den afloop; de teederste hoop kon zich niet meer verblinden. Hare
fraaie kamer werd nu geheel en al een ziekenvertrek, en Ophelia
nam nacht en dag den post van oppasster waar. Nooit hadden hare
vrienden hare begaafdheden hooger gewaardeerd dan thans. Met zulke
welgeoefende oogen en handen, zulk een bedrevenheid in alle zorgen
en kunstgrepen, om zindelijkheid en gemak te bevorderen en alle
onaangename omstandigheden eener ziekenkamer uit het oog te houden--met
zulk een stipte oplettendheid voor den tijd, met zulk een helder,
nooit verbijsterd hoofd, met zulk een getrouw geheugen voor alle
voorschriften van den dokter--was zij thans alles voor hen. Zij,
die de schouders hadden opgehaald over hare kleine zonderlingheden
en stiptheid in beuzelingen, zoo strijdig met de achtelooze vrijheid
der manieren van het Zuiden, erkenden thans dat zij juist diegene
was die men noodig had.
Tom was veel in Eva's kamer. Het kind leed veel aan zenuwachtige
rusteloosheid, en het verlichtte haar als zij gedragen werd. Het was
Toms grootste blijdschap de tengere lijderes in zijne armen op een
kussen te mogen dragen; nu de kamer op en neer, dan buiten onder de
veranda; en des morgens, wanneer de frissche zeewind over het meer
woei, wandelde hij somtijds met haar onder de oranjeboomen in den
tuin, of zette hij zich op eene der oude bekende banken neer en zong
hij voor haar hunne oude geliefde gezangen.
Haar vader deed dikwijls hetzelfde; maar hij was niet zoo forsch
gespierd, en wanneer hij moede werd, zeide Eva meestal:
"O, Papa, laat Tom mij overnemen. De arme Tom heeft er zulk een
genoegen in. Het is al wat hij nu doen kan, en hij doet zoo gaarne
iets."
"Ik ook, Eva," zeide haar vader.
"O, Papa, gij kunt alles doen, en gij zijt alles voor mij. Gij leest
voor mij--gij zit des nachts bij mij op--en Tom heeft alleen dit
eene en zijn zingen; en gij weet wel, hij doet het gemakkelijker dan
gij. Hij draagt mij zoo stevig!"
Het verlangen om iets te doen, was niet tot Tom beperkt. Alle bedienden
in huis koesterden denzelfden wensch en deden op hunne manier wat
zij konden.
Het hart der arme Mammy smachtte dikwijls naar hare lieveling; maar
zij vond nacht of dag bijna geene gelegenheid, daar Marie verklaarde,
dat zij in haren gemoedstoestand geen oogenblik rust kon vinden, en
het natuurlijke gevolg daarvan was, dat zij niemand een oogenblik rust
wilde laten. Twintigmaal in één nacht werd Mammy wakker geroepen, om
hare voeten te wrijven, om haar hoofd te verkoelen, om haar zakdoek
op te zoeken, om te zien welk gerucht er in Eva's kamer was, om
het gordijn neer te laten dewijl het te licht, of op te halen omdat
het te donker was; en over dag, wanneer zij verlangde eenig deel te
kunnen nemen aan de oppassing harer lieveling, scheen Marie al hare
schranderheid in te spannen, om haar elders in huis werk te geven en
bezig te houden, zoodat zij slechts tersluiks en voor een oogenblik
bij Eva kon zijn.
"Ik acht het mijn plicht tegenwoordig bijzonder op mij zelve te
passen," zeide Marie, "zoo zwak als ik ben en met de geheele zorg
voor dat lieve kind beladen."
"Inderdaad, lieve," antwoordde St. Clare. "Ik dacht dat onze nicht
u daarvan onthief."
"Gij praat als een man, St. Clare--alsof eene moeder van de zorg
voor een kind in dien staat kon ontheven worden; maar het is alles
't zelfde--niemand weet ooit wat ik gevoel. Ik kan die dingen zoo
niet van mij afgooien, als gij doet."
