Topsy was handig in alles wat met handen kon gedaan worden, en leerde

alles wat men haar voordeed met verbazende vlugheid. In weinige

lessen had zij Ophelia's kamer in orde leeren brengen op eene manier,

waarop zelfs deze keurige dame niets kon aanmerken. Niemand kon beter

het bed opmaken, de kamer stoffen, en alles ordelijker opruimen dan

Topsy, wanneer zij dit verkoos--maar zeer dikwijls verkoos zij het

niet. Wanneer Ophelia, na drie of vier dagen achtereen alles zorgvuldig

te hebben nagezien, zich verbeeldde dat Topsy zich eindelijk hare

manieren had aangewend en nu zonder toezicht haar gang kon gaan, zoodat

zij in dien tijd iets anders kon gaan doen, hield Topsy een of twee

uren lang een carnaval op hare eigene manier. In plaats van het bed op

te maken, trok zij de kussensloopen er af, en liep met haar kroeskop

storm op de kussens, tot zij somtijds overal met veeren was versierd,

die haar in het haar waren blijven zitten; zij klom tegen de stijlen

van het ledikant op en liet zich met het hoofd omlaag van den hemel

afhangen; zij spreidde lakens en dekens over den vloer uit, kleedde

de peluw in Miss Ophelia's nachtgoed en speelde daarmede eene soort

comedie, zingende, fluitende en in den spiegel grimassen makende; zij

maakte kortom, gelijk Ophelia het uitdrukte, een beestachtigen boel.

Eens vond zij Topsy met haar beste krippen sjaaltje als een tulband

om het hoofd gewonden en zoo voor den spiegel repetitie houdende,

daar Ophelia, met eene bij haar voorbeeldelooze onbedachtzaamheid,

den sleutel op eene lade had laten steken.

"Topsy," zeide zij dan wel eens, als haar geduld ten einde was,

"waarom doet gij dit toch?"

"Weet niet, Juffrouw--ik denk omdat ik zoo ondeugend ben."

"Ik weet geheel niet meer wat ik met u doen zal, Topsy."

"Och, Juffrouw, gij moet me slaag geven. Mijne oude meesteres gaf mij

altijd slaag. Ik ben niet gewoon te werken als ik geen slaag krijg."

"Maar ik wil geen slaag geven, Topsy. Gij kunt heel goed uw werk doen,

als gij maar wilt. Waarom wilt gij dan niet?"

"Och, Juffrouw, ik ben gewoon aan slaag. Ik geloof dat het goed voor

mij is."

Ophelia beproefde het recept, en Topsy maakte altijd eene geweldige

opschudding, gillende, kermende en jammerende; hoewel zij een half uur

later, als zij onder "het jonge goed" zat, met de ontvangen kastijding

den gek stak.

"Och, Miss Phelia slaag geven! Haar slaan zou geen vlieg doodslaan. Zij

had eens moeten zien, hoe mijne oude meesteres er de lappen deed

afvliegen; die kon anders slaag geven!"

Topsy roemde altijd op hare zonden en misdrijven, en hield deze

blijkbaar voor iets, dat haar eene bijzondere onderscheiding verleende.

"Gij negers," zeide zij wel eens tot hare toehoorders, "weet gij wel

dat gij allen zondaars zijt? Ja, dat zijt gij, allemaal, een voor

een. En de blanken zijn ook zondaars--dat zegt Miss Phelia; maar ik

geloof dat negers toch de grootste zijn--en, och, gij allemaal haalt

nog niet bij mij. Ik ben zoo geducht ondeugend, dat niemand iets met

mij kan uitrichten. Ik placht mijne oude meesteres den halven dag op

mij aan het vloeken te houden. Ik denk wel dat ik het ondeugendste

schepsel op de wereld ben."

En dan maakte zij een luchtsprong en klauterde nog hooger op een hek

of boom, blijkbaar grootsch op hare onderscheiding.

Ophelia maakte er des Zondags ernstig werk van om Topsy den catechismus

te laten leeren. Topsy had een buitengemeen goed geheugen voor woorden,

en leerde met eene vlugheid van buiten, waardoor hare onderwijzeres

zeer werd aangemoedigd.

"Welk goed denkt gij toch dat dit haar doen zal?" zeide St. Clare eens.

