"Ziet gij niet?--Daar!" antwoordde het kind naar het heldere water

wijzende, waarin de gouden gloed der lucht zich afspiegelde. "Daar

is eene glazen zee met vuur gemengd."

"Dat is wel waar, Miss Eva," zeide Tom, en zong daarop:

"O, had ik maar de vleuglen van den morgen;

Dan vloog ik heen naar Kanaäns schoone kust,

Dan zouden heerlijke engelen mij dragen

Naar 't Nieuw-Jeruzalem der heilige rust."

"Waar denkt gij dat het Nieuw-Jeruzalem is, Oom Tom?" vroeg Eva.

"O, daarboven in de wolken, Miss Eva."

"Dan denk ik dat ik het zie," zeide Eva. "Zie, daar in de wolken! Zij

gelijken naar groote poorten van paarlen; en gij kunt er doorheen

zien--ver, heel ver is alles goud. Tom, zing nog eens van de zalige

geestenschaar."

En Tom zong nu uit een welbekend Methodistenlied:

"Ik hoor een zaalge geestenschaar

Die blijde zegeliedren galmen;

Zij zijn in vlekloos wit gekleed

En dragen overwinningspalmen."

Tom twijfelde aan dit alles niet, en het verwonderde hem ook niet

het minste; als Eva hem gezegd had dat zij in den hemel was geweest,

zou hij het zeer waarschijnlijk hebben gevonden.

"Zij komen somtijds bij mij in mijnen slaap, die geesten," zeide Eva,

en zong toen zacht bij zich zelve, terwijl hare oogen eene vreemde

droomerige uitdrukking aannamen:

"Zij zijn in vlekloos wit gekleed

En dragen overwinningspalmen."

"Oom Tom, ik ga daarnaar toe," zeide zij vervolgens.

"Waar naar toe, Miss Eva?"

Het kind stond op en wees met haar handje naar den Hemel. Het

gloeiende avondrood verleende haar gouden lokken en blozende wangen

een bovenaardschen glans, en hare oogen staarden ernstig naar boven.

"Ik ga daarheen," zeide zij, "naar de zalige geesten, Tom. _Ik ga

binnenkort._"

Het oude trouwe hart voelde eensklaps eene stekende pijn. Tom bedacht

zich, hoe dikwijls hij er in de laatste zes maanden op had gelet,

dat Eva's handjes smaller geleken, en hare kleur nog helderder en

haar adem korter scheen te worden; en dat zij, als zij in den tuin

liep en speelde, gelijk zij voorheen urenlang doen kon, spoedig moede

werd. Hij had Miss Ophelia dikwijls van een kuch hooren spreken, die

al hare huismiddelen niet konden wegnemen; en zelfs op dit oogenblik

gloeiden de wangen en de hand van het kind als van koortshitte; en

toch was de gedachte, welke Eva's woorden opwekten, hem nog nooit

ingevallen dan op dit oogenblik.

Is er ooit zulk een kind geweest als Eva? Ja, zeker zijn er zoo

geweest; maar hunne namen staan alle op de grafsteenen, en hunne

lieve lachjes, hunne hemelsche oogen en hunne vreemde manieren

en uitdrukkingen zijn onder de begraven schatten van smachtende

harten. In hoevele familiën hoort men de legende, dat al de goedheid

en bevalligheid der nog levenden niets beteekenen bij de buitengemeene

gaven van een of eene, die _niet meer is_. Het is alsof de hemel eene

uitgelezen schaar van engelen had, wier post het was voor een korten

tijd hier te vertoeven, en het eigenlievend menschelijk hart te lokken

en te winnen, om het met zich opwaarts te voeren bij hunne vlucht

hemelwaarts. Als gij dat hemelsche licht in kinderoogen ziet--als

het zieltje zich openbaart in woorden, liefelijker en wijzer dan

de gewone woorden van kinderen--hoop dan niet dat kind te behouden;

want het draagt het zegel des hemels, en wat het uit de oogen straalt,

is het licht der onsterfelijkheid.

Zoo is het met u, beminde Eva, vreugde van uw huis. Gij gaat heen,

en zij die u het teerste liefhebben weten het niet.

