te redden, dat gij geheel onder uwe macht tehuis bij u hebt, wat
baat het dan om daarmede een paar arme zendelingen te zenden onder
duizenden van zulke schepselen? Ik meen toch dat dit kind nagenoeg
een staaltje zal wezen van wat duizenden heidenen zijn."
Ophelia gaf niet dadelijk antwoord; en Eva, die dit tooneel tot
nog toe stil had aangezien, gaf Topsy zwijgend een teeken om haar
te volgen. Op den hoek der veranda was een afgeschoten kamertje van
glasramen, waarin St. Clare dikwijls zat te lezen, en het was in dit
vertrekje dat Eva met Topsy verdween.
"Wat gaat Eva nu beginnen?" zeide St. Clare. "Dat moet ik toch zien."
Hij sloop op de teenen nader en lichtte de gordijnen op, die voor
de glazen deur hingen. Een oogenblik later gaf hij, met den vinger
op de lippen, Ophelia een wenk om ook te komen zien. Daar zaten de
twee kinderen op den grond, zoodat hunne gezichtjes juist op zijde
konden gezien worden--Topsy met hare gewone, koddige, halfspottende
onverschilligheid; maar tegenover haar Eva, met vurige aandoening in
al hare trekken en tranen in de oogen.
"Waarom maakt gij het zoo slecht, Topsy? Waarom wilt gij uw best niet
doen om goed te zijn? Is er niemand dien gij liefhebt, niemand van
wien gij houdt, Topsy?"
"Van liefhebben weet ik niet af; en ik houd van klontjes en zoo,
anders niet," antwoordde Topsy.
"Maar hebt ge dan uw vader en uwe moeder niet lief?"
"Nooit gehad, weet ge wel. Dat heb ik u gezegd, Miss Eva."
"O ja, dat weet ik," zeide Eva treurig. "Maar hebt gij dan geen
broeder of zuster gehad, of tante, of...."
"Neen, niets van dat--heb nooit iemand of iets gehad."
"Maar, Topsy, als ge maar uw best woudt doen om goed te zijn, dan
zoudt ge...."
"Ik zou toch nooit iets anders dan een neger kunnen wezen, al was ik
nog zoo goed," zeide Topsy. "Als ik gevild kon worden en blank worden,
dan zou ik mijn best doen."
"Maar men kan u toch wel liefhebben, al zijt gij zwart, Topsy. Miss
Ophelia zou u liefhebben, als gij maar goed waart."
Topsy liet den korten schamperen lach hooren, waarmede zij gewoon
was ongeloof aan te duiden.
"Denkt gij dat niet," zeide Eva.
"Neen, zij kan mij niet uitstaan, omdat ik eene negerin ben! Zij zou
even lief hebben dat eene padde haar aanraakte. Niemand kan negers
liefhebben, en negers kunnen niets doen. Maar het kan mij niet
schelen." En Topsy begon te fluiten.
"O, Topsy, arm kind, ik heb u lief!" zeide Eva met eene plotselinge
uitbarsting van aandoening, en haar wit uitgeteerd handje op Topsy's
schouder leggende. "Ik heb u lief, omdat gij nooit vader, moeder of
vrienden hebt gehad, omdat gij een arm mishandeld kind zijt geweest. Ik
heb u zeer lief, en ik wenschte dat gij al goed waart. Ik ben heel
ziek, Topsy, en ik denk dat ik niet lang leven zal; en het spijt mij
waarlijk u zoo ondeugend te zien. Ik wenschte dat gij om mijnentwil
uw best deedt om goed te zijn, Topsy: het is nog maar een korte poos
dat ik bij u zal wezen."
De ronde flikkerende oogen van het zwarte kind werden door tranen
beneveld; groote, heldere droppels rolden een voor een over hare
wangen en vielen op het blanke handje. Ja, op dat oogenblik had een
straal van waar geloof, een straal van hemelsche liefde de duisternis
harer heidensche ziel doordrongen! Zij liet haar hoofd tusschen hare
knieën zinken en schreide en snikte, terwijl het schoone meisje,
over haar heengebogen, op het beeld van een heerlijken engel geleek,
afdalende om een zondaar te redden.