"Wel, het heeft kinderen altijd goed gedaan. Het is iets dat kinderen

behooren te leeren," antwoordde Ophelia.

"Of zij het verstaan of niet?" zeide St. Clare.

"O, kinderen verstaan het nooit op dien tijd; maar als zij groot

worden, leeren zij er waarde aan hechten."

"Ik heb dat nog niet geleerd," zeide St. Clare, "hoewel ik getuigen

kan, dat gij mij dat alles trouw hebt ingeprent, toen ik een kleine

jongen was."

"Ja, gij hebt altijd goed geleerd, Augustine. Ik placht groote hoop

van u te hebben," zeide Ophelia.

"En hebt gij die nu niet meer?"

"Ik wenschte dat gij nog waart wat gij als kind geweest zijt,

Augustine."

"Dat wenschte ik waarlijk ook, Nicht," zeide St. Clare. "Nu, ga maar

voort en leer Topsy den catechismus. Misschien zult gij nog iets van

haar maken."

Topsy, die onder dit gesprek met ootmoedig gevouwen handen als

een zwart standbeeld was blijven staan vervolgde nu op een wenk

van Ophelia:

"Onze eerste ouders, overgelaten zijnde aan de vrijheid van hunnen

eigen wil, vielen uit den staat waarin zij geschapen waren."

Topsy's oogen flikkerden en zij zag Ophelia vragend aan.

"Wat is er?" zeide deze.

"Als je blieft, Juffrouw, was dat de staat Kentucky?"

"Welke staat, Topsy?"

"Die staat waaruit zij vielen. Ik placht meester te hooren zeggen,

dat wij uit Kentucky gekomen waren."

St. Clare lachte.

"Gij zult haar eene meening moeten geven, of zij zal er eene maken,"

zeide hij. "Er schijnt hier van eene theorie van volksverhuizing

gesproken te worden."

"O, Augustine, zwijg toch!" zeide Ophelia. "Hoe kan ik iets doen als

gij er om lacht."

"Welnu, ik zal uwe lessen niet meer storen, dat beloof ik u,"

zeide St. Clare en ging met zijne courant naar het venster, waar

hij bleef zitten tot Topsy hare lessen had opgezegd. Dit ging alles

zeer wel, behalve dat zij nu en dan eenige gewichtige woorden op

eene wonderlijke manier verplaatste en bij die verkeerde lezingen

bleef, in spijt van alle pogingen om haar beter te leeren. Ondanks

zijne belofte, kon St. Clare niet nalaten in deze vergissingen een

ondeugend vermaak te stellen, en somtijds Topsy bij zich te roepen,

om haar, in spijt van Ophelia's tegenstribbelen, de aanstootelijkste

plaatsen nog eens te laten herhalen.

"Hoe denkt gij, dat ik iets met het kind doen kan, als gij zoo wilt

voortgaan, Augustine?" zeide zij dan.

"Ja, het is te erg, ik zal het niet weer doen. Maar ik hoor zoo graag

zulk een koddig klein ding over die groote woorden struikelen."

"Maar gij bevestigt haar dan in de verkeerde manier."

"En wat verscheelt dat? Het eene woord is voor haar evengoed als

het andere."

"Gij wilt, dat ik haar goed zal opbrengen; en gij behoort te bedenken,

dat zij een redelijk wezen is, en tevens toe te zien welken invloed

gij op haar uitoefent."

"Akelige ernstigheid! Dat behoorde ik ook. Maar gelijk Topsy zelve

zegt: 'Ik ben zoo ondeugend.'"

Ongeveer op dezelfde wijs werd Topsy's opvoeding een paar jaren

voortgezet. Ophelia liet zich dagelijks door haar kwellen, als door

eene soort van slepende kwaal, aan welker overlast zij door den

tijd gewoon werd, evenals menschen somtijds aan hoofdpijn of iets

anders gewoon worden. St. Clare had in het kind dezelfde soort van

vermaak, als een ander somtijds in potsen van een hond of papegaai

heeft. Wanneer Topsy door hare zonden elders in ongenade viel,

nam zij altijd de wijk achter zijnen stoel en dan maakte St. Clare

op een of andere manier vrede voor haar. Van hem kreeg zij dikwijls

wat klein geld, dat zij aan noten en kandijklontjes besteedde, welke

zij met zorgelooze mildheid aan al de kinderen in huis uitdeelde,

want Topsy, om haar recht te doen, was goedhartig en vrijgevig, en

alleen uit zelfverdediging boosaardig. Zij is nu voorgoed onder ons

_corps de ballet_ opgenomen en zal van tijd tot tijd op hare beurt

onder de anderen vertooners figureeren.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

KENTUCKY.