Het gesprek tusschen Tom en Eva werd gestoord door een haastig roepen

van Miss Ophelia.

"Eva--Eva!--Maar kind, er valt zulk een dauw; gij moet niet buiten

blijven."

Eva en Tom haastten zich naar binnen.

Ophelia was reeds jaren en wel bedreven in de kunst van kinderen

verzorgen. Zij was uit Nieuw-Engeland, en kende maar al te wel de

eerste voetstappen dier stille, verraderlijke kwaal, die zoovelen

van de schoonsten en beminnelijksten wegsleept, en haar slachtoffer

onherroepelijk aan den dood wijdt, vóórdat er nog eene enkele

levensdraad gebroken schijnt.

Zij had acht gegeven op het droge kuchje en de dagelijks helderder

wordende kleur der wangen; de glans der oogen en de opgewonden

vroolijkheid, die een gevolg der koorts was, konden haar niet

bedriegen.

Zij poogde hare bekommering aan St. Clare mede te deelen; maar hij

beantwoordde hare vrees met een wrevelig ongeduld, zeer ongelijk aan

zijne gewone onverschillige goedaardigheid.

"Laat mij toch geen ravengekras hooren, Nicht. Dat kan ik niet

uitstaan," zeide hij eens. "Ziet gij niet dat het kind maar

groeit? Kinderen worden altijd wat zwak, als zij sterk groeien."

"Maar zij heeft die kuch toch."

"Och, maal niet over die kuch. Die heeft niets te beduiden. Zij zal

misschien wat koude gevat hebben."

"Nu, het was juist op die manier dat het met Eliza Jane begon, en

met Helena Sanders."

"Houd toch op met die spookachtige bakersprookjes. Gij oude dames,

wordt zoo wijs, dat een kind niet meer kan hoesten of niezen, of

gij ziet den dood vooruit. Pas maar op het kind, houd haar buiten de

avondlucht, laat zij zich niet te moe maken met spelen, en het zal

wel schikken."

Zoo sprak St. Clare, maar hij was toch onrustig geworden. Hij

bespiedde Eva dag en nacht met zekeren koortsachtigen angst,

gelijk men kon opmaken uit zijne dikwijls herhaalde aanmerkingen,

"dat het kind volmaakt wel was--dat die kuch niets beteekende--dat

het haar een weinigje in de keel scheelde, gelijk zoo dikwijls bij

kinderen gebeurde." Maar hij bleef meer bij haar dan gewoonlijk,

hij liet haar meer met zich mederijden, en bracht telkens recepten

mede naar huis van versterkende middelen, "niet," zeide hij, "omdat

het kind zoo iets noodig had, maar het zou haar toch geen kwaad doen."

Wat hem het meest beangstigde, was de dagelijks toenemende rijpheid

van Eva's gedachten en gemoed. Terwijl zij nog al de onnoozele

aanvalligheid der kindsheid behield, liet zij zich toch dikwijls, als

ware het onwillekeurig, woorden ontvallen van zulk een diepzinnige

beteekenis, van zulk eene vreemde, bovenaardsche wijsheid, dat zij

naar eene ingeving geleken. Wanneer dit gebeurde, voelde St. Clare

een plotselingen schrik en sloot hij haar in zijne armen, alsof die

teedere omarming haar kon redden; en dan rees er in zijn hart een

woest oproerig besluit op om haar vast te houden en nooit los te laten.

De geheele ziel van het kind scheen zich thans in werken van liefde en

goedheid te verdiepen. Altijd was zij vriendelijk en weldadig geweest;

maar thans had zij eene aandoenlijke, vrouwelijke bedachtzaamheid

over zich, die iedereen opmerkte. Zij speelde nog gaarne met Topsy en

andere slavenkinderen, maar scheen thans veeleer eene toeschouwster

dan eene deelgenoote van hun spel. Zij kon wel een half uur lang om

de grappige kuren van Topsy zitten lachen; en dan scheen er eene

schaduw over haar gezichtje te komen, werden hare oogen beneveld,

en zwierven hare gedachten ver weg.

"Mama," zeide zij eens plotseling tegen hare moeder, "waarom leeren

wij onzen bedienden niet lezen?"

