"Augustine, gij weet wel dat ik het niet van dien kant heb beschouwd,"

zeide Ophelia, blijkbaar zachter wordende. "Nu ja, het zou wel

wezenlijk een zendelingswerk kunnen zijn." En dit zeggende zag zij

het kind aan met een blik, die eenigszins gunstiger was.

St. Clare had de rechte snaar geraakt. Ophelia's geweten was altijd

terstond wakker. "Maar," vervolgde zij evenwel, "ik begrijp toch

waarlijk niet dat het noodig was deze nog te koopen. Er zijn er al

genoeg in huis om zooveel tijd en bekwaamheid aan te besteden als ik

maar heb."

"Welnu dan, Nicht," antwoordde St. Clare, haar ter zijde nemende,

"ik moet u eerst verschooning verzoeken voor mijne ondeugende

plagerijen. Gij zijt waarlijk zoo goed en braaf, dat zij volstrekt

niet te pas komen. De zaak is dan, dat dit slavinnetje aan een paar

dronken schepsels behoorde, die eene gemeene herberg houden, waar

ik dagelijks voorbij moet, en dat het mij verveelde haar te hooren

gillen als zij haar afrosten. Zij zag er ook schrander en geestig

uit, alsof er wel iets van haar gemaakt zou kunnen worden, en zoo

kocht ik haar en geef haar nu aan u. Beproef haar nu eens eene goede

orthodoxe Nieuw-Engelsche opvoeding te geven en zie wat gij zoo van

haar maken zult. Gij weet wel, ik heb voor zoo iets geen talent,

maar ik zou het u gaarne eens zien probeeren."

"Welnu, ik zal doen wat ik kan," zeide Ophelia, en daarop naderde

zij haar nieuw pleegkind, ongeveer gelijk men zich verbeelden kan dat

iemand eens eene zwarte spin zou naderen, waarmede hij een welwillend

oogmerk had.

"Zij is schrikkelijk morsig en half naakt," zeide zij.

"Welnu, breng haar naar beneden en laten zij haar daar schoonmaken

en aankleeden."

Ophelia bracht haar dus naar de keuken.

"Ik begrijp niet waarom meester nog meer negers noodig heeft," zeide

Dina, het nieuwkoopje lang niet vriendelijk aanziende. "Ik wil haar

niet in den weg hebben; dat weet ik wel."

"En laat zij mij ook maar uit den weg blijven," zeiden Jane en Rosa

met diepe minachting. "Om wat reden in de wereld meester nog meer

van die gemeene negers noodig heeft, kan ik niet zien."

"Loopt heen! Niet meer negers dan gij zelven zijt, Miss Rosa," zeide

Dina hierop, die in dit laatste gezegde iets beleedigends voor haar

zelve vond. "Gij twee schijnt u zelven voor blanken te houden. Gij zijt

niemendal, niet zwart en niet blank. Ik ben liever een van beiden."

Ophelia zag wel dat er niemand was die voor het reinigen en kleeden van

het nieuwkoopje zou willen zorgen; zij was dus genoodzaakt dit zelve

te doen, met eenige zeer onwillige en onvriendelijke hulp van Jane.

Het zou niet voegen, beschaafde ooren de bijzonderheden van het

eerste toilet der mishandelde en verwaarloosde kleine te laten

hooren. Duizenden van menschelijke wezens moeten in deze wereld leven

en sterven in een staat, waarvan de beschrijving alleen de zenuwen

hunner medestervelingen te grooten schok zou geven. Miss Ophelia

bezat eene goede portie bruikbare zelfverloochening, en verrichtte

al het walgelijke harer taak met heldhaftige zorgvuldigheid, hoewel,

dit moet men ook zeggen, met geene groote vriendelijkheid--want

lijdzame volharding was het uiterste, waartoe haar plichtbesef haar

brengen kon. Toen zij echter op den rug van het kind groote striemen en

vereelte plekken zag, onuitwischbare teekenen van het stelsel waaronder

het tot dusverre was opgegroeid, werd haar hart week in haar binnenste.

