"Welnu, ik ben in zware verzoeking," hervatte St.-Clare. "Dat is

juist de moeielijkheid."

"Maar ik neem mij dan altijd voor om het niet meer te doen en beproef

ook het te laten."

"Welnu, ik heb mij al tien jaren lang voorgenomen het niet meer te

doen," zeide St.-Clare; "maar ik heb mij er toch, hoe dan ook, niet van

af kunnen houden. Zijt gij van al uwe zonden afgekomen, lieve Nicht?"

"Neef Augustine," antwoordde Ophelia en legde haar breiwerk neer. "Ik

zal het zeker wel verdienen dat gij mijne tekortkomingen bestraft. Ik

weet dat het maar al te waar is wat gij zegt, niemand kan dat dieper

gevoelen dan ik; maar het komt mij toch voor dat er eenig verschil is

tusschen u en mij. Ik geloof dat ik liever mijne rechterhand zou willen

afhouwen, dan dag aan dag voortgaan met te doen wat ik voor kwaad

hield. Maar niettemin is mijn gedrag zoo weinig overeenkomstig met

mijne belijdenis, dat het mij niet verwondert dat gij mij bestraft."

"Och kom, Nicht," zeide Augustine, zich voor haar op den grond zettende

en zijn hoofd in haren schoot leggende, "neem het niet zoo geducht

ernstig op! Gij weet wel welk een deugniet van een jongen ik altijd

geweest ben. Ik heb er liefhebberij in om u te plagen en uw toorn

gaande te maken--anders is het niet. Ik weet wel dat gij wanhopig,

ontzettend braaf zijt; ik word er bang van als ik er aan denk."

"Maar dat is een ernstig onderwerp, Auguste, mijn jongen," zeide

Ophelia, hare hand op zijn voorhoofd leggende.

"Akelig ernstig," zeide St.-Clare, "en ik--maar ik praat niet gaarne

ernstig bij warm weder. Met de muskieten en al die dingen gelukt

het iemand toch niet eene heel hooge zedelijke vlucht te nemen; en ik

geloof--daar vind ik eene theorie," zeide hij, eensklaps opstaande. "Ik

begrijp nu de reden, waarom gij Noordelijke natiën altijd deugdzamer

zijt dan wij Zuidelijke, ik begrijp nu de geheele zaak."

"O, Augustine, ge zijt toch een ongelukkig loshoofd."

"Ben ik? Nu ja, het zal wel waar zijn; maar voor eene enkele maal

wil ik toch eens ernstig wezen, als ge mij eerst dat mandje met

sinaasappelen eens aangeeft; want ik moet mij tusschenbeide eens

kunnen verfrisschen, als ik mij zoo zal inspannen. Nu begin ik,"

vervolgde hij, het mandje naar zich toehalende. "Als het in den loop

der wereldsche zaken voor iemand noodig wordt, twee of drie dozijn

van zijne mede-aardwormen in gevangenschap te houden, vereischt een

voegzaam ontzag voor de gevoelens der maatschappij...."

"Ik zie niet dat gij ernstiger wordt," viel Ophelia hierop in.

"Wacht maar--ik kom er toe--gij zult hooren. Om kort te gaan, Nicht,"

zeide hij, terwijl zijn gezicht eensklaps strak en ernstig werd,

"over de slavernij, in het afgetrokkene beschouwd, kan, naar ik

meen, slechts één gevoelen bestaan, planters, die er geld mede

moeten winnen--geestelijken, die planters naar den mond moeten

praten--staatkundigen, die er gezag door willen voeren--mogen de taal

en de zedenleer verdraaien en verwringen, zoodat de wereld verbaasd

staat over hunne schranderheid; zij kunnen de natuur en den Bijbel,

en wat weet ik al meer, in hunnen dienst pressen; maar na dat alles

gelooven zij en de wereld toch geen aasje meer er aan. Het komt van

den duivel, kortaf gezegd, en naar mijn begrip is het een goed proefje

van hetgeen hij in zijn vak doen kan."

