En waarlijk, het was een schoon tafereeltje. Henrique met zijn vroolijk

gezicht, zijne donkere glanzige krullen en gloeiende wangen, boog

zich onder het rijden lachende naar zijn nichtje over. Eva droeg een

blauw rijkleedje en een mutsje van dezelfde kleur. De beweging had

hare wangen een hoogen blos gegeven, die hare buitengemeen heldere

blankheid nog meer deed uitkomen.

"Waarlijk, eene schitterende kleine schoone!" zeide Alfred. "Ik

voorzeg u, Augustine, dat zij eens harten zal breken."

"Dat zal zij!--Maar al te waar!--God weet het, ik vrees er voor!" zeide

Augustine, met plotseling opwellende bitterheid, en snelde toe om

haar van het paard te helpen.

"Eva, mijn liefje, zijt gij niet al te moe geworden?" zeide hij,

haar in zijne armen sluitende.

"Neen, Papa," antwoordde het kind; maar hare korte hijgende ademhaling

maakte hem toch ongerust.

"Waarom hebt ge zoo hard gereden, liefje? Gij weet toch dat het niet

goed voor u is."

"Ik voelde mij zoo wel, Papa, en vond het zóó pleizierig, dat ik

dat vergat."

St. Clare droeg haar in zijne armen naar de voorkamer en legde haar

op de sofa.

"Henrique, gij moet met Eva zeer voorzichtig zijn," zeide hij:

"gij moet niet zoo hard met haar rijden."

"Ik zal op haar passen," antwoordde Henrique, zette zich bij de sofa

neer en nam zijn nichtje bij de hand.

Eva bevond zich spoedig veel beter. Haar vader en oom gingen hun spel

vervolgen en de twee kinderen bleven alleen.

"Weet gij wel, Eva," zeide Henrique, "het spijt mij zoo, dat papa

nog maar twee dagen hier blijft, en ik u dan niet meer zien zal voor

ik weet niet hoelang. Als ik bij u bleef, zou ik mijn best doen om

goed te zijn en niet hard voor Dodo, en dat alles. Ik wil Dodo niet

kwaad behandelen; maar weet ge, ik ben zoo driftig. En toch ben ik

eigenlijk niet kwaad voor hem. Ik geef hem dikwijls een fooitje,

en gij ziet dat hij goed gekleed is. Ik denk dat Dodo het over het

geheel tamelijk wel heeft."

"Zoudt gij denken dat gij het tamelijk wel hadt, als er geen schepsel

bij u was om u lief te hebben?"

"Ik! Wel natuurlijk niet!"

"En gij hebt Dodo afgenomen van al de vrienden die hij ooit had,

en nu is er geen schepsel om hem lief te hebben. Op die manier kan

niemand goed zijn."

"Ja, dat kan ik toch niet helpen of veranderen, zoover ik weet. Ik

kan zijne moeder niet koopen, en ik kan hem toch zelf niet gaan

liefhebben."

"Waarom kunt gij dat niet?" zeide Eva.

"Dodo liefhebben! Maar, Eva, dat kunt gij toch niet van mij willen. Ik

mag van hem houden; maar liefhebben doet men zijne bedienden niet."

"Ik wel--waarlijk."

"Dat is raar."

"Zegt de Bijbel niet dat wij alle menschen moeten liefhebben?"

"O, de Bijbel! Zeker, die zegt veel zulke dingen; maar niemand denkt

er toch ooit aan om ze te doen. Gij weet wel, Eva, niemand doet dat."

Eva sprak niet; hare oogen bleven een poos strak en peinzend.

"Hoe dat zij, lieve Neef," zeide zij eindelijk, "heb dien armen Dodo

toch lief en wees goed voor hem, om mijnentwil."

"Ik zou om uwentwil alles kunnen liefhebben, lief Nichtje; want ik

houd u waarlijk voor het liefste meisje dat ik ooit gezien heb."

Henrique sprak met een ernst, die een blos op zijne wangen bracht; en

Eva ontving die betuiging met volmaakte eenvoudigheid, zonder dat haar

gezichtje een spoor van eenige aandoening verried, en zeide slechts:

"O, ik ben blij, dat gij nu zoo denkt, lieve Henrique. Ik hoop dat

gij het altijd onthouden zult."