"Ziedaar!" zeide Jane, naar die litteekens wijzende. "Ziet men daaraan

al niet welk een kataas zij is! Wij zullen wat met haar te stellen

hebben, dat begrijp ik al. Ik heb een hekel aan zulke misselijke

"negerjongen!" Ik weet niet waarom meester dit gekocht heeft."

Het bedoelde "negerjong" hoorde deze regelen aan met het treurig

ootmoedige gezicht, dat haar tot eene gewoonte scheen te zijn geworden,

en keek slechts nu en dan tersluiks met hare flikkerende oogen naar de

sieraden, die Jane in hare ooren droeg. Toen zij eindelijk voegzaam

was gekleed en hare haren kort afgeknipt waren, zeide Ophelia met

zekere tevredenheid, dat zij er nu wat christelijker uitzag, en begon

terstond te denken over de beste manier om haar te onderrichten.

Zich voor het kind nederzettende, begon zij het te ondervragen.

"Hoe oud zijt ge, Topsy?'

"Weet niet, Juffrouw," antwoordde de kleine, met een grijns die al

hare tanden liet zien.

"Weet ge niet hoe oud ge zijt? Heeft niemand u dat ooit gezegd? Wie

was uwe moeder?"

"Nooit eene gehad," antwoordde het kind wederom grijnzende.

"Nooit eene moeder gehad! Wat meent ge daarmede? Waar zijt ge dan

geboren?"

"Ben nooit geboren," antwoordde Topsy nu met zulk een akeligen,

spookachtigen grijns, dat Ophelia, indien zij bijgeloovig en

zenuwachtig was geweest, zich wel had kunnen verbeelden dat zij een

zwart kabouterkind uit een andere wereld voor zich had; doch Ophelia

was noch bijgeloovig, noch zenuwachtig, maar wel voortvarend en

tamelijk kort van stof, en zeide dus eenigszins barsch:

"Gij moet mij zoo geen antwoord geven, kind. Ik steek er den gek niet

mee. Zeg mij waar gij geboren zijt, en wie uw vader en moeder waren."

"Ben nooit geboren," herhaalde het kind met nadruk, "heb nooit een

vader of moeder of iets gehad. Ik ben grootgebracht door een speculant,

met een troep anderen. Oude Tante Sue placht op ons te passen."

Het kind sprak blijkbaar oprecht, en Jane zeide nu met een schamperen

lach:

"Och Juffrouw, zoo zijn er hoopen. Speculanten koopen ze goedkoop

als ze klein zijn, en brengen ze groot voor de markt."

"Hoelang zijt ge bij uwen laatsten meester geweest?"

"Weet niet, Juffrouw."

"Is het een jaar, of langer of korter?"

"Weet niet, Juffrouw."

"Och, Juffrouw, die gemeene negers kunnen dat niet zeggen, zij weten

van geen tijd," zeide Jane nu weder. "Zij weten niet wat een jaar is,

of hoe oud zij zijn."

"Hebt gij nooit iets van God gehoord, Topsy?"

Het kind keek verbijsterd, maar grijnsde volgens gewoonte.

"Weet gij niet wie uw maker is?"

"Niemand, zooveel ik weet," antwoordde het meisje met een lach.

Zij scheen dien inval tamelijk grappig te vinden, want hare oogen

flikkerden, en zij vervolgde:

"Ik denk dat ik gegroeid ben. Ik denk niet dat iemand mij gemaakt

heeft."

"Kunt gij naaien?" zeide Ophelia nu, meenende dat het best zou zijn

hare vragen tot meer tastbare onderwerpen te beperken.

"Neen, Juffrouw."

"Wat kunt gij dan doen? Wat hebt gij voor uwen meester gedaan?"

"Water gehaald, borden gewasschen, messen geslepen en de menschen

bediend."

"Waren uw meester en uw meesteres goed voor u?"

"Denk wel van ja," antwoordde het kind, Ophelia wantrouwig aanziende.

Ophelia liet het gesprek steken en stond op. St. Clare was achter

haar gekomen.

