"Hij hangt evenzeer van den wil zijns meesters af, alsof deze hem

gekocht had. De slavenhouder kan zijn weerspannigen slaaf laten dood

geeselen--de kapitalist kan hem laten dood hongeren. Wat de familie

betreft, is het moeielijk te zeggen wat erger is: zijne kinderen te

zien verkoopen, of hen tehuis te zien honger lijden."

"Maar het is geene rechtvaardiging der slavernij, te bewijzen dat

zij niet erger is dan een ander kwaad."

"Ik heb haar ook niet willen rechtvaardigen; ja ik zeg bovendien dat

onze schennis van de rechten der menschheid stouter en openlijker

is. Een mensch werkelijk te koopen gelijk een paard--zijne tanden te

bekijken, zijne gewrichten te laten knappen, hem te laten toonen hoe

hij loopt en zich beweegt, en dan zijn prijs te betalen--speculanten,

opfokkers, handelaars en makelaars in menschelijke lichamen en zielen

te hebben--dat stelt de zaak in eene meer tastbare gedaante voor de

oogen der beschaafde wereld, schoon het andere dat men doet in zijnen

aard eigenlijk hetzelfde is, namelijk het toeëigenen en gebruiken van

de eene klasse van menschen tot voordeel en genoegen eener andere,

zonder op hare eigene belangen acht te geven."

"Ik heb de zaak nog nooit in dat licht bezien," zeide Ophelia.

"Wel, ik heb in Engeland gereisd en heb tamelijk veel over den toestand

der lagere klassen aldaar gelezen, en ik denk waarlijk dat men Alfred

niet kan tegenspreken, als hij zegt dat zijne slaven er beter aan

toe zijn dan een groot gedeelte der bevolking van Engeland. Gij moet

echter uit hetgeen ik gezegd heb niet opmaken, dat Alfred is wat men

een hard meester noemt; want dat is hij niet. Hij is despotiek en

ongenadig in geval van weerspannigheid; hij zou een kerel die hem

tegenweer bood, met even weinig gewetensknaging doodschieten als

een bok; maar over het geheel stelt hij er eene soort van trots in,

dat zijne slaven goed gevoed en verzorgd worden.

"Toen ik bij hem was, drong ik er op aan dat hij iets voor hun

onderricht zou doen, en om mij te behagen nam hij een kapelaan aan en

liet hem des Zondags catechiseeren, hoewel ik geloof dat hij wel bij

zich zelven dacht, dat het omtrent evenveel goed zou doen alsof hij

een kapelaan bij zijne paarden en honden zette. En het is ook waar,

dat er met iemand, die van zijne geboorte af door allerlei schadelijke

omstandigheden verstompt en verdierlijkt is, en die zijne werkdagen

geheel moet slijten met een arbeid, welke hem geen tijd tot een

oogenblik nadenkens laat, in eenige uren op Zondag niet veel kan gedaan

worden. De onderwijzers in de zondagsscholen onder de fabrieksbevolking

van Engeland en onder de plantage-arbeiders in Amerika zullen misschien

_hier_ en _daar_ hetzelfde kunnen getuigen. Maar onder ons bestaan

toch eenige treffende uitzonderingen, daar het blijkt dat de neger van

nature meer vatbaarheid heeft voor godsdienstig gevoel dan de blanke."

"Maar hoe zijt gij er eindelijk toe gekomen om van de plantage af te

zien?" zeide Ophelia.

"Wel, wij tobden eenigen tijd met elkander voort, tot Alfred

duidelijk zag dat ik geen planter was. Hij vond het ongerijmd dat

ik nog ontevreden was, nadat hij, om zich naar mijne begrippen te

voegen, allerlei veranderingen en verbeteringen gemaakt had. Het was

dan ook eigenlijk de zaak zelve die ik haatte--het gebruiken van die

mannen en vrouwen als onze werkdieren, het onderhouden van onkunde,

ruwheid en ondeugd--alleen om geld voor mij te winnen!