De schel van het diner maakte een einde aan het gesprek.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VOORTEEKENEN.

Twee dagen later namen Alfred en Augustine St. Clare afscheid

van elkander; daarna begon Eva, die door het gezelschap van haar

neefje tot inspanningen boven hare krachten was aangespoord, snel te

vervallen. St. Clare werd eindelijk geneigd om geneeskundigen raad in

te roepen, waarvoor hij tot nog toe had gehuiverd, daar dit te doen de

bekentenis van een onwelkome waarheid was. Thans was Eva twee dagen

lang zoo ongesteld geweest, dat zij geheel in huis moest blijven,

en nu werd de dokter geroepen.

Marie St. Clare had volstrekt geen acht gegeven op de langzame

vermindering van Eva's gezondheid en krachten, daar zij geheel verdiept

was in het bestudeeren van twee of drie nieuwe kwalen, waarvan zij

zelve het slachtoffer meende te zijn. Het was bij Marie een voornaam

punt van geloof, dat niemand ooit zulk eene groote lijderes was

geweest of wezen kon als zij zelve, en dus verwierp zij altijd met

zekere verontwaardiging de gedachte, dat iemand van hare onderhoorigen

ziek zou zijn. Zij hield zich in zulk een geval altijd verzekerd, dat

het niets dan luiheid of gebrek aan geduld was en dat iemand, als hij

eens lijden moest wat zij leed, spoedig het verschil zou gewaar worden.

Ophelia poogde verscheidene malen hare moederlijke bekommering over

Eva te doen ontwaken, maar vruchteloos.

"Ik zie niet dat het kind iets scheelt," zeide zij dan. "Zij loopt

rond en speelt."

"Maar zij heeft een hoest."

"Een hoest! O, gij behoeft niet van een hoest te spreken; ik heb al

mijn leven een hoest gehad. Toen ik zoo oud was als Eva, dacht men dat

ik de tering had. Nacht op nacht moest Mammy bij mij opzitten. Och,

Eva's hoest heeft zeker wel niets te beduiden."

"Maar zij wordt zoo zwak en kortademig."

"O, dat heb ik al jarenlang gehad. Dat is maar zenuwachtigheid."

"En des nachts zweet zij zoo."

"Wel, dat heb ik jarenlang gedaan. Dikwijls zijn des nachts mijne

kleeren zoo nat, dat men ze wel kan uitwringen. Dan is er geen droge

draad aan mijn nachtgoed, en zijn de lakens zoo nat, dat Mammy ze

moet te drogen hangen. Zoo zweet Eva toch niet."

Ophelia zweeg. Maar nu Eva zoo zichtbaar verminderde en er een dokter

geroepen werd, sloeg Marie eensklaps een geheel anderen toon aan.

Zij wist het wel, zeide zij, en had het altijd gevoeld, dat zij bestemd

was om de rampzaligste aller moeders te zijn. Zij zelve kwijnde weg

met eene verwoeste gezondheid, en hare lieveling zou voor hare oogen

ten grave dalen; en deze nieuwe jammer verschafte Marie weder eene

nieuwe reden om Mammy des nachts telkens wakker te roepen en over

dag veel erger dan ooit te bekijven en uit te schelden.

"Maar, lieve Marie, spreek toch zoo niet," zeide St. Clare. "Gij moet

niet zoo terstond het ergste denken."

"Gij hebt het gevoel eener moeder niet, St. Clare. Gij hebt mij nooit

kunnen verstaan, en dat doet gij nu ook niet."

"Maar spreek toch niet alsof het een wanhopig geval was."

"Gij moogt het zoo onverschillig opnemen als gij kunt, St. Clare. Zoo

gij er geen gevoel van hebt, als uw kind in zulk een toestand is,

ik wel. Het is een slag die te zwaar voor mij is, met al wat ik te

voren al droeg."

"Het is waar," zeide St. Clare, "dat Eva teer van gestel is, _dat_

heb ik altijd geweten, en dat haar snelle groei hare krachten heeft

uitgeput, en dat haar toestand bedenkelijk is. Maar nu is zij toch

maar zoo verzwakt door de warmte van het weder en de vermoeienis en

opgewondenheid, waartoe het bezoek van haren neef aanleiding gaf;

de dokter zegt dat er nog reden is om te hopen."