"Gij zult daar maagdelijken grond vinden, Nicht, om uwe denkbeelden

in te planten--gij zult er niet veel vinden die gij behoeft uit te

roeien," zeide hij.

Ophelia's denkbeelden over de opvoeding waren, evenals al hare andere

denkbeelden, zeer bepaald en stellig. Over het geheel strookten zij met

die, welke honderd jaren geleden in Nieuw-Engeland in zwang waren en op

sommige afgelegen, onbedorven plekken, waar geene spoorwegen zijn, nog

bewaard worden. In zooverre zij onder woorden te brengen waren, kon dit

met weinige woorden geschieden: de meisjes te leeren opletten als haar

iets gezegd werd; ze den catechismus, naaien en lezen te leeren, en ze

de roede te geven als zij jokten; en hoewel men natuurlijk, bij den

vloed van licht die tegenwoordig de opvoedkunde beschijnt, thans ver

daar bovenuit is, kan men toch niet ontkennen, dat onze grootmoeders

onder dit _régime_ eenige tamelijk knappe mannen en vrouwen hebben

grootgebracht. Hoe dit ook zij, Miss Ophelia wist van niets anders,

en nam dus haar heidinnetje op die manier met allen ijver onderhanden.

Het kind werd in het huishouden als hare meid beschouwd, en daar

het in de keuken met geene gunstige oogen werd aangezien, besloot

Ophelia haar kring van werkzaamheden en onderricht hoofdzakelijk

tot hare eigene kamer te beperken. Met eene zelfopoffering, welke

sommigen onzer lezeressen zullen weten te waardeeren, besloot zij, in

plaats van gerust haar eigen bed op te maken en hare eigene kamer te

stoffen--gelijk zij tot nog toe, met afwijzing van alle aangeboden

hulp der kamermeid van het huis, had gedaan--zich zelve tot het

martelaarschap te veroordeelen om Topsy in deze werkzaamheden te

onderrichten. Ontzettend besluit! Heeft iemand van onze lezeressen ooit

hetzelfde gedaan, dan zal zij de mate van Ophelia's zelfverloochening

wel kunnen beseffen.

Miss Ophelia begon met Topsy op den eersten morgen naar hare kamer mede

te nemen, en deftig eene eerste les in de kunst van het bed-opmaken

te geven.

Ziedaar dan Topsy, gewasschen en van al die gevlochten staartjes

beroofd, waarop zij zoo grootsch was, in eene schoone jurk gekleed

en met een welgesteven schortje voor, eerbiedig voor hare meesteres

staande, met een gezicht zoo ernstig alsof zij te begraven zou gaan.

"Nu, Topsy, zal ik u wijzen hoe mijn bed wordt opgemaakt. Ik ben

zeer keurig op mijn bed en gij moet precies leeren hoe het gedaan

moet worden."

"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy nu, met een zwaren zucht en een

jammerlijk doch zeer ernstig gezicht.

"Zie dan, Topsy, dat is de zoom van het laken--dit is de rechte kant

van het laken, en dit is de verkeerde. Zult gij dat onthouden?"

"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met nog een zucht.

"Welnu, het onderlaken moet gij over de peluw leggen--zóó, en glad

onder de matras steken--zóó. Ziet ge wel?"

"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met ingespannen aandacht.

"Maar het bovenlaken," vervolgde Ophelia, "moet zóó worden gelegd,

en glad en vast aan het voeteneinde worden ingestopt--zóó--de smalle

zoom aan het voeteneinde."

"Ja, Juffrouw," antwoordde Topsy, evenals te voren; maar wij moeten

er bijvoegen dat Miss Ophelia niet zag, dat, terwijl de meesteres zich

omkeerde, de jeugdige leerling een paar handschoenen en een eind lint

had weggekaapt en behendig in hare mouwen gestopt, waarna zij weder

met ootmoedig gevouwen handen bleef staan.

"Komaan dan, Topsy, laat ik het u nu eens zien doen," zeide Ophelia,

trok de lakens weder van het bed en zette zich neer.