"Welk eene vraag, kind! Dat doet men nooit."

"Waarom doet men dat niet?" zeide Eva.

"Omdat het lezen hun tot niets dient. Het leert hun niet beter werken

en zij behoeven niets anders te doen."

"Maar zij behoorden toch den Bijbel te lezen, Mama, om Gods wil

te leeren."

"O, alles wat zij daarvan noodig hebben, wordt hun wel voorgelezen."

"Ik zou denken, Mama, dat de Bijbel voor iedereen is, om zelf te

lezen. Zij hebben dat heel dikwijls noodig, als er niemand is om hun

voor te lezen."

"Eva, ge zijt een wonderlijk kind," zeide hare moeder.

"Nicht Ophelia heeft Topsy leeren lezen," vervolgde Eva.

"Ja, en gij ziet hoeveel goed het haar doet. Topsy is de ergste die

ik ooit gezien heb."

"En daar is Mammy. Zij houdt zooveel van den Bijbel en wenschte

wel dat zij lezen kon. En wat zal zij doen, als ik haar niet meer

kan voorlezen?"

Marie was juist bezig met in eene lade te zoeken, toen zij antwoordde:

"Wel natuurlijk, Eva, door den tijd zult gij aan andere dingen

te denken hebben, dan om den Bijbel aan al de bedienden voor te

lezen. Niet dat dit ook niet heel goed is; ik heb het zelve wel

gedaan toen ik nog gezond was. Maar als gij u moet kleeden en naar

gezelschappen gaan, zult gij er geen tijd meer voor hebben. Zie hier,

deze juweelen zal ik u geven als gij naar een bal gaat. Ik heb ze

zelve gedragen op mijn eerste bal; en ik kan u zeggen, Eva, ik heb

sensatie gemaakt."

Eva bezichtigde het juweelendoosje en nam er een diamanten halsketting

uit. Hare groote peinzende oogen bleven op dit sieraad gevestigd,

maar hare gedachten waren elders.

"Wat kijkt gij ernstig, kind!" zeide Marie.

"Dat is wel veel geld waard, Mama?"

"Zeker is het dat. Vader had het uit Frankrijk laten komen. Het is

een klein fortuin waard."

"Ik wenschte dat ik het had," zeide Eva, "en er mee doen mocht wat

ik wilde."

"Wat zoudt gij er dan mee doen?"

"Het verkoopen, en eene plaats koopen in de vrije staten, en al ons

volk daarheen brengen, en meesters betalen om ze te leeren lezen

en schrijven."

"Dus eene soort van kostschool opzetten? Zoudt gij hun ook niet leeren

piano spelen en op fluweel schilderen?"

"Ik zou hun leeren hun eigen Bijbel te lezen en hunne eigen brieven

te schrijven, en de brieven te lezen die aan hen geschreven werden,"

antwoordde Eva zeer bedaard. "Ik weet, Mama, dat het hun zeer hard

valt, dat zij dit niet kunnen doen. Tom voelt het, en Mammy en vele

anderen; en ik houd het voor verkeerd."

"Kom, kom, Eva, ge zijt nog maar een kind. Gij weet nog lang niets

van al die dingen," zeide Marie; "en bovendien, uw praten doet mij

hoofdpijn krijgen."

Marie had altijd hoofdpijn bijdehand voor een gesprek, dat haar niet

zeer beviel. Eva sloop heen, maar van dien tijd af gaf zij Mammy

geregeld les in het lezen.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HENRIQUE.

Tegen dezen tijd kwam St. Clare's broeder Alfred, met zijnen oudsten

zoon, een knaap van twaalf jaren, eenige dagen bij de familie aan

het meer doorbrengen.

Niets kon vreemder en schooner zijn dan het gezicht dezer

tweelingbroeders. De natuur had in plaats van een volkomen gelijkenis

tusschen hen te bedoelen, hen in bijna alle opzichten contrasten

gemaakt, en toch scheen een geheimzinnige band hen in nauwere

vriendschap dan gewoonlijk te verbinden.