St. Clare glimlachte. Gij moet hem verontschuldigen, hij kon het niet
laten--en St. Clare kon nog glimlachen. Want zoo helder en vreedzaam
was de afscheidsreis van dien kinderlijken geest--door zulke geurige,
verkwikkelijke koeltjes werd het barkje naar de hemelsche kusten
gevoerd--dat het bijna onmogelijk was zich te verbeelden, dat het de
dood was die naderde. Het kind voelde geen pijn--alleen een kwijnende,
stille zwakheid, die dagelijks maar bijna onmerkbaar toenam; en zij
was zoo schoon, zoo liefderijk, zoo vertrouwelijk, zoo vergenoegd,
dat men onmogelijk den streelenden invloed kon wederstaan van die
atmosfeer van onschuld en vrede, die haar scheen te omringen. St. Clare
vond zich door een vreemde kalmte bekropen. Het was geene hoop, deze
was onmogelijk; het was geene onderwerping; het was slechts een kalm
berusten in het tegenwoordige, hetwelk zoo schoon was, dat hij aan
geene toekomst wilde denken. Het was gelijk die kalmte van den geest,
die wij in de statig schoone herfstbosschen gevoelen, wanneer het
geboomte een helderen koortsblos vertoont, en de laatste bloemen nog
beneden bij de dijk staan, en wij ons des te meer daarin verheugen,
omdat wij weten dat het alles spoedig zal voorbijgaan.
De vriend, die het meest van Eva's eigen gedachten en voorgevoelens
wist, was haar getrouwe drager Tom. Tegen hem zeide zij alles,
waarmede zij haar vader niet wilde verontrusten. Aan hem deelde
zij die geheimzinnige waarschuwingen mede, welke de ziel ontvangt,
wanneer de banden, die haar aan het stof boeien beginnen los te worden.
Tom wilde eindelijk niet meer in zijn slaapkamertje slapen, maar lag
onder de veranda, om gereed te zijn zoo dikwijls hij geroepen werd.
"Oom Tom, hoe komt gij er bij, om zoo overal te gaan liggen slapen,
evenals een hond?" zeide Ophelia. "Ik dacht dat gij een van de
ordelijke soort waart en gaarne op eene christelijke manier in
bed laagt."
"Dat doe ik ook, Miss Phelia. Dat doe ik ook, maar nu..."
"Wel, wat nu?"
"Wij moeten niet hard spreken; Mijnheer St. Clare wil er niet van
hooren; Miss Phelia gij weet, er moet iemand waken voor den bruidegom."
"Wat meent gij, Tom?"
"Gij weet wel, de Schrift zegt: "Te middernacht geschiedde een geroep:
Ziet de bruidegom komt." Dat is het nu wat ik elken nacht verwacht,
Miss Phelia; want als dat gezegende kind in het koninkrijk binnengaat,
zullen zij de poort zoo wijd opendoen, dat wij er allen kunnen inzien
naar de heerlijkheid, Miss Phelia."
"Heeft Eva dan gezegd, dat zij zich van avond minder voelde dan
anders?"
"Neen, maar zij zeide mij van morgen, dat Hij naderkwam; er zijn er,
die dat aan het kind zeggen, Miss Phelia. Dat zijn de engelen--dat
is het bazuingeschal voor den dageraad," zeide Tom, eenige woorden
uit een zijner geliefde gezangen aanhalende.
Dit gesprek tusschen Miss Ophelia en Tom had tusschen tien en elf
uur in den avond plaats, toen zij, nadat zij al hare beschikkingen
voor den nacht gemaakt had, de buitendeur ging sluiten en Tom onder
de veranda vond liggen.
Zij was niet zenuwachtig of lichtgeloovig; maar zijn tegelijk
plechtige en hartelijke toon ontroerde haar toch. Eva was dien namiddag
buitengewoon wel en opgeruimd geweest; zij had overeind in haar bed
gezeten, en al hare kleine kostbaarheden nagezien, en gezegd aan wie
zij wenschte dat zij gegeven werden; en haar uitzicht was levendiger
en hare stem natuurlijker geweest, dan men in verscheidene weken
had opgemerkt.