"Bovendien was ik daar wezenlijk in den weg. Daar ik zelf een der

luiste stervelingen was, had ik veel te veel sympathie voor luiaards;

en als dus arme onhandige rekels steenen in hunne katoenmanden legden,

om ze zwaarder te doen wegen; of hunne zakken met vuilnis vulden,

met wat katoen bovenop, kwam mij dit zoo volkomen hetzelfde voor als

wat ik in hunne plaats zou gedaan hebben, dat ik er hen niet voor

kon of wilde laten geeselen. Daardoor was er natuurlijk geen orde

of tucht op de plantage te houden, en Alfred en ik kwamen omtrent

evenver met elkander, als jaren geleden mijn vader met mij gekomen

was. Hij zeide mij dus dat ik een verwijfd sentimentalist was en nooit

deugen zou om zaken te doen; raadde mij om de bankactiën en het huis

te Nieuw-Orleans te nemen, daar verzen te gaan schrijven en hem de

plantage over te laten. Zoo scheidden wij ook en ik kwam hier wonen."

"Maar waarom hebt gij uwe slaven niet vrijgelaten?"

"Zoover had ik het nog niet gebracht. Hen houden als gereedschap

om geld te winnen, dat kon ik niet; maar hen te houden om mijn geld

te helpen verteren, kwam mij zoo kwaad niet voor. Sommigen van hen

waren oude huisbedienden, aan wie ik gehecht was, en de jongeren

waren de kinderen van de ouden. Allen waren weltevreden als zij

mochten blijven."

Hij zweeg en wandelde peinzend de kamer op en neer.

"Er was een tijd in mijn leven," vervolgde hij, "toen ik plan en

hoop had om meer in de wereld te doen, dan zoo met den stroom af te

drijven. Ik had een onbestemd, nevelachtig verlangen om een soort

van emancipator te worden--om mijn vader van die schandvlek te

bevrijden. Alle jongelieden, geloof ik, hebben zulke koortsachtige

vlagen--maar dan...."

"Waarom deedt gij dat niet?" zeide Ophelia. "Gij moest uwe hand niet

aan den ploeg slaan en dan achterwaarts zien."

"Och, het ging niet met mij zooals ik verwacht had, en toen kreeg ik

hetzelfde verdriet in het leven dat Salomo kreeg. Ik denk dat zal voor

ons beiden noodzakelijk geweest zijn om wijs te worden. Maar hoe dan

ook, in plaats van de maatschappij te verbeteren en te hervormen,

werd ik een stuk drijfhout en heb mij sedert dien tijd maar laten

rondslingeren. Alfred bekijkt mij telkens als wij elkander zien en

heeft iets op mij vooruit, dat moet ik bekennen. Zijn leven is een

logisch gevolg van zijne denkwijs, het mijne is eene verachtelijke

inconsequentie."

"Lieve Neef, hoe kunt gij tevreden zijn met zulk eene manier om uw

proeftijd te besteden?"

"Tevreden? Heb ik u niet zooeven gezegd dat ik mijn gedrag

verachtte? Maar om weder ter zake te komen--wij waren aan het vrijlaten

van slaven. Ik geloof dat mijne manier van doen niet ongemeen is. Ik

vind vele menschen, die heimelijk eveneens over de slavernij denken

als ik. Het land zucht er onder; en zoo erg als zij voor den slaaf is,

zij is, zoo mogelijk, nog erger voor den meester. Men heeft geen bril

noodig, om te zien dat eene talrijke klasse van zorgelooze, ondeugende,

zedelijk verbasterde menschen onder ons een kwaad is, voor ons zoowel

als voor hen. De kapitalisten en aristocraten van Engeland kunnen dat

zoo niet doen als wij, omdat zij met de klasse die zij verdrukken niet

zoo in aanraking komen als wij doen. De slaven zijn in onze huizen;

zij zijn het gezelschap van onze kinderen en hebben meer invloed op

hun gemoed dan wij, omdat zij tot eene soort van menschen behooren

waaraan kinderen zich altijd hechten. Als Eva niet meer een engel was

dan gewoonlijk, zou zij geheel bedorven worden. Wij mochten evengoed

de kinderpokken onder hen laten heerschen en denken dat onze kinderen

niet besmet worden, als hen ondeugend laten en denken dat dit onzen

kinderen geen kwaad zal doen. En toch verbieden onze wetten stellig

alle krachtige maatregelen van opvoeding, en dat doen zij met reden;

want begin maar eens en geef één geslacht van negers eene goede

opvoeding, en het geheele ding vliegt in de lucht. Als wij hun hunne

vrijheid niet gaven zouden zij ze nemen."