"Arme Topsy!" zeide Eva, "weet gij niet dat Jezus allen eveneens
liefheeft? Hij is even gewillig om u lief te hebben als mij. Hij heeft
u even lief als ik, nog meer, omdat Hij beter is. Hij zal u helpen
om goed te zijn. En gij kunt eindelijk naar den hemel gaan en voor
eeuwig een engel worden, evengoed alsof gij blank waart. Bedenk dat
eens, Topsy! Gij kunt een van die zalige geesten worden, waar Oom
Tom van zingt."
"O, lieve Miss Eva, lieve Miss Eva," zeide het kind. "Ik wil mijn
best doen. Ik wil mijn best doen. Voorheen heeft het mij nooit kunnen
schelen."
Op dit oogenblik liet St. Clare de gordijn vallen.
"Dat herinnert mij aan moeder," zeide hij tegen Ophelia. "Het is
waar wat zij mij zeide: "Als wij de blinden het gezicht willen geven,
moeten wij willen doen wat Christus deed--hen tot ons roepen en _onze
handen op hen leggen_."
"Ik heb altijd een vooroordeel tegen negers gehad," zeide Ophelia,
"en het is waar, ik heb nooit kunnen velen, dat dat kind mij aanraakte;
maar ik dacht dat zij het niet wist."
"Wees er maar zeker van, dat ieder kind zoo iets ontdekt," zeide
St. Clare. "Dat is niet voor hen te verbergen. Maar ik geloof dat
alle pogingen om een kind wel te doen, en alle wezenlijke gunsten,
die men het bewijzen kan, nooit eenige opwelling van dankbaarheid
kunnen teweegbrengen, zoolang dat gevoel van tegenzin in het hart
blijft; het mag zonderling zijn, maar het is zoo."
"Ik weet niet hoe ik het veranderen kan," antwoordde Ophelia. "Zij
_zijn_ mij onaangenaam, en dit kind in het bijzonder. Hoe kan ik dat
gevoel bedwingen?"
"Eva doet het toch, naar het schijnt."
"Maar zij is ook zoo liefhebbend!" zeide Ophelia. "Evenwel, zij is
toch niet meer dan christelijk. Ik wenschte dat ik op haar geleek. Zij
zou mij nog wel eene les kunnen geven."
"Het zou de eerste maal niet zijn, dat een klein kind gebruikt was
om een ouden discipel te onderwijzen," zeide St.-Clare.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DOOD.
"Ween niet om hen, wie de sluier des grafs
In 's levens morgenstond heeft voor ons oog verborgen."
Eva's slaapkamer was een ruim vertrek, dat, gelijk al de andere kamers
van het huis, op de breede veranda uitkwam. Aan de eene zijde grensde
het aan de kamer van haren vader en moeder, aan de andere aan die,
welke Miss Ophelia in gebruik had. St.-Clare had zijn eigen smaak
gevolgd in het meubileeren van dit vertrek in een trant, welke volkomen
met het karakter van haar voor wie het bestemd was strookte. De
vensters waren met gordijnen van rozerood en wit neteldoek behangen;
de vloer was bedekt met eene mat, die men van Parijs had laten komen,
naar een patroon van zijne eigene teekening, dat in het rond een rand
van rozeknoppen en bladeren, en in het midden een perk geheel ontloken
rozen had. Het ledikant, de stoelen en de sofa's waren van bamboes in
bijzonder sierlijke patronen gevlochten. Aan het hoofdeinde van het
ledikant was eene albasten console, waarop een schoon gebeeldhouwde
engel, met saamgevouwen vleugelen stond, die een mirtekrans ophield;
van dien krans hingen de lichte gordijnen van rooskleurig met
zilver gestreept gaas af, welke die beschutting gaven, welke in dat
klimaat een onmisbaar vereischte voor elke slaapplaats is. Op de
sierlijke sofa's van bamboes lagen kussens van rooskleurig damast, en
daaroverheen hingen, door beelden opgehouden, dergelijke gordijnen als
die van het ledikant. Eene fraaie, insgelijks van bamboes gevlochten
tafel stond midden in het vertrek, en daarop een wit marmeren vaas,
in den vorm eener lelie met knoppen, altijd met bloemen gevuld. Op
deze tafel lagen Eva's boeken en snuisterijen, en stond ook een
sierlijke albasten inktkoker, dien haar vader haar had gegeven,
toen hij zag dat zij moeite deed om te leeren schrijven. Er was eene
stookplaats in het vertrek, en op den schoorsteenmantel stond eene
uitmuntend gebeeldhouwde kleine groep, Jezus de kinderen zegenende,
tusschen twee marmeren vazen, welke Tom zorgde elken morgen van versche
bloemruikers te voorzien. Eenige uitmuntende schilderijen van kinderen,
in verschillende houdingen, verfraaiden de wanden. Kortom, het oog kon
zich nergens heenwenden, zonder de beelden van kindsheid, schoonheid
en zielevrede te ontmoeten. Die twee oogjes openden zich nooit voor
het morgenlicht, zonder iets te zien dat het hartje streelde en het
veredelende gedachten moest inboezemen.