Ophelia hield op met breien en zag hem verwonderd aan; St.-Clare,

die zich met hare verbazing zeer scheen te vermaken, vervolgde:

"Gij schijnt u te verwonderen; maar als gij mij wilt laten uitspreken,

zal ik ronduit zeggen wat ik denk. Die vervloekte zaak, vervloekt

door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek

naar hare kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn

broeder Quashy onkundig en zwak en ik schrander en sterk ben--omdat

ik weet hoe ik dat kan doen en de macht heb--daarom mag ik alles

stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als

mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij

is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy

werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy

zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in

een modderpoel leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy

zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op

aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als

mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastebij voor wat de slavernij

_is_. Ik tart iedereen uit om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het

in onze wetten staat, en er iets anders van te maken. Men praat van

_misbruiken_ der slavernij. Draaierij! De zaak zelve is een gruwelijk

misbruik. En de eenige reden waarom het land er niet onder verzinkt,

gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordt _gebruikt_

dan zij is. Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn,

uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet,

durven velen van ons niet--achten wij ons te goed, om de volle macht

te gebruiken die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij

die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate

de macht, die de wet hem geeft."

St.-Clare was opgestaan en ging met haastige schreden op en

neer. Zijn gelaat gloeide door het vurige van zijn gevoel, zijne

blauwe oogen flikkerden, en zonder het zelf te weten maakte hij

heftige gebaren. Ophelia had hem nog nooit in zulk eene stemming

gezien en bleef roerloos zitten, zonder een woord te spreken.

"Ik verklaar u," vervolgde hij, eensklaps voor zijne nicht staan

blijvende--"het baat wel niet wat men over de zaak denkt of zegt, maar

ik verklaar u toch, er zijn oogenblikken geweest waarop ik dacht dat

als het geheele land maar verzonk, en al dat onrecht en die ellende

voor het licht verborg, ik gaarne mede wilde verzinken. Als ik met

onze stoombooten of door het land heen en weder reisde, om slaven op

te koopen, en bedacht dat elken laaghartigen, verdierlijkten kerel,

dien ik zag, door onze wetten werd veroorloofd om de absolute despoot

te worden van zoovele mannen, vrouwen en kinderen als hij voor zijn

met stelen, bedriegen of spelen gewonnen geld kon koopen--als ik

zulke kerels werkelijk eigenaars zag van weerlooze kinderen, van

jonge meisjes en vrouwen--dan was ik op het punt om mijn land, om

het geheele menschdom te vervloeken."

"Augustine! Augustine!" riep Ophelia uit; "nu hebt gij toch zeker

genoeg gezegd. Nog nooit in mijn leven heb ik zoo iets gehoord,

zelfs niet in het Noorden."

"In het Noorden?" herhaalde St.-Clare, terwijl de uitdrukking van

zijn gelaat eensklaps veranderde en hij een zweem van zijn gewonen

onverschilligen toon hernam. "Ba! Gij Noordlanders zijt koud van bloed;

gij zijt koel in alles. Gij kunt niet zoo hartelijk vervloeken als wij,

wanneer wij er eens toe komen."

"Nu, maar de vraag is...." begon Ophelia.

"O ja, zeker," viel St.-Clare er op in, "de vraag is, en eene

lastige vraag is het: Hoe zijt _gij_ in dien staat van zonde en

ellende gekomen? Wel, ik zal u antwoorden met de goede oude woorden,

die gij mij op Zondagen placht te leeren. Ik ben zoo geworden door

de gewone voortplanting des geslachts. Mijne bedienden waren die van

mijnen vader, en wat nog meer is, van mijne moeder, en nu zijn zij de

mijne, zij en hun nakroost, dat al vrij aanzienlijk is. Mijn vader,

gelijk gij weet, kwam uit Nieuw-Engeland; en hij was juist een man

als uw vader--een echte oud-Romein, rechtschapen, vurig, edeldenkend

en met een ijzeren wil. Uw vader vestigde zich in Nieuw-Engeland, om

over rotsen en steenen te heerschen en de natuur zijn onderhoud af te

dwingen; de mijne vestigde zich in Louisiana, om over mannen en vrouwen

te heerschen en hun zijn onderhoud af te dwingen. Mijne moeder,"