Zij plachten arm in arm de paden en lanen van den tuin op en neer te

wandelen.--Augustine met zijne blauwe oogen en goudblonde lokken,

zijne tengere, buigzame gestalte en levendige trekken; Alfred,

met zijn donker uitzicht, zijn trotschen Romeinschen gelaatsvorm,

zijne forsch gebouwde leden en deftige houding. Zij hekelden altijd

elkanders gevoelens en gedrag, en toch waren zij daarom niet minder

op elkanders gezelschap gesteld; juist hunne tegenstrijdigheid scheen

hen te vereenigen.

Henrique, de oudste zoon van Alfred, was een frissche, gezonde knaap,

vol geest en leven, die van het eerste oogenblik der kennismaking

af geheel door de teedere aanvalligheid van zijn nichtje Evangeline

betooverd scheen.

Eva had een spierwit hitje, haar lieveling, zoo gemakkelijk van

beweging als eene wieg, en zoo zachtaardig als zijne jonge meesteres,

en dit hitje werd nu door Tom voor de achter-veranda gebracht, terwijl

een kleine mulat van ongeveer dertien jaren met een Arabisch paardje

aankwam, dat kort geleden zeer duur voor Henrique was gekocht.

Henrique was op dit nieuwe eigendom zoo trotsch als een knaap maar

wezen kan; en toen hij zijnen kleinen rijknecht de teugels uit de

hand had genomen, bezichtigde hij zijn paardje nog eens zorgvuldig

en daarbij betrok zijn gezicht.

"Wat is dat, Dodo, gij luie rekel? Gij hebt mijn paard van morgen

niet gepoetst."

"Ja wel, meester," antwoordde Dodo onderdanig. "Hij heeft dat stof

zoo pas gekregen."

"Houd den bek, rekel," zeide Henrique, driftig zijne karwats

opheffende. "Hoe durft ge nog een woord spreken?"

De knaap was een fraaie mulat, van dezelfde grootte als Henrique, met

heldere oogen en krullend haar, dat om een hoog en trotsch voorhoofd

zwierde. Hij had blank bloed in de aderen, gelijk men zien kon aan

den snel opkomenden blos, waarmede hij haastig het woord wilde nemen.

"Meester Henrique," begon hij.

Henrique gaf hem met de karwats een slag in het gezicht, greep hem

bij een arm, duwde hem zoo op de knieën en sloeg hem, tot hij zelf

buiten adem was.

"Daar onbeschaamde rekel. Nu zult gij wel leeren niet tegen te spreken

als ik iets zeg. Breng het paard terug en maak het schoon. Ik zal u

wel manieren leeren."

"Jongeheer," zeide Tom nu, "ik geloof dat hij voornemens was te zeggen

dat het paard met geweld wilde gaan rollen, toen hij het uit den stal

haalde; het is zoo vol vuur--en zoo heeft het dat vuil gekregen. Ik

heb gezien dat het schoongemaakt werd."

"Houd den mond tot men u vraagt om te spreken," antwoordde Henrique,

zich omkeerende en de stoep opgaande naar Eva, die in haar rijkleedje

stond te wachten.

"Lieve Nicht, het spijt mij dat die domme jongen u noodzaakt om te

wachten," zeide hij. "Laten wij hier op deze bank gaan zitten tot

mijn paard komt. Wat scheelt u, Nichtje? Ge ziet zoo ernstig."

"Hoe kondt ge zoo wreed en slecht wezen voor dien armen Dodo?" zeide

Eva.

"Wreed en slecht?" herhaalde de knaap met ongeveinsde

verwondering. "Wat meent gij toch, lieve Eva?"

"Ik wil niet dat ge mij lieve Eva noemt, als gij zoo doet," zeide Eva.

"Lieve Nicht, gij kent Dodo nog niet. Dat is de eenige manier om met

hem te recht te komen, zoo vol leugens en uitvluchten is hij. De eenige

manier is: hem terstond te stuiten--hem geen mond te laten opendoen;

en dat is ook de manier van papa."

"Maar Oom Tom zeide dat het een ongeluk was, en hij zegt nooit iets

dat niet waar is."

"Hij is dan wel een ongewone neger," antwoordde Henrique. "Dodo liegt

zoo hard als hij maar spreken kan."