"O, natuurlijk; als gij de zaak van den besten kant kunt bezien,

doe het dan. Het is een geluk als iemand in deze wereld zulk een

teer gevoel niet heeft. Ik wenschte dat ik het ook maar niet had. Het

maakt mij maar geheel rampzalig. Ik wenschte dat ik zoo gerust _kon_

wezen als gij en anderen."

En die "anderen" hadden maar al te veel reden om denzelfden wensch te

uiten; want Marie gebruikte haar nieuwen jammer tot een voorwendsel

om allen die haar genaakten, te kwellen. Ieder woord, dat door iemand

gesproken, al wat er gedaan of niet gedaan werd, was een nieuw bewijs

dat zij omringd was door hardvochtige gevoellooze wezens, die zich

niet om hare smart bekommerden. De arme Eva hoorde eenige van die

gezegden, en schreide van medelijden met hare mama, en van spijt dat

zij haar zooveel droefheid veroorzaakte.

In een paar weken werden de verschijnselen veel gunstiger; het was

eene dier bedriegelijke tusschenpoozen van schijnbare verbetering,

door welke hare onverbiddelijke kwaal zoo dikwijls zelfs nog op den

rand van het graf, het angstige hart misleidt. Men zag Eva weder

op de balkons en in den tuin; zij speelde en lachte weder, en haar

vader zeide met verrukking dat zij spoedig zoo frisch en gezond zou

zijn als iemand. Ophelia en de dokter werden door dezen bedriegelijke

wapenstilstand niet gerustgesteld. Er was nog een hart, dat dezelfde

zekerheid van den eindelijken afloop gevoelde, en dat was het hartje

van Eva. Wat is het, dat de ziel somtijds zoo kalm en zoo duidelijk

zegt dat haar tijd op aarde kort zal zijn? Is het een geheim instinct

der stervende natuur, of eene geheimzinnige bewustheid van den geest,

dat de onsterfelijkheid nadert? Wat het wezen moge, het woonde in

het hart van Eva, als een kalme, streelende zekerheid, dat de hemel

nabij was; en daarmede was haar hartje voldaan, en werd alleen nog

ontrust door het leedwezen met hen, die haar zoo hartelijk liefhadden.

Want het kind, hoewel zoo teeder verzorgd, en schoon het leven zich

voor haar opende met al de helderheid, welke liefde en overvloed

aan het uitzicht konden geven, had voor zich zelve geen tegenzin in

het sterven.

In dat boek, waarin zij en haar eenvoudige oude vriend zooveel te zamen

gelezen hadden, had zij het beeld gevonden van Een, die de kinderkens

liefhad; en terwijl zij staarde en peinsde, had dat beeld opgehouden

een schilderij uit het lang verleden te zijn, en was eene levende,

alomtegenwoordige werkelijkheid geworden. Zijne liefde omving het

kinderlijke hart met meer dan sterfelijke teederheid; en het was naar

Hem en naar Zijn huis, zeide zij, dat zij heenging.

Maar haar hart bleef toch met treurige teederheid gehecht aan allen

die zij zou achterlaten--het meest aan haren vader; want hoewel zij dit

nooit duidelijk dacht, voelde Eva er toch eene onwillekeurige zekerheid

van, dat zij meer in zijn hart woonde dan in eenig ander. Zij had

hare moeder lief, omdat zij zoo vol liefde was; en al de zelfzucht,

welke zij in deze zag, bedroefde en verbijsterde haar slechts, want

zij koesterde het blinde vertrouwen van een kind, dat hare moeder geen

kwaad kan doen. Er was iets in de moeder, waarvan Eva geen begrip

kon krijgen, en zij bewimpelde dit voor zich zelve door te denken

dat deze toch hare mama was, en had haar toch waarlijk en innig lief.

Zij was ook gehecht aan die trouwe bedienden, voor wie zij als

daglicht en zonneschijn was. Kinderen bekommeren zich doorgaans niet om

algemeene belangen; maar Eva was een ongewoon vroeg ontwikkeld kind,

en wat zij gezien had van het kwaad, dat het stelsel waaronder zij

leefde medebracht, was al dieper en dieper in haar peinzend hartje

gedaald. Zij had een onbestemd verlangen om iets voor hen te doen, om

hen niet alleen, maar allen in hunnen staat, te redden en gelukkig te

maken--een verlangen, dat een droevig contrast vormde met de zwakheid

harer krachten.