vervolgde St.-Clare opstaande en naar een portret gaande, waarnaar hij

met een blik vol teederheid en eerbied opzag: "Zij was goddelijk. Zie

mij maar zoo niet aan: ik weet wel wat gij meent. Waarschijnlijk was

zij van sterfelijke geboorte; maar zooveel ik ooit heb kunnen opmerken,

had zij geen spoor van menschelijke zwakheid of dwaling; en allen die

zich haar nog herinneren, hetzij slaven of vrijen, dienaren, bekenden,

en bloedverwanten, allen zeggen hetzelfde. Welnu, Nicht, die moeder is

alles geweest, wat jarenlang tusschen mij en een volslagen ongeloof

stond. Zij was een aanschouwelijk bewijs van het Nieuwe Testament

voor mij, een levend verschijnsel dat verklaard moest worden, en

dat op geene andere wijs verklaard kon worden dan door de waarheid

dier leer. O moeder, moeder!" riep St.-Clare uit, als in verrukking

zijne gevouwen handen opheffende; en toen zich eensklaps bedwingende,

kwam hij terug, zette zich op de sofa en vervolgde:

"Mijn broeder en ik waren tweelingen; en men zegt, gelijk gij weet,

dat tweelingen op elkander gelijken moeten, maar wij waren in alle

opzichten elkanders contrasten. Hij had zwarte vurige oogen, koolzwart

haar, sterk sprekende Romeinsche trekken en eene bruinachtige kleur;

ik had blauwe oogen, lichtbruin haar, Grieksch profiel en een blanke

kleur. Hij was vriendelijk en edelmoedig voor zijne vrienden en

gelijken; maar trotsch, heerschzuchtig en hard voor zijne minderen,

en geheel onbarmhartig voor alles wat zich tegen hem verzette. Oprecht

waren wij beiden, hij uit trotschheid en onversaagdheid, ik uit zekere

ideale waarheidsliefde. Wij hielden veel van elkander en hadden

toch nu en dan ongenoegen, gelijk het met jongens gewoonlijk gaat;

hij was de lieveling van mijnen vader en ik die van moeder.

"Ik had eene ziekelijke gevoeligheid ten aanzien van vele dingen,

waarvan hij en mijn vader niets begrepen, zoodat zij daarin onmogelijk

met mijn gevoel konden overeenstemmen. Mijne moeder kon dit echter

wel, en wanneer ik dus met Alfred twist had of mijn vader mij barsch

aankeek, placht ik naar mijne moeders kamer te gaan en bij haar te

gaan zitten. Ik herinner mij nog zeer wel hoe zij er altijd uitzag

met hare bleeke wangen, hare zachte, ernstige oogen, en haar wit

kleed--zij droeg altijd wit--en ik placht altijd aan haar te denken

als ik in de Openbaring las van de heiligen, die in fijn linnen,

helder wit, gekleed waren. Zij had veel smaak en talent, inzonderheid

voor de muziek, en zij was gewoon op het orgel de statige muziek der

Katholieke kerk te spelen, en daarbij te zingen met eene stem, welke

meer naar die van een engel dan van eene sterfelijke vrouw geleek;

en dan legde ik dikwijls mijn hoofd in haren schoot, en schreide en

droomde en voelde dingen, waartoe het mij aan woorden ontbrak om ze

te zeggen.

"In die dagen had men de zaak der slavernij nog nooit zoo onderzocht

als nu, niemand droomde dat er eenig kwaad in stak.