"Gij dwingt hem door angst om u te bedriegen, als gij hem zoo

behandelt."

"Maar, Eva gij hebt waarlijk zooveel zin in Dodo, dat ik jaloersch

zal worden."

"Gij hebt hem geslagen, en dat verdiende hij niet."

"Welnu, dan kan dat doorgaan voor een keer dat hij slaag verdient en

niet krijgt. Eenige meppen zijn op Dodo nooit verloren. Hij verdient

altijd wat, dat kan ik u zeggen. Maar ik zal hem niet weder slaan

waar gij bij zijt, als u dat onaangenaam is."

Eva was niet tevreden, maar achtte het vruchteloos haren neef haar

gevoel te willen doen begrijpen.

Dodo kwam spoedig met het paard terug.

"Zoo, Dodo, nu hebt gij het tamelijk wel gemaakt," zeide zijn jonge

meester, met wat meer vriendelijkheid dan gewoonlijk. "Kom, houd nu

het paard van Miss Eva, terwijl ik haar in den zadel help."

Dodo plaatste zich nu bij Eva's hitje. Zijn gezicht was betrokken en

zijne oogen zagen er uit alsof hij geschreid had.

Henrique, die reeds grootsch was op zijne bedrevenheid in alle punten

van galanterie, hielp zijn nichtje vlug in den zadel, nam de teugels

over en gaf ze haar in de hand. Eva echter boog zich naar den anderen

kant van het paard, waar Dodo stond, en toen hij de teugels losliet,

zeide zij: "Zoo, Dodo, goede jongen, nu bedank ik u."

Dodo keek met verbazing op naar het lieve jeugdige gezichtje; het

bloed steeg hem naar de wangen en de tranen kwamen hem in de oogen.

"Hier, Dodo!" zeide Henrique gebiedend.

Dodo sprong toe en hield het paard, terwijl zijn meester opsteeg.

"Daar hebt gij wat om klontjes voor te koopen, Dodo," zeide

Henrique. "Ga nu maar heen."

Henrique reed naast Eva de laan af en Dodo bleef de twee kinderen staan

nazien. Een had hem geld gegeven, en een had hem gegeven wat hij veel

liever had--een vriendelijk woord, vriendelijk gesproken. Dodo was

nog maar eenige maanden van zijne moeder geweest. Zijn meester had

hem in een slavenmagazijn gekocht, om met zijn mooi gezicht bij het

mooie paardje te passen: en hij werd nu door zijnen jongen meester

getemd en afgericht.

Dit geheele tooneel was door de broeders St. Clare uit een ander

gedeelte van den tuin aangezien.

Toen Henrique den kleinen mulat sloeg, kreeg Augustine eene

hoogere kleur, maar hij zeide slechts met zijne gewone, spottende

onverschilligheid: "Dit zullen wij zeker eene republikeinsche opvoeding

moeten noemen, niet waar, Alfred?"

"Henrique is een duivel van een jongen, als zijn bloed heet wordt,"

antwoordde Alfred even onverschillig.

"Gij zult dit zeker eene leerrijke oefening voor hem achten?" hervatte

Augustine droogjes.

"Al deed ik dat niet, dan kon ik dat toch niet veranderen. Henrique

is ontembaar als hij driftig wordt. Zijne moeder en ik hebben er al

lang van afgezien om hem hierin tegen te gaan. Maar Dodo kan het wel

velen--slagen zullen hem niet deren."

"En dit is zeker de manier om Henrique het begin van den

republikeinschen catechismus te leeren: "Alle menschen worden vrij

en gelijk geboren?"

"Och," zeide Alfred, "dat is een van Tom Jeffersons staaltjes van

Fransche kwakzalverij. Het is belachelijk, dat zulke dingen nog

tegenwoordig onder ons rondloopen."

"Dat vind ik ook," zeide Augustine met veel nadruk.

"Omdat," vervolgde Alfred, "iedereen duidelijk genoeg zien kan, dat

alle menschen _niet_ vrij en _niet_ gelijk geboren worden. Wat mij

betreft, ik houd van dat republikeinsche gezwets de grootste helft voor

klinkklaren onzin. Het zijn de kundigen, de beschaafden, de gegoeden,

die gelijke rechten behooren te hebben, en niet het _canaille_."