"Och Tom," zeide zij eens, toen zij voor haren vriend las, "nu kan

ik begrijpen waarom Jezus voor ons wilde sterven."

"Waarom, Miss Eva?"

"Omdat ik dat ook gevoeld heb."

"Wat is dat, Miss Eva?--Dat begrijp ik niet."

"Ik kan het u niet zeggen. Maar toen ik die arme schepsels op de boot

zag, weet ge, toen wij hiernaar toe kwamen, sommigen die hunne moeder,

en sommigen die hare mannen hadden verloren, en sommige moeders die om

hare kinderen schreiden; en toen ik dat van de arme Prue hoorde--was

dat niet schrikkelijk?--en nog heel dikwijls op andere tijden, heb

ik gevoeld, dat ik gaarne zou willen sterven, als mijn sterven een

einde aan al die ellende kon maken. Ik zou voor hen willen sterven,

Tom, als ik kon," zeide het kind ernstig, haar uitgeteerde handje op

zijne hand leggende.

Tom zag haar nu met zekere eerbiedige ontzetting aan; en toen zij,

de stem van haren vader hoorende, heentrippelde, veegde hij terwijl

hij haar nazag verscheidene malen zijne oogen af.

"Het baat niet of wij Miss Eva hier willen houden," zeide hij tegen

Mammy, die hij een oogenblik later ontmoette. "Zij heeft het teeken

des Heeren op haar voorhoofd."

"Och, ja, ja," antwoordde Mammy hare handen opheffende. "Dat heb

ik altijd gezegd. Zij geleek nooit naar een kind dat moest blijven

leven--er was altijd iets dieps in hare oogen. Ik heb het mevrouw zoo

dikwijls gezegd--en nu komt het uit--dat zien wij nu--allen--dat lieve,

kleine, gezegende lam!"

Eva kwam de stoep op naar haren vader toe. Het was laat in den

namiddag, en de zonnestralen vormden eene soort van glorie achter haar,

toen zij aankwam in haar wit kleedje, met haar goudblonde lokken,

gloeiende wangen en onnatuurlijk heldere oogen, schitterende door de

koorts, die in hare aderen brandde.

St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te laten zien, dat

hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen, toen zij naderde,

maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er is eene soort

van schoonheid, zoo bekoorlijk, en tevens zoo broos, dat wij die niet

kunnen aanzien. Haar vader sloot haar in zijne armen en vergat bijna

wat hij haar wilde zeggen.

"Eva, liefje, ge zijt toch beter tegenwoordig, zijt ge niet?"

"Papa," antwoordde Eva met eene ongewone vastheid van toon, "er zijn al

lang dingen geweest, die ik u zeggen wilde, en ik wil ze u nu zeggen,

eer ik zwakker word."

St. Clare beefde, terwijl Eva zich op zijne knie plaatste.

Zij leide haar hoofdje tegen zijne borst en vervolgde:

"Het baat niet, Papa, of ik het langer voor mij zelve wil houden. De

tijd komt dat ik u verlaten zal. Ik ga heen en kom dan nooit terug." En

Eva snikte.

"O kom, mijne lieve kleine Eva," zeide St. Clare, bevende terwijl

hij sprak, maar zich tot een opgeruimden toon dwingende: "gij

zijt zenuwachtig en droefgeestig geworden. Gij moet niet aan zulke

zwaarmoedige gedachten toegeven. Zie eens hier, ik heb een beeldje

voor u gekocht."

"Neen, Papa," zeide Eva, het zacht wegduwende: "bedrieg u zelven

niet. Ik ben niet beter--dat weet ik heel wel; en ik ga heen

binnenkort. Ik ben niet zenuwachtig--ik ben niet zwaarmoedig. Als

het niet om u en mijne vrienden was, Papa, zou ik blijde zijn. Ik

wil gaarne gaan--ik verlang om te gaan."

"Maar, lief kind, wat heeft uw hartje zoo treurig gemaakt? Gij hebt

alles gehad wat u maar gegeven kon worden om u gelukkig te maken."