"En wat denkt gij dat hiervan het einde zal zijn?" zeide Ophelia.

"Ik weet het niet. Eén ding is zeker--over de geheele wereld vereenigen

zich de massa's en komen in beweging; en vroeger of later komt er een

_dies irae_ [7]. Hetzelfde werkt in Engeland, in geheel Europa en in

dit land. Mijne moeder placht mij te spreken van een duizendjarig rijk,

dat eens komen zou, wanneer Christus zou heerschen en alle menschen

vrij en gelukkig zouden zijn. En toen ik een kind was leerde zij mij

bidden: "Uw Koninkrijk kome." Somtijds denk ik dat al dat zuchten en

kermen, en die beweging onder de dorre beenderen, datgene voorspelt,

wat zij mij placht te zeggen dat komen zou. Maar wie zal den dag

zijner toekomst zien?"

"Augustine, somtijds denk ik dat gij niet ver van het Koninkrijk

zijt," zeide Ophelia, terwijl zij haar breiwerk neerlegde en haar

neef oplettend en met zekere bezorgdheid aanzag.

"Ik dank u voor uwe goede meening; maar het gaat op en neer met mij--op

tot aan de poort des hemels, in theorie, neer in het stof der aarde,

in practijk. Daar hoor ik de schel om thee te drinken. Laten wij gaan,

en zeg nu niet dat ik niet voor eene enkele maal in mijn leven ernstig

met u gesproken heb."

Aan de theetafel sprak Marie over het voorgevallene met Prue.

"Gij zult nu wel denken, Nicht," zeide zij, "dat wij allen barbaren

zijn."

"Ik denk dat dit iets barbaarsch is," antwoordde Ophelia; "maar ik

houd u allen nog niet voor barbaren."

"Och," hervatte Marie, "ik weet zelve wel dat het onmogelijk is met

sommigen van die schepsels te recht te komen. Zij zijn zoo slecht,

dat zij het leven niet waard zijn. Ik voel geen greintje medelijden

in zulke gevallen. Als zij zich maar wel gedroegen, zou het niet

gebeuren."

"Maar, Mama," zeide Eva, "het arme schepsel was ongelukkig; dat hielp

haar aan den drank."

"Och, gekheid! Alsof dat eene verontschuldiging was! Ik ben ook

dikwijls ongelukkig. Ik geloof," zeide Marie peinzend, "dat ik grooter

verdriet heb gehad dan zij ooit gehad heeft. Het is maar dat zij

zoo slecht van aard zijn. Er zijn sommigen die men met de grootste

gestrengheid niet dwingen kan. Ik herinner mij dat mijn vader een

man had, die zoo lui was dat hij wegliep, alleen maar om van het

werken af te komen, en in de moerassen school en stal en allerlei

afschuwelijkheden deed. Die man werd gevangen en gegeeseld, nog eens en

nog eens, maar nooit hielp het hem; eindelijk kroop hij weder weg, want

hij kon haast niet loopen, en stierf in het moeras. Er was geenerlei

reden voor, want mijns vaders volk werd altijd goed behandeld."

"Ik heb eens een kerel getemd," zeide St. Clare, "aan wien al de

opzichters en meesters vruchteloos hunne krachten beproefd hadden."

"Gij!" zeide Marie. "Nu, ik zou wel willen weten wanneer gij iets

van dien aard gedaan hebt."