Maar te middernacht--dat vreemde, geheimzinnige uur, wanneer de sluier
tusschen het broze tegenwoordige en de eeuwige toekomst dunner wordt,
toen kwam de bode!
Er werd geluid in de kamer gehoord, eerst van iemand die snel heen en
weder stapte. Het was Ophelia, die voorgenomen had den geheelen nacht
op te blijven, en nu tegen middernacht had waargenomen wat ervaren
ziekenoppassters "verandering" noemen. De buitendeur werd haastig
geopend, en Tom, die waakte, was terstond op. "Ga den dokter halen,
Tom. Verlies geen oogenblik," zeide Ophelia, en toen de kamer weder
doorgaande, klopte zij aan de deur van St. Clare. "Neef," zeide zij,
"ik wou dat gij eens kwaamt."
Die woorden vielen hem op het hart, gelijk aardkluiten op eene
doodkist. Waarom deden zij dat? Hij was in een oogenblik op en in de
kamer, en boog zich over Eva die nog sliep.
Wat zag hij, dat zijn hart bijna deed stilstaan? Waarom werd er geen
woord tusschen die twee gesproken? Gij kunt het zeggen, die dezelfde
uitdrukkingen hebt gezien op het gezicht dat u het dierbaarste was--die
verandering, onbeschrijfelijk, hopeloos, onmiskenbaar, die schijnt
aan te duiden, dat wat u zoo dierbaar is u niet langer toebehoort.
Geen akelige trek vertoonde zich echter in dat kinderlijke
gezichtje--niets anders dan iets verhevens, iets goddelijks bijna--de
afschaduwing der tegenwoordigheid van geestelijke wezens--de dageraad
van het onsterfelijke leven in de kinderlijke ziel.
Zoo stonden zij haar aan te staren, zoo stil, dat zelfs het tikken
van het horloge te hard scheen te zijn. Weldra kwam Tom terug met
den dokter. Deze trad binnen, wierp een enkelen blik op het kind en
bleef toen even stilstaan als de anderen.
"Wanneer heeft die verandering plaats gehad?" vroeg hij Ophelia
fluisterend.
"Tegen middernacht," was het antwoord.
Marie, door de komst van den dokter opmerkzaam geworden, kwam haastig
de kamer binnen.
"Augustine!--Nicht!--O!--Wat!" begon zij.
"St!" zeide St. Clare met een heesche stem. "Zij is stervende."
Mammy hoorde deze woorden en vloog heen om de bedienden te
wekken. Weldra was het geheele huis in beweging--men zag lichten,
hoorde voetstappen, angstige en betraande gezichten keken uit de
veranda door de glasdeur in de kamer; maar St. Clare zag en hoorde
niets--hij zag alleen die uitdrukking op het gezicht der kleine
slaapster.
"O, als zij nog maar eens ontwaakte, nog maar eens sprak!" zeide hij,
en over haar heen bukkende, sprak hij in haar oor: "Eva, liefje."
De groote, blauwe oogen openden zich--een glimlach vloog over haar
gezichtje; zij poogde haar hoofd op te beuren en te spreken.
"Kent gij mij, Eva?"
"Lieve Papa," zeide het kind en sloeg met een laatste inspanning hare
armpjes om zijnen hals.
Een oogenblik later zonken zij weder neer; en toen St. Clare zijn
hoofd ophief, zag hij een doodsstuip over het gezichtje trekken--zij
snakte naar adem en stak de handjes uit.
"O God, dat is schrikkelijk!" zeide hij zich omkeerende, en in zijne
zielesmart nauwelijks wetende wat hij deed, klemde hij de hand van
Tom in de zijne. "O, Tom, mijn jongen, het doet mij den dood!"
Tom hield de hand van zijnen meester vast, en terwijl de tranen over
zijne zwarte wangen rolden, zag hij om hulp waarheen hij steeds gewoon
was op te zien.
"Bid dat dit kort mag duren!" zeide St. Clare. "Het is eene marteling
voor mijn hart."
"O, gezegend zij de Heere! Het is over--het is over, lieve meester,"
zeide Tom. "Zie haar maar aan."
