"Wie weet iets van niets?" zeide St. Clare bij zichzelven, terwijl

zijne oogen peinzend rondzwierven. "Was al die heerlijke liefde, was al

dat schoone geloof slechts een der altijd afwisselende verschijnselen

van het menschelijk gevoel, dat niets wezenlijks tot grondslag had en

met den laatsten ademtocht werd uitgeblazen? Er is geen Eva meer--geen

hemel--geen Christus--niets!"

"O, lieve meester, Hij is er! Dat weet ik; daarvan ben ik zeker," zeide

Tom, op zijne knieën vallende. "O, lieve meester, geloof het toch!"

"Hoe weet gij dat er een Christus is, Tom? Gij hebt den Heere nooit

gezien."

"Ik heb Hem in mijne ziel gevoeld, meester--ik voel Hem nu! O,

meester, toen ik verkocht werd en van mijne vrouw en kinderen af

moest, toen was het haast gedaan met mij. Het was mij alsof ik niets

meer over had, en toen kwam de goede Heere mij te hulp en zeide:

"Wees niet bevreesd, Tom!" en Hij brengt licht en vreugd in de ziel

van een armen neger, en maakt alles vrede; en ik ben zoo gelukkig,

en heb alle menschen lief, en voel mij gewillig om des Heeren te

zijn, en des Heeren wil te laten geschieden, en overal te zijn waar

de Heere mij brengen wil. Ik weet dat dit niet van mij kan komen,

omdat ik een arm zondig schepsel ben; het komt van den Heere, en ik

weet dat Hij gewillig is om dit ook voor meester te doen."

Tom sprak met eene gesmoorde stem, terwijl de tranen hem over de

wangen rolden. St. Clare liet het hoofd op zijnen schouder zinken,

en drukte de harde, trouwe zwarte hand.

"Tom, gij hebt mij lief," zeide hij.

"Ik ben gewillig om mijn leven af te leggen, nog dezen gezegenden dag,

om meester een christen te zien."

"Arme, dwaze jongen," zeide St. Clare zich half oprichtende. "Ik ben

de liefde van een goed, eerlijk hart, zooals het uwe, niet waardig."

"O, meester, er zijn er meer dan ik die u liefhebben--de gezegende

Heere Jezus heeft u lief."

"Hoe weet ge dat, Tom?"

"Ik voel het in mijne ziel. O, meester, "de liefde van Christus,

die steeds alle verstand te boven gaat!""

"Vreemd!" zeide St. Clare, "dat de geschiedenis van een man, die

achttienhonderd jaren geleden geleefd en gestorven is, iemand zoodanig

kan aandoen. Maar hij was ook geen mensch," vervolgde hij snel. "Geen

mensch heeft ooit zulk een lange en levende macht gehad. O, dat ik

gelooven kon wat mijne moeder mij leerde, en bidden kon gelijk ik

deed toen ik een kind was!"

"Als het meester belieft," zeide Tom; "Miss Eva placht dat zoo schoon

te lezen. Ik wenschte dat meester zoo goed was om het te lezen. Ik

hoor haast niet meer lezen, nu Miss Eva weg is."

Het hoofdstuk was het elfde van Johannes--het treffende verhaal

der opwekking van Lazarus. St. Clare las het overluid. Dikwijls

ophoudende, om de aandoeningen te bekampen, die door het aandoenlijke

der geschiedenis werden opgewekt. Tom knielde voor hem met gevouwen

handen, en met eene uitdrukking van liefde, vertrouwen en eerbied in

zijne kalme trekken.

"Tom, is dat alles waarheid voor u?" zeide zijn meester.

"Ik kan het zoo voor mij zien, meester," antwoordde Tom.

"Ik wenschte dat ik uwe oogen had, Tom."

"Ik wenschte van onzen Lieven Heer dat meester ze had."

"Maar, Tom, gij weet wel, dat ik veel kundiger ben dan gij. Als ik

u nu zeide dat ik dien Bijbel niet geloof?"

"O, meester!" zeide Tom, smeekend de handen opheffende.

"Zou dat uw geloof toch niet eenigszins schokken, Tom?"