"Wel, hij was een sterke reusachtige kerel, een geboren Afrikaan, en

hij scheen in een buitengemeenen trap het ruwe instinct van vrijheid

in zich te hebben. Hij was een echte Afrikaansche leeuw. Men noemde

hem Scipio. Niemand kon iets met hem uitrichten; hij werd van den een

aan den ander overgedaan, tot eindelijk Alfred hem kocht, daar hij

dacht hem wel te kunnen regeeren. Maar eens gaf Scipio een opzichter

een slag zoodat deze neerviel, en liep toen naar de moerassen. Ik

was juist op Alfreds plantage te logeeren, want het was nadat wij de

compagnieschap ontbonden hadden. Alfred was geweldig verbolgen, maar

ik zeide hem dat het zijn eigen schuld was; ik wilde met hem wedden,

voor zooveel hij verkoos, dat ik den neger kon temmen; en eindelijk

werd er afgesproken, dat als ik hem ving, ik hem zou hebben om de proef

te nemen. Zij verzamelden zich dus in een troep van zes of zeven, met

honden en geweren voor de jacht. Men kan, zooals gij weet, evenveel

liefhebberij krijgen in het menschenjagen als in het hertenjagen, als

men er zich maar aan gewent; om de waarheid te zeggen, ik kwam zelfs

een weinig in vuur, hoewel ik slechts was medegegaan om eenigermate

tot onderhandelaar te dienen, ingeval hij gevangen werd.

"Nu, de honden blaften en huilden en wij reden door dik en dun:

eindelijk joegen wij hem op. Hij liep en sprong als een reebok en

liet ons eerst ver achter, maar eindelijk raakte hij beklemd in een

ondoordringbaar rietbosch; toen keerde hij zich om en hield stand, en

ik kan u zeggen dat hij als een held tegen de honden vocht. Hij smeet

ze rechts en links van zich af en hielp er werkelijk drie van kant,

alleen met zijne bloote vuisten, tot een geweerschot hem weerloos

maakte en hij bloedend bijna voor mijne voeten neerviel. De arme

kerel zag naar mij op, met mannenmoed en wanhoop in zijne oogen. Ik

hield de honden en de troep van hem af, toen de anderen aankwamen,

en eischte hem op als mijn gevangene. Ik had moeite genoeg, om te

beletten, dat zij hem in het eerste gevoel van triomf doodschoten; maar

ik bleef op mijn recht staan en Alfred verkocht hem aan mij. Welnu,

toen nam ik hem onderhanden, en in veertien dagen had ik hem zoo tam

en gedwee gemaakt als men maar verlangen kon."

"Wat in de wereld hebt gij dan met hem gedaan?" zeide Marie.

"Wel, het was eene zeer eenvoudige manier van doen. Ik nam hem in

mijne eigene kamer, liet een goed bed voor hem maken, verbond zijne

wonden en paste hem zelf op tot hij weder op de been kwam. En na

verloop van tijd liet ik een vrijbrief voor hem opmaken en zeide hem

dat hij gaan kon waar hij wilde."

"En ging hij?" vroeg Ophelia.

"Neen. De malle kerel scheurde het papier in tweeën en weigerde ronduit

mij te verlaten. Ik heb nooit een braver en beter knecht gehad--zoo

handelbaar als staal. Hij omhelsde naderhand het christendom en

werd zoo zachtzinnig als een kind. Hij placht het opzicht te houden

over mijne plaats en hij deed dat uitmuntend. Ik verloor hem in den

eersten choleratijd of eigenlijk offerde hij zijn leven voor mij op;

want ik werd ziek, bijna doodziek, en toen de blinde angst iedereen

de vlucht deed nemen, werkte Scipio voor mij met reuzenkrachten en

hield hij mij inderdaad in het leven. Maar, arme kerel! hij werd

terstond daarop aangetast en hij was niet te redden. Ik heb nooit

iemands verlies zwaarder gevoeld."

Eva was langzamerhand al dichter en dichter bij haren vader gekomen,

terwijl hij dit verhaalde, en staarde hem met geopende lippen en

strakke ernstige oogen aan.

Toen hij zweeg sloeg zij eensklaps hare armen om zijnen hals en

barstte in een hartstochtelijk snikken en schreien uit.

"Eva, kindlief, wat scheelt u?" zeide St. Clare, toen hij de teedere

leden van het meisje door hare heftige aandoening voelde schokken en

beven. "Zij moest nooit van zoo iets hooren," voegde hij er bij. "Zij

is zenuwachtig."