"Ik zou toch liever in den hemel willen zijn--alleen om mijne vrienden

zou ik nog gaarne blijven leven. Er zijn vele dingen hier, die mij

droevig maken, die mij schrikkelijk voorkomen. Ik zou liever daar

willen zijn--maar ik zou u toch niet willen verlaten--het breekt mij

het hart bijna."

"Wat maakt u zoo droevig, wat komt u zoo schrikkelijk voor, Eva?"

"Ach, dingen die er gedaan zijn en nog gedurig gedaan worden. Ik ben

bedroefd over onze arme slaven; zij hebben mij lief en zijn goed en

vriendelijk voor mij. Ik wenschte, Papa, dat zij allen vrij waren."

"Maar, Eva, kind, denkt gij dan niet dat zij het tegenwoordig goed

genoeg hebben?"

"Maar o, Papa, als u iets gebeuren mocht, wat zou er dan van hen

worden? Er zijn heel weinig menschen, die u gelijken, Papa. Oom

Alfred gelijkt niet naar u, en mama ook niet; en denk dan eens aan

de eigenaars van die arme oude Prue! Welke schrikkelijke dingen doet

men en kan men doen?" En Eva huiverde.

"Lief kind, gij zijt al te gevoelig. Het spijt mij dat ik u ooit

zulke histories heb laten hooren."

"Ach, Papa, dat is het wat mij ontrust. Gij wilt dat ik gelukkig

zal zijn, en nooit eenige pijn hebben, en nooit iets lijden, zelfs

niets akeligs hooren, terwijl andere arme menschen hun leven lang

niets dan pijn en droefheid hebben; dat schijnt zoo eigenlievend. Ik

behoor zulke dingen te weten--ik behoor er gevoel voor te hebben. Zulke

dingen zinken mij altijd in het hart, diep in het hart. Ik heb er over

gedacht en weder gedacht. Papa, is er geen middel om alle slaven vrij

te maken?"

"Dat is eene moeielijke vraag, liefje. Er is geen twijfel aan of deze

staat van zaken is zeer slecht, en vele menschen denken er zoo over,

ik zelf insgelijks. Ik zou hartelijk wenschen, dat er geen slaaf in

het land was, maar ik weet toch niet wat er aan te doen."

"Papa, gij zijt zulk een goed man, zoo edeldenkend en menschlievend,

en gij weet alles op zulk eene innemende manier te zeggen; zoudt gij

niet kunnen rondgaan en beproeven de menschen te overreden om hierin

te doen wat recht is? Als ik dood ben, Papa, dan zult gij aan mij

denken en het om mijnentwil doen. Ik zou het doen als ik kon."

"Als gij dood zijt, Eva?" zeide St. Clare met aandoening. "O, kind,

spreek toch zoo niet. Gij zijt al wat ik op de wereld heb."

"Het kind van die arme oude Prue was ook al wat zij had, en toch

moest zij het hooren schreeuwen en kon het niet helpen. Papa, die

arme schepsels hebben hunne kinderen even lief, als gij mij hebt. O,

doe toch iets voor hen. Daar is de arme Mammy, die hare kinderen

zoo liefheeft; ik heb haar zien schreien als zij er van sprak. En

Tom heeft zijne kinderen ook zoo lief. O, het is schrikkelijk, Papa,

dat zulke dingen gedurig gebeuren."

"Kom, kom, lieveling," zeide St. Clare troostend; "maak u maar niet

bedroefd en spreek maar niet van sterven, en ik wil alles doen wat

gij maar verlangt."

"Beloof mij dan, lieve vader, dat Tom zijne vrijheid zal hebben

zoodra...." zij bleef hier steken en voegde er aarzelend bij:

"zoodra ik hier vandaan ben."

"Ja, liefje, ik wil alles doen--al wat gij maar vragen kunt."

"Lieve Papa," zeide Eva, hare gloeiende wangen tegen de zijne leggende,

"hoe wenschte ik dat wij te zamen konden gaan!"

"Waarheen liefje?"

"Naar het Huis van onzen Zaligmaker. Het is daar zoo zoet en

vreedzaam--allen hebben elkander daar zoo lief." Het kind sprak

onwillekeurig als van eene plaats waar zij dikwijls geweest

was. "Verlangt gij ook niet te gaan, Papa?" zeide zij.