"Geheel niet," antwoordde Tom.

"Wel, Tom, gij moet toch weten dat ik het meeste weet."

"O, meester, hebt gij niet zoo pas gelezen, dat Hij het voor de wijzen

en verstandigen verborgen houdt, en aan de kinderkens openbaart? Maar

meester sprak niet in ernst, zeker niet?" zeide Tom angstig.

"Neen, Tom, dat deed ik niet. Ik ben niet ongeloovig, en ik denk

dat er reden is om te gelooven; en toch doe ik het niet. Dat is een

lastige gewoonte, die ik aangenomen heb, Tom!"

"Als meester maar wilde bidden."

"Hoe weet gij dat ik dat niet doe, Tom?"

"Doet meester het?"

"Ik zou het doen, Tom, als er iemand vóór mij was, wanneer ik bid;

maar het is alles in de lucht gesproken, als ik het doe. Maar kom aan,

Tom, bidt gij en leer mij het te doen."

Toms hart was vol, en hij stortte het nu geheel uit in zijn gebed. Eén

ding was duidelijk: Tom dacht wel dat er iemand was om hem te hooren,

hetzij er iemand was of niet. St. Clare voelde zich dan ook werkelijk

door den stroom van zijne liefde en zijn geloof tot bijna voor de

poorten van den hemel gevoerd, dien hij zich zoo levendig scheen voor

te stellen. Hij scheen daardoor nader bij Eva gebracht te worden.

"Dank, mijn jongen," zeide St. Clare, toen Tom opstond. "Ik hoor u

gaarne, Tom; maar ga nu heen en laat mij alleen. Op een anderen tijd

zal ik meer met u spreken."

Tom verliet stilzwijgend het vertrek.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

HEREENIGING.

Week op week verliep in de woning van St. Clare, en de golven des

levens effenden zich weder tot haar gewonen vloed, waar die kleine

bark gezonken was. Want hoe heerschzuchtig, hoe onverschillig voor

iemands gevoel, stroomt die koude, gewone loop der dagelijksche zaken

voort! Nog moeten wij eten, drinken, slapen en weder ontwaken--nog

moeten wij koopen, verkoopen, vragen en antwoorden--kortom duizend

schaduwen naloopen, hoewel alle belangstelling daarin voorbij is;

de koude werktuigelijke gewoonte des levens blijft nog, wanneer alles

wat waarde voor ons geeft is verdwenen.

Alle hoop en uitzicht van St. Clare's leven had zich, zonder dat hij

zelf het wist, met zijn kind samengestrengeld. Het was voor Eva, dat

hij zijn vermogen bewaarde; het was voor Eva, dat hij het besteden van

zijnen tijd overleide; en dit en dat nu en dan voor Eva te doen--iets

voor haar te koopen, te veranderen of te beschikken--was zoolang

zijne gewoonte geweest, dat er, nu zij er niet meer was, om niets

meer scheen gedacht, niets meer scheen gedaan te moeten worden.

Het is waar, er was een ander leven--een leven dat, als men er

eens aan gelooft, als een ernstig, veelbeteekenend cijfer vóór de

andere waardelooze nullen van den tijd staat, en die in eene reeks

van geheimzinnige, onberekenbare waarde doet veranderen. St. Clare

wist dit wel; en dikwijls had hij in een moedeloos uur die zachte

kinderstem naar boven hooren roepen, dat handje hem den weg van dat

ware leven zien aanwijzen; maar de doffe slaperigheid der smart

benevelde hem--hij kon niet opstaan. Zijn geest behoorde onder

diegenen, die zich, naar hunne eigene aandoeningen en neigingen, een

beter en duidelijker begrip van godsdienstige zaken kunnen vormen, dan

menig welonderwezen en geoefend christen kan. De gaaf om de fijnste

onderscheidingen en betrekkingen van zedelijke dingen te gevoelen en

te beoordeelen, schijnt dikwijls eene eigenschap te zijn van hen, wier

geheele leven eene onverschillige minachting daarvoor toont. Vandaar

dat Moore, Byron en Goethe dikwijls woorden zeggen, waarin het ware

godsdienstige gevoel beter beschreven wordt, dan in die van iemand,

wiens geheele leven daardoor bestuurd wordt. In zulke gemoederen is

minachting voor den godsdienst een des te schrikkelijker verraad--eene

te doodelijker zonde.