"Neen, Papa, ik ben niet zenuwachtig," zeide Eva, zich plotseling

bedwingende met eene kracht van wil, die bij zulk een kind

verwonderlijk was. "Ik ben niet zenuwachtig, maar die dingen zinken

mij in het hart."

"Wat meent gij daarmede, Eva?"

"Dat kan ik u niet zeggen, Papa. Ik heb veel in mijne

gedachten. Misschien zal ik het u wel eens zeggen."

"Wel, denk maar voort, liefje; als gij maar niet schreit en uw papa

ongerust maakt," zeide St. Clare. "Kijk eens hier, zie welk een mooie

perzik ik voor u heb."

Eva nam de perzik en glimlachte, hoewel zich om haar mondje nog een

zenuwachtig trekken vertoonde.

"Kom, laten wij eens naar de goudvischjes gaan zien," zeide St. Clare,

haar bij de hand nemende en naar het binnenplein gaande. Eenige

oogenblikken nog, en men hoorde een vroolijk gelach door de zijden

gordijnen, terwijl Eva en haar vader elkander met rozen gooiden en

langs de paden van het binnenplein naliepen.

Er is gevaar, dat onze nederige vriend Tom onder de aangelegenheden

van hooger geborenen verwaarloosd zal worden, maar als de lezer ons

naar zijn woninkje boven den stal wil vergezellen, zal hij misschien

ook wel iets van zijne zaken vernemen. Het is een knappe kamer, met

een bed, een stoel en een tafeltje, waarop Toms Bijbel en gezangboek

liggen; en daar zit hij nu, met een lei voor zich, bezig met iets

dat hem veel inspanning en nadenken schijnt te kosten.

De zaak was, dat Toms verlangen naar zijne achtergelaten betrekkingen

zoo sterk was geworden, dat hij Eva om een blad schrijfpapier had

gevraagd; en thans den geheelen kleinen voorraad van letterkennis

bijeenzamelende, dien hij door het onderwijs van Jongeheer George

verworven had, vatte hij het stoute voornemen op, om een brief te

gaan schrijven, en was hij nu bezig met op zijne lei het eerste

ontwerp daarvan te maken. Tom was in vrij groote verlegenheid, want

de fatsoenen van sommige letters had hij geheel vergeten, en van die

hij nog onthouden had, wist hij niet recht welke hij gebruiken moest;

en terwijl hij zoo werkte en door zijnen ijver zwaar ademhaalde,

wipte Eva als een vogeltje achter hem op de leuning van zijnen stoel

en bleef over zijnen schouder zitten kijken.

"O, Oom Tom, welke grappige dingetjes maakt ge daar!"

"Ik doe mijn best om aan mijne arme goede vrouw en mijne kleine

kindertjes te schrijven, Jongejuffrouw Eva," zeide Tom, met den rug

zijner hand zijne oogen afvegende; "maar ik vrees dat het toch niet

lukken zal."

"Ik wou dat ik u helpen kon, Tom. Ik heb een beetje leeren

schrijven. Verleden jaar kon ik al de letters maken; maar ik vrees

dat ik het meest vergeten ben!"

Zoo duwde Eva haar krulkopje dicht naast zijn hoofd en de twee begonnen

ernstig te beraadslagen, beiden even ijverig en omtrent even onkundig;

doch met veel overleggen en beraden van ieder woord begon het opstel

eigenlijk toch wezenlijk naar schrift te gelijken.

"Ja, Oom Tom, nu begint het er waarlijk mooi uit te zien," zeide Eva,

er met verrukking naar turende. "Wat zal uwe vrouw blij zijn en uwe

arme kleine kinderen! O, het is schande dat gij ooit van hen vandaan

moest. Ik denk papa eens te vragen om u weder terug te laten gaan."

"Mevrouw heeft gezegd dat zij het geld voor mij zal zenden, zoodra

zij het kan bijeenkrijgen," zeide Tom, "en ik verwacht ook dat zij

het doen zal. Jongeheer George heeft mij gezegd dat hij om mij komen

zou en hij heeft mij dezen dollar tot een teeken daarvan gegeven."