St. Clare drukte haar vaster aan zijne borst, maar zweeg.

"Gij zult eens bij mij komen," zeide het kind op den toon van geruste

zekerheid sprekende, dien zij dikwijls onwillekeurig aannam.

"Ik zal u nakomen. Ik zal u niet vergeten," zeide haar vader.

De plechtige avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl

St. Clare daar nog zat met zijne lieveling in de armen. Hij zag de

zielvolle oogen niet meer, maar de stem klonk hem als eene geestenstem

in de ooren: en als in een visioen rees in een oogenblik geheel zijn

leven voor hem op--de gebeden en gezangen zijner moeder--zijne eigene

kinderlijke zucht en streven naar het goede--en tusschen die dagen

en dit uur jaren van aardschgezindheid en twijfelzucht, en wat men

een onberispelijk leven noemt. Men kan in een oogenblik veel, zeer

veel denken. St. Clare zag en gevoelde veel, maar hij sprak niet; en

toen het donkerder werd, bracht hij zijn kind naar haar slaapkamertje;

en toen zij te bed was geholpen, zond hij de bedienden weg, en hield

haar in zijnen arm en zong voor haar tot zij sliep.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KLEINE EVANGELIST.

Het was Zondag-namiddag; St. Clare lag op eene van riet gevlochten

bank onder de veranda en rookte eene sigaar. Marie lag op eene sofa,

tegenover het venster dat onder de veranda uitkwam, door eene gordijn

van doorzichtig gaas tegen den overlast der muskieten beschermd, en

met een fraai gebonden gebedenboekje lusteloos in de hand. Zij had

dit bij zich omdat het Zondag was, en verbeeldde zich dat zij er in

gelezen had, hoewel zij slechts met het boekje in de hand eene reeks

van dutjes had gedaan.

Ophelia, die na eenig zoeken een kleine _meeting_ van methodisten

in de nabijheid had ontdekt, was met Tom als koetsier en met Eva tot

gezelschap daarheen gereden.

"Zeg eens, Augustine," zeide Marie, na nog een dutje: "Ik moet mijn

ouden dokter Posey uit de stad laten komen. Ik ben zeker dat ik eene

hartkwaal heb."

"Maar wat behoeft gij hem te laten komen? De dokter die over Eva

praktizeert, schijnt zeer bekwaam te zijn."

"Ik zou hem in een kritiek geval niet vertrouwen," antwoordde Marie;

"en ik meen wel te mogen zeggen dat het mijne dat wordt. Ik heb er

al twee nachten over liggen denken. Ik heb zulk eene akelige pijn en

zulk een vreemd gevoel."

"Och, Marie, ge zijt hypochondrisch. Ik geloof het niet dat het eene

hartkwaal is."

"Dat gij het niet gelooft kan ik wel denken, en had ik ook wel

verwacht," antwoordde Marie. "Gij kunt u ongerust genoeg maken als Eva

maar kucht of haar het minste scheelt, maar om mij denkt gij nooit."

"Als het u bijzonder pleizier doet eene hartkwaal te hebben, welnu,

doe dan uw best maar om te bewijzen dat gij er eene hebt," zeide

St. Clare. "Ik had het niet gedacht."

"Wel, ik hoop maar dat het u niet spijten zal als het te laat is,"

zeide Marie, "maar geloof of geloof het niet, mijne droefheid over Eva

en de vermoeienissen, die ik voor dat lieve kind van mij heb gevergd,

hebben datgene doen ontwikkelen, wat ik reeds lang vermoed had."

Welke vermoeienissen het waren, die Marie bedoelde, zou niet

gemakkelijk te zeggen zijn geweest. St. Clare maakte bij zich zelven

die aanmerking en bleef toen gevoelloos liggen rooken, tot er een

rijtuig voor de veranda stilhield en Eva en hare tante daaruit stapten.

Miss Ophelia ging altijd naar hare kamer om haar hoed en sjaal te

gaan bergen, gelijk hare vaste gewoonte was, eer zij nog een woord

over iets sprak; terwijl Eva, door haar vader geroepen, op zijne knie

kwam zitten en hem een verslag van de preek gaf.

