den grondslag van geheel onze

maatschappij uitmaakt, en zoo het noodig is, zichzelven in dien strijd

opofferen. Dat is, ik meen dat ik op geene andere wijs een Christen

zou kunnen zijn, schoon ik zeker omgang heb gehad met vele verlichte,

Christelijke menschen, die zoo niet deden; en ik beken dat de lauwheid

van godsdienstige menschen in dit opzicht, hun gebrek aan een gevoel

bij een onrecht dat mij deed ijzen, mij meer dan iets anders tot

twijfelzucht heeft gebracht."

"Indien gij dat alles wist," zeide Ophelia, "waarom hebt gij het

niet gedaan?"

"Och, omdat ik alleen die soort menschlievendheid heb, die daarin

bestaat, dat men op de sofa liggende, de kerk en de geestelijken

verwenscht, omdat zij geene belijders en martelaren zijn. Men kan zeer

gemakkelijk zien, weet ge, dat anderen martelaren behoorden te wezen."

"En zult ge nu anders gaan doen?" zeide Ophelia.

"God alleen kent de toekomst," antwoordde St. Clare. "Ik ben dapperder

dan ik was, omdat ik alles verloren heb; en wie niets te verliezen

heeft, kan alles wagen."

"En wat zult ge nu gaan doen?"

"Mijn plicht, hoop ik, jegens armen en geringen, zoodra ik dien maar

duidelijk zie," antwoordde St. Clare; "beginnende bij mijne eigen

bedienden, voor wie ik nog niets gedaan heb; en misschien zal het

eens blijken, dat ik iets voor de geheele klasse kan doen; iets om

mijn land te ontheffen van de schande, welke het thans voor alle

beschaafde natiën bedekt."

"Acht gij het mogelijk, dat een volk ooit vrijwillig tot de emancipatie

zal komen?" zeide Ophelia.

"Ik weet het niet," antwoordde St. Clare. "Dit is een dag van groote

daden. Heldhaftigheid en belangeloosheid rijzen hier en daar als uit

den grond. De Hongaarsche edelen hebben met een ontzaglijk financieel

verlies millioenen van lijfeigenen vrijverklaard, en misschien zullen

er onder ons grootmoedigen worden gevonden, die eer en recht niet

naar dollars en centen waardeeren."

"Ik denk het haast niet," zeide Ophelia.

"Maar onderstel dat wij morgen zouden opstaan en emancipeeren,

wie zou dan deze millioenen opvoeden en hen hunne vrijheid leeren

gebruiken? Zij zouden onder ons nooit veel goeds worden. De waarheid

is, dat wij zelven te lui en te flauwhartig zijn, om hun een denkbeeld

te geven van die geestkracht en vlijt, die vereischt wordt om hen tot

menschen te vormen. Zij zullen naar het Noorden moeten gaan, waar het

arbeiden de mode--het algemeen gebruik is; en zeg mij nu, is er genoeg

christelijke menschenliefde in uwe Noordelijke staten om het bezwaar

van hunne opvoeding en beschaving te dragen? Gij geeft duizenden van

dollars aan zendelingen in vreemde landen; maar kunt gij het velen, dat

de heiden in uwe steden en dorpen gezonden wordt, en kunt gij uw tijd,

uwe gedachten en uw geld geven, om hem tot den christelijken standaard

te verheffen? Dat zou ik willen weten. Als wij emancipeeren, zijt gij

dan bereid om op te voeden? Hoevele huisgezinnen in uwe stad zouden

dan een neger en negerin willen opnemen, hen onderrichten, geduld met

hen hebben en hen tot christenen maken? Hoevele kooplieden zouden Adolf

willen nemen, als ik hem als klerk bij hen wilde plaatsen, of hoevele

handwerkslieden, als ik hem een ambacht wilde laten leeren? Als ik

Jane en Rosa school wilde leggen, hoevele scholen zijn er dan in de

Noordelijke staten, die haar zouden opnemen? Hoevele familiën die haar

zouden willen hebben? En toch zijn zij zoo blank als menige vrouw in

het Zuiden en Noorden. Gij ziet, Nicht, ik wil dat ons recht gedaan

worde. Wij zijn in eene slechte positie. Wij zijn de _meer openbare_

onderdrukkers van den neger; maar het onchristelijk vooroordeel van

het Noorden is een bijna even hard onderdrukker."