St. Clare had zich nooit willen laten doorgaan voor iemand, die zich

door godsdienstige verplichtingen liet besturen, en zekere fijnheid van

zedelijk gevoel gaf hem zulk een verheven denkbeeld van de uitgebreide

eischen des christendoms, dat hij reeds bij voorbaat terugdeinsde

voor hetgeen hij gevoelde dat zijn geweten van hem vorderen zou,

wanneer hij ooit besloot om zich aan die eischen te onderwerpen. Want

zulke tegenstrijdigheden bevat het menschelijk gemoed, dat het beter

schijnt iets geheel niet te ondernemen, dan het te ondernemen en te

kort te schieten.

Evenwel was St. Clare in vele opzichten een ander mensch geworden.

Hij las ernstig en met oprechte begeerte in den Bijbel zijner kleine

Eva; hij dacht meer bepaald en opzettelijk na over zijne betrekkingen

tot zijne bedienden--genoeg om hem buitengemeen ontevreden te maken,

zoowel met zijne tegenwoordige als zijne vroegere handelwijs. Eén

ding deed hij dan ook, kort na zijne terugkomst te Nieuw-Orleans; hij

maakte namelijk een aanvang met de noodige wettige maatregelen om Tom

vrij te verklaren, hetgeen zoo spoedig geschieden zou, als hij door de

vereischte formaliteiten kon heenkomen. Ondertusschen hechtte hij zich

dagelijks meer aan Tom. In de geheele wijde wereld was er niets dat

hem zoozeer aan Eva scheen te herinneren; hij hield hem dus bestendig

bij zich, en zoo huiverig als hij anders was om zijn dieper gevoel

aan iemand te ontdekken, voor Tom dacht hij bijna overluid. Niemand,

die gezien had met welk een gezicht vol dienstvaardige genegenheid Tom

zijn meester gedurig volgde, zou zich ook daarover verwonderd hebben.

"Wel, Tom," zeide St. Clare, daags nadat hij een aanvang had gemaakt

met de wettige formaliteiten voor zijne vrijverklaring, "ik zal een

vrij man van u maken. Pak uw koffer dus maar, en houd u gereed om

naar Kentucky te vertrekken."

De glans van blijdschap, die Toms gezicht eensklaps verhelderde,

terwijl hij zijne handen naar den hemel ophief en een nadrukkelijk "de

Heere zij gezegend!" ontboezemde, maakte op St. Clare een eenigszins

onaangenamen indruk; het beviel hem niet, dat Tom zoo bereidwillig

was om hem te verlaten.

"Gij hebt hier zulk een slechten tijd niet gehad, dat ge zoo verrukt

behoeft te wezen, Tom," zeide hij droogjes.

"Neen, neen, meester, dat is het niet. Het is dat ik een vrij man

zal wezen. Dat is het waarover ik zoo blij ben."

"Maar, Tom, denkt gij niet, dat gij het, wat u aangaat, hier beter

hebt, dan gij het als vrij man zult hebben?"

"Neen, waarlijk niet, Mijnheer St. Clare," antwoordde Tom, met eene

opwelling van fierheid. "Neen, waarlijk niet."

"Wel, Tom, gij zoudt toch met werken onmogelijk zulke kleeren en zulk

een kost kunnen verdiend hebben, als ik u gegeven heb."

"Dat weet ik alles wel, meester St. Clare. Meester is al te goed

geweest; maar ik zou toch liever armoedige kleeren, een armoedig

huis, alles even armoedig willen hebben, als het maar het mijne was,

dan het beste als het van een ander is. Dat zou ik, meester; en ik

geloof dat het natuurlijk is."

"Dat denk ik ook, Tom, en dus zult ge over eene maand of zoo vertrekken

en mij verlaten," zeide St. Clare eenigszins onvergenoegd. "Evenwel,

geen mensch zou kunnen zeggen waarom gij het niet doen zoudt," voegde

hij er op vroolijker toon bij, en begon op en neer te wandelen.