"Als gij het _canaille_ maar in die meening kunt houden," zeide

Augustine. "Eens in Frankrijk heeft het zijne beurt genomen."

"Natuurlijk, het moet ten onder gehouden worden, stelselmatig

en standvastig zooals ik doen zou," antwoordde Alfred, zijn voet

vastplantende, alsof hij op iemand trapte.

"Het is een leelijk geval, als het er eens bovenop komt," zeide

Augustine, "zooals op St. Domingo, bij voorbeeld."

"O!" antwoordde Alfred, "daarop zullen wij hier wel passen. Wij moeten

maar al dat gepraat over opvoeding en zedenverbetering tegengaan,

dat tegenwoordig in zwang komt; de lagere klasse moet geene opvoeding

hebben."

"Daar is geen bidden meer tegen," antwoordde Augustine; "opgevoed

zullen de negers worden en wij hebben alleen te zeggen hoe. Ons

stelsel is hen in barbaarschheid en verdierlijking op te voeden. Wij

breken alle banden die hen aan de menschelijkheid hechten en maken

hen tot wilde dieren; als zij eens de overhand krijgen, zullen wij

dat ondervinden."

"Zij zullen nimmer de overhand krijgen," zeide Alfred.

"Goed zoo," antwoordde Augustine. "Maak maar stoom, schroef de

veiligheidsklep dicht, ga er op zitten, en zie waar gij belanden zult."

"Welnu," zeide Alfred, "dat _zullen_ wij zien. Ik ben niet bang

om op de veiligheidsklep te zitten, als de ketels maar sterk zijn,

en de machinerie goed werkt."

"De adellijke heeren in den tijd van Lodewijk XIV dachten eveneens, en

Pius IX denkt tegenwoordig nog zoo, en op een fraaien ochtend zult gij

allen in de lucht tegen elkander zien vliegen, als de ketels springen."

"De tijd zal het leeren," zeide Alfred lachende.

"Ik zeg u," hervatte Augustine, "als er iets is dat zich in onzen

tijd met de kracht eener goddelijke wet openbaart, dan is het, dat de

massa's zich zullen verheffen en de laagste klassen de hoogste worden."

"Dat is weer van uw rood republikeinschen bombast, Augustine! Waarom

zijt ge geen reizend volksredenaar geworden? Daar zoudt gij heerlijk

voor zijn. Nu, ik hoop dat ik dood zal wezen, eer dat duizendjarige

rijk van uwe smerige massa's begint."

"Smerig of niet smerig, zij zullen u overheerschen, als haar tijd komt;

en zij zullen juist zulke heerschers zijn als gij ze maakt. De Fransche

edelen verkozen het volk _sans culotte_ te hebben, en zij hebben _sans

culotte_-heerschers gehad naar hartelust. De bevolking van Haïti..."

"Och kom, Augustine! alsof wij al niet genoeg hadden gehad van dat

verachtelijke en verfoeielijke Haïti! De Franschen van Haïti waren

geene Anglo-Saksers; waren zij dat geweest, dan zou het anders zijn

gegaan. De Anglo-Saksers zijn de heerschende stam op de wereld en

zullen dat blijven."

"Welnu, er zit tegenwoordig al vrij wat Anglo-Saksisch bloed in onze

slaven," hervatte Augustine. "Er zijn er velen onder, die maar juist

genoeg van het Afrikaansche hebben, om zekere tropische warmte en

drift aan onze bedachtzame standvastigheid te geven. Als hier ooit het

San-Domingo-uur slaat, zal het Anglo-Saksisch bloed voorgaan. Zonen van

blanke vaders, wien al ons trotsch gevoel van eigenwaarde in de aderen

brandt, zullen zich niet altijd laten verkoopen en verhandelen. Zij

zullen oprijzen, en het geslacht hunner moeder met hen doen oprijzen."

"Dwaasheid!--Onzin!"