"Ja, Neef, ik weet dat het zoo is," antwoordde Ophelia. "Ik weet dat

het zoo met mij was, tot ik zag dat het mijn plicht was dat vooroordeel

te overwinnen, en ik weet dat er vele brave menschen in het Noorden

zijn, die in dit opzicht alleen behoeven te leeren wat hun plicht

is, om het te doen. Het zou zeker eene grooter zelfverloochening

vereischen, om heidenen onder ons te ontvangen, dan om hun zendelingen

te zenden; maar ik denk dat wij het doen zouden."

"Gij zoudt het doen, dat weet ik," zeide St. Clare. "Ik zou wel

eens willen zien wat gij niet doen zoudt, als gij het voor uwen

plicht hieldt."

"Och, ik ben zoo buitengemeen niet," zeide Ophelia daarop. "Anderen

zouden hetzelfde doen, als zij de dingen zoo zagen als ik. Ik denk

Topsy mede naar huis te nemen als ik ga. Ik denk dat de menschen bij

ons zich eerst wel erg zullen verwonderen; maar ik geloof dat zij

zich wel tot mijn begrip zullen laten brengen. Bovendien weet ik dat

er velen in het Noorden zijn, die juist zoo doen als gij gezegd hebt."

"Ja, maar zij zijn de minderheid, en als wij wat veel begonnen te

emancipeeren, zouden wij van uwen kant spoedig wat anders hooren."

Ophelia gaf hierop geen antwoord. Er volgde eene poos van stilte,

en St. Clare's gezicht nam eene treurige mijmerende uitdrukking aan.

"Ik weet niet wat mij van avond zooveel aan mijne moeder doet denken,"

zeide hij. "Ik heb een zonderling gevoel, alsof zij dicht bij mij

was. Ik denk gedurig aan dingen die zij placht te zeggen. Het is

vreemd. Wat is het toch, dat ons dat lang verledene somtijds zoo

levendig herinnert?"

Hij wandelde nog een poos de kamer op en neer en zeide toen: "Mij

dunkt, ik zal eens even de straat opgaan en hooren wat nieuws er van

avond is."

Hij nam zijn hoed en ging.

Tom volgde hem het binnenplein over en vroeg of hij zou medegaan.

"Neen, mijn jongen," antwoordde St. Clare; "ik zal binnen een uur

terug zijn."

Tom zette zich onder de veranda. Het was helder maneschijn, hij zat

daar naar het springen der fontein te turen en ook naar het geklater te

luisteren. Tom dacht aan zijn huis en dat hij spoedig een vrij man zou

zijn en in staat om daarheen terug te keeren wanneer hij verkoos. Hij

dacht hoe hij werken zou om zijne vrouw en kinderen te koopen. Hij

betastte met zekere blijdschap de spieren zijner forsche armen en

dacht hoe spoedig zij hem zelven zouden toebehooren, en hoeveel zij

zouden werken om de vrijheid zijner familie te verdienen. En toen

dacht hij aan zijnen edelaardigen jongen meester, en op die gedachte

volgde het gewone gebed, dat hij altijd voor hem had opgezonden,

en toen zwierven zijne gedachten naar de lieve kleine Eva, welke

hij zich onder de engelen voorstelde: en hij bleef zoo peinzen,

tot hij zich bijna verbeeldde dat haar helder gezichtje hem uit de

spattende droppels der fontein aanzag. En zoo peinzende viel hij

in slaap en droomde dat hij haar naar zich toe zag komen huppelen,

juist gelijk zij placht te doen, met een krans van jasmijn in het

haar, met blozende wangen en oogen die van blijdschap straalden;

maar toen hij wel toezag, scheen zij van den grond op te rijzen;

hare wangen hadden een bleeke kleur, hare oogen een meer hemelschen

glans, en eene gouden glorie scheen haar hoofd te omringen, en zoo

verdween zij uit zijn gezicht; Tom ontwaakte door een luid kloppen

en het roepen van verscheidene stemmen aan de voorpoort.