"Niet, zoolang meester in droefheid is," zeide Tom. "Ik zal bij

meester blijven, zoolang hij mij noodig heeft--als ik maar van eenig

nut kan zijn."

"Niet, zoolang ik in droefheid ben, Tom?" zeide St. Clare, treurig

uit het venster ziende. "En wanneer zal mijn droefheid ten einde zijn?"

"Als meester een christen is," antwoordde Tom.

"En meent gij werkelijk bij mij te blijven tot die dag komt?" zeide

St. Clare, zich met een halven glimlach van het venster afkeerende. "O,

Tom, gij onnoozele jongen," vervolgde hij, zijne hand op Toms schouder

leggende, "ik wil u niet tot dien dag laten wachten. Ga naar huis,

naar uwe vrouw en kinderen, en wees gelukkig met hen."

"Mijn geloof zegt mij te gelooven dat die dag wel komen zal," zeide

Tom ernstig en tevens met tranen in de oogen. "De Heere heeft een

werk voor meester."

"Een werk!" herhaalde St. Clare. "Wel zoo! Zeg mij eens wat voor een

werk dat wezen zou, naar uw begrip. Laat hooren Tom."

"Wel, zelfs zulk een arm man als ik, heeft een werk van den Heere;

en meester St. Clare, die geleerdheid, geld en vrienden heeft--hoeveel

meer zou hij voor den Heer kunnen doen!"

"Gij schijnt dus te denken, Tom, dat de Heere noodig heeft, dat er

veel voor hem gedaan wordt," zeide St. Clare glimlachende.

"Wij doen voor den Heere wat wij voor Zijne schepselen doen,"

antwoordde Tom.

"Dat is goede godgeleerdheid, Tom; beter dan die Dr. C*** preekt;

dat durf ik beweren," zeide St. Clare.

Hier werd het gesprek door het aandienen van bezoek gestoord.

Marie St. Clare gevoelde het verlies van Eva zoo diep, als zij

iets gevoelen kon; en daar zij iemand was, bijzonder in staat, om

wanneer zij zich ongelukkig gevoelde, hetzelfde gevoel aan allen

om haar heen mede te deden, hadden hare lijfbedienden nog grooter

reden om het verlies hunner meesteres te beklagen, wier innemende

manieren en lieftallige tusschenkomst hun zoo dikwijls tot een

schild hadden gestrekt tegen de eigenlievende dwingelandij harer

moeder. De arme Mammy vooral, wier hart, van alle natuurlijke banden

losgerukt, zich met dat ééne beminnelijke wezen had getroost, verging

bijna van rouw. Zij schreide nacht en dag, en was, door de groote

overmaat van droefheid, minder vlug en behendig in hare diensten

bij hare meesteres, waardoor zij zich gedurig een storm van smaad-

en scheldwoorden berokkende.

Miss Ophelia gevoelde het verlies insgelijks; maar in haar goed

en oprecht hart droeg het vruchten ten eeuwigen leven. Zij was

zachter en vriendelijker; en schoon even ijverig in hare plichten,

was het met meer bedaardheid en kalmte, waaruit bleek dat zij niet

vruchteloos haar eigen hart had doorzocht. Zij was vlijtiger in

het onderwijzen van Topsy--onderrichtte haar hoofdzakelijk uit

den Bijbel--en was niet langer huiverig om haar aan te raken--zij

liet geene kwalijk ontveinsde viesheid meer blijken, omdat zij die

niet langer gevoelde. Zij beschouwde haar nu als het ware door het

verhelderde glas, dat Eva's handje haar het eerst voor de oogen

had gehouden, en zag in haar slechts een onsterfelijk schepsel,

dat God gezonden had, om door haar tot de deugd en de eeuwige

heerlijkheid geleid te worden. Topsy werd niet op eens een heilige,

maar het leven en de dood van Eva bewerkten toch eene opmerkelijke

verandering in haar. De verharde onverschilligheid was verdwenen;

deze was vervangen door gevoel, hoop, verlangen en een streven naar

het goede--een streven dat ongeregeld was en dikwijls afgebroken werd,

maar toch telkens werd hervat.