"Mijn vader was een geboren aristocraat. Ik denk dat hij in een

vroegeren staat tot de hoogere kringen van geesten moet behoord hebben

en al zijn adeltrots had medegebracht; want die zat hem in het bloed,

hoewel hij van eene arme en volstrekt niet edele familie was. Mijn

broeder was in dit opzicht zijn evenbeeld.

"Nu heeft een aristocraat, gelijk gij weet, de geheele wereld over,

geen menschelijk gevoel voor iets dat buiten zekere maatschappelijke

grenslijn ligt. In Engeland is die grenslijn op zekere plaats

getrokken, in Birma op eene andere en in Amerika weder op eene andere;

maar de aristocraat van al die landen stapt nooit daarover heen. Wat

in zijne eigene klasse eene hardheid, een onrecht of een ongeluk

zou zijn geweest, was in eene andere slechts iets onverschilligs,

dat vanzelf sprak. Mijn vaders grenslijn was die der kleur; _onder

zijns gelijken_ was nooit iemand billijker en edelmoediger; maar

hij beschouwde den neger door alle kleurschakeeringen heen als een

schakel tusschen den mensch en de dieren, en mat al zijne denkbeelden

van recht en billijkheid naar deze onderstelling af. Ik denk wel, als

iemand hem ruiterlijk had gevraagd of zij menschelijke, onsterfelijke

zielen hadden, dat hij dan wel, na wat kuchen en keelschrapen, "ja"

zou gezegd hebben. Maar mijn vader was geen man, die veel last van

nadenken had, en godsdienstig gevoel had hij in het geheel niet,

behalve zekeren eerbied voor God, daar deze toch stellig aan het

hoofd der hoogere klassen stond.

"Welnu, mijn vader had ongeveer vijfhonderd negers aan het werk;

hij was een onbuigzaam, voortvarend, scherp oplettend man van zaken;

alles moest naar een vasten regel gaan, die met onfeilbare stiptheid

in acht genomen moest worden. Als gij nu in aanmerking neemt, dat

er naar zulk een regel gewerkt moest worden door een troep luie,

babbelzieke, onhandige arbeiders, die hun leven lang geen lust,

en ook geene reden hadden gehad om iets anders te leeren dan

"dagdieven," dan zult gij begrijpen dat er op zijne plantage vele

dingen moesten gebeuren, die een gevoelig kind, zooals ik, droevig

en akelig moesten voorkomen. Buitendien had hij een opzichter, een

lange, grove kerel, met zware, forsche vuisten, die eene regelmatige

leerschool van hardheid en ruwheid had doorgegaan en meester in dat

vak was geworden. Mijne moeder kon hem nooit uitstaan, en ik ook

niet; maar mijn vader had hij geheel voor zich ingenomen, en deze

man heerschte dus op het goed als absoluut despoot.

"Ik was toen een kleine jongen, maar ik had reeds dezelfde liefhebberij

voor alle soorten van menschelijke wezens, die ik nu heb--eene soort

van hartstocht om met de menschheid, welke gedaante zij ook dragen

mocht, kennis te maken. Ik was veel in de hutten en onder de arbeiders

op het veld, en was dus natuurlijk een groot gunsteling. Allerlei

grieven en klachten werden mij in het oor gefluisterd en ik vertelde

ze mijne moeder, en wij met ons beiden vormden een soort van commissie

tot herstel van grieven. Wij voorkwamen en verhinderden veel wreedheid,

en streelden ons met de gedachte dat wij veel goeds deden, totdat ik,

gelijk dikwijls gebeurde, in mijnen ijver te veel deed. Stubbs klaagde

aan mijnen vader dat hij het volk niet meer regeeren kon en zijne

betrekking moest neerleggen. Mijn vader was een teeder, inschikkelijk

echtgenoot; maar hij was ook iemand die nooit terugdeinsde voor

iets dat hij noodig achtte; en aldus zette hij zijn voet als een

rots tusschen ons en de veldarbeiders. Hij zeide mijne moeder in

bewoordingen, die zeer minzaam en verschoonend, maar tevens zeer

beslissend waren, dat zij volkomen meesteres over de huisbedienden

zou zijn, maar dat hij geene bemoeiing met de veldarbeiders kon

veroorloven. Hij achtte en beminde haar boven alle levende wezens;

maar hij zou hetzelfde tegen de Maagd Maria hebben gezegd, als zij

zijn regel in den weg gekomen was.