De bedriegelijke kracht, welke Eva eene poos had ondersteund, verdween
spoedig weder; al zeldzamer en zeldzamer hoorde men haar lichten tred
onder de veranda, en als men haar zocht, vond men haar gewoonlijk op
eene sofa voor het open venster liggen, met de oogen op de kabbelende
golfjes van het meer gevestigd.
Het was eens op een namiddag, terwijl zij zoo lag--met haren Bijbel
half open bij haar, en de dunne doorschijnende vingertjes lusteloos
tusschen de bladen--dat zij de stem harer moeder, schel en driftig
onder de veranda hoorde.
"O, gij ondeugend nest, wat hebt gij nu weer uitgevoerd? Bloemen
geplukt, he?" En Eva hoorde den klank van een harden klap.
"Och, Mevrouw, zij zijn voor Miss Eva," hoorde zij eene stem zeggen,
welke zij voor die van Topsy herkende.
"Voor Miss Eva? Een mooi verzinsel! Denkt gij dat zij bloemen van u
noodig heeft, gij logenachtig ding? Maak dat gij weg komt."
In een oogenblik was Eva op en naar de veranda.
"O, neen, Mama, ik zou de bloemen gaarne hebben. Geef ze mij toch. Ik
verlang er naar."
"Maar, Eva, uwe kamer is vol."
"Ik kan er nooit te veel hebben," antwoordde Eva. "Topsy, breng ze
mij hier."
Topsy, die met een hangend hoofd druilend was blijven staan, kwam nu
en bood hare bloemen aan. Zij deed dit met eene schroomvalligheid
en bedeesdheid, zeer verschillende van de zonderlinge koddige
onbeschaamdheid en levendigheid, die haar anders eigen waren.
"Het is een mooi bouquetje!" zeide Eva, het beziende.
Het was zeker buitengemeen genoeg--een enkele schitterende roode
geranium en eene enkele witte japonica, met hare glanzige bladeren. Het
was blijkbaar zoo gekozen door een oog dat gevoel had voor het contrast
van kleuren, en elk blaadje was met zorg geschikt.
Topsy scheen zeer in haren schik toen Eva zeide: "Topsy, gij kunt heel
aardig bloemen schikken. Hier in dit vaasje heb ik er nog geen. Ik
wou dat gij er alle dagen een ruikertje voor kondt maken."
"Welk een wonderlijke inval!" zeide Marie. "Wat in de wereld wilt ge
toch daarmede doen?"
"Och niets, Mama; maar gij wilt immers wel hebben dat Topsy dit doet,
niet waar?"
"Natuurlijk, alles wat u genoegen kan geven, liefje. Topsy, gij hoort
wat uwe jonge meesteres zegt; pas op dat gij er voor zorgt."
Topsy neeg even en keek voor zich neer; en toen zij zich omkeerde,
zag Eva een traan over hare zwarte wang rollen.
"Ziet ge, Mama, ik wist wel dat die arme Topsy iets voor mij wilde
doen," zeide Eva tegen hare moeder.
"Och kom, gekheid! Het is maar alleen omdat zij gaarne kwaad doet. Zij
weet dat zij geen bloemen mag plukken, en daarom doet zij het--anders
is het niet. Maar als gij er pleizier in hebt dat zij ze plukt,
laat het dan zoo zijn.