Onze lezers zullen wel niet ongenegen zijn om nog eens voor een korten

tijd de woning van Oom Tom op het landgoed in Kentucky te bezoeken,

en te zien wat er is omgegaan onder hen, die hij heeft achtergelaten.

Het was laat in den zomernamiddag, en de deuren en venters der

ruime voorkamer stonden alle open, om ieder zwervend koeltje, dat

zoo goed mocht willen zijn om binnen te komen, den vrijen toegang

te laten. Mr. Shelby zat in het ruime voorhuis, dat aan de kamer

grensde, en dat verder door het geheele huis doorloopende aan beide

einden op een balkon uitkwam. Op zijn gemak achterover op een stoel

leunende met de voeten op een anderen, rookte hij na den maaltijd

een sigaar. Mevrouw Shelby zat in de deur, bezig met fijn naaiwerk;

en haar gezicht stond als dat van iemand, die iets op het gemoed

heeft en gelegenheid zoekt om daarvan te spreken.

"Weet ge al," zeide zij eindelijk, "dat Chloe een brief van Tom

heeft gekregen?"

"Zoo, heeft zij dat? Tom heeft daar een vriend gekregen, naar het

schijnt. Hoe gaat het nu met hem?"

"Hij is in eene zeer aanzienlijke familie gekomen, zou ik denken,

wordt goed behandeld en heeft niet veel te doen."

"Wel zoo, daar ben ik blij om, zeer blij," zeide Shelby hartelijk. "Tom

zal, denk ik, nu wel met het Zuiden verzoend zijn, en niet eens

verlangen om weer hier te komen."

"Integendeel," antwoordde Mevrouw Shelby, "hij vraagt dringend wanneer

er geld zal zijn om hem terug te koopen."

"Ik moet zeggen, ik weet het niet," zeide Shelby. "Als eens iemands

zaken verkeerd gaan loopen, schijnt er geen veranderen meer aan te

zijn. Het is alsof men door een moeras gaande, van den eenen plas

in den anderen springt; van den een leenen om den ander te betalen,

en dan weer van den ander leenen om den eerste te betalen en dan

die verduivelde wissels! die vervallen eer men tijd heeft om er

aan te denken--en maanbrieven en maanboodschappen--altijd gejaagd

en verlegen!"

"Het komt mij toch voor, lieve, dat er iets zou kunnen gedaan worden,

om de zaken in het effen te brengen. Als wij eens al de paarden en

eene van de hoeven verkochten, en alle schulden afdeden."

"O, belachelijk! Emily, gij zijt de knapste vrouw in Kentucky, maar

gij hebt toch geen verstand genoeg om te weten dat ge geen begrip

van zaken hebt; dat hebben vrouwen nooit en kunnen zij nooit."

"Maar kondt ge mij ten minste niet eenig inzicht in de uwe

geven?" hervatte Mevrouw Shelby;--"eene lijst van al uwe schulden

ten minste, en van al wat men u schuldig is, en mij laten beproeven

of ik u niet kan helpen bezuinigen?"

"Och, plaag mij niet, Emily. Ik kan dat zoo niet recht zeggen. Ik weet

wel nagenoeg hoe het waarschijnlijk loopen zal; maar ik kan mijne

zaken niet zoo netjes afpassen, als Chloe hare taartkorst. Gij weet

niet van handelszaken af, zeg ik u."

En niet wetende hoe anders nadruk aan zijne woorden te geven, verhief

Shelby zijne stem--een zeer gemakkelijk overtuigend bewijsmiddel,

als iemand met zijne vrouw over geldzaken spreekt.

Met iets dat naar een zucht geleek, staakte Mevrouw Shelby het

gesprek. De zaak was, dat zij, hoewel zij gelijk haar man gezegd

had een vrouw was, toch in helderheid van verstand en doorzicht, en

in kracht van karakter haren man ver te boven ging, zoodat het niet

zoo ongerijmd zou zijn geweest, als Mr. Shelby meende, indien men

haar in staat had geacht om over handelszaken mede te spreken. Haar

hart was er op gezet om hare belofte aan Tom en Chloe te vervullen,

en zij zuchtte dewijl het uitzicht daarop gedurig flauwer werd.