Eens, toen Topsy bij Ophelia was geroepen, stak zij, aankomende,

haastig iets in hare borst weg.

"Wat doet gij daar, ondeugend nest? Gij hebt zeker weer iets gestolen,"

zeide de heerschzuchtige, kleine Rosa, die gezonden was om haar te

roepen, en greep haar tevens onzacht bij den arm.

"Och, loop heen, Miss Rosa," zeide Topsy, met eene poging om zich

los te trekken. "Dat is iets dat je niet aangaat."

"Wees maar zoo onbeschaamd niet," hervatte Rosa. "Ik heb je daar

wat zien wegstoppen. Ik ken je streken wel," en daarmede poogde Rosa

hare hand in Topsy's borst te steken, terwijl het meisje woedend van

zich af schopte en dapper vocht voor wat zij hare rechten achtte. Het

rumoer van dit gevecht deed Ophelia en St. Clare beiden toeschieten.

"Zij heeft gestolen," zeide Rosa.

"Dat heb ik niet," schreeuwde Topsy, huilende van kwaadheid.

"Geef het mij, wat het ook wezen mag," gebood Ophelia.

Topsy aarzelde; maar op een tweede bevel haalde zij een pakje uit

hare borst, in den voet van eene harer oude kousen gewikkeld.

Toen Ophelia het opendeed, vond zij een boekje, dat Eva eens aan Topsy

geschonken had, een almanak met een tekst uit den Bijbel voor elken

dag van het jaar, en in een papiertje de haarlok, welke zij het kind

op den gedenkwaardigen dag van haar afscheid had gegeven.

St. Clare werd zeer aangedaan door dit gezicht. Het boekje was in

eene strook zwarte krip gewikkeld.

"Waarom hebt ge _dit_ om het boekje gedaan?" zeide St. Clare, het

krip vertoonende.

"Omdat--omdat het van Miss Eva was. O, neem het mij niet af,"

antwoordde Topsy, zette zich toen plat op den grond neer, sloeg haar

voorschoot over haar hoofd en begon heftig te schreien.

Het was een zonderling mengsel van aandoenlijkheid en

belachelijkheid--dat stuk van eene kous, het zwarte krip, het

tekstenboekje, de haarlok en Topsy's matelooze droefheid.

St. Clare glimlachte, maar er stonden toch tranen in zijne oogen,

toen hij zeide:

"Kom, kom, schrei maar niet; gij moogt het wel hebben." En alles weder

bijeendoende wierp hij het Topsy in den schoot, en trok Ophelia mede

naar de voorkamer.

"Ik geloof inderdaad dat gij nog iets van dat ding zult kunnen maken,"

zeide hij met zijnen duim over zijnen schouder wijzende. "Een gemoed,

dat voor ware droefheid vatbaar is, is ook voor het goede vatbaar. Gij

moet uw best maar met haar doen."

"Het kind is veel verbeterd," antwoordde Ophelia, "en ik heb groote

hoop van haar. Maar Augustine," vervolgde zij, hare hand op zijnen arm

leggende, "ik moet u nog iets vragen. Van wien zal dit kind wezen? Van

u of van mij?"

"Wel, ik heb haar immers aan u gegeven," antwoordde St. Clare.

"Maar niet wettig. Ik zou willen dat zij wettig de mijne was,"

zeide Ophelia.

"Wel, Nicht, wat zal het abolitie-genootschap daarvan denken?" zeide

St. Clare. "Zij zullen een vastendag uitschrijven voor zulk een afval,

dat gij eene slavenhoudster wordt."

"Dat is maar gekheid. Ik zou willen dat zij de mijne was, om het recht

te hebben haar naar de vrije staten te brengen en haar heur vrijheid

te geven, opdat al wat ik beproef te doen niet weer verijdeld worde."

"O, Nicht, welk een ontzettend, 'kwaaddoen opdat er goed uit

voortkome.' Daartoe kan ik niet behulpzaam zijn."