Het kind lag hijgende op het kussen geheel afgemat, maar met de
groote heldere oogen strak omhooggeslagen. En wat las men in die
oogen, waarin altijd zooveel van dien hemel te zien was? De aarde was
voorbij en alle aardsche smart; maar zoo plechtig, zoo geheimzinnig
was de zegevierende blijdschap, die op dat gezichtje lag verspreid,
dat zelfs de zuchten der droefheid daardoor bedwongen werden. De
aanwezigen bleven stil voor zich uit staren.
"Eva," zeide St. Clare zacht.
Zij hoorde niet.
"O, Eva, zeg ons wat gij ziet! wat is het?" zeide haar vader.
Een heldere, heerlijke glimlach zweefde over haar gezichtje en zij
antwoordde afgebroken: "O, liefde--blijdschap--vrede!" slaakte een
enkelen zucht en ging uit den dood in in het leven over.
Vaarwel, dierbaar kind! De eeuwige poort is achter u gesloten; wij
zullen uw lief gezichtje niet meer zien. Ach, wee hunner, die uw
ingaan in den hemel hebben aanschouwd, als zij ontwaken en alleen
de koude grauwe lucht van het dagelijksche leven vinden, en gij voor
altijd heen zijt!
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
"DIT IS HET LAATSTE VAN DE AARDE", JOHN Q. ADAMS
De beeldjes en schilderijen in Eva's kamer waren met witte doeken
bedekt; men hoorde daar slechts gesmoord ademhalen en met zachte
voorzichtige schreden gaan, en het licht, door de neergelaten
valgordijnen schijnende, verspreidde eene plechtige schemering.
Het bed was met eene sprei bedekt; en daar, onder de zwevende
engelengedaante, lag de kleine slaapster--die sliep om nooit weder
te ontwaken.
Daar lag zij, in een van die eenvoudige witte jurkjes gekleed, die
zij placht te dragen toen zij leefde; het rozekleurige licht door
de gordijnen wierp een warmen gloed over het ijskoude des doods. De
zware wimpers lagen zacht op de reine wangen; het hoofd was een
weinigje op zijde gekeerd, gelijk in een natuurlijken slaap, maar
elke trek van het gezichtje deelde in die hemelsche uitdrukking,
die mengeling van verrukking en ernst, welke bewees dat het geen
aardsche, kortstondige slaap was, maar de lange, heilige rust, die
"Hij aan zijne beminden geeft."
Er is geen dood voor dezulken als gij, lieve Eva! geene duisternis
of schaduw des doods; niet anders dan zulk een helder verbleeken,
gelijk wanneer de morgenster in den gouden dageraad verdwijnt. Voor
hen is het een zege zonder strijd--een kroon zonder kamp.
Zoo dacht St. Clare, terwijl hij daar met de armen over elkander stond
te staren. Maar wie zal zeggen wat hij dacht? want van het oogenblik,
toen de stemmen in dat sterfvertrek hadden gezegd: "Het is voorbij,"
was alles om hem heen een dichte nevel geweest, had hij niets gevoeld
dan zijne bedwelmende zielesmart. Hij had stemmen gehoord; er waren
hem vragen gedaan, en hij had geantwoord; men had hem gevraagd, wanneer
de begrafenis moest plaats hebben, en waar zij begraven moest worden,
en hij had ongeduldig geantwoord, dat het hem niet schelen kon.
Adolf en Rosa hadden de kamer geschikt. Zoo lichtzinnig, wispelturig
en kinderachtig als zij doorgaans waren, hadden zij toch een zacht hart
en warm gevoel: en terwijl Ophelia over het geheel het opzicht hield en
zorgde dat alles net en ordelijk was, waren het hunne handen, welke die
kleine, poëtische versierselen aanbrachten, die het sterfvertrek dat
akelige en sombere ontnamen, hetwelk eene begrafenis in Nieuw-Engeland
maar al te zeer kenmerkt.