Hij haastte zich om die te openen: en met zware schreden, onder enkele

woorden, met gesmoorde stem gesproken, kwamen eenige mannen binnen,

een mensch dragende, die in een mantel gewikkeld op een vensterluik

lag. Het licht der lantaren bescheen het gezicht; en Tom gaf een

woesten kreet van ontzetting en wanhoop, die door de galerijen klonk,

terwijl de mannen met hunnen last de open deur der voorkamer naderden,

waar Ophelia zat te breien.

St. Clare was een koffiehuis binnengegaan, om een avondblad in te

zien. Terwijl hij dit las, werden twee heeren in de zaal, die beiden

door drank beneveld waren, met elkander handgemeen, St. Clare en

een paar anderen poogden hen te scheiden, en St. Clare kreeg een

noodlottigen steek in de zijde met een ponjaard-mes, dat hij een der

vechtenden wilde ontwringen.

Terstond was het huis vol gegil, geschreeuw en gejammer; de bedienden

trokken zich als razend de haren uit, en wierpen zich wanhopig op den

grond, of liepen verbijsterd heen en weder. Tom en Miss Ophelia alleen

schenen nog eenige tegenwoordigheid van geest te bezitten; want Marie

lag in een heftig zenuwtoeval. Op Ophelia's beschikking werd eene der

sofa's in de voorkamer haastig gereedgemaakt en de gekwetste daarop

nedergelegd. St. Clare was van pijn en bloedverlies flauw gevallen;

maar toen Ophelia opwekkende middelen aanwendde, kwam hij weder bij,

opende de oogen, staarde strak voor zich, zocht ernstig in de kamer

rond, en liet zijn blik over alle voorwerpen dwalen, tot deze eindelijk

op het portret zijner moeder bleef rusten.

De dokter kwam nu en onderzocht zijn toestand. Men kon uit zijn gezicht

opmaken, dat er geene hoop meer was; maar hij maakte toch aanstalten

om de wond te verbinden; en hij, Miss Ophelia en Tom verrichtten dit

werk met alle bedaardheid, onder het jammeren, snikken en kermen der

verschrikte en angstige bedienden, die elkander bij de deur verdrongen.

"Wij moeten al dat volk wegjagen," zeide de dokter. "Alles hangt er

van af, dat hij stilgehouden wordt."

St. Clare opende de oogen en staarde strak naar de bedroefden,

welke Ophelia en de dokter uit de kamer poogden te verwijderen. "Arme

schepsels!" zeide hij, en eene uitdrukking van bitter zelfverwijt vloog

over zijn gezicht. Adolf was onmogelijk te verdrijven. Ontzetting

had hem bijna van zijne zinnen beroofd; hij wierp zich zoo lang hij

was op den grond, en niets kon hem bewegen om op te staan. De anderen

luisterden naar Ophelia's dringende vermaningen, toen zij zeide dat het

behoud van hunnen meester van hunne stilte en gehoorzaamheid afhing.

St. Clare kon maar weinig spreken. Hij lag met gesloten oogen, maar

het was duidelijk te zien dat hij met bittere gedachten worstelde. Na

eene poos leide hij zijne hand op die van Tom, die naast hem knielde

en zeide: "Tom, arme man!"

"Wat, meester?" zeide Tom ernstig.

"Ik ben stervende," zeide St. Clare en drukte hem de hand. "Bid!"

"Als gij een geestelijke mocht verlangen," begon de dokter.

St. Clare schudde zijn hoofd en zeide nog eens en met meer ernst tot

Tom: "Bid!"