Met grooten ijver en even groote behendigheid maakte Topsy de

exercitie, tot Ophelia's volkomen tevredenheid; zij legde de lakens

behoorlijk te recht, streek elk rimpeltje glad, vertoonde bij dat alles

eene ernstigheid, waardoor hare onderwijzeres zeer gesticht werd. Maar

juist toen zij haast gedaan had, kwam door eene ongelukkige beweging

een eindje van het lint uit hare mouw kijken en viel Ophelia in het

oog. Dadelijk schoot zij er op toe.

"Wat is dat?" zeide zij. "Gij ondeugend, goddeloos kind, dat hebt

gij gestolen!"

Het lint werd uit Topsy's mouw gehaald en toch werd de kleine niet

het minste verlegen. Zij keek het aan met een gezicht vol onschuldige

verbazing.

"Wel! Dat is een lint van Juffrouw Phelia--is het niet? Hoe kan dat

in mijne mouw komen?"

"Jok maar niet, gij ondeugende meid. Gij hebt het gestolen."

"O, Juffrouw, ik wil zweren van neen. Ik heb het nooit gezien dan nu

op het oogenblik."

"Topsy," zeide Ophelia, "weet gij niet dat het liegen goddeloos is?"

"Ik lieg nooit, Juffrouw Phelia," antwoordde Topsy met den ernst

der onschuld. "Het is zuivere waarheid wat ik u gezegd heb en niets

anders."

"Topsy, ik zal de roe moeten krijgen als gij zoo liegt."

"O Juffrouw, al woudt ge mij den heelen dag slaan, ik kan toch niet

anders zeggen," antwoordde Topsy, nu huilende. "Ik heb het daar nooit

gezien; het moet vanzelf in mijne mouw zijn gekomen. Juffrouw Phelia

zal het op het bed hebben gelaten, en zoo is het in de lakens gekomen,

en zoo in mijne mouw geraakt."

Ophelia was zoo verontwaardigd over dit onbeschaamde liegen, dat zij

het kind bij de schouders greep en heftig schudde.

"Zeg mij dat niet nog eens!"

Het schudden deed de handschoenen uit de andere mouw op den grond

vallen.

"Daar, gij--!" zeide Ophelia. "Zult ge mij nu nog zeggen dat gij het

lint niet gestolen hebt?"

Topsy bekende zich nu schuldig aan de handschoenen maar wilde nog

niets van het lint weten.

"Als gij nu maar alles bekent, Topsy," zeide Ophelia, "dan zult gij

voor dezen keer geen slaag krijgen."

Aldus toegesproken, beleed Topsy het stelen van het lint en de

handschoenen, met jammerende betuigingen van boetvaardig berouw.

"En zeg mij nog meer. Ik begrijp wel, dat gij nog andere dingen moet

weggenomen hebben, sedert gij in huis zijt, want ik heb u gisteren

den geheelen dag laten rondloopen."

"Och, Juffrouw, ik heb dat roode dingetje van Jongejuffrouw Eva,

dat zij om haar hals heeft."

"Hebt gij dat gedaan, ondeugend kind! Nu, en wat meer?"

"Ik heb Rosa's oorbellen genomen--die roode."

"Ga terstond alles hier halen."

"Och, lieve Juffrouw, ik kan niet--het is verbrand."

"Verbrand! Welk een verzinsel!--Breng alles hier, of ge zult slaag

hebben."

Met luide betuigingen, tranen en zuchten verklaarde Topsy dat zij

dit niet doen kon. "Alles was verbrand--dat was het."

"En waarom hebt gij dat goed verbrand?" zeide Ophelia.

Juist op dat oogenblik kwam Eva zonder van iets te weten de kamer in,

met het koralen kettinkje om den hals.

"Wel, Eva, hoe hebt gij dit kettinkje weergekregen?" zeide Ophelia.

"Weergekregen?" zeide Eva. "Ik heb het den geheelen nacht omgehad. Ik

vergat het af te doen, toen ik naar bed ging."