"Maar denkt gij niet, dat wij op eene of andere manier het geld konden

opbrengen? Die arme Tante Chloe! Zij heeft er haar hart zoo op gezet."

"Het spijt mij als het zoo is. Ik denk dat ik met die belofte wat

haastig ben geweest. Ik twijfel er nu aan, of het niet best is dat

maar aan Chloe te zeggen, zoodat zij er zich naar voegen kan. Tom

zal over een jaar of twee wel eene andere vrouw hebben, en zij zou

best doen, ook maar iemand anders te nemen."

"Mijnheer Shelby! ik heb mijn onderhoorigen geleerd, dat het huwelijk

voor hen even heilig is als voor ons. Ik zou er nooit aan kunnen

denken om Chloe zulk een raad te geven."

"Het is jammer vrouw, dat gij hen met eene moraliteit boven hunnen

staat en hunne vooruitzichten hebt bezwaard. Dat heb ik altijd

gevonden."

"Het is niets anders dan de moraliteit van den Bijbel."

"Och kom, Emily, ik wil uwe godsdienstige begrippen niet aantasten,

maar zij komen mij alleen voor menschen in dien staat zeer ongeschikt

voor."

"Dat zijn zij ook inderdaad," zeide Mevrouw Shelby, "en daarom is

het, dat ik de geheele slavernij van ganscher harte haat. Ik zeg u,

lieve man, ik kan mij zelve niet vrijspreken van de belofte, die ik

aan die arme menschen gegeven heb. Als ik het geld op geene andere

manier kan bekomen, zal ik muzieklessen aannemen. Ik weet dat ik er

genoeg zou kunnen krijgen en zoo zelve het geld verdienen."

"Gij zoudt u toch zoo niet willen vernederen, Emily? Daarin zou ik

nooit kunnen toestemmen."

"Vernederen! Zou het mij meer vernederen dan mijn woord aan die arme

lieden te breken? Neen, waarlijk niet."

"Nu ja, gij zijt altijd heroïsch," zeide Shelby; "maar mij dunkt, gij

moest toch liever nog eens nadenken, eer gij zulk eene Donquichoterie

onderneemt."

Hier werd het gesprek gestoord door de verschijning van Tante Chloe

aan het eind der veranda.

"Wel Chloe, wat is het?" zeide hare meesteres, opstaande en haar

tegemoet gaande.

"Ik wou vragen of Mevrouw eens naar de kippen wou komen zien."

Mevrouw Shelby glimlachte toen zij zag met welk een ernstig gezicht

Chloe haar eenige geslachte hoenders wees.

"Ik had gedacht of Mevrouw een hoenderpastei daarvan wou gemaakt

hebben."

"Inderdaad, Tante Chloe; het kan mij niet veel schelen. Maak ze maar

klaar zooals gij zelve wilt."

Chloe bleef de hoenders verstrooid bekijken en betasten; het was

duidelijk, dat zij niet aan dat gevogelte dacht. Eindelijk zeide

zij, met dien korten lach, welken lieden van haren stand dikwijls

tot inleiding van een voorstel bezigen, aan welks goede opname zij

twijfelen:

"Och, Mevrouw, wat zouden meester en mevrouw zich kwellen over het

geld, en niet gebruiken wat zij zoo goed als in de handen hebben?" En

Chloe lachte weder.

"Ik begrijp u niet, Chloe," zeide Mevrouw Shelby, niet twijfelende of

de negerin had het geheele gesprek tusschen haar en haren echtgenoot

gehoord.

"Wel, och, Mevrouw," zeide Chloe, alweder lachende, "andere menschen

verhuren hunne negers en trekken daar geld van. Zij houden zulk een

troep niet om hun de ooren van het hoofd te eten."

"Wel, Chloe, wien denkt gij dan dat wij moesten verhuren?"

"O, ik denk niets, maar Sam zeide dat er te Louisville een banketbakker

was, die zeide dat hij iemand noodig had, die knap was voor koek-

en pasteiwerk, en zeide dat hij vier dollars in de week voor zoo

iemand zou willen geven--dat deed hij."

"Welnu dan, Chloe."