Er waren nog bloemen hier en daar--alle wit, teeder en geurig,
met sierlijk hangende bladeren. Op Eva's tafeltje, met een wit kleed
bedekt, stond hare geliefde vaas, thans met eene enkele witte mos-roos
er in. De plooien van draperiën en gordijnen waren door Adolf en Rosa
geschikt en herschikt, met die juistheid van oog, die aan hun geslacht
eigen is; en ook nu nog, terwijl St. Clare daar stond te peinzen,
kwam Rosa de kamer binnentrippelen met een mandje witte bloemen. Zij
trad terug toen zij haar meester zag en bleef eerbiedig staan; maar
ziende dat hij haar niet opmerkte, kwam zij nader om ze op het bed
te strooien. St. Clare zag haar als in een droom, terwijl zij een
Kaapsche jasmijn in de witte handjes plaatste, en de overige bloemen
met keurigen smaak hier en daar verdeelde.
De deur werd wederom geopend en Topsy kwam, met oogen gezwollen van
het schreien en iets onder haar voorschoot houdende. Rosa wenkte haar
snel om terug te blijven, maar zij trad toch binnen.
"Gij moet heengaan," zei Rosa, driftig en gebiedend fluisterende,
"gij hebt hier niets te maken."
"O laat mij toch! Ik heb eene bloem gebracht--zoo mooi!" zeide Topsy,
eene half ontloken theeroos vertoonende. "Laat ik die toch maar even
daar leggen."
"Maak je weg," zeide Rosa nog scherper.
"Laat haar blijven!" zeide St. Clare eensklaps en stampte met zijnen
voet. "Zij mag komen."
Rosa droop spoedig af en Topsy kwam nader en legde haar offer aan den
voet van het lijkje. Toen wierp zij zich plotseling, met een woesten
en bitteren kreet, bij het bed op den grond en bleef daar luid liggen
schreien en kermen.
Ophelia kwam haastig de kamer binnen en poogde haar te doen opstaan
en zwijgen, maar vruchteloos.
"O, Miss Eva! O, Miss Eva! Ik wenschte dat ik dood was,--dat doe ik!"
Toen zij dat met woeste droefheid uitriep, kwam er weder een blos
op St. Clare's marmerwitte wangen, en sprongen de eerste tranen,
die hij sedert Eva's dood had geschreid, uit zijne oogen.
"Sta op, kind," zeide Ophelia met meer zachtheid in hare stem. "Huil
zoo niet. Miss Eva is naar den hemel gegaan. Zij is nu een engel!"
"Maar ik kan haar niet meer zien, en ik zal haar nooit meer zien,"
zeide Topsy en begon weder te snikken.
Allen zwegen een poos.
"Zij zeide dat zij mij liefhad," begon Topsy weder, "dat deed zij! En
och! nu is er niemand over--niemand!"
"Dat is maar al te waar," zeide St. Clare. "Maar zie toch of gij dat
arme schepsel niet troosten kunt," vervolgde hij tegen Ophelia.
"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zei Topsy. "Ik behoefde geheel
niet geboren te worden. Ik zie niet waarvoor het goed is."
Miss Ophelia nam haar nu met zachten dwang van den grond op en bracht
haar de kamer uit; maar terwijl zij dit deed, rolden er tranen over
hare wangen.
"Topsy, gij arm kind," zeide zij, toen zij het meisje naar hare eigene
kamer had gebracht, "verlies nu den moed niet. Ik kan u liefhebben,
al ben ik niet gelijk aan dat lieve kleine kind. Ik hoop dat ik
toch iets van de liefde van Christus van haar geleerd heb. Ik kan
u liefhebben. Dat doe ik al, en ik zal beproeven u te helpen om een
goed christelijk meisje te worden."
Ophelia's stem zeide meer dan hare woorden, en nog meer zeiden de
oprechte, medelijdende tranen, die over hare wangen rolden. Van dat
uur af verkreeg zij een invloed op het gemoed van dat arme kind,
dien zij nooit weder verloor.
"O, mijne Eva, wier korte tijd op aarde zooveel goed deed," dacht
St. Clare, "welke verantwoording heb ik voor mijne lange jaren
te geven!"