"Ik zou u liever hooren redeneeren dan schertsen," zeide Ophelia. "Het

baat niet of ik mijn best doe om dit kind tot een christenkind te

maken, als ik haar niet bewaar voor alles, waaraan de slavernij

haar later blootstelt, en als gij inderdaad gezind zijt om haar aan

mij te geven, verlang ik dat ge mij een giftbrief of ander wettig

bewijs geeft."

"Welnu, dat zal ik," zeide St. Clare, zette zich neer en nam de

courant op om te gaan lezen.

"Maar ik zou dat nu willen gedaan hebben," hervatte Ophelia.

"Hoe hebt ge zoo'n haast?"

"Omdat het nu gedaan moet, als het ooit gedaan zal worden," antwoordde

Ophelia. "Kom, daar is papier, pen en inkt; schrijf nu even zoo iets."

St. Clare had, gelijk de meeste menschen van zijnen stempel, een

hartelijken afkeer van den tegenwoordigen tijd, van het bedrijvend

werkwoord, en werd dus eenigszins verstoord over Ophelia's

voortvarendheid.

"Wat scheelt u toch?" zeide hij. "Kunt gij mijn woord niet

aannemen? Men zou denken dat ge bij de joden les had genomen, om

iemand zoo aan te pakken."

"Ik wil er zeker van zijn," antwoordde Ophelia. "Gij kunt sterven of

in ongelegenheid raken, en dan zou Topsy verkocht worden, zonder dat

ik er iets tegen doen kon."

"Inderdaad, ge zijt zeer voorzichtig. Maar nu ik zie dat ik in de

handen van een Yankee ben, is er niets anders op dan maar toe te

geven," zeide St. Clare en schreef snel een giftbrief, hetgeen hij,

daar hij met alle wettige vormen bekend was, zeer gemakkelijk doen kon,

en teekende zijn naam met groote wilde letters, met een geduchte krul

er onder.

"Daar, is dat nu zwart op wit, Miss Vermont?" zeide hij, haar het

papier overgevende.

"Goede jongen!" zeide Ophelia nu hierop. "Maar moet het ook niet door

een getuige onderteekend worden?"

"Och ja, dat is ook waar. Hier, Marie!" vervolgde St. Clare tot zijne

vrouw, de deur harer kamer openende. "Nicht wilde uw handteekening

bewaren. Zet eens even uw naam hieronder."

"Wat is dat?" zeide Marie het geschrift doorloopende. "Wel,

dat is grappig! Ik dacht dat nicht veel te vroom was voor

zulke afschuwelijkheden," vervolgde zij, onverschillig haar naam

schrijvende. "Maar als zij dat ding verlangt te hebben, is het haar

hartelijk gegund."

"Daar, nu is zij de uwe met lichaam en ziel," zeide St. Clare, het

papier teruggevende.

"Niet meer de mijne dan zij te voren was," zeide Ophelia. "Niemand

dan God heeft het recht om haar aan mij te geven; maar ik kan haar

nu beschermen."

"Welnu, zij is dan nu de uwe door eene fictie der wet," zeide

St. Clare, naar de voorkamer en zijne courant terugkeerende.

Ophelia, die Marie zelden veel gezelschap bleef houden, volgde hem

naar de voorkamer, nadat zij het papier zorgvuldig geborgen had.

"Augustine," zeide zij eensklaps terwijl zij zat te breien, "hebt gij

eenige bestelling voor uw bedienden gemaakt, in geval van overlijden?"

"Neen," antwoordde St. Clare en las weder voort.

"Dan kan al uwe goedheid voor hen wel eens eene groote wreedheid

blijken te zijn."

St. Clare had bij zich zelven dikwijls eveneens gedacht, maar

antwoordde nu toch achteloos: "Nu, ik denk ook zulk eene bestelling

te maken."

"Wanneer?" zeide Ophelia.

"Eerstdaags."

"En als gij dan nog eerder kwaamt te sterven?"

"Wat scheelt u toch, Nicht?" zeide St. Clare, zijne courant

neerleggende en haar aanziende. "Denkt gij dat ik eenige voorteekenen

van de gele koorts of de cholera heb, dat gij zoo ijverig voor mijn

testament zorgt?"