"Mama, ik geloof dat Topsy anders is dan zij placht te wezen. Zij
wil nu haar best doen om een goed meisje te worden."
"Zij zal lang haar best moeten doen eer haar dat gelukt," zeide Marie
met een onverschilligen lach.
"Maar gij weet ook wel, Mama, die arme Topsy heeft altijd alles tegen
zich gehad."
"Toch zeker niet sedert zij hier is. Men heeft haar onderricht en
voor haar gepreekt, en alles gedaan wat iemand op de wereld doen kon;
en zij is even ondeugend en zal dat altijd blijven; van dat schepsel
kunt gij nooit iets maken."
"Maar, Mama, het maakt zulk een groot verschil, of iemand opgebracht
is zooals ik geworden ben, met zooveel vrienden en zooveel dingen
om mij tevreden en goed te maken, of opgebracht te worden zooals zij
altijd geworden is tot zij hier kwam."
"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Marie. "He, wat is het
warm!" "Mama, gij gelooft toch wel, doet gij niet, dat Topsy een engel
zou kunnen worden, zoowel als een van ons, als zij christen werd?"
"Topsy! Welk een gekke inval! Niemand dan gij zou ooit daaraan gedacht
hebben. Maar ik denk toch dat het zou kunnen zijn."
"Maar, Mama, is dan God haar Vader niet, evengoed als de onze? Is
Jezus haar Zaligmaker niet?"
"Nu ja, dat zal wel wezen. Ik geloof ook dat God alle menschen
geschapen heeft," zeide Marie. "Waar is mijn flacon?"
"Het is zoo jammer--o zoo jammer!" zeide Eva, naar het meer in de
verte turende en half bij zich zelve sprekende.
"Wat is jammer?" zeide Marie.
"Wel, dat iemand die een heerlijke engel zou kunnen zijn, en met
engelen leven, in het verderf zou zinken, en niemand die ongelukkige
helpen zou?"
"Ja, dat kunnen wij toch niet helpen, en het gaat niet zich daarover
te kwellen, Eva. Ik weet niet wat er aan te doen is. Wij moeten maar
dankbaar zijn voor onze eigene voorrechten."
"Dat kan ik haast niet wezen," antwoordde Eva, "zoo bedroefd word ik,
als ik aan die arme menschen denk die er geene hebben."
"Dat is toch vreemd," zeide Marie; "ik weet wel dat mijn godsdienst
mij dankbaar maakt voor mijne voorrechten."
"Mama," zeide Eva op eens, "ik wou wat van mijn haar hebben
afgeknipt--veel afgeknipt."
"Waarom?" vroeg Marie.
"Ik wou het aan mijne vrienden geven, Mama, terwijl ik nog in staat
ben om het zelve te geven. Wilt gij tante niet vragen om eens hier
te komen en het voor mij af te knippen?"
Marie verhief hare stem en riep Ophelia uit de andere kamer.
Toen deze binnenkwam, rees Eva half overeind, schudde hare lange
krullen los, en zeide bijna schertsende: "Kom, Tante, scheer het
schaapje!"
"Wat is dat?" zeide St.-Clare, die juist binnenkwam met eenige
vruchten, die hij voor haar was gaan halen.
"Papa, ik wilde tante wat van mijn haar laten afsnijden. Ik heb te
veel, en het maakt mijn hoofd heet. En bovendien wilde ik er wat
van weggeven."
Ophelia kwam met eene schaar.
"Pas op dat gij het niet ontsiert," zeide St.-Clare. "Knip van onderen
weg, waar het niet te zien zal zijn. Ik ben grootsch op Eva's krullen."
"O, Papa!" zeide Eva treurig.
"Ja zeker, en ik wil ze mooi hebben gehouden, tegen den tijd dat ik u
medeneem naar de plantage van uwen oom, om neef Henrique te bezoeken,"
zeide St.-Clare op een vroolijken toon.
"Ik zal nooit daarheen gaan; ik ga naar een beter land. O, geloof
mij toch! Ziet ge niet, Papa, dat ik elken dag zwakker word?"