"Ik hoorde mijne moeder wel eens over sommige gevallen met hem

redeneeren en haar best doen om zijn mededoogen op te wekken. Hij

luisterde met de ootmoedigste beleefdheid en kalmte naar de

aandoenlijkste toespraak en antwoordde dan: "Het komt alles

daarop neer: moet ik Stubbs laten gaan of hem houden? Stubbs is de

nauwkeurigheid, de eerlijkheid en de bekwaamheid in eigen persoon,

een man door en door met mijne zaak bekend en zoo menschelijk als de

menschen over het algemeen zijn. Volmaaktheid kan men niet bekomen;

en als ik hem behoud, moet ik zijne administratie als een _geheel_

goedkeuren, al gebeurt er nu en dan iets waarop aanmerking zou

kunnen gemaakt worden. Alle regeering brengt eenige noodzakelijke

hardheid mede. Algemeene regels moeten wel in sommige bijzondere

gevallen hard zijn." Dezen laatsten stelregel scheen mijn vader bij

de meeste omstandigheden, waarin over wreedheid werd geklaagd, voor

alles afdoende te houden. Als hij dit gezegd had, trok hij meestal

zijne voeten op de sofa, gelijk iemand die met zijn werk gedaan heeft,

en schikte zich tot een dutje of tot het lezen van de courant, naar

het te pas kwam.

"De waarheid is dat mijn vader juist die soort van talent bezat,

die een staatsman noodig heeft. Hij had Polen kunnen verdeelen,

even gemakkelijk als men een sinaasappel doorsnijdt; of Ierland

kunnen vertrappen, even bedaard en stelselmatig als iemand op de

wereld. Eindelijk zag mijne moeder wanhopig van alle tusschenkomst

af. Men zal het nooit weten, voordat de laatste verantwoording wordt

afgelegd, wat vele edele en teedere harten gelijk het hare gevoeld

hebben, zoo geheel weerloos geworpen in hetgeen zij een afgrond

van onrecht en wreedheid achten, en wat niemand anders om hen heen

daarvoor houdt. Het leven is een tijd van gedurig lijden geweest

voor zulke harten, in zulk een duivelachtige wereld als de onze. Wat

schoot haar anders over dan hare kinderen in hare eigene begrippen

en gevoelens op te voeden? Nu, met al wat men van de opvoeding zegt,

groeien kinderen toch zelfstandig op tot hetgeen zij van nature reeds

zijn en tot niets anders. Van de wieg af was Alfred een aristocraat;

toen hij opgroeide, namen al zijne neigingen en zijne geheele

denkwijs die richting, en al de vermaningen mijner moeder waren

woorden in den wind. Wat mij betreft, zij maakten een diepen indruk op

mij. Zij sprak nooit uitdrukkelijk iets tegen dat mijn vader zeide,

en scheen nooit ernstig van hem te verschillen; maar zij prentte het

mij met al de kracht van haar edel en vurig gemoed in, zij brandde

het mij in de ziel, dat het laagste menschelijke wezen nog adel en

waarde had. Dikwijls heb ik met plechtig ontzag naar haar opgezien,

als zij des avonds naar de sterren wees en zeide: "Ziedaar, Auguste,

de geringste, verachtste menschelijke ziel op ons goed zal nog leven,

wanneer al die sterren vergaan zijn--zal leven, zoolang als God leeft!"