Weldra hoorde men in de kamer van Ophelia, die insgelijks op de veranda

uitkwam, eenige luide uitroepingen en daarop eene scherpe bestraffing,

tot den een of ander gericht.

"Welk nieuw kattekwaad zou Topsy weer aangericht hebben?" zeide

St. Clare. "Die opschudding is haar bedrijf, daar wil ik op wedden."

Een oogenblik later kwam Ophelia aan, ten hoogste verbolgen en de

schuldige met zich medetrekkende.

"Kom hier buiten," zeide zij. "Nu wil ik het uwen meester zeggen."

"Wat is de zaak?" zeide Augustine.

"De zaak is dat ik met dit kind niet langer wil geplaagd wezen. Het is

niet te verdragen; vleesch en bloed kunnen het niet uitstaan. Daar had

ik haar nu opgesloten en een gezang gegeven om van buiten te leeren;

en wat heeft zij nu gedaan;--afgeloerd waar ik mijne sleutels berg,

mijn bureau opengedaan, er voering van een hoed uitgehaald en die

geheel aan stukjes geknipt, om poppejakjes te maken. Ik heb nooit in

mijn leven zoo iets gezien."

"Ik heb u wel gezegd, Nicht," zeide Marie, "dat ge wel ondervinden

zoudt dat die schepsels niet zonder strengheid kunnen opgebracht

worden. Als ik mijn zin nu deed," vervolgde zij, St. Clare verwijtend

aanziende, "zou ik die meid eens goed laten geeselen; ik zou haar

laten geeselen, dat ze niet meer staan kon."

"Daar twijfel ik niet aan," zeide St. Clare. "Spreek me maar van de

zachte heerschappij der vrouw. Ik heb nooit meer dan een half dozijn

vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn, om een paar meiden of

een meid dood te laten slaan, als zij haar eigen zin mochten doen."

"Ik weet niet hoe gij u nog langer bedenken kunt, St. Clare," hervatte

Marie. "Nicht is eene verstandige vrouw en zij ziet het nu evengoed

als ik.'

Ophelia was wel in staat om zich zoo boos te maken als eene goede

huishoudster behoort te kunnen doen, en zij had zich over de listigheid

en baldadigheid van het kind zoo boos gemaakt als zij maar worden kon;

maar wat Marie voorsloeg was haar toch al te grof en zij voelde zich

dadelijk veel minder warm.

"Ik zou het kind voor de geheele wereld zoo niet willen behandelen,"

zeide zij; "maar het is toch zoo, Augustine, ik weet niet meer wat

te doen. Ik heb haar geleerd en geleerd; ik heb gepraat tot ik er moe

van werd, ik heb haar gestraft op alle manieren die ik bedenken kon,

en zij is nog juist hetzelfde wat zij in het begin was."

"Kom hier, Topsy, gij kleine meerkat!" zeide St. Clare, het kind

roepende.

Topsy kwam. In hare ronde oogen flikkerde een mengeling van vrees en

hare gewone koddige dartelheid.

"Waarom gedraagt gij u zoo?" zeide St. Clare, die bijna niet nalaten

kon om de uitdrukking van het zwarte gezichtje te lachen.

"Ik geloof dat het aan mijn goddeloos hart ligt," antwoordde Topsy

zeer stemmig. "Miss Phelia zegt dit."

"Begrijpt gij dan niet hoeveel Miss Ophelia voor u gedaan heeft? Zij

zegt dat zij alles gedaan heeft wat zij bedenken kon."

"Och meester, mijne oude meesteres placht dit ook te zeggen. Zij

sloeg mij veel harder, en trok mij bij de haren en beukte mij met

mijn hoofd tegen de deur; maar het deed mij toch geen goed. Ik geloof

al trokken zij ieder haartje uit mijn hoofd, het zou mij nog geen

goed doen.--Zoo goddeloos ben ik. Och! Ik ben niets anders dan een

neger--anders niets."

"Nu, ik zal van haar moeten afzien," zeide Ophelia. "Ik kan dien last

niet langer hebben."

"Ik zou u toch wel ééne vraag willen doen," zeide St. Clare.

"Welke vraag?"

De Negerhut · 第 27 / 44 段