"Waarom dringt gij mij zoo om iets te gelooven, dat mij zoo verdrietig
zou zijn, Eva?" zeide haar vader.
"Alleen omdat het waar is, Papa; en als gij het nu gelooven wilt,
zult gij er misschien even kalm onder worden als ik."
St.-Clare kneep zijne lippen dicht en bleef somber staan toezien,
terwijl de fraaie lange krullen van het hoofd zijner dochter werden
afgeknipt, en een voor een in haren schoot gelegd. Zij nam ze op, zag
ze ernstig aan, wond ze om hare dunne vingertjes, en keek tusschenbeide
met angstige treurigheid naar haar vader op.
"Dat is het juist, waarvan ik een voorgevoel heb gehad," zeide
Marie. "Dat is het, wat van dag tot dag aan mijne gezondheid heeft
geknaagd en mij naar het graf brengt, hoewel niemand er op let. Ik
heb dit al lang voorzien, en spoedig, St.-Clare, zult gij zien dat
ik gelijk had."
"En dat zal u zeker een grooten troost geven," zeide St.-Clare droog
en bitter.
Marie liet zich achterover op eene sofa zakken en bedekte haar gelaat
met haren zakdoek.
Eva's helderblauwe oogen keerden zich ernstig starende van den een
naar den ander. Het was de kalme, heldere blik eener ziel, reeds
half van hare aardsche banden ontslagen; het was duidelijk dat zij
verschil tusschen die twee zag en gevoelde.
Zij wenkte haar vader met haar handje. Hij kwam en zette zich bij
haar neer.
"Papa, mijne kracht vermindert van dag tot dag, en ik weet dat ik
moet heengaan. Er zijn nog eenige dingen, die ik zeggen en doen wilde
en die ik niet verzuimen mag; en gij zijt zoo bang om mij een woord
daarover te laten spreken. Maar het moet toch gebeuren, het kan niet
uitgesteld worden. Wees toch gewillig dat ik nu spreek."
"Ik ben gewillig, mijn kind," zeide St.-Clare, met de eene hand zijne
oogen bedekkende en met de andere Eva's handje vasthoudende.
"Dan wilde ik al onze lieden bij elkander zien. Er zijn eenige dingen
die ik hun moet zeggen."
"Welnu dan," antwoordde St.-Clare, op een toon van doffe berusting.
Ophelia zond iemand heen, en weldra waren al de bedienden in de kamer
bij elkander.
Eva zat in de kussens, rustende op de sofa; hare overgeblevene lokken
zwierden los om haar gezichtje; hare gloeiende wangen vormden een
pijnlijk contrast met de bleeke blankheid harer kleur en de magerheid
harer trekken en leden; en hare groote, zielvolle oogen zagen iedereen
ernstig aan.
Eene plotselinge ontroering beving al de bedienden. Dat gezichtje van
bovenaardsche schoonheid, de lange afgeknipte haarlokken, het afgewende
gelaat van den vader, het snikken der moeder, dat alles maakte een
diepen indruk op het gevoel van zulke licht aandoenlijke menschen;
en toen zij binnenkwamen zagen zij elkander aan, zuchtten en schudden
het hoofd. Er volgde eene diepe stilte, gelijk bij eene begrafenis.
Eva beurde zich op en zag eene poos ernstig in het rond. Alle gezichten
stonden droevig; vele der vrouwen verborgen het gezicht achter haar
voorschoot.
"Ik heb u allen laten roepen, mijne vrienden," zeide Eva, "omdat
ik u liefheb. Ik heb u allen lief, en ik heb iets te zeggen, dat
ik wensch dat gij altijd onthouden zult. Ik ga u verlaten. Over nog
eenige weken zult gij mij niet meer zien..."