En Tom vertoonde den kostbaren dollar.

"O, dan zal hij zeker komen," zeide Eva. "Wat ben ik blij."

"En ik wilde een brief zenden, weet ge, om haar te laten weten waar

ik ben, en de arme Chloe te zeggen, dat ik het goed heb, omdat zij

zoo schrikkelijk angstig was, arme ziel!"

"Zeg eens, Tom," zeide de stem van St. Clare, die op dit oogenblik

de deur inkwam.

Tom en Eva zagen beiden nu met zekeren schrik op.

"Wat is dat hier?" zeide St. Clare naderkomende en de lei bekijkende.

"O, dat is Tom zijn brief," zeide Eva. "Ik help hem daaraan

schrijven. Is het al niet mooi?"

"Ik wil u geen van beiden den moed benemen," zeide St. Clare, "maar

ik geloof toch haast, Tom, het zou beter zijn als ge mij een brief

voor u liet schrijven. Ik wil het wel doen als ik van mijn rijtoertje

tehuis kom."

"Het is van groot belang dat hij schrijft," zeide Eva, "want zijne

meesteres zal geld zenden om hem los te koopen, weet ge, Papa. Hij

heeft mij gezegd dat zij hem dit gezegd had."

St. Clare hield dit bij zich zelven voor een van die dingen, welke

goedhartige eigenaars hunnen slaven zeggen om hun schrik voor het

verkocht worden te verminderen, zonder dat zij voornemens zijn om de

aldus opgewekte hoop te verwezenlijken. Hij zeide dit echter niet en

beval Tom slechts de paarden te laten voorbrengen om een rijtoertje

te doen.

Dien avond werd er een behoorlijke brief voor Tom geschreven en op

de post bezorgd.

Ophelia volhardde nog in haren arbeid als huishoudster; en in

het geheele huishouden, van Dina af tot den kleinsten jongen toe,

stemden allen daarin overeen, dat Juffrouw Ophelia "raar" was, eene

uitdrukking, waarmede de dienstboden in het Zuiden gewoon zijn aan

te duiden dat hunne meerderen hun niet recht naar den zin zijn.

In den hoogsten huiselijken kring, die uit Adolf, Jane en Rosa bestond,

was men het eens dat zij geene _lady_ was--want _ladies_ werkten nooit

zooals zij deed--en dat zij volstrekt geen _air_ had, weshalve men zich

zeer verwonderde dat zij van de familie der St. Clares zou zijn. Zelfs

Marie verklaarde dat het wezenlijk vermoeiend was nicht Ophelia altijd

zoo druk bezig te zien, en inderdaad was Ophelia's vlijt zoo groot,

dat zij wel eenige reden gaf tot zulk een klacht. Zij naaide en stikte

voort, van den dageraad tot aan de avondschemering, met den ijver van

iemand die door eene dringende noodzakelijkheid wordt aangespoord, en

als dan het licht haar te flauw werd en het naaiwerk opgevouwen was,

kwam het altijd gereede breiwerk te voorschijn, en ging zij weder

haar gang met zooveel ijver als ooit. Het was werkelijk vermoeiend

haar te zien.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TOPSY.

Op een ochtend, toen Ophelia druk aan hare huiselijke bezigheden was,

hoorde zij beneden aan de trap de stem van St. Clare die haar riep:

"Kom eens hier beneden, Nicht! Ik heb u iets te laten zien."

"Wat is het?" zeide Ophelia, met haar werk in de hand afkomende.

"Ik heb iets voor u gekocht--kijk eens," zeide St. Clare, en met deze

woorden duwde hij een negermeisje van acht of negen jaren naar voren.