Ophelia keek geheel en al verbijsterd, des te meer daar Rosa een

oogenblik later binnenkwam, met een mandje pas gestreken goed in

balans op haar hoofd en de bewuste bellen in hare ooren.

"Ik begrijp volstrekt niet meer hoe ik met dit kind aanmoet," zeide

zij wanhopig. "Waarom hebt gij mij gezegd, dat gij die dingen hadt

weggenomen, Topsy?"

"Wel, Juffrouw," antwoordde Topsy, "omdat ik bekennen moest, en ik

kon niets anders bedenken om te bekennen."

"Maar ik wilde natuurlijk niet dat gij die dingen bekennen zoudt,

die gij niet gedaan hadt," zeide Ophelia; "dat is evengoed liegen

als het andere."

"Och, er is geen waarheid uit die meid te krijgen," zeide Rosa,

haar met verontwaardiging aanziende. "Als ik Mijnheer St. Clare was,

zou ik haar laten geeselen tot het bloed er bij neerliep. Ik zou haar

in eens genoeg geven."

"Neen, neen, Rosa," zeide Eva hierop, met de gebiedende houding,

welke het kind somtijds kon aannemen. "Gij moet zoo niet spreken. Dat

kan ik niet hooren."

"Och, Jongejuffrouw Eva, gij zijt al te goed; gij weet niet hoe men

met negers moet omgaan. Er zit niets op dan ze goed af te zweepen,

dat zeg ik u."

"Stil, Rosa; laat mij geen woord meer zoo hooren," zeide Eva, met

flikkerende oogen en een hoogere kleur op de wangen.

Rosa was terstond uit het veld geslagen.

"Zij heeft het echte bloed der St. Clare's, dat is duidelijk. Zij

kan eveneens spreken als haar papa," prevelde zij, de kamer uitgaande.

Eva bleef Topsy aanzien.

Daar stonden de twee kinderen, die de uitersten der maatschappij

vertegenwoordigden. Het blanke, beschaafde, welopgevoede kind,

met hare gouden lokken, haar zielvolle oogen, haar edel voorhoofd

en vorstelijke houding, en hare zwarte, doortrapte, kruipende, maar

toch schandere geburin. Daar stonden zij, elk als vertegenwoordigster

van haren stam; de Sakser, uit eeuwen van beschaving, heerschappij,

opvoeding, lichamelijke en zedelijke meerderheid gesproten; de

Afrikaan, uit eeuwen van onderdrukking, slavernij, onkunde, arbeid

en ondeugd geboren.

Dergelijke gedachten vlogen Eva misschien door het hoofd. Maar

de gedachten van een kind zijn veeleer flauwe, onduidelijke

gewaarwordingen, en in Eva's edel gemoed lagen vele van dien aard

verscholen, waaraan zij geene woorden kon geven. Toen Ophelia over

Topsy's slechtheid en goddeloosheid uitweidde, keek Eva verbijsterd

en droevig, en eindelijk zeide zij vriendelijk:

"Arme Topsy, wat behoeft gij te stelen? Er zal nu goed voor u gezorgd

worden, en ik wil u liever alles van mij geven dan dat gij het van

mij steelt."

Dit waren de eerste vriendelijke woorden, die het negerkind ooit in

haar leven had gehoord; de zachte toon maakte een vreemden indruk op

het wilde, ruwe hart, en iets dat naar een traan geleek blonk in de

ronde, glinsterende oogen, maar werd terstond door een korten lach

en den gewonen grijns gevolgd. Het oor, dat nooit iets anders dan

scheldwoorden heeft gehoord, is verbazend ongeloovig voor iets dat

zoo hemelsch is als vriendelijke goedheid; en Topsy vond Eva's gezegde

alleen iets grappigs en onverklaarbaars, maar zij geloofde er niet aan.