"Wel, Mevrouw, ik had gedacht dat het haast tijd werd om Sally hier aan

het werk te zetten. Sally is nu al een heelen tijd onder mij geweest,

en het meeste doet zij haast evengoed als ik; en als Mevrouw mij dan

wilde laten gaan, zou ik helpen om het geld op te brengen. Ik ben

niet bang om mijne koeken en pasteien naast die van een banketbakker

te zetten."

"Maar, Chloe, zoudt gij dan uwe kinderen willen verlaten?"

"Och, Mevrouw, de jongens zijn groot genoeg om dagwerk te doen, met

hen zal het wel schikken en Sally zal op het kleintje passen--het is

zulk een schrander kind, dat men er haast niet naar behoeft te zien."

"Louisville is tamelijk ver weg."

"O, Mevrouw, wie is daar bang voor? Het is de rivier af, dichter

bij mijn man misschien?" zeide Chloe vragenderwijs en daarbij hare

meesteres aanziende.

"Neen, Chloe, het is nog vele honderden mijlen van hem af."

Chloe's gezicht betrok.

"Maar laat dat u niet spijten. Dat gij daarheen gaat, zal u toch

dichter bij hem brengen. Ja, gij kunt gaan, en uw loon zal tot den

laatsten cent toe worden weggelegd, om uw man los te koopen."

Evenals wanneer een heldere zonnestraal eene donkere wolk verzilvert,

zoo helderde Chloe's gezicht dadelijk op; het blonk inderdaad.

"O, als Mevrouw niet haast al te goed is! Dat was het juist, waaraan

ik dacht; omdat ik dan geene kleeren of schoenen of iets zou noodig

hebben. Ik zou elken cent kunnen bewaren. Hoeveel weken zijn er in

het jaar, Mevrouw?"

"Twee en vijftig."

"Wel, zijn er zooveel? En vier dollars in elke week. Hoeveel zou dat

wel wezen?"

"Tweehonderd en acht dollars."

"He!" zeide Chloe op een toon van verbazing en blijdschap. "En hoelang

zou ik werk hebben om alles te verdienen, Mevrouw?"

"Tusschen de vier en vijf jaren, Chloe. Maar gij behoeft alles niet

alleen te doen; ik zal er ook wat bijleggen."

"Neen, ik zou er niet van willen hooren, dat Mevrouw lessen gaf of

zoo iets. Meester heeft daarin groot gelijk, dat zou geheel niet

aangaan. Ik hoop dat niemand van de familie zoover komen zal, terwijl

ik nog handen aan het lijf heb."

"Wees maar niet bang, Chloe. Ik zal wel voor de eer der familie

zorgen," antwoordde Mevrouw Shelby met een glimlach. "Maar wanneer

zoudt gij denken te gaan?"

"Wel, ik had niets gedacht; maar Sam gaat met eenige veulens naar

de rivier en hij zeide dat ik met hem mee kon gaan, en zoo heb

ik mijn goed maar bijeen gepakt. Als Mevrouw het goedvond, zou ik

morgenochtend met Sam gaan, als Mevrouw een pas en recommandatie voor

mij wilde schrijven."

"Wel, Chloe, ik zal er om denken, als Mr. Shelby er niet tegen

heeft. Ik moet er eerst met hem over spreken."

Mevrouw Shelby ging naar boven, en Chloe liep vol blijdschap naar

hare woning, om verdere toebereidselen te maken.

"Wel, Jongeheer George, weet gij dan niet dat ik morgen naar Louisville

ga?" zeide zij, toen George de hut binnenkwam en haar met de kleertjes

van haar jongste kind bezig vond. "Ik moest dat goedje toch nog wat

nazien. Maar ik ga, Jongeheer George, en ik zal vier dollars in de

week krijgen, en Mevrouw zal alles bewaren, om mijn goeden man terug

te koopen."

"Hoezee!" riep George uit. "Dat is goed overlegd! En wanneer gaat gij?"

"Morgen, met Sam. En nu, Jongeheer George, zult ge toch wel eens

willen gaan zitten en een brief aan mijn goeden man schrijven en hem

alles zeggen--wilt ge niet?"

"Wel zeker," antwoordde George. "Oom Tom zal wel blij zijn, dat

hij eens van ons hoort. Ik loop even naar huis om papier en inkt;

en dan weet ge, Tante Chloe, kan ik hem meteen van de veulens en

alles vertellen."