En Tom bad, met alle kracht en geheel zijn hart, voor de ziel die

scheiden zou--de ziel, welke zoo ernstig uit die blauwe oogen scheen

te staren. Het was letterlijk een goed gebed, "met sterke roeping in

tranen geofferd."

Toen Tom zweeg, vatte St. Clare hem nogmaals bij de hand, maar zeide

niets. Hij sloot zijne oogen, maar bleef die hand vasthouden; want

voor de poort der eeuwigheid drukken de zwarte hand en de blanke

elkander als gelijken. Afgebroken en bij tusschenpoozen prevelde hij

bij zichzelven:

"Recordare, Jesu pie--

* * *

Ne me perdas illa die,

Quaerens me sedisti lassus."

Blijkbaar kwamen dus de woorden, welke hij dien avond gezongen had,

hem weder voor den geest--woorden van smeeking, tot de oneindige

Barmhartigheid gericht. Nu en dan ontvloden enkele afgebroken regels

van het lied zijne lippen.

"Hij ijlt," zeide de dokter.

"Neen, ik kom eindelijk tot mij zelven," zeide St. Clare met

nadruk. "Eindelijk, eindelijk!"

Het spreken had zijne krachten geheel uitgeput. De bleekheid des doods

spreidde zich over zijne trekken, maar vergezeld van eene uitdrukking

van vreedzame kalmte, gelijk die van een vermoeid kind dat in slaap

valt. Het was als ware een engel tot hem afgedaald, om hem te troosten.

Zoo lag hij een korte poos. Zij zagen dat de hand des doods op hem

was. Slechts nog even, juist vóórdat hij den geest gaf, opende hij

zijne oogen, waaruit een plotselinge glans als van blijde herkenning

straalde, en zeide: "Moeder!" en toen was hij gestorven.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

DE NALATENSCHAP

Men hoort dikwijls van de droefheid der negerslaven over het verlies

van een goeden meester; en maar al te veel reden hebben zij om bedroefd

daarover te zijn, want geen schepsel op Gods aarde kan ongelukkiger

en hulpeloozer achterblijven dan een slaaf in zulke omstandigheden.

Het kind, dat zijn vader heeft verloren, heeft nog de bescherming van

nabestaanden of die der wet; het is iets en kan iets doen--het heeft

eene positie en erkende rechten; de slaaf heeft niets daarvan. De wet

houdt hem in alle opzichten voor zoo geheel zonder eigen rechten als

eene baal koopwaren. De eenig mogelijke erkenning der verlangens en

behoeften van een menschelijk en onsterfelijk wezen, die hem ten deel

valt, heeft hij aan de oppermachtige willekeur van zijnen meester

te danken. Dit weet iedereen en de slaaf het best van allen, en hij

gevoelt dus, dat hij tien kansen heeft, om een grillig en tiranniek

meester te vinden, tegen eene om een goedaardig en menschlievend heer

te bekomen. Daarom is het, dat de rouwklacht over een goed meester

zoo luid en lang is, en wezen mag.

Toen St. Clare den adem uitblies, werden al zijne onderhoorigen door

verbijsterden schrik overstelpt. Hij was zoo in een oogenblik in den

bloei en de kracht zijner jeugd neergeveld! Elke kamer en galerij

van het huis weergalmde van het snikken en gillen der wanhoop.

Marie, wier zenuwgestel door hare weekelijke levenswijs geheel was

ondermijnd, had niets om haar bij dien schok te ondersteunen. Toen

haar echtgenoot den laatsten snik gaf, kreeg zij flauwte op flauwte,

en hij, met wien zij door den heiligen huwelijksband was verbonden,

was voor altijd van haar gescheiden, zonder dat het zelfs mogelijk

was geweest een afscheidswoord te spreken.

Ophelia was met haar eigenaardige geestkracht en zelfbeheersching tot

het laatste toe bij haren neef gebleven--geheel oog, geheel oor, geheel

oplettendheid om het weinige te doen, dat er nog gedaan kon worden,--en

had met geheel haar hart ingestemd in het teedere en vurige gebed,

dat door den armen slaaf voor de ziel van zijnen stervenden meester

werd opgezonden.