Doch wat moest er met Topsy gedaan worden? Ophelia vond de zaak

bedenkelijk; hare regelen van opvoeding schenen hier van geene

toepassing te kunnen zijn. Zij wilde tijd nemen om er over te denken,

en om tijd te winnen, en tevens met zeker vertrouwen op de zedelijke

kracht, welke men aan donkere kasten toeschrijft, sloot zij Topsy

in zulk een donkere kast op, tot zij het met zich zelve eens zou

zijn geworden.

"Ik begrijp niet," zeide zij tot St. Clare, "hoe ik met dat kind zal

te recht komen zonder haar slaag te geven."

"Wel, geef haar dan slaag naar hartelust. Ik laat u de volle macht

om te doen wat gij wilt."

"Kinderen moeten altijd slaag hebben," hervatte Ophelia. "Ik heb

nooit gehoord dat iemand er een zonder slaag had grootgebracht."

"Doe wat u het best voorkomt," antwoordde St. Clare, "maar laat ik

ééne aanmerking mogen maken. Ik heb dit kind zien slaag geven met

pook, tang of aschschop, wat maar het eerst ter hand kwam, en daar

zij aan die manier van doen gewoon is, zal uw "slaag geven" tamelijk

krachtig moeten zijn, om veel indruk te maken."

"Wat is er dan aan te doen?" vroeg Ophelia.

"Daar hebt gij een ernstige vraag opgeworpen, die ik wel wenschte

door u beantwoord te zien," antwoordde St. Clare. "Wat is er te doen

met een menschelijk wezen, dat alleen door de zweep kan geregeerd

worden, wanneer de zweep niet meer baat?--een zeer gewone staat van

zaken hier."

"Ik moet zeggen dat ik het niet weet, en dat ik nog nooit zulk een

kind gezien heb."

"Zulke kinderen zijn zeer gewoon bij ons, en zulke mannen en vrouwen

ook. Hoe moeten zij geregeerd worden?" zeide St. Clare.

"Het is waarlijk meer dan ik zeggen kan," antwoordde Ophelia.

"Ik weet het ook niet," hervatte St. Clare. "De afschuwelijke

wreedheden, die nu en dan in de couranten komen--gelijk dat geval

van Prue bij voorbeeld--waaruit ontstaan zij? In vele gevallen uit

eene langzame verharding aan beide zijden, daar de meester hoe langer

hoe wreeder wordt, naarmate de slaaf harder wordt. Slagen en kwade

woorden gelijken naar opium; men moet de dosis vergrooten, naarmate het

gevoel afslijt. Ik zag dit zeer spoedig, toen ik slaveneigenaar was

geworden, en ik nam mij voor om nooit te beginnen, omdat ik dan niet

wist, waar ik zou moeten ophouden; ik besloot ten minste mijn eigen

zedelijk karakter te beschermen. Het gevolg is, dat mijne bedienden

zich gedragen als bedorven kinderen; maar ik acht dit beter dan dat

wij beiden gebrutaliseerd worden. Gij hebt veel gesproken, Nicht,

over onze verantwoordelijkheid om onze slaven op te voeden, en ik

wenschte inderdaad dat gij het eens woudt beproeven met één kind,

dat een staaltje is van duizenden onder ons."

"Het is uw stelsel, dat zulke kinderen maakt," zeide Ophelia.

"Dat weet ik wel; maar zij zijn nu gemaakt--zij bestaan, en wat is

er nu met hen te doen?"

"Wel, ik kan niet zeggen dat ik u dankbaar ben voor die

proefneming. Maar daar het een plicht schijnt te zijn, zal ik volharden

en mijn best doen," zeide Ophelia, en deed ook verder haar best

met hoogst loffelijken ijver, en stipte nauwgezetheid. Zij bepaalde

geregelde uren van onderricht en werken voor Topsy, en ondernam ook

haar te leeren lezen en naaien.