"Zeker, zeker, jongeheer George. Loop nu maar heen; ik zal u

ondertusschen een hoenderboutje of zoo wat klaar zetten; gij zult

van uwe arme oude tante niet veel meer krijgen."

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET GRAS VERDORT--DE BLOEM VERWELKT.

Het leven verloopt voor ons allen bij dagen, een voor een; en zoo

verliep het ook voor onzen vriend Tom, totdat twee jaren voorbij

waren. Hoewel gescheiden van alles wat zijne ziel dierbaar was, en

hoewel dikwijls smachtende naar hetgeen buiten zijn bereik lag, voelde

hij zich toch nooit geheel ongelukkig; want zoo rijk is de harp van

het menschelijk gevoel besnaard, dat alleen een slag, die al de snaren

doet springen, de harmonie kan bederven; en wanneer men terugziet

op de dagen, die in het geheugen dagen van ontbering en beproeving

schijnen te zijn, kan men zich herinneren dat ieder uur, terwijl het

voorbijvlood, eenige verlichting en afleiding medebracht; zoodat wij,

schoon niet geheel gelukkig, toch ook niet geheel ongelukkig waren.

Tom las in zijn eenig leesboek van iemand, "die geleerd had vergenoegd

te zijn in hetgeen hij was." Dit kwam hem eene goede en verstandige

les voor, en strookte zeer wel met de kalme gemoedsstemming, welke

hem door het lezen van hetzelfde boek eigen was geworden.

Zijn brief naar huis werd, gelijk in het vorige hoofdstuk reeds

is aangeduid, weldra beantwoord door een van Jongeheer George, met

een ronde schooljongenshand geschreven, die men, gelijk Tom zeide,

"haast aan het einde van de kamer kon lezen." Dit geschrift bevatte

onderscheidene heugelijke berichten, waarmede onze lezer reeds

bekend is. Het vermeldde hoe Tante Chloe aan een banketbakker te

Louisville was verhuurd, waar zij, door hare bekwaamheid in het

maken van pasteien, verbazende sommen gelds verdiende, die, gelijk

Tom mede vernam, bewaard zouden worden om hem los te koopen. Mozes

en Peter waren welvarend, en het kleintje liep het geheele huis door,

onder de hoede van Sally en al de anderen in het algemeen.

Toms hut was voor het oogenblik gesloten, maar George weidde breed

uit over de vergrootingen en versieringen, die er aan gemaakt zouden

worden als Tom terugkwam.

De overige inhoud van den brief gaf een lijst van George's schoolwerk,

vermeldde ook de namen van vier nieuwe veulens, die men sedert Toms

vertrek had gehad, en voegde in denzelfden volzin daarbij, dat vader

en moeder welvoeren. De stijl van dien brief was kort en krachtig;

maar Tom hield hem voor een meesterstuk van schrijfkunst. Hij werd

het lezen, herlezen en bekijken niet moede, en hield er zelfs met

Eva raad over, of het niet goed zou zijn hem in een lijst te zetten

en op zijn kamertje op te hangen. Alleen de moeielijkheid om het zoo

te schikken, dat men beide zijden van het blad tegelijk kon zien,

verhinderde de uitvoering van dit voornemen.

De vriendschap tusschen Tom en Eva groeide met het kind. Het zou

moeielijk te zeggen zijn, welke plaats zij in het weeke, liefderijke

hart van haren getrouwen dienaar bekleedde. Hij had haar lief als een

broos, stoffelijk schepseltje, en vereerde haar toch bijna als iets

hemelsch en goddelijks. Hij beschouwde haar, gelijk de Italiaansche

matroos het afbeeldsel van het Christuskind beschouwt, met eene

mengeling van eerbied en teederheid; en aan hare innemend bevallige

grilletjes te voldoen en die duizend eenvoudige behoeften te vervullen,

welke de kindsheid gelijk een veelkleurigen regenboog omgeven, was

Toms grootste vermaak. Op de markt des morgens had hij altijd het oog

op de bloemenkraampjes, om mooie ruikertjes voor haar uit te zoeken,

en de fraaiste perzik of sinaasappel stak hij in zijnen zak, om aan

haar te geven als hij terugkwam; want het gezicht, dat hem het meest

behaagde, was haar bevallig kopje, dat aan het hek in de verte naar

hem uitkeek, en niets hoorde hij zoo gaarne als hare kinderlijke vraag:

"Wel, Oom Tom, wat hebt ge vandaag voor mij?"