Hier werd zij in de rede gevallen door eene uitbarsting van kermende
zuchten, snikken en jammerklachten, die hare zwakke stem geheel
verdoofden. Zij wachtte een oogenblik, en toen zeide zij op een toon
die alles tot stilte bracht:
"Als ge mij liefhebt, moet ge mij zoo niet storen. Luistert naar
wat ik zeg. Ik wilde over uwe zielen spreken. Vele van u, vrees ik,
zijn zeer zorgeloos. Gij denkt alleen aan deze wereld. Ik wilde u doen
bedenken en onthouden dat er een schoone wereld is, waar Jezus is. Ik
ga daarheen, en gij kunt ook daarheen gaan; die wereld is voor u,
zoowel als voor mij. Maar als gij daarheen wilt gaan, moet gij niet
los, zorgeloos en gedachteloos leven; dan moet gij christenen zijn. Gij
moet altijd onthouden, dat gij allen, een voor een, engelen kunt
worden en voor eeuwig engelen zijn.--Als gij christenen wilt worden,
zal Jezus u helpen. Gij moet tot Hem bidden; gij moet lezen...."
Hier bedacht zij zich, zag hen medelijdend aan en zeide treurig: "Ach,
gij kunt niet lezen! Arme zielen!" En toen verborg zij haar gezichtje
in de kussens en schreide, totdat de gesmoorde zuchten van hen, wie
zij had aangesproken en die nu om haar heen op den grond knielden,
haar opwekten.
"Dat is niets," zeide zij, zich weder oprichtende en door hare tranen
heen helder glimlachende: "ik heb voor u gebeden, en ik weet dat
Jezus u helpen zal, al kunt gij niet lezen. Doet allen uw best maar,
bidt elken dag; vraagt Hem om u te helpen, en laat u uit den Bijbel
voorlezen, zoo dikwijls gij kunt, dan denk ik dat ik u allen in den
hemel zal zien."
"Amen!" was het antwoord, dat nu door Tom en Mammy en eenige anderen
der oudsten, die tot de methodistische kerk behoorden, gepreveld
werd. De jongeren en andere loszinnigen, thans geheel vermurwd,
lagen met gebogen hoofd op de knieën te snikken.
"Ik weet," zeide Eva, "dat gij mij allen zeer liefhebt."
"Ja, o ja! Waarlijk doen wij dat! God zegene haar!" was het algemeene
onwillekeurige antwoord.
"Ja, dat weet ik. Er is niemand onder u, die niet altijd heel goed voor
mij geweest is; en ik wilde u iets geven, dat ge mij altijd gedenken
moogt, als ge het ziet. Ik zal u ieder eene krul van mijn haar geven;
en als ge die aanziet, denk dan dat ik u liefhad en naar den hemel
ben gegaan, en dat ik zoo verlang u allen daar te zien."
Het is onmogelijk het tooneel te beschrijven dat nu volgde, terwijl
allen zich met tranen en snikken om het kind verzamelden en uit hare
hand het laatste teeken harer liefde ontvingen. Zij vielen op hunne
knieën, zij snikten, baden en kusten den zoom van haar kleed; terwijl
de oudsten een vloed van teedere benamingen uitstortten, met gebeden en
zegenwenschen gemengd, op de wijze van hunnen hartstochtelijken stam.
Ophelia, beducht voor den invloed van al deze aandoeningen op de
kleine lijderes, wenkte ieder die hare gift ontvangen had om uit de
kamer te gaan.
Eindelijk waren allen vertrokken, behalve Tom en Mammy.
"Hier, Oom Tom," zeide Eva, "hier is een mooie voor u. O, ik ben
zoo blij, Oom Tom, als ik denk dat ik u in den hemel zien zal, want
dat zal ik zeker; en Mammy--lieve, goede, vriendelijke Mammy," zeide
zij, teeder hare armpjes om hare oude oppasster slaande, "ik weet,
dat gij daar ook wel zult zijn."
"O, Miss Eva, ik weet niet hoe ik zonder u leven zal!" riep de
getrouwe oppasster uit. "Het is alsof alles op eens uit het huis wordt
weggenomen," en Mammy gaf zich over aan hare hartstochtelijke smart.
Ophelia duwde haar en Tom zachtjes de kamer uit en dacht nu dat allen
weg waren, maar toen zij zich omkeerde, stond Topsy daar nog.
"Waar zijt gij vandaan gekomen?" zeide zij bevreemd.
"Ik was nog hier," antwoordde Topsy, zich de tranen uit de oogen
vegende. "O, Miss Eva, ik ben een slecht meisje geweest; maar wilt
gij er mij niet ook eene geven?"