"Te midden van het leven zijn wij in den dood," antwoordde Ophelia.

St. Clare stond op en ging naar de deur die op de veranda uitkwam,

om zoo een eind te maken aan een gesprek, dat hem onaangenaam

was. Onwillekeurig herhaalde hij het laatste woord "_dood_!"--en

terwijl hij tegen het hek leunde, en naar de springende fontein en

het water in de kom tuurde, en daarin als in een nevel de bloemen en

boomen van het binnenplein zag spiegelen, herhaalde hij nog eens het

geheimzinnige woord, dat iedereen zoo dikwijls in den mond neemt,

en dat toch zulk een geduchte kracht heeft--"_dood_!"

"Vreemd, dat er zulk een woord en zulk een ding is," zeide hij bij

zich zelven, "en wij het ooit vergeten, dat iemand den eenen dag

leeft vol hoop, begeerten en behoeften, en den volgenden dag weg is,

geheel weg en voor altijd."

Het was een warme, heldere avond, en toen hij naar het andere einde

der veranda ging, zag hij Tom in zijnen Bijbel zitten lezen, daarbij

met zijnen vinger van woord tot woord wijzende en ernstig fluisterende.

"Wilt ge mij voor u laten lezen, Tom?" zeide St. Clare, zich achteloos

naast hem nederzettende.

"Als het meester belieft," antwoordde Tom. "Meester maakt het zooveel

duidelijker."

St. Clare nam het boek en begon te lezen bij eene van de plaatsen, die

Tom met dikke strepen in het rond had gemerkt. Die plaats luidde aldus:

"En wanneer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijkheid,

en al de engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner

heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en

Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de

bokken scheidt."

St. Clare las met eene heldere stem voort, totdat hij aan de laatste

verzen kwam.

"Dan zal Hij zeggen tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg

van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel

en zijnen engelen bereid is. Want Ik ben hongerig geweest, en gij

hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt

Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij

niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in

de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook deze Hem

antwoorden en zeggen: "Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of

dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis,

en hebben U niet gediend?" Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen:

Voorwaar ik zeg u: voor zooveel gij dit eene van deze minsten niet

gedaan hebt, zoo hebt gij het ook Mij niet gedaan."

Deze laatste woorden schenen St. Clare te treffen, want hij las ze

tweemaal over; de tweede maal langzaam, alsof hij bij zich zelven er

over nadacht.

"Tom," zeide hij daarop, "die lieden die zulk een hard vonnis krijgen,

schijnen juist gedaan te hebben wat ik doe--goed en fatsoenlijk op

hun gemak geleefd te hebben, zonder zich te kwellen met te vragen:

hoevelen van hunne broederen hongerig, of dorstig, ziek of in de

gevangenis waren."

Tom gaf geen antwoord.

St. Clare stond op en wandelde peinzend onder de veranda op en

neer, naar het scheen alles vergetende, behalve zijne eigene

gedachten. Zoozeer was hij daarin verdiept, dat Tom hem tweemaal

moest herinneren dat de schel voor het theedrinken geluid was, eer

hij gehoor kreeg.

Onder het theedrinken was St. Clare verstrooid en nadenkend; en na

de thee zette hij zich met Ophelia en Marie, allen bijna even stil,

in de voorkamer.

Marie nam op eene sofa onder een zijden muskieten gordijn haar gemak

en was spoedig gerust in slaap. Ophelia zat stil te breien, St. Clare

zette zich voor de piano en begon een zachte melodie te spelen, met

accompagnement van seraphine. Hij scheen in diep gepeins verzonken

en als het ware eene alleenspraak in muziek te houden. Na eenigen

tijd trok hij eene der laden open, nam daaruit een oud muziekboek,

welks bladen geel van ouderdom waren, en zag het door.

"Dit was een boek van mijne moeder," zeide hij tot Ophelia, "en hier

is haar schrift. Kom eens zien. Dit heeft zij zelve gearrangeerd uit

Mozarts Requiem."

Ophelia kwam bij hem.

De Negerhut · 第 30 / 44 段