Niet minder ijverig was Eva op hare beurt in het bewijzen van

vriendelijke diensten. Hoewel maar een kind, kon zij uitmuntend

lezen; haar muzikaal gehoor, hare vlugge verbeeldingskracht en haar

instinctmatig gevoel voor al wat grootsch en edel was, maakte haar tot

zulk eene voorlezeres van den Bijbel, als Tom nog nooit gehoord had. In

het begin las zij om haren nederigen vriend te behagen, maar spoedig

hechtte haar eigen ernstig gemoed zich aan het verhevene boek, en kreeg

zij dit lief, omdat het een vreemd, krachtig verlangen, en donkere

maar diepe gewaarwordingen bij haar opwekte, waaraan kinderen van een

teergevoelig en tevens hartstochtelijk karakter zich gaarne overgeven.

De gedeelten, die haar het meest behaagden, waren de Openbaring en de

Profeten--gedeelten, welker duistere, vreemde beeldspraak en vurige

taal een des te dieperen indruk op haar maakten, omdat zij vruchteloos

naar de beteekenis daarvan vroeg. Zij en haar eenvoudige vriend, het

jonge kind en het oude, stonden in dit opzicht met elkander gelijk. Al

wat zij wisten was, dat er gesproken werd van eene heerlijkheid die

geopenbaard zou worden--iets wonderbaars, dat nog komen moest, en

waarin hunne ziel zich verheugde, zonder dat zij wisten waarom. En

schoon het in de natuurkundige wetenschappen zoo niet wezen mag, in

de zedelijke wetenschap is datgene wat men niet begrijpt niet altijd

nutteloos, want de ziel ontwaakt als een schroomvallig vreemdeling

tusschen twee duistere eeuwigheden--het eeuwige verledene en de

eeuwige toekomst. Het licht beschijnt slechts eene kleine ruimte om

haar heen: zij moet dus naar het onbekende verlangen, en de stemmen

en schaduwachtige gedaanten, die uit de wolk-kolom der inspiratie tot

haar komen, vinden in haar eigen hopende verwachtingen een weerklank

en een antwoord. De geheimzinnige beelden zijn zoovele juweelen,

als talismans met onbekende hiëroglyphen beschreven; zij verbergt ze

in haren boezem en verwacht ze eens te zullen lezen, als zij achter

den sluier zal gekomen zijn.

Op dezen tijd van ons verhaal was het geheele huishouden van St.-Clare

naar de villa aan het meer Pontchartrain verhuisd. De zomerhitte had

allen die in staat waren, om de benauwde, ongezonde stad te verlaten,

daaruit verdreven, om de oevers van het meer en den koelen zeewind

te gaan opzoeken.

De villa van St.-Clare was een gebouw in den Oostindischen trant, door

lichte veranda's van bamboes omgeven, en aan alle kanten op tuinen en

plantsoenen uitziende. De gewone huiskamer kwam op een tuin uit, vol

van geurige en sierlijke planten en bloemen der keerkringsgewesten,

tusschen welke slingerende paden tot aan den oever van het meer

voortliepen, welks zilveren waterspiegel, in den zonneschijn rijzende

of dalende, een tafereel aanbiedt, dat nooit een uur lang hetzelfde

blijft en met ieder uur schooner schijnt te worden.

De zon ging nu onder, met dien vurigen gouden glans, welke den hemel

tot eene enkele glorie en het water tot een anderen hemel maakt. Het

geheele meer was met rozeroode en gouden strepen gekleurd, behalve

waar witgevleugelde scheepjes als zoovele geesten heen en weder gleden,

en kleine fonkelende sterren door den glans heenflikkerden.

Tom en Eva zaten op eene met mos begroeide bank, in een priëeltje aan

het eind van den tuin. Het was Zondagavond, en Eva's Bijbel lag open

op hare knieën. Zij las: "En ik zag een glazen zee, met vuur gemengd."

"Tom," zeide Eva, eensklaps ophoudende en naar het meer wijzende,

"daar is het."

"Wat, Miss Eva?"

De Negerhut · 第 25 / 44 段