"Zij had eenige fraaie oude schilderijen, inzonderheid eene van Jezus:

den blinde genezende. Het waren schoone stukken en zij plachten een

diepen indruk op mij te maken. "Ziedaar, Auguste," zeide zij dan wel,

"de blinde was een bedelaar, arm en walgelijk, en daarom wilde Hij

hem niet _uit de verte_ genezen! Hij riep hem naar zich toe en _legde

zijne handen op hem_. Onthoud dit, mijn jongen!" Als ik onder hare zorg

was blijven opgroeien, zou zij mij tot ik weet niet welk enthousiasme

hebben opgewonden. Ik had misschien een heilige, een hervormer, een

martelaar kunnen worden--maar helaas, helaas! Ik moest van haar af

toen ik pas dertien jaar oud was, en ik heb haar nooit weder gezien."

St. Clare liet zijn hoofd in zijne handen zinken en zweeg eene

poos. Eindelijk zag hij weder op en vervolgde:

"Hoe armoedig, laag en ellendig is toch die geheele menschelijke

deugd! Een gevolg grootendeels van geographische lengte, breedte

en ligging, in verband met een natuurlijk temperament! Uw vader,

bij voorbeeld, vestigt zich in Vermont, in eene stad waar allen

inderdaad vrij en gelijk zijn; wordt een deftig lid van de kerk en

ouderling; voegt zich in den loop van den tijd bij het genootschap der

abolitionisten en houdt ons allen voor weinig beter dan heidenen. En

toch is hij duidelijk in karakter en denkwijze een duplicaat

van mijnen vader. Ik zie dat op vijftig verschillende manieren

doorstralen--duidelijk zie ik denzelfden krachtigen, heerschzuchtigen,

aanmatigenden geest. Gij weet wel hoe onmogelijk het is, sommigen

der lieden van uw dorp te doen gelooven dat Mr. Sinclair zich niet

boven hen verheven acht. De waarheid is: dat hij, schoon hij in een

democratischen tijd leeft en eene democratische theorie heeft omhelsd,

in zijn hart een aristocraat is, evengoed als mijn vader, die over

vijf- of zeshonderd slaven gebood."

Ophelia voelde zich wel eenigszins genegen om bedenkingen hiertegen

te maken en legde haar breiwerk neder om te beginnen, maar St. Clare

stuitte haar.

"Ik weet alles wat gij zeggen wilt. Ik weet wel dat zij niet werkelijk

aan elkander gelijk waren. De een kwam in een toestand waarin alles

zijne natuurlijke neigingen tegenwerkte, en de ander in omstandigheden

waarin alles die sterker deed ontwikkelen; en zoo werd de eerste een

tamelijk eigenzinnige, onverbiddelijke, aanmatigende, oude democraat,

de ander een eigenzinnige, onverbiddelijke, oude despoot. Als beiden

nu plantages in Louisiana hadden gehad, zouden zij naar elkander

geleken hebben als twee kogels, in een en denzelfden vorm gegoten."

"Welk een oneerbiedig kind zijt gij toch!" zeide Ophelia.

"Ik meen het niet beleedigend voor hen," zeide St. Clare; "maar gij

weet wel dat eerbiedigheid mijn _fort_ niet is. Maar om weder op

mijne geschiedenis te komen:

"Toen mijn vader stierf, liet hij zijn vermogen na aan ons, zijne

tweelingzonen, om te verdeelen, gelijk wij zelven met elkander zouden

overeenkomen. Er ademt op Gods aarde geen edeler, grootmoediger

mensch dan Alfred, wanneer hij met zijne gelijken te doen heeft,

en wij schikten die verdeeling van eigendom uitmuntend, zonder een

enkel onbroederlijk woord of gewaarwording. Wij namen ons voor, de

plantage te zamen te laten bewerken, en Alfred, wiens gestel tweemaal

zoo sterk was als het mijne, en die veel meer aanleg voor landbouw

en handelszaken bezat, werd met hart en ziel een planter.