Toen men hem schikte voor zijne laatste rust, vond men op zijne borst

een eenvoudig medaillon, dat met eene veer opensprong. Daarin was

het miniatuur-portretje eener vrouw van edele schoonheid, en aan de

achterzijde onder glas een lok donker haar. Zij plaatsten het weder

op de levenlooze borst--stof bij stof--die treurige overblijfselen

van vroegere droomen, die het nu koude hart eens zoo warm hadden

doen kloppen.

Toms geheele ziel was met gedachten aan de eeuwigheid vervuld,

en terwijl hij aan dat levenlooze stof de laatste diensten bewees,

dacht hij niet eens aan den plotselingen slag, die hem in hopelooze

slavernij had gelaten. Hij voelde zich gerust over zijnen meester;

want in dat uur, toen hij zijn gebed in den boezem van zijnen Vader

had uitgestort, had hij in zich zelven een antwoord voelen opwellen,

dat zijn gemoed bevredigde. In de diepte van zijn eigen liefderijk

hart had hij iets van de volheid der goddelijke liefde kunnen bevatten,

want een oud orakel had aldus geschreven: "Hij die in de liefde blijft,

blijft in God en God in hem." Tom hoopte en vertrouwde, en was gerust.

De begrafenis liep af met al haar praal van zwart en krip, van gebeden

en strakke gezichten; en de koude, troebele golven van het dagelijksch

leven rolden weder voort, en toen kwam de altijd weder opnieuw gehoorde

vraag op: "Wat moet er nu gedaan worden?"

Deze vraag kwam bij Marie op toen zij, in een los ochtendgewaad

gekleed, en door angstige bedienden omringd, in een grooten

leuningstoel opzat, en stalen en rouwgoed bezichtigde. Zij kwam ook bij

Ophelia op, die aan haar tehuis in het Noorden begon te denken. Zij

kwam ook met stille ontzetting bij de slaven op, die maar al te wel

het gevoellooze grillige karakter van hunne meesteres kenden, in wier

handen zij gelaten waren. Allen wisten zeer wel, dat de zachtheid,

waarmede zij behandeld waren, niet van hunne meesteres, maar van

hunnen meester afkomstig was; en dat er, nu hij niet meer leefde,

niets meer was om hen te beschermen tegen alle tirannieke kwellingen,

die een gemoed dat door verdriet verbitterd was zou kunnen uitdenken.

Het was omtrent veertien dagen na de begrafenis, toen Ophelia, in

hare kamer bezig, zacht aan hare deur hoorde kloppen. Zij opende die

en daar stond Rosa, de fraaie jonge quadrone, van wie wij vroeger

meermalen gesproken hebben, met loshangende haren en oogen, gezwollen

van het schreien.

"O, Miss Phelia!" zeide zij, op hare knieën vallende en den zoom van

haar kleed vattende, "ga toch voor mij naar Miss Marie! Spreek toch

voor mij! Zij wil mij zenden om gegeeseld te worden--zie hier!" En

zij gaf Ophelia een papier over.

Het was eene order, met Maries fijne Italiaansche hand geschreven,

aan den meester van het "geesel-etablissement", om aan de brengster

vijftien zweepslagen te geven.

"Wat hebt gij dan gedaan?" zeide Ophelia.

"Gij weet wel, Miss Phelia, ik heb zulk een driftig humeur, en dat is

heel slecht van mij. Ik paste Miss Marie een kleedje, en zij gaf mij

een klap in het gezicht, en toen sprak ik vóór ik dacht en was brutaal;

en zij zeide dat zij mij wel klein zou krijgen, en mij voor eens en

altijd leeren dat ik niet meer zooveel verbeelding moest hebben als

voorheen; en toen schreef zij dit en zei dat ik het brengen moet. Ik

had liever dat zij mij ineens doodsloeg."

Ophelia stond zich met het papier in de hand te bedenken.