Eene poos hoorde men nog gefluister en zachte voetstappen in de
kamer, terwijl de een na den ander binnensloop om den doode te zien;
en toen kwam de kleine doodkist, en toen volgde de begrafenis,
en koetsen hielden voor de deur op, en vreemdelingen gingen daarin
zitten; en men zag witte strikken en zwarte strooken krip, en dragers
geheel in het zwart; en er werden woorden uit den Bijbel gelezen, en
gebeden gedaan; en St. Clare leefde en ging en deed gelijk iemand,
die zijne laatste tranen geschreid had. Tot het laatst toe zag hij
slechts dat eene--het hoofdje met gouden lokken in de doodkist. Maar
toen zag hij den doek daarover leggen en het deksel op de kist doen;
en toen hij naast anderen geplaatst was, ging hij voort naar eene
plek in den tuin, en daar, bij de met mos begroeide bank, waarop zij
en Tom zoo dikwijls hadden zitten praten, zingen en lezen, daar was
het grafje. St. Clare stond er bij en zag er verstrooid in neder,
hij zag de kleine kist afdalen, hoorde flauw de plechtige woorden:
"Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven al
ware hij ook gestorven," en toen de aarde in het grafje werd geworpen,
kon hij zich niet voorstellen, dat het zijne Eva was, die men zoo
voor zijne oogen verborg.
En het was ook Eva niet--maar alleen de zwakke kiem van die heerlijke,
onsterfelijke gedaante, die eens te voorschijn zal treden op den dag
van den Heere Jezus!
En toen verstrooiden zich allen, en de rouwdragers gingen weder naar de
plaats die haar niet meer kennen zou; en de kamer van Marie was donker
gemaakt, en zij lag te bed, snikkende en zuchtende in onbedwingbare
smart, en telkens om de hulp harer bedienden vragende. Zij hadden
natuurlijk geen tijd om te schreien--wat behoefden zij ook? Het leed
was _haar_ leed, en zij was ten volle overtuigd, dat niemand het zoo
op de wereld kon en zou gevoelen als zij.
"St. Clare schreide geen enkele traan," zeide zij. "Hij had geen het
minste medelijden met haar. Het was inderdaad verbazend als men dacht
hoe hardvochtig en ongevoelig hij was, daar hij toch wel weten moest
wat zij leed."
Zoozeer zijn de menschen de slaven hunner oogen en ooren, dat velen
der bedienden inderdaad geloofden, dat hunne meesteres het meest onder
het gebeurde leed, vooral toen Marie zenuwtoevallen begon te krijgen,
en den dokter liet komen, en eindelijk verklaarde dat zij stervende
was; en het loopen en draven, het brengen van warme kruiken, het heet
maken van wollen lappen, het wrijven en al het gedoe dat daarop volgde,
gaf werkelijk eene afleiding.
Tom evenwel had een gevoel in zijn hart, dat hem naar zijnen meester
trok. Hij volgde dezen oplettend en treurig, waar hij ook ging,
en toen hij hem zoo bleek en stil in Eva's kamer zag zitten, met
haar Bijbeltje open voor zich, schoon hij geen woord of letter zag
van hetgeen er in stond, was er voor Tom meer smart in die strakke,
tranenlooze oogen, dan in al het kermen en klagen zijner meesteres.
Eenige dagen later ging de familie weder naar de stad terug, daar
St. Clare, met de rusteloosheid der smart, naar verandering van
plaats verlangde, om den loop zijner gedachten eene andere richting
te geven. Zij verlieten dus het huis en den tuin, met zijn grafje,
en kwamen te Nieuw-Orleans terug; St. Clare zwierf veel langs de
straten, en poogde het ledige in zijn hart met gewoel en drukte te
vervullen; en zij die hem op straat of in het koffiehuis zagen,
wisten van zijn verlies alleen door den rouwband om zijnen hoed;
want daar was hij pratende en lachende, de couranten lezende, en zich
met politiek en handelszaken bemoeiende; en wie kon het zien dat die
uitwendige vroolijkheid slechts een holle schel was over een hart,
dat een stil en donker graf was.
"St. Clare is een zonderling man," zeide Marie eens op een klagenden
toon tegen Ophelia. "Ik placht te denken, als er iets op de wereld was
dat hij liefhad, dat het dan onze kleine Eva was; maar hij schijnt
haar zeer gemakkelijk te vergeten. Ik kan hem er nooit toe krijgen
om over haar te spreken. Ik had waarlijk gedacht dat hij meer gevoel
zou toonen."