"Er is een oud boek," hervatte Augustine, "dat zegt: 'Gelijk het

geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn: zij aten

en dronken, zij plantten en bouwden en wisten het niet, totdat de

zondvloed kwam en hen allen wegnam.'"

"Over het geheel, Augustine, denk ik inderdaad dat gij talenten

genoeg hebt voor een volksredenaar," zeide Alfred lachende. "Wees

voor ons maar niet bang. Zalig zijn de bezitters. Wij hebben de

macht. Dit onderworpen ras," vervolgde hij, met den voet stampende,

"is onder en zal onder blijven. Wij zijn wel mans genoeg om met ons

eigen buskruit om te gaan."

"Zonen, opgevoed gelijk uwen Henrique, zullen de beste bewaarders van

uwe kruitmagazijnen wezen," zeide Augustine, "zoo koel en beraden als

zij zijn. Het spreekwoord zegt: 'Die zich zelven niet kan regeeren,

kan geene anderen regeeren.'"

"Dat is wel iets bedenkelijks," zeide Alfred peinzende. "Het is niet

te ontkennen, dat het onder ons stelsel zeer moeielijk is kinderen

op te leiden. Het geeft hunne hartstochten, die in ons klimaat vurig

genoeg zijn, veel te veel vrijheid. Ik heb moeite met Henrique. De

knaap is goedhartig en edelmoedig; maar als hij driftig wordt, is hij

onhandelbaar. Ik geloof dat ik hem voor zijne verdere opvoeding naar

het Noorden zal zenden, waar de gehoorzaamheid nog meer in de mode is,

en hij meer met gelijken en minder met onderhoorigen zal omgaan."

"Daar de opleiding van kinderen eene hoofdzaak voor het geheele

menschdom is," zeide Augustine, "zou ik het wel van eenig gewicht

achten, dat ons stelsel in dit opzicht niet deugt."

"In sommige opzichten niet," antwoordde Alfred, "maar in andere wederom

wel. Het maakt de jongens manhaftig en dapper; en de ondeugden van

het vernederde geslacht strekken juist om hen in de tegenovergestelde

deugden te bevestigen. Ik geloof, bij voorbeeld, dat Henrique een

fijner gevoel voor het schoone der waarheidsliefde heeft, omdat hij

ziet dat logen en bedrog de algemeene kenteekenen der slavernij zijn."

"Zeker een christelijk begrip van de zaak," zeide Augustine.

"Christelijk of niet, het is waar," antwoordde Alfred, "en het is

omtrent even christelijk als de meeste andere dingen in de wereld."

"Wel mogelijk," zeide Augustine.

"Och, het praten helpt niet, Augustine. Ik geloof dat wij dat alles

wel vijfhonderd malen met elkander zijn rond geweest. Wat zegt ge

van een spelletje triktrak?"

De twee broeders gingen de stoep op en zaten weldra aan een tafeltje

met het bord tusschen hen in. Terwijl zij de schijven schikten, zeide

Alfred: "Ik moet u toch nog zeggen, Augustine, wanneer ik dacht zooals

gij, zou ik iets doen."

"Dat geloof ik wel--gij zijt van de soort die iets doet--maar wat?"

"Wel, uw eigen bedienden wat beter opvoeden, tot een proefje," zeide

Alfred met een half spottende glimlach.

"Gij zoudt evengoed den berg Etna plat op hen kunnen neerzetten en hun

gelasten om daaronder op te staan, als mij zeggen mijne bedienden tot

iets beters op te voeden, terwijl de geheele massa der maatschappij

hen neerdrukt. Een enkel man kan niets doen tegen den invloed eener

maatschappij. De opvoeding, zal zij iets beteekenen, moet de zaak

van den staat zijn; of er moeten zich ten minste genoeg vereenigen

om ze tot eene gemeenschappelijke zaak te maken."

"Gij speelt het eerst," zeide Alfred, en weldra waren de broeders in

hun spel verdiept en spraken over niets anders, totdat men dichtbij

weder hoefslagen hoorde.

"Daar komen de kinderen aan," zeide Augustine, opstaande. "Zie eens,

Alfred, hebt gij ooit iets schooners gezien?"

De Negerhut · 第 26 / 44 段