In de eerste kunst vorderde het meisje vlug genoeg. Zij leerde de

letters als door tooverij en was spoedig in staat om een eenvoudig

boek te lezen; maar met het naaien was de zaak moeielijker. Het

schepseltje was zoo vlug als eene kat, en het stilzitten was haar

allerhatelijkst. Zij brak dus telkens hare naalden, wierp ze stil het

venster uit of in een donkeren hoek; en zij maakte haar garen vuil,

of maakte behendig een geheele streng weg. Hare bewegingen waren

zoo snel, als die van een goochelaar, en zij kon haar gezicht ook

evengoed in bedwang houden, zoodat Ophelia, hoewel zij niet nalaten

kon te vermoeden, dat zoovele ongelukken achtereen niet bij toeval

konden gebeuren, haar toch niet betrappen kon, of zij had tot eene

waakzaamheid moeten besluiten, die haar tot niets anders tijd zou

hebben gelaten.

In huis was Topsy spoedig een gewichtig persoontje. Haar talent

voor allerlei soorten van potsen, grimassen en kuren--voor het

dansen, buitelen, klauteren, zingen, fluiten en nabootsen van

allerlei geluiden--scheen onuitputtelijk te zijn. In hare speeluren

had zij altijd al de andere kinderen van het huis om zich heen,

die haar met verbazing en bewondering aangaapten, zelfs de kleine

Eva niet uitgezonderd, die door hare wilde kuren scheen te worden

aangelokt, gelijk eene duif somtijds door eene glinsterende slang

wordt bekoord. Ophelia maakte er zich ongerust over, dat Eva zooveel

behagen had in Topsy's gezelschap, en drong er bij St. Clare op aan

om zijn dochtertje dit te verbieden.

"Och, laat het kind maar begaan," zeide St. Clare. "Topsy's gezelschap

zal haar goeddoen."

"Maar zulk een ondeugend kind! Zijt ge niet bang dat zij haar kwaad

zal leeren?"

"Zij kan haar geen kwaad leeren. Andere kinderen mag zij het kunnen

doen, maar het kwaad loopt langs Eva's gemoed af, gelijk de dauw van

een koolblad--geen droppel trekt er in."

"Wees maar niet al te gerust," zeide Ophelia. "Ik weet wel dat ik

nooit een kind van mij met Topsy zou laten spelen."

"Wel, uwe kinderen behoeven dit niet," antwoordde St. Clare, "maar

het mijne mag wel. Als Eva bedorven had kunnen worden, zou het al

voor jaren gebeurd zijn."

Topsy werd door de hoogere bedienden eerst veracht en gesmaad; maar

weldra vonden zij reden om van meening te veranderen. Men ontdekte

zeer spoedig dat wie Topsy eenige minachting toonde, zeker was kort

daarop door eene of andere onaangenaamheid te worden getroffen--een of

ander geliefkoosd sieraad werd vermist, of een voorwerp van kleeding

geheel bedorven gevonden, of de schuldige struikelde ongelukkig over

een emmer heet water, of een stortbui van gootwater overstelpte hem

op eene onverklaarbare manier, als hij juist in staatsie gekleed was;

en als men bij zulke gelegenheden onderzoek deed, kon de oorzaak van

het gebeurde nooit ontdekt worden. Topsy werd er voor gehouden, en

dikwijls voor alle gezagvoerende personen ter verantwoording geroepen,

maar altijd stond zij haar verhoor met stichtelijke onnoozelheid

door. Niemand twijfelde er aan wie al dat kattekwaad uitrichtte,

maar geen schijn van bewijs kon ooit gevonden worden ter bevestiging

van het vermoeden, en Ophelia was te rechtvaardig om zonder bewijs

te willen straffen.

Daarbij kwam dat de tijd voor dat kattekwaad altijd zoo gekozen was,

dat de schuldige daardoor nog meer werd beschermd. Zoo werd om op

Rosa en Jane, de twee kamermeiden, wraak te nemen, altijd een tijd

gekozen, wanneer zij, gelijk niet zelden gebeurde, bij hare meesteres

in ongenade waren, en dan vonden hare klachten natuurlijk geen

gehoor. Kortom, Topsy deed het huishouden spoedig begrijpen, dat het

raadzaam was haar met vrede te laten, en men liet haar dus met vrede.

De Negerhut · 第 24 / 44 段