"Stille waters hebben diepe gronden, placht men mij te zeggen,"
antwoordde Ophelia op den toon van een orakel.
"Och, ik geloof aan zulke dingen niet. Dat zijn maar praatjes. Als
iemand gevoel heeft toont hij het ook; dat kan hij niet laten. Maar
toch is het een groot ongeluk als men gevoel heeft. Ik zou liever
naar St. Clare willen gelijken. Mijn gevoel ondermijnt mij."
"Maar zeker, Mevrouw, Mijnheer St. Clare wordt zoo bleek en mager als
een schim, en ik hoor dat hij haast niet meer eet," zeide Mammy. "Ik
weet wel, dat hij Miss Eva niet vergeet; en dat zou ook niemand
kunnen doen, dat lieve, kleine schaap," voegde zij er bij en veegde
hare oogen af.
"Nu, in allen gevalle, hij denkt geheel niet om mij," zeide Marie. "Hij
heeft geen woord van troost tegen mij gesproken, en hij moet toch
wel weten hoeveel meer eene moeder voelt dan een man ooit doen kan."
"Het hart kent zijne eigene bitterheid," zeide Ophelia ernstig.
"Dat is het juist wat ik denk. Ik weet wat ik gevoel--niemand anders
schijnt dat te weten. Eva placht dat te doen; maar ze is weg!" En Marie
liet zich achterover op de sofa zinken en begon jammerlijk te snikken.
Marie was eene van die ongelukkige stervelingen, in wier oogen al wat
zij verloren hebben eene waarde verkrijgt, die het nooit had terwijl
zij het bezaten. Wat zij had, scheen zij slechts te beschouwen om er
gebreken aan te vinden; maar wanneer zij het eens voorgoed kwijt was,
hield zij niet op het te prijzen.
Terwijl dit gesprek in de voorkamer plaats had, werd er een ander in
de bibliotheek gevoerd.
Tom, die zijn meester onrustig overal volgde, had hem eenige uren
geleden daar zien binnengaan, en na vruchtloos gewacht te hebben dat
hij er weder uit zou komen, besloot hij eindelijk er eenige bezigheid
te zoeken. Hij trad zacht binnen. St. Clare zat in een leuningstoel aan
het einde van het vertrek. Zijn gezicht was in zijne handen verborgen,
en Eva's Bijbeltje lag op eenigen afstand open op de tafel.
Tom kwam nader en bleef aarzelend bij hem staan. Eensklaps richtte
St. Clare zich op. Toms eerlijk gezicht, zoo vol droefheid en met
zulk een smeekende uitdrukking van liefde en medelijden, trof zijn
meester. Hij legde zijne hand op die van Tom, en liet zijn voorhoofd
daarop zinken.
"O Tom, mijn jongen, de geheele wereld is zoo ledig als een
eierschaal."
"Dat weet ik, meester, dat weet ik," antwoordde Tom. "Maar o, als
meester kon opzien, waar onze lieve Miss Eva is--naar den lieven
Heere Jezus!"
"Och, Tom, ik zie op. Maar het ergste is, ik zie toch niets als ik
het doe. Ik wenschte dat ik kon."
Tom slaakte een zwaren zucht.
"Het schijnt aan de kinderen en arme oprechte lieden, zooals gij,
gegeven te zijn, om te zien wat wij niet kunnen zien," zeide St. Clare
nu. "Hoe komt dat?"
"Gij hebt ze voor de wijzen en verstandigen verborgen, en ze den
kinderkens geopenbaard," prevelde Tom. "Ja, Vader, want alzoo is
geweest het welbehagen voor U."
"Tom, ik geloof niet--ik kan niet gelooven; ik heb de gewoonte van
twijfelen aangenomen," zeide St. Clare. "Ik wil dezen Bijbel gelooven,
en ik kan niet."
"Lieve meester, bid tot den goeden Heere: 'Heere, ik geloof, kom
mijne ongeloovigheid te hulp.'"