"Wat mij betreft, een proeftijd van twee jaren overtuigde mij dat ik

in die zaak geen deelgenoot kon blijven. Een troep van zevenhonderd

slaven, die ik niet persoonlijk kon kennen en in wie ik geen

persoonlijk belang kon stellen, als zoovele ossen te laten opkoopen,

voortjagen, stallen, voeden en werken,--terwijl de vraag: hoe weinig

van de meest gewone genietingen des levens voldoende waren om hen tot

werken in staat te houden, gedurig opnieuw moest overlegd worden; en de

noodzakelijkheid van opzichters en drijvers, met hunne eeuwige zweep,

de eerste en de laatste, de eenige reden voor alles was--dat geheele

ding was mij onuitstaanbaar verdrietig en walgelijk;--en als ik dacht

aan de waarde die mijn goede moeder aan eene enkele menschelijke ziel

had toegekend, werd het zelfs schrikkelijk voor mij.

"Het is onzin, naar mijn begrip, te willen zeggen dat slaven met dat

alles weltevreden zijn. Ik heb nooit de wartaal kunnen uitstaan, die

sommigen van uwe Noordlanders, onze vrienden, hebben bijeengelapt om

onze zonden te verschoonen. Wij weten het allen wel beter. Zeg mij dat

er iemand op de wereld is, die al de dagen van zijn leven, van den

dageraad tot den avond, onder het scherpziende oog van een meester

verlangt te werken, zonder in eenig opzicht zijn eigen wil te mogen

doen, altijd aan denzelfden vervelenden, eentonigen arbeid, en dat

alles voor twee broeken en twee paar schoenen in het jaar, met juist

genoeg voedsel en huisvesting om hem tot werken in staat te houden;

iemand die denkt dat menschelijke wezens op die manier nagenoeg even

weltevreden kunnen zijn als op eenige andere--ik wenschte dat hij het

eens beproefde! Ik zou den hond koopen en hem met een gerust geweten

als slaaf gebruiken."

"Ik heb altijd gemeend," zeide Ophelia, "dat gij allen met die dingen

tevreden waart en ze voor recht hieldt--volgens de Schrift."

"Praatjes! Zoover zijn wij nog niet heen. Alfred, die zulk een

onverbiddelijke despoot is als er nog ooit leefde, wil zich niet met

zulk eene verdediging behelpen. Neen, hij beroept zich trotsch en

stout op dat oude eerwaardige recht, het recht van den sterkste; en

hij zegt--en ik geloof met reden--dat de Amerikaansche planter alleen

maar datgene in een anderen vorm doet, wat de Engelsche aristocraten

en kapitalisten met de lagere klassen doen; en dat is naar ik meen: ze

zich toeëigenen met lichaam en ziel, om ze tot hun voordeel en genoegen

te gebruiken. Hij verdedigt beiden--en mij dunkt dat hij daarin ten

minste consequent is. Hij zegt dat er geen trap van beschaving kan

bestaan, zonder dat de massa's, hetzij uitdrukkelijk en in naam,

hetzij toch inderdaad, slaven zijn. Er moet, zegt hij, eene lagere

klasse wezen, die aan lichamelijken arbeid gebonden is en slechts eene

dierlijke natuur heeft: en eene hoogere, die daardoor middelen en tijd

bekomt om haar verstand te ontwikkelen en hare talenten te volmaken,

waarmede zij tevens de ziel en beheerscheres der lagere wordt. Zoo

redeneert hij, omdat hij, gelijk ik zeide, een geboren aristocraat is;

en ik geloof het dus niet, omdat ik een democraat geboren ben."

"Hoe in de wereld kunnen die twee dingen met elkander vergeleken

worden?" zeide Ophelia. "De Engelsche arbeider wordt immers niet

verkocht en verhandeld, niet van zijne familie gescheiden, niet

gegeeseld?"

De Negerhut · 第 22 / 44 段