Zij behoorde onder de zwartsten van haren stam, en hare ronde oogen,

die als glazen kralen glinsterden zwierven met snelle rustelooze

blikken over alles in den omtrek rond. Haar mond, half open van

verbazing over de wonderen in de woning van haren nieuwen meester, liet

twee rijen schitterend witte tanden zien. Haar gekroesd haar was in een

aantal korte staartjes gevlochten, die naar alle kanten uitstaken. De

uitdrukking van haar gezicht was eene zonderlinge mengeling van

schranderheid en loosheid, waarover op eene allervreemdste manier

als het ware een sluier van droevigen ernst en ootmoedigheid lag

gespreid. Zij had niets anders aan dan eene soort van hemd, van

paklinnen gemaakt en zeer vuil en gescheurd, en stond daar stijf en

stil, met gevouwen handen. Over het geheel was er iets zoo wonderlijks

en kabouterachtigs in haar voorkomen--iets zoo "heidensch" gelijk

Ophelia naderhand zeide, dat deze goede juffrouw er van schrikte,

en zich naar St. Clare keerende zeide zij:

"Maar, Augustine, waarvoor in de wereld hebt gij dat schepsel toch

hier gebracht?"

"Wel voor u, om het op te voeden en wat goeds van haar te maken. Ik

vond haar een tamelijk koddig staaltje van het negerras. Hier,

Topsy!" vervolgde hij, fluitende alsof hij een hond wilde waarschuwen

om op te passen, "laat ons een liedje van u hooren en uw dansen

eens zien."

De zwarte oogen glinsterden op eene manier, die tegelijk iets koddigs

en iets akeligs had. Het kleine meisje hief met eene heldere, schelle

stem een koddig negerliedje aan, bracht op de maat daarvan handen

en voeten in beweging, draaide als een tol in het rond, klapte in

de handen, liet de knieën tegen elkander slaan, en perste al die

wonderlijke keelklanken uit haren gorgel, die de muziek van haar

geslacht onderscheiden; eindelijk deed zij een paar luchtsprongen,

en met een lang aangehouden slottoon, zoo onnatuurlijk schel als een

stoomfluitje, kwam ze met een bons op den vloer neer en bleef staan

met gevouwen handen en een gezicht, dat eene schijnheilige ernstigheid

en ootmoedigheid vertoonde, gelogenstraft door de looze blikken,

die zijwaarts uit hare half dichtgeknepen oogen schoten.

Ophelia stond sprakeloos en verstijfd van verbazing.

St. Clare, ondeugend als hij was, scheen zich met hare verbijstering

zeer te vermaken, en het kind wederom aansprekende, zeide hij:

"Topsy, dit is uwe meesteres. Ik geef u nu aan haar over. Pas op,

dat gij u nu wel gedraagt."

"Ja, meester," antwoordde Topsy met gehuichelden ernst, terwijl hare

ondeugend spotachtige oogen flikkerden.

"Gij moet nu braaf oppassen; verstaat gij wel, Topsy?"

"O ja, meester," antwoordde Topsy wederom met dien flikkerenden blik,

terwijl zij hare handen nog ootmoedig gevouwen hield.

"Maar, Augustine, waar op de wereld moet dat nu voor dienen?" zeide

Ophelia. "Uw huis is al zoo vol van die kleine plaaggeesten, dat men

geen voet kan verzetten zonder op een te trappen. Als ik des morgens

opsta, vind ik er een achter de deur, een ander komt met zijn zwart

gezicht onder de tafel uitkijken en een derde ligt op de mat. Zij

maken kuren en grimassen tusschen de leuning van de trap, en rollen

in de keuken over elkander op den vloer; waartoe op de wereld brengt

gij er nu nog een mede?"

"Voor u om op te voeden--heb ik u dat niet gezegd? Gij houdt gedurig

predikatiën over de opvoeding. Ik dacht u daarom eens een nog geheel

onopgevoed negerinnetje te moeten geven, om u uwe kunst te laten

beproeven en haar op te brengen gelijk het behoort."

"Ik voor mij wil haar niet hebben. Ik heb al veel meer met negers te

doen, dan ik zou wenschen."

"Zoo zijt gij, christenen! Gij wilt wel een genootschap oprichten en

een armen zendeling huren om zijn geheele leven onder zulke heidenen

te slijten; maar laat mij eens iemand van u zien, die er een in

zijn huis wil nemen en zelf den last en de moeite hebben van hem te

bekeeren. Neen, als het zoover komen zal, zijn zij te morsig en te

afzichtelijk; het is te veel zorg en zoo voort."

De Negerhut · 第 23 / 44 段