"Ja, arme Topsy, zeker wil ik. Daar--telkens als gij dat aanziet,
denk dan dat ik u liefhad en wenschte dat gij een goed meisje waart."
"O, Miss Eva, ik doe mijn best," zeide Topsy ernstig; "maar och,
het is zoo moeilijk om goed te zijn. Het lijkt dat ik er mij maar
geheel niet aan gewennen kan."
"Jezus weet dat wel, Topsy. Hij heeft medelijden met u en Hij zal
u helpen."
Topsy liet zich met haar voorschoot voor haar oogen, stil door Miss
Ophelia de kamer uitbrengen, maar onder het heengaan verborg zij de
kostbare krul aan hare borst.
Toen allen weg waren sloot Ophelia de deur. De brave vrouw had onder
dit tooneel veel eigen tranen afgewischt, maar bekommering voor de
gevolgen van zooveel aandoening voor de kleine lijderes had toch de
overhand in haar gemoed.
St. Clare had al dien tijd met de hand voor de oogen gezeten, en toen
allen heen waren bleef hij nog zitten.
"Papa!" zeide Eva, hare hand op de zijne leggende.
Hij maakte eene beweging van schrik en huiverde, maar gaf geen
antwoord.
"Lieve Papa!" zeide Eva.
"Ik kan, ik kan het niet doorstaan!" zeide St. Clare opstaande. "De
Almachtige heeft bitter, zeer bitter met mij gehandeld!" En bitter
was waarlijk de nadruk, waarmede hij deze woorden uitsprak.
"Augustine, heeft God het recht niet om met Zijn eigendom te doen
wat Hij wil?" zeide Ophelia.
"Misschien; maar dat maakt het niet lichter om te dragen," antwoordde
St. Clare op een harden, drogen toon en zonder tranen, terwijl hij
zich omkeerde.
"O, Papa, gij breekt mij het hart!" riep Eva uit en wierp zich
opstaande in zijne armen. "Gij moet zoo niet denken, zoo niet
voelen." En zij schreide en snikte met eene heftigheid, die allen
zeer ongerust maakte en aan de gedachten van haren vader terstond
eene andere richting gaf.
"Stil, Eva; stil, liefje! Ik heb verkeerd gedaan. Ik heb slecht
gesproken. Ik wil alles denken--alles doen. Bedroef u maar zoo niet,
snik maar zoo niet. Ik zal gelaten zijn; ik zal berusten. Ik beken
mijne schuld met zoo te spreken."
Eva lag weldra afgemat maar rustig in de armen van haren vader, die
haar troostte met alle teedere woordjes, welke hij maar bedenken kon.
Marie stond op en snelde naar hare eigene kamer, waar zij het hevig
op de zenuwen kreeg.
"Gij hebt mij geene krul gegeven, Eva," zeide haar vader met een
treurigen glimlach.
"Zij zijn allen voor u, Papa," antwoordde zij lachende, "voor u
en mama; en gij moet er mijn lieve tante zooveel van geven als zij
wil. Ik heb ze maar zelve aan onze arme lieden gegeven; omdat het,
weet ge, Papa, zou kunnen vergeten worden, als ik er niet meer ben,
en omdat ik hoopte dat het hun zou helpen onthouden.... Gij zijt een
christen, niet waar, Papa?" zeide zij twijfelachtig.
"Waarom vraagt ge mij dat?"
"Ik weet het niet. Gij zijt zoo goed, dat ik niet zie hoe gij het
niet zoudt wezen."
"Wat is het, Eva, een christen te zijn?"
"Christus boven alles lief te hebben," antwoordde Eva.
"Doet gij dat, Eva?"
"Zeker, dat doe ik."
"Gij hebt Hem toch nooit gezien." zeide St. Clare.
"Dat maakt geen verschil," antwoordde Eva. "Ik geloof in Hem, en
over weinige dagen zal ik Hem zien." En haar gezichtje straalde
van blijdschap.
St. Clare zei niets meer. Het was een gevoel, dat hij ook vroeger bij
zijne moeder had ontwaard; maar in zijn binnenste was geene snaar,
die daarmede in overeenstemming trilde.