"Gij ziet het wel, Miss Phelia," hervatte Rosa, "ik zou niet zooveel

om het slaan geven, als Miss Marie of gij het deedt; maar, naar een

man gezonden te worden--en zulk een afschuwelijk man--en de schande

daarvan, Miss Phelia!"

Ophelia wist wel dat het een algemeen gebruik was, vrouwen en

meisjes naar de geeselhuizen te zenden, onder de handen der gemeenste

kerels--laaghartig genoeg om zoo iets tot hun beroep te maken--om daar

eene schandelijke ontblooting en tuchtiging te ondergaan. Zij had

dit vroeger wel geweten, maar het zich nog nooit recht voorgesteld,

vóórdat zij de tengere gestalte van Rosa stuipachtig zag rillen van

angst. Al haar edel vrouwelijk bloed, het krachtige, vrije bloed

van Nieuw-Engeland, steeg haar naar de wangen en klopte onstuimig

in haar verontwaardigd hart; maar met hare gewone voorzichtigheid

en zelfbeheersching bedwong zij zich, en het papier in hare hand

samenknijpende, zeide zij tegen Rosa slechts: "Ga hier zitten, kind,

terwijl ik naar uwe meesteres ga."

"Schandelijk! barbaarsch! verfoeielijk!" zeide zij bij zich zelve,

terwijl zij naar de voorkamer ging.

Zij vond Marie in haren leuningstoel zitten. Mammy was bezig met haar

het haar te kammen en Jane, die vóór haar op den grond zat met hare

voeten te wrijven.

"Hoe bevindt ge u vandaag?" zeide Ophelia.

Een zware zucht met dichtgeknepen oogen was het eerste antwoord,

en daarop zeide Marie: "Och, ik weet het niet, Nicht. Ik denk haast

dat ik zoo wel ben, als ik ooit wezen zal." En zij veegde hare oogen

af met een zakdoek, die een zwarten rand had van een duim breed.

"Ik kwam," zeide Ophelia met een droog kuchje, gelijk meestal tot

inleiding van een netelig onderwerp moet dienen, "ik kwam om eens

met u over die arme Rosa te spreken."

Marie opende nu hare oogen wijd genoeg, en er kwam een blos op hare

vale wangen, toen zij met scherpheid antwoordde:

"Wel, wat is er met haar?"

"Zij heeft veel spijt over hare fout."

"Zoo, heeft zij dat? Zij zal nog wel meer spijt hebben, eer ik met

haar heb afgedaan. Ik heb de onbeschaamdheid van dat kind lang genoeg

verdragen, en nu zal ik haar vernederen--ik zal haar in het stof

doen kruipen."

"Maar zoudt gij haar niet op eene andere manier kunnen straffen,

die minder schandelijk was?"

"Ik bedoelde haar schande aan te doen; dat is juist wat ik wil. Zij

is altijd grootsch geweest op hare mooiheid en fijnheid en hare

damesachtige manieren, tot zij vergeten heeft wat zij is; en ik zal

haar eene les geven, die haar wel van hare verbeelding genezen zal,

naar ik denk."

"Maar, Nicht, bedenk dat als gij de kieschheid en schaamte bij een jong

meisje verdooft, zij spoedig tot alle slechtheid in staat moet worden."

"Kieschheid!" zeide Marie, met eenen schamperen lach; "een mooi woord

voor zulken als zij! Ik zal haar leeren dat zij met al hare airs niet

beter is dan de vuilste slet die langs de straat loopt. Zij zal zich

bij mij geene airs geven."

"Gij zult bij God verantwoordelijk zijn voor zulk eene wreedheid,"

zeide Ophelia.

"Wreedheid! Ik zou wel eens willen weten, waar gij die wreedheid

vindt. Ik heb eene order geschreven voor maar vijftien slagen, en

hem nog gezegd om ze licht te geven. Ik denk toch dat daarin geene

wreedheid steekt."

"Geene wreedheid!" zeide Ophelia. "Ik ben zeker, dat ieder meisje

veel liever in eens dood zou willen zijn."

De Negerhut · 第 31 / 44 段